Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (5)

Letters, poëzie en perkament 

Voor Alessandro Di Meo

De Schelde

En deze is bleek en licht, bewust en breed van borst
en in haar leen’ge greep hutselt zij zon en vorst.
En die heeft uitgestald tusschen haar sombre zoomen
een tuin, waarin de maan kan sprankelen of droomen
[…].1

Ach, heerlijk, zulke poëzie, maar wie leest die tegenwoordig nog? Natuurlijk, het is waar, wie schrijft, die blijft, en wat blijft, dat stiften die Dichter, maar voor alle aardse stervelingen die geen Hölderlin zijn, geldt vroeger of later hetzelfde, onverbiddelijke adagium: ‘Sic gloria transit mundi’, ‘Zo vergaat de roem van de wereld’. Het werk van Emile Verhaeren, bijvoorbeeld, de Vlaamse dichter van bovenstaande verzen, wordt inderdaad nauwelijks meer gelezen. Men vindt het al snel te ouderwets, te larmoyant. Voor de Noordelijke Nederlanden is dat sowieso niet vreemd: na diens onverwachte overlijden in 1916 duurde het precies honderd jaar voordat er een fatsoenlijk vertaalde selectie uit zijn Franstalige poëzie werd gepubliceerd. Toch was ook Verhaeren ooit wereldberoemd. Onder zijn vele vrienden bevonden zich kunstenaars als Ensor, Rilke, Maeterlinck, Rodin, Stefan Zweig en Henry Van de Velde. Zijn poëzie werd in allerlei Europese talen uitgebracht, publiekelijk gedeclameerd, veelvuldig geïllustreerd en van moderne muziek voorzien. In 1911 greep hij net naast de Nobelprijs voor Literatuur (die ging naar een land- en taalgenoot, Maurice Maeterlinck). Nog veel later, in 1966, vond een bezorger van zijn gedichten dat deze getuigden van een ‘wilde, oerkrachtige originaliteit’, terwijl een andere liefhebber de ‘overweldigende zinnelijkheid’ en ‘exuberante levensgulzigheid’ ervan roemde. Van loftuitingen als deze kon Verhaeren in zijn jongere jaren alleen maar dromen. Tot zijn veertigste leed hij regelmatig aan verlammende depressies, of, zoals het destijds heette, neurasthenie, een gemoedsgesteldheid die Gerard Reve-liefhebbers ongetwijfeld nog kennen van De Cocks De kleine neurasthenicus uit 1922. Dat al te fijne gevoelen sijpelde, behalve in absint, het liefst door in zwarte, zwaarmoedige, inderdaad gedateerde, maar ook heerlijk zwelgende gedichten, gebloemleesd in bundels met titels als Les Soirs (1888), Les Débâcles (1888) en Flambeaux noirs (1891). Ze laten zien hoezeer Verhaeren geïnspireerd werd door de toenmalige ‘poètes maudits’, met rebellen zoals zijn vriend Mallarmé, en Verlaine en Rimbaud.

[…] Mijn vingers die me, op deze gure avond, schrijven                                                                En – alle tien – op mijn borstkas zullen verstijven,                                                                 Wanneer het door een stalen kist wordt stukgesmakt,                                                                  Dit walgelijk karkas dat nu al knakt.2

Later, toen hij de liefde van zijn leven tegenkwam en toch maar besloot gewoon te trouwen, ging het steeds beter met hem. Zijn zwartgalligheid verdween, allerlei levenslustige poëzie borrelde op. Hij werd ook steeds deugdzamer. Op het einde van zijn leven was hij van een anarchistisch angehauchte en soms opiumsnuivende neurasthenicus omhooggevallen naar een nuchter, alom gerespecteerd, veelvuldig gelauwerd, nationalistisch en openlijk koningsgezind Hofdichter. Een postuum ontworpen praalgraf vormt de gemarmerde bekroning van zijn roem, een niet ongebruikelijk lot van nogal wat voormalige ‘enfants terribles’.

[…] De liefde…O! zij worde’ uit-eindelijk
De een’ge zin in ’t eenigst helder schouwen
Voor ons, die dwaas …wier dronkene geluk                                                                                      Is dronken zijn van wederzijds vertrouwen.3

Toch vormt Verhaerens poëzie niet de reden tot het schrijven van dit artikel. De aanleiding daartoe is een heel andere, en heeft niet zozeer met haar inhoud, maar met de vorm ervan te maken (een onderscheid dat iemand als Vladimir Nabokov overigens belachelijk zou hebben gevonden). Als de gedichten van Verhaeren nog gelezen worden, dan is dat vaak om hun fysieke kwaliteiten, hun bibliofilie, en die kan inderdaad spectaculair zijn. Eén oudere uitgave springt daarbij in het oog. Rond 1929, lang na het overlijden van de toen nog altijd populaire dichter, werd in de stad Luik de Union liégeoise du Livre et de l’Estampe opgericht. Deze exclusieve club, voorgezeten door de bankier Adrien de Mélotte de Lavaux, bestond uit slechts vijfenzeventig leden (mannen, als vanzelfsprekend). Het genootschap was bedoeld als tegenhanger van de aloude, maar volgens De Mélotte veel te trage en ouderwetse Société des Bibliophiles liégeois. Al in het jaar daarop publiceerde de Union met behulp van de industrieel Alfred Dieudonné Ancion een bundel met achtendertig van de volgens hen mooiste gedichten uit het werk van Verhaeren. De uitgave betrof geen gewone oplage, maar, noblesse oblige, een zeer beperkte, begin januari 1930 gepland in 81, eind december van dat jaar vermeerderd tot 83 exemplaren. Volgens het colofon werden er 76 in gewone vorm uitgegeven, dat wil zeggen, gebrocheerd, dus met een relatief kwetsbare ‘slappe kaft’. Eén daarvan werd gereserveerd voor de toenmalige moederorganisatie van de Union, de Luikse Société libre d’Émulation. Het is lastig te zeggen hoeveel exemplaren er anno 2019 nog over zijn. Los van onbekende aantallen in privé-verzamelingen, vermeldt de wereldomvattende WorldCat.org er nauwelijks tien. Naast deze toch al zeldzame ‘gewone’ en van 0 t/m 75 genummerde exemplaren, blijken er ook zeven ongenummerde te bestaan, specifiek op naam gesteld van de betreffende ‘collaborateurs et d’exposition’. En alsof dat niet uitzonderlijk genoeg is, moet er van deze zeven ooit minstens één in glanzend, crèmekleurig volperkament gebonden zijn, want juist zo’n exemplaar heb ik hier nu in mijn handen.

Het exemplaar blijkt bedoeld voor Le Mercure de France, de Parijse uitgever van het gelijknamige literatuurtijdschrift. De eigenaar ervan, Alfred Vallette, was niet alleen een jeugdvriend van Verhaeren geweest, maar al tientallen jaren tevens de bezorger van diens complete werken. Deze loyaliteit aan de dichter en zijn werk verklaart dan ook waarom Vallette zich in 1930 intensief bemoeide met de postume publicatie van diens Poèmes, met als dank het ontvangen van onderhavig, door hemzelf via Enschedé aan de Union verzochte exemplaar. Hoewel uitgegeven in Luik, blijkt het gedrukt in Haarlem. Dat klinkt onpraktisch, maar in die stad bevond zich destijds de firma Joh. Enschedé en Zonen, wereldvermaard om haar klassiek verzorgde drukwerk. Geschreven door Verhaeren, gedrukt door Enschedé, uitgegeven door de Luikse bibliofielen, maar wie heeft Poèmes dan ontworpen? Het colofon is weliswaar anoniem, de majestueuze vormgeving ervan draagt onmiskenbaar de naam van haar maker: Jan van Krimpen, destijds ‘huisontwerper’ van Enschedé. Deze in Gouda geboren Haarlemmer zou al snel een van de beroemdste typografen van zijn tijd worden. De 1930-‘Verhaeren’, uitgekomen in december van dat jaar, is waarschijnlijk de laatste publicatie uit diens zelfbenoemde ‘early period’, en tevens een van de mooiste voorbeelden van vroeg-twintigste-eeuwse ‘typographie pure’. Het gebruikte lettertype is Van Krimpens eigen Lutetia (oude versie). Dit beroemde ontwerp was in 1925 op verzoek van uitgever A.A.M. Stols ingezonden voor de wereldtentoonstelling te Parijs, vandaar de naam. Al eerder had Van Krimpen een in de Lutetia gezette tekst over Verhaeren vervaardigd. Dat betrof Paul Valéry’s Discours sur Émile Verhaeren, in 1928 op ‘Japans’ (een papiersoort) gedrukt in 320 exemplaren bij Stols te Maastricht. De tekst was geschreven voor de inauguratie van een buste van de destijds ook in Frankrijk nog geliefde Verhaeren op Square André-Lefèvre, midden in het Parijse Quartier Latin. In 1929 verscheen nog het eveneens door Van Krimpen gezette openingswoord voor een Enschedé-tentoonstelling in het stadspaleis Ansembourg te Luik, Discours prononcé à la L’Inauguration de l’Exposition Joh. Enschedé en Zonen de Haarlem au Musée d’Ansembourg à Liège. De tekst was niet alleen geschreven, maar eerder ook uitgesproken door De Mélotte, de al genoemde oprichter van het Luikse bibliofielengenootschap. Kennelijk waren Van Krimpens sociale vaardigheden toen al berucht: op de opening van de tentoonstelling scheen hij zich wegens een door De Mélotte nogal ironisch verwoord ‘sentiment exageré de délicatesse’ verhinderd gevoeld te hebben zelf te komen praten. Ondanks dit soort kittelorig gedrag zullen Van Krimpens Luikse contacten ervoor gezorgd hebben dat hij in het jaar daarop bij Enschedé de prestigieuze Poèmes kon vormgeven.

[…] Hoe goed is ’t werk bij ’t raam, geheven,                                                                                     De schaduw van het bladerbeven                                                                                                       Ent wandelende zonnezwier                                                                                                           Op ’t vermiljoen papier.4

Iedereen die zo gelukkig is om een Poèmes-blad in het echte, stralende ‘zonnezwier’ te mogen houden, zal kunnen zien dat het papier ervan speciaal voor de uitgave is vervaardigd. Eén van de twee watermerken bevat namelijk het strak ontworpen logo van de Union liégeoise du Livre et de l’Estampe, U.L.L.E. (het andere geeft een gestileerde Jezus-kop weer). Het stevige, onafgesneden papier zelf is afkomstig van de beroemde Engelse firma J. Barcham Green. Daarnaast zijn de initialen van alle afzonderlijke gedichten zorgvuldig in druk gerubriceerd (in rood opgemaakt), zoals ooit in middeleeuwse manuscripten door kopiisten met de hand werd gedaan. Op de rug en het voorplat van de forse band (32 x 25 cm) is in zwarte inkt de titel gedrukt, iets wat bij een relatief hard en glad materiaal als perkament niet vaak voorkomt (het resultaat is dan ook geen onverdeeld succes). Alles bij elkaar moet de uitgave een prijzige aangelegenheid zijn geweest. Alleen al aan auteursrechten betaalde de Union ff 2400,- aan de weduwe van Verhaeren, zo’n anderhalfduizend euro. Maar echte bibliofielen laten zich niet kennen: als om de futiliteit van dat soort pecuniaire verplichtingen onverbloemd te laten, of zelfs te benadrukken, zijn twintig van de eerste en laatste pagina’s van de kostbare vellen Barcham Green-papier geheel onbedrukt gebleven. Een zee van maagdelijk wit is het resultaat. Ware bibliofilie kun je zelfs horen: bij het voorzichtig omslaan ervan ruisen en ritselen de ongerepte bladen… Volgens Jan van der Marck, de bekende, in 2010 overleden verzamelaar van bibliofiele boeken, was de 1930-Poèmes dan ook een van de ‘favourite’ titels uit zijn toch al rijke collectie. Maar het kan nòg bibliofielerer, zoals Alice gezegd zou hebben: in het Noord-Hollands Archief te Haarlem wordt een exemplaar van Poèmes bewaard dat weliswaar ongenummerd is en dus tot de kleinste oplage behoort, maar toch in de eenvoudige papieren omslag is gestoken, wat betekent dat mijn eigen, ooit voor Le Mercure de France in perkament gebonden exemplaar daadwerkelijk uniek kan zijn.Uniek of niet, het blijft een wonder dat ik zo’n spectaculair boek in mijn handen mag houden. Dat geluk dank ik trouwens niet aan mijzelf. Eén van mijn vrienden, een jonge freelance postbezorger, wist kortgeleden juist dit exemplaar te vinden, te verwerven, en vervolgens franco bij mij thuis af te leveren – een opmerkelijk staaltje postale dienstverlening. Dit artikel is dan ook in grote dankbaarheid aan hem opgedragen. Wat kan ons deren, zolang er onzelfzuchtige boekenliefhebbers bestaan zoals hij? Ach, er wordt tegenwoordig vaak geklaagd dat er in de zelf steeds schaarser wordende antiquariaten of op het alsmaar uitdijende en dus oneindig verdunnende internet niets moois meer te vinden zou zijn. Het is gemakzuchtig geklets, en, ondanks het piepjonge internet, van alle tijden. Want als er, los van onbetaalbare vriendschap, anno 2019, zomaar, tussen alle drukke dagelijkse werkzaamheden door, voor een relatieve spotprijs zoiets zeldzaams als een originele, ooit in Haarlem op Engels handgeschept papier gedrukte, in Luik uitgegeven, naar Parijs meegenomen of daarheen opgestuurde en via allerlei obscure wegen tenslotte in de provinciestad Amersfoort terechtgekomen Van Krimpen-‘Verhaeren’ uit 1930 met filigrein bedekte schutbladen (zie afbeelding) in perkamenten platten te vinden is, wat voor prachtigs wacht er dan verder nog op ontdekking in deze wereld, die, zoals de laatst overgebleven Verhaeren-lezers weten, altijd vol van schatten is, als men die maar durft te zien?

[…] De hele wereld is de tuin van de Hesperiden                                                                      Waar men tussen getorste bomen, eeuwenoud,                                                                                Met driftige armen en met handen lucide                                                                                          De kracht, de kennis plukt, de wil, het goud.5

David Apollonius Coppoolse

(Met dank aan An Duits voor haar altijd zinnige kritiek en eindeloze geduld, aan Barteline Swilders voor haar nauwgezette taalkundige adviezen, aan Uitgeverij Lannoo voor haar toestemming de fraaie vertalingen van Koen Stassijns te mogen gebruiken, aan het Noord-Hollands Archief te Haarlem voor het ter beschikking stellen van de correspondentie tussen Vallette, De Mélotte en Messieurs Joh. Enschedé en Zonen, en aan de immer hulpvaardige Johan de Zoete, voormalig conservator van de Collectie Kon. Joh. Enschedé, voor het mij attent maken op deze briefwisseling.)
p.s. Bij het ‘ter perse’ gaan van dit artikel bleek dat Verhaeren, in elk geval in Vlaanderen, toch niet helemaal vergeten is: bij de Leuvense uitgeverij P verschenen kortgeleden maar liefst twee vertaalde dichtbundels van hem, Prille liefdes en Heerlijk lijf; inmiddels zijn bij deze onvolprezen poëzie-uitgever zes complete Verhaeren-titels in het Nederlands verkrijgbaar.
Noten:
♣ 1) ‘De Schelde’ (‘L’Escaut’): ‘Et celui-ci puissant, compact, pâle et vermeil, / Remue, en ses mains d’eau, du gel et du soleil; / Et celui-là étale, entre ses rives brunes, / Un jardin sombre et clair pour les jeux de la lune […].’, uit Les héros (1908), vert. Beversluis (1940; de geëxalteerdheid van deze vertalingen is wellicht te wijten aan het feit dat deze zo’n tien jaar eerder als teksten op de radio ten gehore waren gebracht); ♣ 2) ‘Mijn vingers’ (‘Mes doigts’): […] ‘Mes doigts, qui m’écrivez, ce soir de rauque hiver, / Quand vous serez noués – les dix – sur ma carcasse / Et que s’écrasera sous un cercueil de fer / Cette ordre carcasse, qui déjà casse.’, uit Les débâcles (1888), vert. Stassijns (2016); 3) ‘De lichte uren XXVII’ (‘Les heures claires XXVII’): […] ‘L’amour, oh ! qu’il nous soit la clairvoyance / Unique, et l’unique raison du cœur, / À nous, dont le plus fol bonheur / Est d’être fous de confiance.’, uit Les Heures Claires (1896), vert. Beversluis (1940); 4) ‘De middaguren IX’ (‘Les heures claires IX’): […] ‘l’ombre des feuilles vertes / Et le voyage du soleil / Sur le papier vermeil […].’, uit Les heures de l’après-midi (1905), deels vert. Beversluis (1940); 5) ‘Mijn ras’ (‘Ma Race’): […] ‘Le monde entier est ce jardin des Hespérides / Où vous cueillez, parmi de arbres tors, / Avec des bras fougeux, avec des mains torrides, / La force et le savoir, la volonté et l’or.’, uit Les forces tumulteuses (1902), vert. Stassijns (2016); het afgebeelde olieverfportret van Verhaeren is van de hand van zijn vriend Théo Rysselberghe en stamt uit 1921.
Literatuur:
[anon.] Adieu Æsthetica & mooie pagina’s! Jan van Krimpen en het ‘schoone boek’. Letterontwerper & boekverzorger 1892-1958. Amsterdam / Den Haag / Haarlem: Museum van het Boek / Uitgeverij De Buitenkant / Museum Enschedé, 1995.
Barnard, B.: Dichters van het Avondland. Amsterdam / Antwerpen: Uitgeverij Atlas, 2006.
(Bloomsbury) Distinguished Typography from the Library of Jan van der Marck. London: Bloomsbury Auctions, 2009.
Buijnsters, P.J.: Geschiedenis van antiquariaat en bibliofilie in België (1830-2012). Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2013.
Dijk, C. van: Alexandre A.M. Stols 1900-1973 Uitgever / Typograaf Een documentatie. Zutphen: Walburg Pers, 1992.
Dreyfus, J.: The Work of Jan van Krimpen. A Record in Honour of his Sixtieth Birthday. With a Foreword by Stanley Morison. Haarlem: Joh. Enschedé en Zonen / Utrecht: W. de Haan, 1952.
Friedrichs, John (Greenboathouse Press): ‘Preliminary Checklist. The Early Work of Jan van Krimpen. [laatste update 2011]’ (website: http://home.planet.nl/~johnf/home.html; overigens schijnt Friedrichs juist de 1930-Verhaeren niet te kennen).
Krimpen, J. van: On Designing and Devising Type. New York / Haarlem: The Typophiles / Tjeenk Willink & Zoon, 1957 [vertaald als Jan van Krimpen over het ontwerpen en bedenken van drukletters, Amsterdam: De Buitenkant, 1990].
Mélotte, M.A. de: Discours prononcé à la L’Inauguration de l’Exposition Joh. Enschedé en Zonen de Haarlem au Musée d’Ansembourg à Liège. Haarlem: Joh. Enschedé en Zonen, [12 mai] 1929 [300 exemplaren, gedrukt in de Lutetia].
Noord-Hollands Archief, Haarlem: correspondentie betreffende de 1930-Verhaeren uitgave tussen de Firma Enschedé, Baron Ancion en De Mélotte namens de Union liégeoise du Livre et de l’Estampe, en Vallette namens Le Mercure de France en Mme Verhaeren (archiefdoos E248/10, inv. nr HBA 11.207).
Verhaeren, E.: Poèmes. Liège: Union liégeoise du Livre et de l’Estampe [gedrukt door Enschedé, Haarlem], 1930.
Verhaeren, E: Een bloemlezing uit zijn gedichten vertaald in Nederlandsche verzen door Martien Beversluis. ‘s-Gravenhage: Coöperatief Uitgevers-Bedrijf U.A., 1940.
Verhaeren, E.: Gedichten. Lier: De bladen voor de poëzie, 1966 [met de oude vertalingen van Beversluis].
Verhaeren, E.: Veerman [inleiding, keuze en vertaling Koen Stassijns]. Tielt: Lannoo, [2016].
Geplaatst in Bibliofilie, Boekwetenschap | Tags: , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (4)

Bibliofielen, bibliotheken en bibliomanen

Boeken verlichten het hart, spiegelen het lichaam, leren goede eigenschappen aan en verdrijven de foute, zijn een kroon voor verstandige mensen, reisgenoten onderweg en vrienden thuis, vrolijken je op als je ziek op bed ligt, en zijn de collega en raadgever voor bestuurders. Ze zijn een vat vol uitdrukkingen, een tuin vol vruchten, een veld vol bloemen, een schatkamer van souvenirs, een leven vol herinneringen. Als je ze roept, komen ze aangesneld, als je ze laat komen, haasten ze zich. Ze zijn altijd beschikbaar nooit ongehoorzaam. Als je ze iets vraagt, geven ze meteen antwoord, onthullen wat geheim is, werpen licht op wat duister is, maken duidelijk wat dubbelzinnig is, ontrafelen wat verward is. (Lucas Da Penna (Napels, ca 1325– ’90), in Daniel Georg Morhof, Polyhistor sive de notitia autorum et rerum […] (Lübeck 1688), lib. 1 kap. 3 (‘De Re Bibliothecaria’) pag. 27)

Voor Alessandro Di Meo

Bibliofielen zijn net mensen. Ze komen voor in alle soorten en maten, van voorzichtige novieten en onschuldig ogende liefhebbers tot schaamteloze, onverzadigbare bibliomanen. Hun verzamelwoede kan allerlei onderwerpen treffen, maar als het om originele manuscripten ging was Thomas Phillipps (1792-1872) de fanatiekste van allemaal. Deze Engelse landjonker, een kleurrijke figuur die zo uit een Dickens-roman weggelopen had kunnen zijn, bleek op het einde van zijn leven tussen de zestig- en honderdduizend handschriften bijeengebracht te hebben, met een schattingsmarge die typerend is voor de onvoorstelbare hoeveelheid ervan. Voor Sir Thomas was dat echter niet voldoende. Hij verzamelde ook ‘gewone’, dat wil zeggen, gedrukte, boeken, liefst en bloc gekocht, evenals historische gravures, schilderijen, tekeningen, schetsen, beschreven perkament, plantengidsen, papierfragmenten, historische handleidingen, brochures, losse bladen, couranten, vlugschriften, schoenencatalogi, advertenties en verder elk ander soort efemeer drukwerk dat hij maar kon vinden, alles volgepropt in de tientallen kamers, kelders en zolderruimtes die zijn twee opeenvolgende landhuizen rijk waren. De onderhandse verkopen en openbare veilingen die zijn erfgenamen organiseerden werden pas dertig jaar geleden afgesloten, meer dan een eeuw na zijn overlijden. Sir Thomas is dan ook berucht geworden om de uitspraak dat hij van elk boek op de wereld één exemplaar wilde bezitten. Om het in zijn eigen woorden te zeggen, geschreven aan de reisschrijver Robert Curzon, een van de weinigen die vriendschappelijk met hem opgeschoten schijnt te kunnen hebben: ‘I am buying Printed Books because I wish to have one Copy of every Book in the World!!!!! [cursivering, kapitalen en uitroeptekens van de baronet]’. Het zal niet verbazen dat hij voor respectievelijk zijn vader, echtgenotes, dochters, schoonzonen en schuldeisers een steeds grotere verschrikking werd. Voor zijn bibliotheek was die geobsedeerdheid natuurlijk juist een zegen.

Als geen van zijn tijdgenoten realiseerde Sir Thomas zich dat manuscripten per definitie uniek zijn. Om in elk geval de teksten ervan veilig te stellen, probeerde hij zijn eigen handgeschreven schatten dan ook zo vaak mogelijk te reproduceren. Alleen mocht dat niets kosten: op alle andere gebieden dan perkament was hij een meestal genadeloze vrek. In de massieve uitkijktoren op het landgoed van zijn huis te Middle Hill, Worcestershire, zette hij vanaf de jaren ’20 verschillende jongens uit de buurt aan het werk, om die in de koude, donkere en klamme omgeving de vaak broze en slecht leesbare manuscripten (veelal over genealogie, zijn lievelingsonderwerp) in allerlei soorten lithografische en destijds nieuwe anastatische druktechnieken te laten vermenigvuldigen. De werkplaats was daarmee een van de eerste ‘private presses’ in Engeland. Dat klinkt veelbelovend, maar de meeste jongens hielden het er niet lang uit. Voor hun verdiensten betaalde Sir Thomas natuurlijk zo weinig mogelijk, sowieso te laat, en dan nog vaak pas onder juridische dwang. Het liefst betaalde hij helemaal niet, ondanks het feit dat hij van de jongens verlangde dat ze, onder andere, Engels, Grieks, Saksisch, Latijn, Frans, Duits, Perzisch, Arabisch en middeleeuwse Domesday-karakters konden zetten. Toch zijn er van de Medio-Montanis (ook wel Montana)-pers honderden kleine en grote uitgaven bekend, alle in minieme oplagen gedrukt, uiterst sober vormgegeven en voorzien van de goedkoopste, meest armzalige papieren omslagjes die de jongens tussen alle drukproeven en weggegooide rommel maar konden vinden (zie afbeeldingen, alle eigen collectie). Met horten en stoten zou de pers bijna een halve eeuw in gebruik blijven.

Sir Thomas produceerde zelf ook handschriften, namelijk brieven. Dat waren zeker niet allemaal onschuldige kattebelletjes. Als het hem uitkwam, kon hij aardig en zelfs gastvrij zijn (dat geldt zeker niet voor elke bibliofiel), maar in zijn geschreven teksten openbaarde zich regelmatig de maniakale kant van zijn passie voor boeken. Of die filippica’s nu waren gericht tegen museumdirecteuren, potentiële schoonouders, in financiële nood geraakte familieleden, medebibliofielen, wanhopige antiquaren of, vooral, aanhangers van het door hem verafschuwde paapse geloof, bij het lezen ervan borrelt al te vaak een plaatsvervangende schaamte op. Eigenlijk is het een wonder dat er van al die ongevraagde epistels überhaupt exemplaren bewaard zijn gebleven. Kortgeleden kwam er weer een boven water, op een boekenveiling in Engeland. Deze brief, dit keer een sympathieke, is gericht aan een zekere Thomas Bond:

                                                                                                        Middle Hill 15 Feb 1840

My dear Sir,

I have now found the references to the Amundaville Pedigree. They are MSS Lansdown 260 [‘/161’ in een andere hand in potlood erbij geschreven] MSS Harl 2044. I have another reference somewhere with the Marriage of one about the time of Hen[ry]. 1st but this I have not yet found. I hope to see you next week, as I intend to be in Town on Monday if possible. Believe me Yours truly Thos Phillipps                                                    Thos Bond Esqr                                                                    Fig. Tree […] Pedigree [?]

Het blijkt te gaan om enkele documenten over de familie Amundaville (Amundevell), een eeuwenoud geslacht, gerelateerd aan de beroemde Mandevilles. Beide zijn van Franse oorsprong. In de rechtermarge van de brief (in een ander handschrift dan dat van Sir Thomas) is een korte stamboom van de Amundevells getekend, wellicht opgesteld door een van de jongens, of door Bond zelf. Helaas is het niet gelukt te achterhalen wie deze ‘Esqr’ was. Ook in de uitputtende, vijfdelige Phillipps Studies van A.N.L. Munby wordt zijn (nogal generieke) naam nergens genoemd. Kennelijk ging het om een jonkheer uit de omgeving die Sir Thomas goed genoeg kende om te hopen hem later ‘in Town’ (Worcester?) te ontmoeten en die, net als hijzelf, in lokale genealogie was geïnteresseerd. Overigens is de identiteit van een veel latere eigenaar van de brief wel bekend. Dat betreft James Stevens-Cox, de in 1997 op zevenentachtigjarige leeftijd overleden ex-pruikenmaker, bijenhouder, muntenverzamelaar en trotse bezitter van minstens vijftigduizend boeken. Op de twee veilingen van de zeldzaamste daarvan werden vooral zestiende- en zeventiende-eeuwse werken aangeboden. Hoewel Victoriaanse verzameldrift dus niet zijn specialisme was, moet hij op de een of andere manier de brief van Thomas Phillipps uit de nalatenschap van de Bond-familie in zijn bezit hebben gekregen, wellicht uit fascinatie voor diens al bij leven beruchte bibliomanie. 

Zo nauwgezet als Stevens-Cox oude drukken verzamelde, zo chaotisch was het in de brief gebruikte catalogussysteem van de baronet zelf. De lijsten van de Middle Hill-manuscripten (volgens Munby wellicht ‘the rarest and most interesting example of this class of literature’) zijn sowieso niet alleen lastig te lezen, ze zijn ook hopeloos incompleet, iets wat de maker ervan ruiterlijk toegaf. Geen enkel handgeschreven of zelfs gedrukt exemplaar is gelijk aan een ander. De ene beschrijving is veel te kort, de andere veel te lang, een derde telt op één nummer tientallen goedkope pamfletjes, een vierde vermeldt zomaar een uniek en kostbaar middeleeuws getijdenboek. Achteraf bleken honderden manuscripten überhaupt verkeerd te zijn gelabeld. De laatste lijsten (inclusief vele, door elkaar heen lopende supplementen) vermelden ruim twintigduizend nummers, terwijl er toen al minstens tweemaal zoveel manuscripten waren. De in de brief genoemde ‘Lansdown 260 /161′ en ‘Harl 2044′ zijn dan ook niet zo gemakkelijk te identificeren. Bij het laatste nummer zou het volgens Sir Thomas gaan om een archiefstuk dat via een vrouwelijke nazaat afkomstig was uit de bibliotheek van de beroemde Georgiaanse verzamelaars Harley, vader en zoon. In elk geval is het geen wonder dat de baronet, die de onafzienbare bibliotheek helemaal in zijn eentje beheerde, even moest zoeken naar de teksten waar Thomas Bond om vroeg.

Met de brief is nòg iets bijzonders aan de hand. Sterker, juist dat vormt de aanleiding tot het schrijven van dit artikel. Ik heb hem namelijk zelf in handen, hier, in Amersfoort, in mijn eigen bibliotheek, met mij als voorlopig laatste eigenaar ervan. Een jonge vriend was zo edelmoedig hem mij te schenken. Op het moment dat de brief bij de genoemde veiling opdook, realiseerde deze zich zo’n unieke kans niet voorbij te kunnen laten gaan. Helemaal in de geest van Sir Thomas sloeg hij toe. Weliswaar dreigde er door zijn onbesuisde bod letterlijk wat minder brood op de planken te liggen, maar zoiets leek toch een geringe prijs voor het in huis krijgen van een origineel en tastbaar relict uit het leven van de eigenzinnige baronet zelf. De actie was een onverwacht succes. Mijn vriend won de veiling, hij leeft nog, tot zijn eigen verbazing, en de brief is inderdaad veilig bij mij aangekomen. Dit stukje is dan ook in grote dankbaarheid aan hem opgedragen. Zonder zijn vriendschap, enthousiasme en zelfopoffering zou het mij nooit gelukt zijn iets te schrijven waarmee ik, hopelijk, een bescheiden blik heb kunnen geven in het leven en werk van de onvergelijkelijke Thomas Phillipps. Meer dan duizend jaar voordat Da Penna bovenstaand motto noteerde, tekende een andere Italiaanse boekenliefhebber het al op: ‘Verba volant, scripta manent’, oftewel, ‘Woorden vervliegen, het geschrevene blijft’…

David Apollonius Coppoolse

(met dank aan Jan Bloemendal voor zijn fraaie Da Penna-vertaling)
p.s. Er wordt vaak beweerd dat Sir Thomas de grootste boekenverzamelaar ooit was, maar dat is onjuist. Iemand als Richard Heber, bijvoorbeeld, zijn iets oudere en, verstandig genoeg, altijd ongehuwd gebleven landgenoot, bezat niet, zoals Sir Thomas, ‘slechts’ honderdvijftigduizend boeken en manuscripten in twee huizen, maar meer dan tweehonderdduizend daarvan in minstens zeven huizen, en die laatste niet achtereenvolgend, zoals bij de baronet, maar tegelijkertijd, in Londen (Westminster, Pimlico, Hodnet Hall), Gent, Brussel, Antwerpen en Frankfurt. In elk van die huizen bevonden zich bovendien vele nog onuitgepakte, vaak in bulk gekochte boekenpartijen. De zestien postume veilingen ervan namen vele maanden in beslag, en alleen al op de eerste daarvan (1836) wist Sir Thomas voor zijn Bibliotheca Phillippica meer dan vierhonderd handschriften te verwerven. Overigens werd de omvang van Hebers bibliotheken nog overtroffen door die van Antoine-Marie-Henri Boulard (1754-1826), een Parijse notaris die meer dan driehonderdduizend boeken bezat, waarschijnlijk de grootste privé-boekenverzameling ooit. Op enkele van de bijna bijna driehonderd dagen durende veilingen van diens nalatenschap had Heber nog alle historische titels en bloc gekocht, slechts enkele jaren voor zijn eigen overlijden.
Literatuur:
Basbanes, N.A.: A Gentle Madness. Bibliophiles, Bibliomanes, and the Eternal Passion for Books. New York: Henry Holt and Company, 1995.
(Christie’s) Bibliotheca Bibliographica Breslaueriana. The First portion [en latere Second, Third]: 150 Important Manuscripts, Associations Copies, Fine Bindings. Monday 21 March 2005. New York: Christie’s, 2005 (veilingcatalogus, met daarin het in dit artikel afgebeelde Thomas Phillipps-fotoportret).
Fontaine Verwey, H. De la: ‘Portretten van bibliophielen. Sir Thomas Phillipps.’, in (Gumbert, red.) Folium. Librorum vitae deditum 1951 I/4. (Beijers N.V.): Utrecht, 1951, pp 97-101.
Hunt, A.: ‘Bibliotheca Heberiana’, in Myers / Harris (eds): Antiquaries, Book Collectors and the Circles of Learning. Delaware / Winchester: St. Paul’s Bibliographies, 1996, pp 83-112.
Hunt, A.: ‘A Study in Bibliomania: Charles Henry Hartshorne and Richard Heber.’, in The Pleasures of Bibliophily. Fifty Years of The Book Collector. An Anthology. London / New Castle, The British Library / Oak Knoll Press, 2003 (orig. 1993), pp 250-283.
(Maggs Bros) Catalogue 1350. STC & Wing. Books printed in England 1500-1700. Ex Libris James Stevens Cox. Maggs Bross LTD: London, 2003.
(Maggs Bros) Catalogue 1439. STC. Books Printed in England 1540-1640. Ex Libris James Stevens Cox. Maggs Bros LTD: London, 2010.
Munby, A.N.L.: Phillipps Studies. London: Sotheby Parke-Bernet Publications, 1971 (twee delen; eerste druk in vijf delen, 1951-’60).
Munby, A.N.L.: Portrait of an Obsession. The life of Sir Thomas Phillipps, the world’s greatest book collector, adapted by Nicolas Barker from the five volumes of Phillipps Studies. New York: G.P. Putnam’s Sons, 1967.
Quaritch, B. (ed): Contributions Towards a Dictionary of English Book-Collectors  as also of Some Foreign Collectors [etc]. Nieuwkoop: B. de Graaf, 1969 (eerste editie, in artikelvorm verschenen, 1892-1921).
Ricci, S. De: English Collectors of Books and Manuscripts 1530-1930 and Their Marks of Ownership. London: The Holland Press, 1960 (eerste druk 1930).
Robinson, Ph.: ‘Recollections of Moving a Library, or, How the Phillipps Collection was brought to London.’, in: The Pleasures of Bibliophily. Fifty Years of The Book Collector. An Anthology. London / New Castle, The British Library / Oak Knoll Press, 2003 (orig. 1983), pp 159-167.
Rosenblum, J.: ‘Sir Thomas Phillipps (2 July 1792 – 6 February 1872)’, in Baker / Womack (red.): Dictionary of Literary Biography Volume 184: Nineteenth-Century British Book-Collectors and Bibliographers. Detroit / Washington, D.C. / London: Bruccolo Clark Layman Gale Research, 1997, pp 338-353.
Taylor, A.: Book Catalogues. Their Varieties and Uses. Second edition, revised by Wm. P. Barlow, Jr. Winchester: St Paul’s Bibliograhies, 1986 (eerste editie 1957).
Willms, J.: Bücherfreunde Büchernarren. Entwurf zur Archäologie einer Leidenschaft. Wiesbaden: Otto Harrassowitz, 1978.
Geplaatst in Bibliofilie, Boekwetenschap | Tags: , , , | 4 reacties

Een ongepubliceerd typoscript over de vroegste Spaanse ontdekkingsreizen in de Grote Oceaan

Gschaedlers Stille Zuidzee

De boekband hiernaast ziet er misschien niet zo bijzonder uit, met zijn wat grauwe, grijsbruine kleur, maar het binnenwerk is des te opmerkelijker. Op de hele wereld zijn er slechts twee exemplaren van bekend. Het ene ligt ver weg, veilig opgeborgen bij de University of Melbourne Library in Australië, het andere, afgebeelde, bevindt zich in mijn bezit. Het betreft een origineel typoscript uit 1946 van de in 1915 geboren historicus André Gschaedler. De verkorte titel van het werk, Spanish Voyages, is op het met een ruitmotief versierde voorplat (34,5 x 22,5 cm) in gouden kapitalen afgedrukt. Los bijgevoegd is een handgeschreven bedankbriefje van de schrijver aan een zekere Erica, de vrouw die niet slechts verantwoordelijk zou zijn voor het typewerk (zoals destijds gebruikelijk bij dat soort sekseverhoudingen), maar ook voor het zoeken, sorteren en bibliograferen van allerlei door hem verwerkte historische informatie. Ze wordt zelfs onmisbaar genoemd, een compliment waar we nog op terugkomen. Waar, wanneer en waarom is dit zeldzame werk gemaakt, en wie was dan niet de typist, maar dan toch de schrijver ervan, met zijn voor niet-Duitstaligen zo tongbrekende achternaam?

Louis André Gschaedler werd geboren in Kolmar (tegenwoordig Colmar), in de destijds nog/weer Duitse Elzas (vandaar de naam, wellicht ooit Gschädler, waarschijnlijk op z’n Frans uitgesproken, als Gschädlèr). Hij gaat een lang leven vol grote reizen tegemoet. Na een studie sociologie in het inmiddels weer bij Frankrijk horende Straatsburg en later Londen (University College) vertrekt hij maar Sydney, Australië, om daar als docent Franse taal en literatuur aan de slag te gaan. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog blijft hij er noodgedwongen wonen. Hij komt te werken bij de Australische informatiedienst, als hoofdvertaler Frans bij de radio-uitzendingen bedoeld voor Franse kolonialen in de zuidelijke Grote Oceaan. Hier zal hij niet alleen Erica (beter) hebben leren kennen, maar moet ook zijn interesse voor de Westerse ontdekkingsgeschiedenis van de Stille Zuidzee zijn ontstaan. In 1946 mondt dit uit in zijn beoogde proefschrift, Spanish Voyages to the South-West Pacific, 1519-1607, ons typoscript, voor de Universiteit van Melbourne. Een jaar later emigreert hij naar de Verenigde Staten. Daar gaat hij in de Hispanic Foundation van de Library of Congres aan de slag als onderzoeker, in 1949 resulterend in een Ph D. in geschiedenis voor de Universiteit van Columbia. In 1954 verschijnt zijn Mexico and the Pacific, 1540-1565: The Voyage of Villalobos and Legazpi and the Preparations Made for Them. Of Gschaedlers graad gebaseerd is op zijn eerdere studie voor de universiteit van Melbourne is niet helemaal duidelijk. In elk geval heeft hij dan al verschillende artikelen gepubliceerd in kranten en tijdschriften, onder andere over de eerdere oorlogshandelingen in zijn geboortestreek, de Elzas. Voor Gschaedlers nieuwe landgenoten moet zijn Frans-Duitse achternaam overigens wel een linguïstische uitdaging geweest zijn. Zij zullen die juist op z’n Amerikaans-Engels uitgesproken hebben, met een dikke ‘l’ en krullende ‘r’, een ware multiculturele opeenstapeling van klanken. Na verschillende docentschappen in Texas en de staat New York, wordt hij benoemd als leraar sociale wetenschappen aan de toenmalige Catonsville Community College in Baltimore. De Stille Zuidzee blijkt niet vergeten, integendeel. Er verschijnen titels van zijn hand als Documents on Spanish Navigation in the Mitchell Library, Sydney (1950) en A Renaissance Invention: The Name “America”: An Old Problem Seen under a New Light (1968). De populairste publicatie is waarschijnlijk zijn lang voorbereide Engelstalige biografie van Auguste Bartholdi (1966), de Franse ontwerper van het Amerikaanse Vrijheidsbeeld en zijn oud-stadgenoot in Kolmar. Gschaedler overleed, als niet onknappe man toch altijd ongehuwd gebleven, in 1998 te Salem, West Virginia.

Het proefschrift uit 1946 is zijn vroegst bekende werk. Hierin wordt op 244 (recto) getypte pagina’s in twee delen en twaalf hoofdstukken (inclusief inleiding, bibliografie, index, vele supplementen en drie handmatig gefotokopieerde land-, of liever, zeekaarten) een overzicht gegeven van de vroegste Spaanse ontdekkingsreizen in de zuidwestelijke Stille Oceaan. In het eerste deel bespreekt Gschaedler de meer algemene aspecten daarvan, in het tweede deel de belangrijkste afzonderlijke reizen van Magellaan, Saavedra, Villalobos, Legazpi, Mendana, Quirós en De Torres. Zoals bekend, zorgden deze reizen er niet alleen voor dat de eindeloze watervlakte met haar honderden volkeren en duizenden eilanden werd opengelegd voor Europese handelsdoeleinden, maar ook dat zij ten prooi kon vallen aan immer op de loer liggende christelijke missionarissen. Dat pakte voor veel inheemse culturen rampzalig uit. Al binnen enkele jaren raakten deze verwesterd, gekerstend en verpreutst, als sommige al niet compleet van de aardbodem (en uit onze herinnering) verdwenen. Gschaedler gaat in hoofdstuk VI (‘Religion and the Voyages’) uitgebreid in op deze commerciële en religieuze kaalslag, waartegen overigens contemporaine critici als Bartolomé de las Casas al waarschuwden. Hij bekijkt alles, vanzelfsprekend, met de blik van de niet-inheemse, Europese blanke man die hij nu eenmaal was, waardoor zijn aanpak wellicht wat gedateerder lijkt dan wij onszelf in deze zogenoemde politiek-correcte tijden graag willen wijsmaken. De ene waarheid sluit de andere echter niet uit. Tijden veranderen, en wij veranderen met hen, links- of rechtsom. Terwijl nog maar kortgeleden veel hoogopgeleide blanken zich verplicht voelden om op te komen voor de minder bedeelde exotische medemens, is het tegenwoordig juist levensgevaarlijk om een koloniale geschiedenis te willen schrijven die niet de eigen, persoonlijk doorleefde is, hoe wetenschappelijk opgezet ook. Gschaedler werkt nog in pre-postkoloniale tijden, weegt desondanks alles zorgvuldig af en komt tot verhelderende, goedgeschreven conclusies. Spanish Voyages to the South-West Pacific wordt afgesloten met een omvangrijke primaire en secundaire bibliografie. Alle toenmalige standaardwerken op Pacifisch ontdekkingsgebied worden daarin niet alleen vermeld, maar vaak ook becommentarieerd, iets wat, hoe subjectief ook, altijd interessant is. Des te vreemder lijkt het dat de tekst nooit integraal is gepubliceerd. Blijkbaar is er in Australië niemand op het idee gekomen om het voor hen toch ‘unieke’ exemplaar daarvoor te gebruiken, al dan niet voorzien van een geactualiseerde inleiding. Wel verschenen er losse stukken uit, min of meer bewerkt, zoals in het tijdschrift The Americas van januari 1948 (‘Religious Aspects of the Spanish Voyages in the Pacific during the Sixteenth and the Early Part of the Seventeenth’, Vol. 4, No. 3, pp 302-315).

De datum van Gschaedlers opdracht aan Erica (‘May 1978’) is eveneens opvallend, deze is tenslotte ruim dertig jaar later dan het proefschrift zelf. Zijn ze elkaar wellicht weer tegengekomen, en heeft Gschaedler alsnog zijn oude schuld aan haar willen vereffenen? Hoe dan ook, ondanks zijn waardering voor ‘[her] own research on Portuguese exploration’, wordt Erica’s naam in de officiële tekst nergens genoemd. Als dit toevallig bewaard gebleven kattebelletje dus niet was ontdekt, had niemand ooit geweten wat deze ‘onmisbare’ vrouw voor het wetenschappelijke werk van Gschaedler allemaal had betekend. Mannelijke dankbaarheid heeft blijkbaar zo haar grenzen. Dat gezegd hebbende, het lijkt erop dat het typoscript bij de nazaten van Erica terecht is gekomen. Zij hebben zich waarschijnlijk niet gerealiseerd wat voor bijzonders ze in handen hadden, want enkele jaren geleden werd het zonder ‘reserve price’ op een grote publieke veilingsite te koop aangeboden. Daar ontdekte ik het, en aan de uiteindelijke prijs te zien als enige. Nu ligt dit op-één-na-unieke boekwerk niet in het verre Australië of Noord-Amerika, maar hier, in de provinciestad Amersfoort, Nederland, na waarschijnlijk meer over de wereldbol gereisd te hebben dan de schrijver dezes ooit heeft gedaan, of waarschijnlijk nog zal doen. Dit is de eerste keer dat enkele van zijn pagina’s het digitale daglicht zien. Boeken hebben, inderdaad, hun lotgevallen…

David Apollonius Coppoolse

(Met, als altijd, dank aan An Duits)

https://www.worldcat.org/title/spanish-voyages-to-the-south-west-pacific-1519-1607/oclc/225633322

Geplaatst in Reizen | Een reactie plaatsen

Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (3)

Berthe Hoola van Nooten voor de klas

Voor Marcel van Dorst

‘Neither a borrower nor a lender be’. Voor echte bibliofielen kan dit citaat van Shakespeare (Polonius, Hamlet, 1ste akte, 3de scene) maar één ding betekenen: als boeken dan niet geleend mogen worden, laat staan uitgeleend, geef ze gewoon weg, voor niets, uit vriendschap. Dat klinkt mooi, maar het is natuurlijk maar de vraag of iedereen er zo over denkt. Mijn eigen vrienden lijken het echter helemaal met Polonius eens te zijn. Hier, in mijn huis, bijvoorbeeld, stond al een exemplaar van Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et pomone de L’Île de Java, het botanische prachtwerk van de negentiende-eeuwse tekenares Berthe Hoola van Nooten, maar wie had ooit kunnen denken dat er van deze uitgave ook losse schoolplaten zouden opduiken, en dat ik vier daarvan eveneens in mijn bezit zou krijgen, dankzij dezelfde vriend die me het originele boek al had gegeven? Toch is dat nu gebeurd, en de platen liggen inmiddels veilig opgeborgen in een grote houten archiefkast (eveneens door hem geschonken) in mijn bibliotheek, te midden van tientallen andere losse Hoola van Nooten-bladen. Waar komen deze schoolplaten vandaan, wanneer zijn ze gemaakt, en wat valt er verder over te vertellen? Aan mijn vriend, de gulle gever, is dit stukje opgedragen.

De  platen zijn dan wel bedoeld, maar zeker niet speciaal gedrukt voor schooldoeleinden. Ze blijken afkomstig uit de derde editie van Fleurs, fruits et feuillages, een uitgave die op de titelpagina weliswaar ongedateerd is (‘Préface’ 1880), maar volgens Nieuwsblad voor den Boekhandel No. 92 vrijdag 11 november 1881, ‘vient de paraître’, dat wil zeggen, op die datum zojuist verschenen. Het lijkt er dan ook op dat het als ‘prachtwerk’ geadverteerde boek voor de naderende feestdagen bestemd was, als een kostelijk kerstgeschenk. De maker ervan was Pieter Depannemaeker, een professionele lithograaf uit Ledeberg-lez-Gand (Gent). Voor deze derde editie had hij de oorspronkelijke, door Guillaume Severeyns in 1863 naar Hoola van Nootens voorbeeld op steen getekende, maar waarschijnlijk inmiddels versleten platen minutieus gekopieerd. Slechts met veel moeite, een vergrootglas en een ouderwets liniaal zijn de subtiele veranderingen tussen alle verschillende bloemen, vruchten en bladeren te ontdekken. Ondanks de prijs (bij voorintekening in 1863 fl 60,-, ruim € 600,-) moet de verkoop van alle edities een succes zijn geweest, want enkele jaren na de laatste uitgave werd er in de Indische couranten al gevraagd naar eventueel overgebleven exemplaren. De uitgever, Merzbach & Falk uit Brussel, kon die blijkbaar niet meer leveren.

Op de huidige platen zijn vier op Java populaire plantensoorten te zien: ‘Amherstia Nobilis’ (tegenwoordig Amherstia nobilis, plaat 2 uit Fleurs, fruits et feuillages) uit Birma, ‘Saraca Declinata’ (Saraca thaipingensis, plaat 10) uit Thailand, de inheemse ‘Lagerstrœmia Regia’ (Lagerstroemia reginae, syn. L. speciosa, plaat 22) en de uit Midden-Amerika afkomstige ‘Anona Muricata’ (zuurzak, Annona muricata, plaat 39). Het lijkt erop dat ze speciaal werden  geselecteerd om hun spectaculaire uiterlijk. De gechromolithografeerde bladen zijn rondom afgesneden om ze op lilakleurige kartonnen bladen van handzamer formaat (55 x 37,5 cm) te kunnen plakken, omrand door verstevigend linnen. De oorspronkelijke ondertitels, met de Latijnse en eventueel inheemse plantennamen, zijn uitvergroot, losgeknipt en op de bladen bevestigd, terwijl de vier bijbehorende Franse teksten (alle edities van het florilegium bevatten ook Engelse) eveneens zijn uitgeknipt, en op de achterkant vastgelijmd. Een donkergeel lintje zorgt ervoor dat de platen opgehangen en zodoende zorgvuldig bestudeerd kunnen worden. De constructie als zodanig lijkt minstens een eeuw oud te zijn.

Voor Berthes werk is er altijd veel aandacht geweest. Zijzelf was weliswaar niet wetenschappelijk opgeleid, maar dankzij haar opvallende tekenkwaliteiten en, volgens eigen zeggen, goddelijk geïnspireerde volhardendheid, slaagde ze er toch in om door iedereen serieus genomen te worden. Daarnaast bezat ze veel persoonlijke contacten in de hoogste bestuurlijke en natuurhistorische kringen van het blanke Batavia en Buitenzorg. De eerste editie van Fleurs, fruits et feuillages (1863-’64) werd door botanici al meteen lovend besproken. Ze won er zelfs internationale prijzen mee, zoals in de zomer van 1883, tijdens de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling te Amsterdam, toen ze een eervolle gouden medaille ontving voor de twee exemplaren die daar te midden van een ‘overstelpend groot aantal inzendingen uit Oost- en West-Indië’ waren geëxposeerd. Het ene was door de organisatoren uit elkaar gehaald en als losse bladen opgehangen in veertig geelhouten lijsten. Het andere, eveneens compleet, maar nog ingebonden, kwam uit Berthes eigen bezit. De publicist Frederik Willem van Eeden, vader van de bekende schrijver, tevens medewerker aan de ambitieuze Flora Batava en een van Nederlands vroegste natuurbeschermers, was ter plekke vol bewondering voor Berthes ‘fraaie platen’. Zelfs iemand als prins Hendrik (‘De zeevaarder’) bleek enthousiast over haar werk. Zowel hij als koning Willem III, zijn broer, hadden zich in 1863 ingeschreven voor de eerste editie ervan. De prins (overigens de enige Oranje die ooit Nederlands-Indië bezocht) kreeg het boek vlak voor zijn overlijden in 1879 opnieuw onder ogen, toen hij door een publiek tentoongesteld exemplaar in het Koloniaal Museum te Amsterdam bladerde. Voor zijn geestesoog zag hij schitterend geïllustreerde toekomstige Indische flora’s verschijnen, als een voor Nederland roemrijke voortzetting op de gezaghebbende, maar volgens hem ‘alweer verouderde’ (lees saaiere) werken als die van de Leidse botanist Miquel. De schoonzus van de prins, koningin Sophie, had de eerste editie van Fleurs, fruits et feuillages zelfs gedeeltelijk gefinancierd. Dat royale gebaar is misschien wel het meest tastbare bewijs van de toenmalige bewondering voor Berthes werk. Tegen het einde van de eeuw liet een Bataviaas kunstcomité het boek nog voorleggen aan aspirerende natuurtekenaars, met daarbij het uitdrukkelijke verzoek om tropische gewassen uit te kiezen die daarin niet waren afgebeeld. In 1914 vonden de Nederlandse botanici Koorders en Valeton haar afbeelding van Pisonia zo professioneel gedaan dat ze die gebruikten in hun Atlas der Baumarten von Java, een standaardwerk op dat gebied. 

De nu gevonden schoolplaten passen helemaal in deze traditie van bewondering. Waarschijnlijk zijn ze ooit als voorbeeld op dezelfde losbladige manier opgehangen als tijdens de koloniale tentoonstelling te Amsterdam, waarbij het niet ondenkbaar is dat àlle veertig platen uit Fleurs, fruits et feuillages als zodanig zijn gebruikt. In dat geval moeten er nog zesendertig andere, soortgelijke kartonnen zijn, ergens verborgen liggend in Indië of Europa, wachtend op een gelukkige vinder. De huidige exemplaren zijn afkomstig uit een voormalige Leidse bibliotheek met daarin veel boeken over tropische en Javaanse geneeskunde. Het schijnt dat ze ooit zijn aangeschaft bij de Koninklijke Bibliotheek van België. Overigens kan het niet anders of Berthe heeft haar afbeeldingen ook zelf als voorbeeld gebruikt. We weten namelijk dat ze op haar meisjesscholen te Batavia (1857-’58) en Buitenzorg (ca 1860, pal tegenover ’s Lands Plantentuin) naast muziek, Engels, Frans, Duits, bijbellezen en naaiwerken, vaak tekenles gaf. Misschien waren de muren van de klaslokaaltjes wel volgehangen met haar werk, zoals later met de schoolplaten in Europa gebeurd moet zijn. Ze zal zich die overvloed gemakkelijk veroorloofd kunnen hebben, want ondanks haar chronische geldgebrek bleek de nalatenschap onder andere te bestaan uit veertien complete exemplaren van Fleurs, fruits et feuillages, alle prachtig ingebonden. Het is onbekend waar die terecht zijn gekomen. In elk geval liggen de Brusselse schoolplaten nu hier, in Amersfoort, veilig opgeborgen tussen de duizenden andere prenten en vooral boeken die ik bij leven mag beheren. Met dit stukje wil ik mijn vriend bedanken voor zijn vrijgevigheid. Om met Polonius, mijn naamgenoot, te eindigen, in een fraaie vertaling die Berthe zelf nog had kunnen lezen (Abraham Seyne Kok, Haarlem 1860):

Wees steeds gemeenzaam, nimmer onbescheiden.
Klem met metalen banden aan uw ziel den vriend,
waarvan de proef den keuze billijkt.

David Apollonius Coppoolse

(Met dank aan Alessandro Di Meo, An Duits, en onze jonge vriend Miguel Fernandez Voortman, zonder wiens speurzin de schoolplaten van Berthe Hoola van Nooten ons zeker ontglipt zouden zijn)
[eerste editie] Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java peints d’après de nature. Ouvrage dédié à sa majesté la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier [volgens Nissen: Muquardt], Éditeur, Montagne de L’Oratoire, 5. 1863 [-’64]; met veertig (volgens Nissen achtendertig) ongenummerde, door Guillaume Severeyns gelithografeerde platen, in enkele details met de hand bijgekleurd, gedurende ruim een jaar uitgegeven in tien opeenvolgende ‘livraisons’ (afleveringen) van ieder vier platen, voorafgegaan door één (hierboven genoemde) gezamenlijke titelpagina (uitgegeven na het verschijnen van de derde aflevering?) en tien afzonderlijke titelpagina’s (aflevering I (januari) t/m VI: 1863, VII t/m X: 1864; verkoopprijs complete set ƒ70,-, voorintekenprijs ƒ60,-.
[tweede editie] Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Seconde [volgens voorwoord van G. Severeyns: ‘verbeterde’] édition. Bruxelles: Faubourg de Louvain, Rue de Liekerke 40. Publiée par G. Severeyns, dessinateur & chromolithographe de l’Académie Royale de Belgique, 1866; met eveneens veertig (volgens Stafleu & Cowan: (‘1880?’) ’39?) bijgewerkte platen; de gehele tekst is opnieuw gezet, taal- en/of schrijffouten zijn gecorrigeerd en andere opnieuw gemaakt; onder de Latijnse namen worden nu ook de inlandse vermeld; het boek werd door de uitgever in één keer compleet en op verzoek ‘fraai ingebonden’ geleverd, verkoopprijs (volgens Brinkman’s Cumulatieve Catalogus) ∫80,-.
[derde editie] Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs fruits et feuillages choisis de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Bruxelles: Librairie Européene C. Muquardt, même maison à Leipzig, publiée par Merzbach & Falk, Éditeurs, Libraires de la Cour et de S.A.R. Le Comte de Flandre. Troisième [en laatste] Édition; ongedateerd (‘Préface’ 1880), volgens Nieuwsblad voor den Boekhandel No. 92 (vrijdag 11 november 1881) ‘vient de paraître’ (zojuist verschenen) in een ‘beperkte’ oplage van driehonderd gewone exx à 175,- (Belgische) francs en tien speciale, genummerde exx op ‘Bristol’ à 350,- (Belgische) francs; alle veertig platen opnieuw getekend en in kleur gelithografeerd, door Pieter Depannemaeker (ook: De Pannemaeker) uit Ledeberg-lez-Gand (Gent); de drukker is de Brusselse ‘Imprimeur au Roi’ Weissenbruch; de door Nissen veronderstelde 1885-editie is nooit verschenen.
Geplaatst in botanie | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (2)

Koerbagh, vrijdenkerij, en de wisselvalligheden van het leven

Voor Steven van Diermen 

In de derde eeuw na Christus merkte de Afrikaanse dichter Terentianus Maurus het al op, ‘Pro captu lectoris habent sua fata libelli, ‘Boeken hebben de lezers die ze verdienen’. Dit geldt zeker voor een boek dat ik een paar maanden geleden voor de tweede keer in mijn leven in mijn bezit kreeg. Het betreft Adriaen Koerbaghs Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet, ondanks de blijmoedige titel een van de beruchtste werken uit de aan dissidente literatuur toch al rijke zeventiende eeuw. Het is het enige woordenboek dat ooit in de Nederlanden verboden is geweest. Een trouwe vriend gaf het mij. Omdat ik al eerder met veel plezier een kort artikel had geschreven over twee andere bibliofiele geschenken (zie hieronder), wil ik nu iets soortgelijks doen voor de gulle gever van Een Bloemhof. Ik hoop ermee te kunnen laten zien hoe onvoorspelbaar het lot van boeken soms is, en hoe persoonlijke herinneringen daarmee verweven kunnen zijn, samen met liefde, verlies, en onverwachte vriendschappelijkheid. Niet altijd hebben boeken meteen de lezers die ze verdienen, zoals Maurus suggereerde, maar een enkele keer krijgen ze die toch, uiteindelijk.

Adriaen Koerbagh (1633-’69) was werkzaam als arts en jurist in Amsterdam, maar is bekend geworden vanwege zijn spinozistisch geïnspireerde vrijdenkersideeën. Deze werden door hem steeds openlijker beleden in twee publicaties, Een Bloemhof (1668) en Een ligt schijnende in duystere plaatsen, om te verligten de voornaamste saaken der Gods-geleertheyd en Gods-dienst (1669). De inhoud van de eerste bevatte opmerkingen die voor zijn tijd levensgevaarlijk waren, zoals ‘De Bijbel is ook maar een soort Reyntje de Vos of Uylenspieghel’. De filosofische en meer doorwrochte tekst van de tweede (volgens historicus Jonathan Israel een van de radicaalste van de vroege Verlichting) bleek voor de drukker ervan zelfs zo aanstootgevend, dat deze de persen stopte, ervandoor ging en de schout waarschuwde. Bijna alle exemplaren werden vervolgens vernietigd. Koerbagh zelf werd opgepakt en door de Amsterdamse autoriteiten veroordeeld tot het betalen van zesduizend gulden boete, een gevangenisstraf van tien jaar en een verbanning uit de hoofdstad voor eenzelfde periode. Dat viel nog mee, want eerder was geëist dat zijn rechterduim in het openbaar zou worden afgehakt, zijn vrijzinnige tong met een gloeiende priem doorstoken en al zijn boeken verbrand zouden worden. Hij stierf een jaar later, overigens zonder gemarteld te zijn, in het Rasphuis, de beruchte stadsgevangenis aan de Heiligeweg. Spinoza zelf schijnt bij het vernemen van zijn dood geroerd geweest te zijn.

Dit alles is des te tragischer, als men bedenkt dat Koerbagh iemand was die kennis juist graag wilde delen. Hij probeerde haar toegankelijk te maken, liefelijk, ‘sonder verdriet‘, zodat ze niet geheim kon worden gehouden in besloten clubjes van geleerden, machthebbers of kerkelijke gezagsdragers. Zijn eigen boeken schreef hij dan ook niet in het Latijn, een taal voor de elite, maar in het Nederlands, die van het volk. ‘De wijsheijd is het grootste wonder dat er ter waereld is’, merkt hij in Een Ligt op. Voor christenen was dit soort bescheidenheid echter pure godslastering. Eeuwenlang werd Koerbagh dan ook afgeschilderd als een duivelskind, een atheïstisch monster. Als zulke ‘religieuze’ gevoelens op de juiste manier worden begrepen, namelijk als het nietsontziende machtsinstrument dat ze in de praktijk vaak blijken te zijn, is het aantal van twee overgebleven exemplaren van Een Ligt schijnende in duystere plaatsen eigenlijk niet teleurstellend laag, maar juist wonderbaarlijk hoog. Van Een Bloemhof zijn er veel meer exemplaren bewaard gebleven, hoewel nog altijd zo weinig dat ze vrijwel nooit te koop worden aangeboden, voor welke prijs dan ook. De overlevingskans van oudere boeken is sowieso heel klein. Er wordt geschat, bijvoorbeeld, dat van de vele honderdduizenden boeken die in de Gouden Eeuw zijn gedrukt, hooguit een paar procent de daaropvolgende rampen, revoluties, oorlogen, branden, volksverhuizingen, overstromingen, diefstallen, godsdiensttwisten en opzettelijke vernielingen, maar ook persoonlijker zaken, zoals burenruzies, huwelijksperikelen en daaropvolgende vechtscheidingen heeft overleefd. Van sommige toch beroemde boeken zijn hele edities volkomen van de aardboden verdwenen, terwijl we toch zeker weten dat die ooit hebben bestaan, soms zelfs in duizenden exemplaren. Elk bewaard gebleven boek is inderdaad een wonder, een stille, maar sprekende getuige van het verleden.

Vanuit deze historische diepte dook midden 2012 tijdens een boekenveiling te Amsterdam plotseling het al genoemde exemplaar van Een Bloemhof op, prachtig bewaard gebleven in de oorspronkelijke lederen band met rijk in goud versierde rug. Waar het vandaan kwam, of wie het op de veiling aanbood, is onbekend, hoewel het handgeschreven nummer op het etiketje een ooit institutionele bibliotheek suggereert. Op de schutbladen zijn vroeg-negentiende-eeuwse aantekeningen te vinden. Deze lijken uit twee handschriften te bestaan (zie afbeelding), met daarin korte biografische informatie over Koerbagh, en zelfs, nog altijd, een waarschuwing tegen zijn veronderstelde goddeloosheid. Het exemplaar bevat een extra bijzonderheid: van de titelpagina zijn beide bekende staten aanwezig, de ene met zijn volle naam, de andere met daarnaast het montere pseudoniem ‘Vreederijk Waarmond’. De reden waarom Koerbagh beide titels liet drukken is vooralsnog een raadsel. Hoe dan ook, met een toenmalige partner lukte het mij om dit unieke exemplaar te verwerven. Lang duurde dit bibliofiele geluk echter niet: bij een scheiding verdween Een Bloemhof al snel uit mijn bibliotheek, net als uit mijn leven, om, naar ik vreesde, nooit meer op te duiken, laat staan ooit weer in mijn bezit te komen. 

Alle hoop had ik al opgegeven, toen een jonge boekenvriend ontdekte dat juist dit exemplaar weer in de verkoop kwam. Als vanzelfsprekend werd er veel geld voor gevraagd. Een andere vriend, niet bangelijk aangelegd, en blijkbaar meer in Koerbaghs wonderen geïnteresseerd dan de eigenaar ervan, besloot het onmiddellijk terug te kopen, voor ons samen, geïnspireerd door het beroemde boekmerk van de zestiende-eeuwse Franse verzamelaar Jean Grolier de Servières: ‘Dit behoort mij en mijn vrienden’. Wie kan zulke vrijgevigheid weerstaan? Het voelde zowel vreemd als vertrouwd, maar voor de tweede keer in mijn leven bezat ik dus hetzelfde exemplaar van Een Bloemhof van Adriaen Koerbagh.

Nu ik het boek weer in huis had, wilde ik de onderbiedster (degene die net niet won) op de toenmalige veiling te Amsterdam zo snel mogelijk over alles informeren. Gelukkig bleek ze over Koerbagh en zijn werk nog altijd even enthousiast te zijn. Juist iemand als zij, een ervaren boekhistorica en Spinozakenner, weet hoe uitzonderlijk het is dat exemplaren van dit soort verboden titels de eeuwen überhaupt doorstaan hebben. Binnenkort zal Een Bloemhof dan ook zorgvuldig bestudeerd, beschreven, en mogelijk zelfs officieel tentoongesteld worden, in het kader van het driehonderdvijftigste sterfjaar van Koerbagh. Na eerdere studies van historici als Israel, Leeuwenburgh, Van Heertum en Wielema (zie literatuurlijst), kan zijn ‘radicale’ spinozistische gedachtegoed dan hopelijk een groter publiek de verlichting geven die het met zoveel vrolijke onbevangenheid nog altijd uitstraalt.

Mijn eigen zoektocht is nu afgesloten. Met bovenstaande schets hoop ik iets van de wisselvalligheden van het leven, het onvoorspelbare lot van boeken, van mensen, en, vooral, de gulheid van een waarachtige vriend te hebben laten zien. Voor de laatste is dit stukje geschreven, als dank voor zijn genegenheid en enthousiasme. De wereld zou er mooier uitzien als er meer mensen op rondliepen zoals hij. En Terentianus Maurus had inderdaad gelijk. Koerbaghs zo vrijzinnige Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet staat nu weer hier, in mijn eigen bibliotheek, de plek waar hij, blijkbaar, al die tijd thuishoorde.

David Apollonius Coppoolse

(Met dank aan Alessandro Di Meo, Miguel Fernandez Voortman en Hannah Laurens)

Literatuur
Heertum, C. van: ‘Een stinkende ruiker’: Adriaan Koerbaghs Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet (1668), in Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman. Jaargang 37 nummer 1 zomer 2014, pp 57-62.
Horlings, A.: https://historiek.net/vrijdenker-koerbagh-vertrouwde-in-1668-tevergeefs-op-godsdienstvrijheid/42766/
Israel, J.: Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750. Oxford: Oxford University Press 2001.
Leeuwenburgh, B.: Het noodlot van een ketter. Adriaan Koerbagh 1633-1669. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2013.
Koerbagh, A. (pseud. ‘Vreederijk Waarmond’): Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet.  Amsterdam: [‘Gedrukt voor den Schrijver’], 1668.
Koerbagh, A.: A Light Shining in Dark Places, to Illuminate the Main Questions of Theology and Religion [ed. and transl. Michiel Wielema]. Leiden / Boston: Brill, 2011.
Koerbagh, A.: Een licht dat schijnt in duistere plaatsen. Een verheldering van de voornaamste kwesties van theologie and godsdienst. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2014.
Nadler, S.: A Book Forged in Hell. Spinoza’s Scandalous Treatise and the Birth of Secular Age. Princeton and Oxford: Princeton and Oxford Press, 2011.
Pearson, D.: Books as History. The Importance of books beyond their texts. Newcastle, Delaware / London: Oak Knoll Press, The British Library, 2008.
Afbeelding | Geplaatst op door | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (1)

Golownins lotgevallen bij de Japanners tot nieuw leven gewekt

Voor Ayolt en Lide Brongers

Onlangs kreeg ik van een bevriend echtpaar twee bijzondere boeken cadeau. Het betreft de Nederlandse vertaling uit 1817-’18 van de memoires van Vasily Golownin, een Russische kapitein die twee jaar lang als gijzelaar werd vastgehouden in Japan. De oorspronkelijk in 1816 te Sint Petersburg gepubliceerde herinneringen worden gezien als een ontroerend monument voor de vriendschappelijkheid die hij bij de Japanners had ervaren, ondanks zijn soms vernederende gevangenschap. Ze bleken zelfs relatief  invloedrijk, want in de loop van de negentiende eeuw, en zeker tot het einde van de Edoperiode (1868), zouden ze voor een belangrijk deel de politieke gevoelens tussen Rusland en Japan bepalen. Tegenwoordig zijn originele exemplaren van de Nederlandse vertaling heel zeldzaam. Ik had dan ook niet durven hopen die ooit te kunnen vinden, laat staan cadeau te krijgen. Nu staat zo’n set dus bij mij thuis, in complete, prachtige, en onafgesneden staat, dat wil zeggen, op groter papier en in de oorspronkelijke gebloemde platten (omslagen) bewaard gebleven. Het gulle gebaar van mijn vrienden zou Golownin ongetwijfeld veel plezier hebben gedaan. Met deze bescheiden historische schets van zijn lotgevallen wil ik hen daarvoor bedanken, op een persoonlijke, maar hopelijk ook voor andere boekenliefhebbers interessante manier.

La Pérouse, Chart of the Discoveries made in 1787, in the Seas of China and Tartary by the Boussole and Astrolabe […] (1798), met in het zuiden de noordpunt van Honshu, in het midden (onvolledig) Hokkaido en Sachalin, rechts de Koerilen richting Kamtsjatka, en nog verder (niet meer zichtbaar) de Aleoeten, richting Alaska

De voorgeschiedenis van Golownins avonturen is onstuimig, stormachtig zelfs. In de winter van 1783, tijdens een nachtelijke hoosbui, raakt de Japanse scheepskapitein Daikokuya Kōdayū de macht kwijt over de Shinshô Maru, een eenvoudige open zeilboot waarmee hij met vijftien andere opvarenden rijst vervoert van Ise naar Edo (ook wel Yeddo, tegenwoordig Tokio), de hoofdstad van Japan. Na allerlei mislukte pogingen om weer aan land te komen halen ze eigenhandig de mast neer. Het inmiddels gebroken scheepsroer zal niet veel later verdwijnen in de golven. Voortgestuwd door de harde wind drijven ze steeds verder weg, de open oceaan op. Na bijna acht maanden overleefd te hebben op regenwater, sporadisch gevangen vis en de niet eerder overboord gegooide rijst, spoelen Kōdayū en zijn medepassagiers uiteindelijk aan op de kust van Amtsjitka, een kaal, kil en vrijwel onbewoond eiland in de Aleoeten, de reusachtige archipel die als een snoer van vulkanen richting Alaska wegdraait. Met behulp van enkele Russische pelsjagers proberen ze hier te overleven. Er volgen vier jaren van allerlei ontberingen, zoals kou, honger, en overnachtingen in onderaardse, metersdiepe holen. Als ze ten einde raad zijn, besluit Kōdayū om met een provisorisch gemaakte zeilboot het eiland te ontvluchten. Over de noordelijke Stille Oceaan belanden de negen overlevenden niet in Japan, zoals gehoopt, maar op Kamtsjatka, net als Amtsjitka een onherbergzame en grotendeels onbewoonde plek. Hier houden ze het twee jaar vol. Dan vertrekken de vijf overgebleven schipbreukelingen opnieuw, om over de Zee van Ochotsk en via het Siberische Jakoetsk in 1789 terecht te komen in Irkoetsk, pal tegen de grens met China. Op die uitheemse locatie was ooit een Japans taalschooltje gesticht. Daar ook lopen ze Erik Laxman tegen het lijf, een naar Rusland geëmigreerde Finse wetenschapper. Deze besluit hen onder zijn hoede te nemen.

Zoals gezegd, Japan bevindt zich dan middenin de Edoperiode, genoemd naar de stad waar de oppermachtige shogun resideert. Los van strikt gereguleerde handelscontacten met China en Holland (en officieuze met de zuidelijke Riukiu-archipel), heeft het shogunaat zich dan al anderhalve eeuw hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Het is Japanners niet alleen verboden naar het buitenland te gaan, ze mogen er ook niet uit terugkeren. Als natuurhistoricus is Laxman is dan ook zeer gefascineerd door de onverwacht in zijn schoot geworpen exoten. Hij wil ze gaan voorstellen aan het Russische hof, te Sint Petersburg, duizenden kilometers ten westen van Jakoetsk. Na opnieuw een maandenlange tocht, nu over de eindeloze Siberische vlakten, komt de groep in 1791 via Moskou in de Russische hoofdstad aan. Net als alle anderen die hem ontmoeten is keizerin Catharina II (‘De Grote’) onder de indruk van Kōdayū’s intelligentie en leergierigheid. Ze stuurt onmiddellijk een oekaze rond om op haar kosten de schipbreukelingen terug te brengen naar Japan, als blijk van goede wil, maar ook (of vooral) om via hen te proberen handelsbetrekkingen met het afgesloten keizerrijk aan te knopen. Na een tweede tocht over de Siberische vlakten, maar nu de andere kant op, komen Eric Laxman, zijn zoon Adam, Kōdayū en zijn landgenoten in 1792 via de Zee van Ochotsk weer aan bij Nemuro aan de kust van Ezo (Jesso), het huidige Hokkaido. Pas na veel overredingskracht lukt het Adam om de voormalige schipbreukelingen achter te laten bij de wantrouwige Japanse autoriteiten. Van de oorspronkelijke zestien keren er na bijna tien jaar slechts drie in hun vaderland terug. Eén overlijdt alsnog, kort na aankomst. De shogun is weliswaar persoonlijk geïnteresseerd in de lotgevallen van de wereldreizigers en laat hen intensief ondervragen (Catharina de Grote is de heldin van de dag), maar gebiedt ook dat Kōdayū de rest van zijn leven moet doorbrengen op het terrein van de kruidentuin bij het shogunale paleis te Edo, als straf voor zijn ‘illegale’ schipbreuk.

De jonge Laxman wordt beleefd bedankt voor zijn bemiddeling. Hij krijgt, vermoedelijk vooral om van hem af te komen, van de Japanse autoriteiten de indruk mee dat hij bij een eerstvolgend bezoek officieel ontvangen zou kunnen worden, alleen niet hier, op Ezo, maar Nagasaki, de ruim tweeduizend kilometer verderop gelegen handelsstad waar enkel Japanners zelf, Hollanders en Chinezen welkom zijn. Met die vage belofte keert hij terug naar Sint Petersburg. Daar is het keizerlijke hof echter te verwikkeld geraakt in alle politieke verwarringen vanuit Europa om van de veronderstelde uitnodiging gebruik te maken.

Golownin door de ogen van de Japanners gezien, in Roshia furyo-ki (‘Verslag van de Russische gevangenen’), manuscript, zonder datum (contemporain), in Lensen, Report from Hokkaido, 1954, pag. 29, en bibliografie

Pas veel later komt daar verandering in. Zeven jaar na Catharina’s overlijden, in 1803, vertrekken Johann Adam Krusenstern (naamgever van de beroemde viermaster Kruzenshtern) en Yuri Lisyansky op de allereerste Russische reis om de wereld. Ze doen ook Japan aan, in de hoop van Laxmans ‘uitnodiging’ gebruik te kunnen maken. De officiële gezagvoerder van de Nadezhda en de Newa is baron Nikolaj Petrovitsj Rezanov. Nadat de handelsmissie in 1805 dankzij de stroperige onderhandelingstactieken van de Japanners in Nagasaki op een volkomen mislukking is uitgelopen, zoals te verwachten was, ontsteekt deze onervaren diplomaat in woede, vertrekt op hoge poten, maar laat zijn jonge zakenvrienden Nikolai Chwostoff en Gavriil Davydoff de vrije hand om bij de noordelijke ainoe (de oorspronkelijke inwoners van Japan) zich te buiten te gaan aan plunderingen, moorden, brandstichtingen en andere vernielingen. Als de autoriteiten in Edo dit ter ore komt, zijn ze ontsteld. Ze zinnen op wraak. Die komt er, zes jaar later, als de onverwachte held van dit verhaal, kapitein Golownin, met zijn schip Diana in Japan arriveert om daar in alle onschuld te willen gaan herbevoorraden. Al na enkele dagen wordt hij met een list door de Japanners gevangen genomen, gekneveld en hardhandig weggevoerd. Na de eerste schrik en een mislukte ontsnappingspoging beseft Golownin dat hij voorlopig niet vrij zal komen. Hij berust in zijn lot en besluit zijn gijzelnemers beter te gaan leren kennen.

Tijdens de gevangenneming is de plaatsvervangend kapitein van de Diana, Pyotr Rikord, aan boord gebleven. In allerijl vaart hij nu weg, zijn gezagvoerder bij de Japanners achterlatend. Hij neemt zich voor zo snel mogelijk terug te keren. Als hij het jaar daarop weer in de buurt is, neemt hij een willekeurige Japanner gevangen, als menselijk losgeld voor de vrijlating van Golownin. Deze gijzelaar blijkt geen eenvoudige matroos, zoals gedacht, maar de hooggeboren Takatai-Kachi (Takadaya Kahei), een rijke, ontwikkelde en nieuwsgierige man, iemand die, net als Golownin, steeds meer respect voor zijn gijzelnemers krijgt. Die gevoelens worden al snel beantwoord. Takadaya, inmiddels vrienden met Rikord (ze slapen zelfs in dezelfde kajuit), zorgt ervoor dat er voorzichtig contact wordt gemaakt met de overgevoelige Japanse autoriteiten. Dankzij de diplomatie van Takadaya, de volhardendheid van Rikord, maar vooral dankzij het geduld, de welwillendheid en het inlevingsvermogen van de op de achtergrond opererende Golownin loopt alles uiteindelijk goed af, en worden tot ieders opluchting de gijzelaars in 1813 wederzijds vrijgelaten. De hele affaire zal de geschiedenis ingaan als ‘Het Golownin-incident’. Het onvermijdelijke afscheid nadert nu snel, en wordt door de nieuwe vrienden feestelijk gevierd met meertalige gelukswensen en ‘Leve Diana!’-uitroepen. Na zijn terugreis naar Sint Petersburg, over de inmiddels bekende Siberische vlakten, bergketens en rivieren, per koets, kar, boot, te paard, te voet, per honden- en rendierslee etc, publiceert Golownin zijn memoires, de aanleiding tot dit verhaal. Het blijken instant bestsellers. Al binnen enkele jaren verschijnen er, naast de Nederlandse, meerdere vertalingen, waaronder Franse, Engelse en Hoogduitse. Golownin wordt door Alexander I veelvoudig gedecoreerd voor zijn verdiensten voor het vaderland. Hij zal nog meerdere succesvolle Russische scheepsbouwprojecten opzetten en mentor worden van tientallen jonge zeesoldaten. Tijdens de cholera-epidemie van 1831 komt hij in Sint Petersburg te overlijden, een inmiddels gerespecteerd en geliefd marineman.

Tot zover deze korte historische schets. Hoe ontoereikend ook, ik hoop er het gulle gebaar van mijn vrienden enigszins mee terugbetaald te hebben. Wat zou het mooi zijn als Golownins Lotgevallen, te midden van ruim anderhalfduizend andere boeken over Europees-Japanse betrekkingen in de Edoperiode, hier nu snel thuisraken. Tenminste, totdat het echte leven hen vroeger of later onvermijdelijk weer mee zal voeren, naar nieuwe, ongekende avonturen.

David Apollonius Coppoolse

(Met veel dank aan Alessandro Di Meo en An Duits, voor hun kritische meelezen)
Literatuur:
Golownin, W.: Mijne lotgevallen in mijne gevangenschap bij de Japanners, gedurende de jaren 1812 en 1813. Benevens eenige aanmerkingen over het Japansche keizerrijk en het Japansche volk, en eenige bijdragen van den kapitein Rikord. Uit het Russisch volgens de Hoogduitse vertaling [van Carl Johann Schultz] door Steenbergen van Goor. Dordrecht: A. Blussé & Zoon, 1918 [-’18; twee delen; oorspronkelijk afkomstig uit de bibliotheek van de grootvader van de schenker].
Golownin, Captain R.N.: Memoirs of a Captivity in Japan 1811-1813 [intr. John McMaster]. Hong Kong [etc]: Oxford University Press, 1973 [reprint in drie delen].
Keen, D.: The Japanese Discovery of Europe, 1720-1830. Stanford, California: Stanford University Press, 1969 [herz. tweede druk, eerste druk 1952].
Krusenstern, A.J. von: Voyage Round the World in the Year 1803, 1804, 1805, & 1806. London: John Murray, 1813 [twee delen en atlas; reprint Amsterdam: Da Capo Press, 1968].
Lensen, G. A.: Report from Hokkaido. The Remains of Russian Culture in Northern Japan. Hakodate, Japan: The Municipal Library of Hakodate, 1954 [exemplaar met opdracht van de schrijver].
Ibid.: The Russian Push Towards Japan. Russo-Japanese Relations, 1697-1875. Princeton, New Jersey: Princeton University Press, 1959 [exemplaar met opdracht van de schrijver].
Otterloo, A. van: Japan, beschreven naar de nieuwste bronnen. Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1860.
Plummer, K.: The Shogun’s Reluctant Ambassadors. Portland: The Oregon Historical Society, 1991 (derde, herziene druk, eerste druk 1984].
Ramming, M.: Reisen schiffbrüchiger Japaner im 18. Jahrhundert. Berlin Lankwitz: Würfel Verlag, 1931.
Rikord: Captain Rikord’s Voyages to Japan during 1811-1813. [red. Lin Sho Doh, Japanese National Archives; CreateSpace Independent Publishing Platform [Bicentennial, Anniversary edition, April 12, 2012].
Sansom, G.B.: The Western World and Japan. A Study in the Interaction of European and Asiatic Cultures. New York: Alfred A. Knopf, 1962.
Steger, F.: De Nippon-vaarders of het wedergeopende Japan. In schetsen uit de bekendste oudere en nieuwere reizen. Leyden: A.W. Sijthoff, 1861.
Winkel, M.: Japan ziet Rusland. Een Japans schipbreukelingenverslag uit 1794. Leiden: Oosters Genootschap in Nederland, 1998.
Wolcott Brooks, Ch.: Japanese Wrecks Stranded and Picked up Adrift in the North Pacific Ocean. Fairfield, Washington: YE Galleon Press, 1964.
Geplaatst in Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

‘The object of great curiosity’

Iets over de wonderlijke ‘Pisonia’-boom van Berthe Hoola van Nooten.

‘There is in Java a tree or shrub; formerly enveloped in profound mystery and the object of great curiosity’ (Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java, Bruxelles 1863, tekst bij plaat [21], ‘Pisonia Sylvestris’)

Berthe Hoola van Nooten: ‘Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java’, eerste editie 1863 (-’64), Émile Tarlier, Bruxelles; collectie Antiquariaat Jan Meemelink, ‘s-Gravenhage

Begin januari 1863 verscheen bij de Brusselse uitgever Émile Tarlier de eerste aflevering van een groots opgezet platenboek over enkele van de mooiste bloemen en vruchten van Java, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java. Het beoogd publiek was blank, hoogopgeleid en welvarend, de prijs navenant: bij voorintekening kostte het complete boek in tien afleveringen maar liefst fl 60,-, ruim € 600,-. Wilde men het daarna aanschaffen, dan was men tien gulden duurder uit. Toch bleek de verkoop al snel een succes. Dat was vooral te danken aan de veertig kleurrijke illustraties, uitzonderlijk genoeg gemaakt door een vrouw, Berthe Hoola van Nooten. Deze in 1817 te Utrecht geboren onderwijzeres en amateurbotanica woonde destijds zelf op Java, eerst in de blanke wijk Weltevreden in Batavia, later in de zuidelijker gelegen voormalige lusthof Buitenzorg en uiteindelijk weer in Batavia, waar zij in 1892 ook zou komen te overlijden. Verantwoordelijk voor de lithografische reproducties in het boek was Guillaume Severeyns, Tarliers stadsgenoot en een van de beste botanische steendrukkers van zijn tijd. Helaas is geen enkele van Berthes originele tekeningen ooit boven water gekomen. Niemand weet dus meer hoe deze eruit zien (of -zagen), maar door de zorgvuldige manier waarop Severeyns duizenden andere reproducties vervaardigde zal hij ook dit op Java gemaakte werk natuurgetrouw hebben weergegeven. 

Anno 2019, ruim anderhalve eeuw later, zien de platen er nog altijd spectaculair uit, maar één ervan springt dubbel in het oog. Daarop worden twee plantensoorten tegelijkertijd afgebeeld, de crèmekleurige koolboom (een cultivar, Pisonia alba) en zijn stamvorm, Pisonia sylvestris (tegenwoordig P. grandis). De eerste dankt haar naam (op Java ook wel ‘kohl banda’) aan het feit dat de bladeren soms gekookt worden gegeten als surrogaat voor kool of sla. De andere valt met haar donkergroene blad misschien wat minder op, maar in folkloristisch en taxonomisch opzicht is het juist de meest fascinerende van de twee. Onder andere door het werk van Hoola van Nooten en dat van haar beroemde tijd- en eilandgenoot, de in Westfalen geboren natuuronderzoeker Franz Wilhelm Junghuhn (1809-’64), weten we iets meer over allerlei details daarvan.

Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java [Bruxelles, 1863-’64], plaat [21] (chromolithografie), ‘Pisonia Sylvestris [= P. grandis]. T[eijsmann]. et B[innendijk]. widjojo koesoema. [&] Pisonia Alba. Spink. [sic, moet zijn ‘Span.’, = Johan Baptist Spanoghe] kohl banda.’

Pisonia grandis, een stevige, struik- tot boomachtige plant (geen Nederlandse naam, in het Engels ‘Grand Devil’s Claw’), komt op meestal kleinere eilanden overal in het Maleise gebied zeer verspreid voor. Zeevogels die in kolonies broeden, zoals sternen en fregatvogels, maken bij hun nestbouw graag gebruik van de stevige takken, waardoor de bladeren en de grond daaronder vaak bedekt zijn met kostbare guano. Op Java wordt ze ook wel ‘widjojo koesoemo’ genoemd, ‘De alles overtreffende bloem’, een gezien haar bescheiden voorkomen wat wonderlijke naam die Hoola van Nooten als volgt verklaart:

In the javanese language the [Sanskriet] word widjojo is translated in the following manner: wi civilised, djojo courageous and lucky or fortunate and koesoema, means nobility, illustrious birth, high rank.

Deze etymologie slaat dus niet op de bloempjes zelf, maar op de bijzondere folklore daaromheen. Terwijl het blad van de koolboom overal op het platteland kon worden aangetroffen als goedkoop varkensvoer, werden de bloesems van de ‘widjojo koesoemo’ ooit vol eerbied gebruikt bij de officiële kroningsplechtigheden van de keizers van Solo, het huidige Surakarta. Destijds dacht men nog dat de plant uitzonderlijk zeldzaam was. In het eerste deel van zijn hoofdwerk, Java, zijne gedaante, zijne plantentooi en inwendige bouw (1850-’54), had Junghuhn al beschreven hoe de blijkbaar gescheiden groeiende vrouwelijke en mannelijke bloemen met veel moeite en met behulp van een in een wiebelige prauw geplaatste smalle ladder op twee in de Indische Oceaan liggende en vrijwel onbereikbare rotspunten (‘schedels’) op het neveneiland Noesakambangan aan de zuidkust van Java geplukt moesten zien te worden. Een uitsluitend voor die ene taak in dienst gehouden ‘inlander’ was daar verantwoordelijk voor. Als deze in dat huzarenstukje slaagde, wat bij ruwe zee sowieso onmogelijk was, werden de geurige rozewitte bloesemblaadjes met hun waaiervormige stengels (zie afbeeldingen) in wat vochtige aarde gestoken en voorzichtig op een kostbare zilveren schaal gelegd. Enkele zorgvuldig geselecteerde hoge afgezanten namen vervolgens alles mee, om na een feestelijke processie onder allerlei beschaduwende ‘verhemelten’ (baldakijnen) de nu dubbel geplukte maar nog frisse bloesems te kunnen aanbieden aan de schitterend uitgedoste, destijds nog in ‘eenen absolute heerschappij’ regerende vorst. Volgens Junghuhn mocht op straffe des doods niemand anders dan hij de als heilig vereerde ‘widjojo koesoemo’ in ontvangst nemen. Hoola van Nooten vermeldt nog dat: 

The heirs to the javanese throne therefore, felt sure of their father’s succession, as soon as the precious flower was in their possession.

Er zijn ook andere versies van het verhaal. In een daarvan is de ceremonie niet bedoeld voor de vorst, maar voor een van zijn vrouwen, meestal een jong meisje, dat, ongehinderd door allerlei politiek-correcte opwellingen, met het verorberen van de magische bloempjes geen serviele seksegenote zoals zijzelf maar juist een ooit net zo dominante man als hij ter wereld hoopte te brengen. Toch was al tijdens Berthes leven het ritueel in verval geraakt. Die teloorgang zou ook verklaren waarom geen enkele Europese tijdgenoot de sprookjesachtige gebruiken met eigen ogen gezien heeft. Alle verhalen erover, zelfs de meest uitgebreide van Junghuhn, komen uit tweede hand.

Westerse wetenschap kan net zo wonderlijk zijn als Oosterse folklore. De officiële Latijnse naam van het geslacht Pisonia, bijvoorbeeld, is gebaseerd op die van de zeventiende-eeuwse arts Willem Piso, bezorger van onder andere het botanische pionierswerk van Jacobus de Bondt, beter bekend als Bontius. Omdat Piso de originele tekst van zijn vroeggestorven collega (die jarenlang op Java had gewerkt) nogal slordig had geredigeerd leek het net alsof hijzelf verantwoordelijk was voor veel van het werk dat juist Bontius had gedaan. Wegens de gemene doorns van sommige soorten (vandaar ‘Grand Devil’s Claw’ voor P. grandis) noemde de grote Zweedse systematicus Carolus Linnaeus het geslacht Pisonia daarom naar hem, als een taxonomische steek onder water. De arme Piso zag op die manier zijn naam in 1753 postuum vereeuwigd, alleen niet als gerespecteerd botanicus, maar als onbetrouwbare letterdief.

Sydney Parkinson, Pisonia grandis, aquarel [ca 1770], Natural History Museum, London, The Endeavour Botanical Illustrations.

Pas in 1810 was Berthes Pisonia sylvestris voor het eerst officieel beschreven. Dat gebeurde door Robert Brown, de privé-bibliothecaris van Joseph Banks, op zijn beurt zo’n veertig jaar daarvoor James Cooks metgezel op diens eerste reis om de wereld. Omdat Browns typering (als Pisonia grandis) de vroegste in drukvorm is (ongepubliceerde namen, zoals op de tekening hiernaast, tellen in de taxonomie niet mee), zijn alle latere voor soortgelijke planten vervallen. De lijst daarvan is lang, zelfs voor een variabele soort. Om er enkele te noemen: Pisonia excelsa (1825), P. olitoria (1837), P. forsteriana (1842), P. morindifolia (1852), P. albaP. sylvestris (Hoola van Nooten, 1863), P. viscosa (1877), Calpidia excelsa (1913) – al deze namen  zijn ongeldig verklaard of simpelweg onopgelost gebleven. Verantwoordelijk voor dit taxonomische slagveld zijn de ingewikkelde evolutionaire verhoudingen van de Pisonia-soorten onderling. Ook Georg Rumpf (Rumphius, de beroemde zeventiende-eeuwse natuuronderzoeker op Ambon) had al een Pisonia-soort besproken (als ‘Olus album insularis’), maar zijn Latijnse namen zijn, hoewel postuum gepubliceerd, pre-Linneaans, en dus sowieso ongeldig. Het is zelfs niet uitgesloten dat de natuuronderzoekers Johann Reinhold Forster en zijn tienerzoon Georg (Cooks wetenschappelijke medewerkers op diens tweede wereldreis) bij hun beschrijving van de nauw verwante Ceodes [tegenwoordig Pisonia] umbellifera in de kleine donkere scheepskajuit van de Resolution in werkelijkheid een specimen van Pisonia grandis voor zich op tafel hadden liggen. Als destijds de twee planten inderdaad verwisseld zijn, zou alles wat er daarna over is gepubliceerd in taxonomisch opzicht op losse schroeven kunnen komen te staan. Onzekerheden als deze hebben ervoor gezorgd dat de systematiek van Pisonia met zijn tientallen soorten en honderden namen zelfs voor ervaren botanici een bijna onontwarbare kluwen is geworden.

‘Junghuhn’, frontispice (tegenover pag. 297) in Wichmann, ‘Franz Wilhelm Junghuhn’ in Petermanns Mitteilungen, deel 55 (1909)

Ook Junghuhn slaagde er niet in om de geheimzinnige plant van Noesakambangan als een Pisonia te identificeren. Tot zijn grote ergernis konden de in 1847 door een lokale informant stiekem buitgemaakte en voor nader onderzoek aan de Leidse hoogleraar botanie De Vriese opgestuurde exemplaren nergens meer teruggevonden worden. Een wetenschappelijke beschrijving, door wie dan ook, was daarmee uitgesloten. In haar florilegium vermeldt Hoola van Nooten echter dat de hortulanus van ’s Lands plantentuin te Buitenzorg, Johannes Elias Teijsmann, al in 1854 soortgelijke ‘magnifiek gekroonde bomen’ eveneens op het nabijgelegen Bali had ontdekt. Enkele specimina ervan zou hij meegenomen hebben naar Java, om ze daar te typeren als Pisonia sijlvestris (originele spelling). In zijn eigen verslag hierover beschrijft Teijsmann zijn verbazing toen hij erachter kwam dat de ooit als heilig vereerde talisman van de machtige keizers van Solo niets anders was dan een groene, overal voorkomende verwant van de doodgewone koolboom. Het raadsel rondom de ‘widjojo koesoema’ leek daarmee eindelijk opgelost. Overigens schijnt Teijsmann zich niet gerealiseerd te hebben dat Robert Brown al zo’n halve eeuw eerder onder een andere naam dezelfde plant had beschreven. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat Browns publicatie destijds ontbrak in de bibliotheek van ’s Lands Plantentuin, de enige plek in de tropen waar zo’n uitgebreide collectie natuurwetenschappelijke boeken publiekelijk toegankelijk was. Hoe dan ook, vanaf het moment dat duidelijk werd dat Teijsmanns typering uit 1855 niet de eerste was kwam ook deze te vervallen. Tegenwoordig worden de namen Pisonia sylvestris en Pisonia alba door de meeste botanici beschouwd als synoniemen van Pisonia grandis. Het geslacht Pisonia zelf behoort tot de Nyctaginaceae (bij Hoola van Nooten Nyctaginae), een kleine familie van veelal (sub)tropische en eveneens zeer verspreid voorkomende tweezaadlobbigen. 

Al deze informatie heeft Teijsmann vrijwel zeker gedeeld met Berthe. Niet alleen woonden beide tijdgenoten enkele jaren op slechts enkele honderden meters afstand van elkaar (hij op het terrein van ’s Lands Plantentuin, zij pal aan de overkant aan de Groote Postweg), het was ook in ‘zijn’ tuin dat ze in opdracht van het Indische gouvernement alle platen voor haar florilegium zou tekenen. Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat Teijsmann heeft meegeholpen bij het schrijven van de bijbehorende Frans/Engelse teksten, deze verraden namelijk een meer dan gemiddelde natuurhistorische kennis. Wie ook wat heeft gedaan, in het Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem van 1907 werd juist Hoola van Nootens Pisonia-plaat nog geroemd als een van de beste ervan, samen met de eerdere beschrijving door Junghuhn. Loftuitingen als deze laten zien dat Fleurs, fruits et feuillages het niveau van een simpel salontafelboek ver overstijgt, ook al beweerde Berthe zelf geen echte, wetenschappelijke flora te kunnen maken. Zoiets ingewikkelds leek haar meer iets voor mannen.

Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860 (collectie familie Barth)

Verrassend genoeg kan Junghuhn de eerste platen van haar werk nog in handen hebben gehad. Want juist in de korte periode (augustus 1863 – april ’64) dat hij en Berthe tegelijkertijd lid waren van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging te Batavia, kwamen daar de vroegste ‘livraisons’ van het florilegium vanuit Brussel aan. Zíjn publicaties heeft Berthe in elk geval goed gekend, want in haar bespreking van de Indiase plosso of palasa (Butea frondosa, tegenwoordig Butea monosperma, plaat achttien uit het florilegium) refereert ze daaraan. Het is zelfs mogelijk dat beide ‘totoks’ (blanke Indiërs) elkaar daadwerkelijk ontmoet hebben, tijdens een van de vergaderingen, of in de wandelgangen van het verenigingspand aan het Koningsplein. Hoe zo’n persoonlijk treffen eruit gezien kan hebben is natuurlijk gissen, maar zeker is dat twee zo totaal tegenovergestelde naturen, Berthe, de rechtlijnige christin, en Franz Wilhelm, de beruchte vrijdenker, naast botanie niet veel gemeenschappelijke gespreksstof gehad kunnen hebben zonder hun respectieve geloofsbrieven enigszins op de vlakte te houden. Van eventueel commentaar op haar werk lijkt van zijn kant helaas niets bekend. Hij is altijd veel beroemder geweest dan zij, vanzelfsprekend, maar Berthe is met haar Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone L’Île de Java de allereerste vrouw in de geschiedenis die een origineel Indisch plantenboek heeft laten publiceren. Nadat Junghuhn (de ‘De Humboldt van Java’) begin 1864 werd getroffen door dysenterie kwam hij al op 24 april van dat jaar te overlijden. Berthe zou in steeds grotere godsvrucht nog bijna dertig jaar langer leven. Ze kreeg zelfs twee nieuwe, verbeterde edities van haar botanische pionierswerk onder ogen. Dat was inclusief de eenentwintigste plaat daaruit, die van de gewone en tegelijkertijd zo wonderlijke Pisonia-boom.  

(Met, zoals altijd, veel dank aan Marcel van Dorst, An Duits en Marianne Offereins)
Hieronder de originele tekst bij Hoola van Nootens afbeelding van Pisonia sylvestris en Pisonia alba, plaat [21] uit haar florilegium (3de editie, ongedateerd, 1881); overigens vermeldt Hoola van Nooten Pisonia sylvestris als een variëteit van Pisonia alba, en niet andersom, zoals beschreven in onderhavig artikel.

(opent vergroot in apart venster)

Literatuur
Airy Shaw, H.K.: ‘On the Distribution of Pisonia grandis R. Br. (Nyctaginaceae), with Special Reference to Malaysia’,  Kew Bulletin Vol. 7, No. 1 pp 87-97. Springer Verlag for the Royal Botanic Garden, Kew, 1952.
[anon] ’Widjojo koesoemo’, Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem 1907 [pag. 134].
Blink, H.: Nederlandsch Oost- en West-Indië. Geographisch, ethnographisch en economisch beschreven. Leiden: Boekhandel en drukkerij E.J. Brill, 1905-’07 [Jacobus de Bondt (Bontius) pag. 187]. 
Brown, R.: Prodromus floræ NovæHollandiæ […]. Londini: Typis Richardi Taylor et Socii, 1810 [Pisonia grandis deel I pag. 422].
Cook, H.J.: ‘Global Economics’ in Schiebinger, L. en C. Swan (eds): Colonial Botany. Science, Commerce, and Politics in the Early Modern World. Philadephia: University of Pennsylvania Press, 2005 [Jacobus de Bondt (Bontius) pag. 106].
Forster, J.R. en G.: Characteres generum plantarum […]. Londen: White, Cadell & Elmsly, 1776 [eerste editie 1775; Pisonia [als Ceodes] umbellifera pag. 142 e.v. & plaat 71].
Gedenkboek Franz Junghuhn 1809-1909. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1910 [‘De Humboldt van Java’ pag. 23].
Hoola van Nooten, B.: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java. Bruxelles: Émile Tarlier, 1863 [-’64; tweede gecorrigeerde editie Severeyns 1866, derde geheel opnieuw gelithografeerde editie (met iets ingekorte titel) Muquardt (ongedateerd) 1881; Pisonia plaat [21]].
Junghuhn, Dr. Franz: Java, zijne gedaante, zijne plantentooi en inwendige bouw. ’s Gravenhage: C.W. Mieling, 1853-’54 [= tweede, gewijzigde druk; eerste druk als Java, deszelfs gedaante, bekleeding, en inwendige structuur, Amsterdam: P.N. van Kampen, 1850-’54] [‘Widjojo Koesoemo’ deel [1] pag. 365 e.v. en (voor Vriese) noot 7 pag. 659].
Linnaeus, C.: Species plantarum, exhibentes plantas rite cognitas […]. Holmiæ [Stockholm]: Impensis Laurentii Salvii, 1753 [eerste druk, twee delen; Pisonia pag. 1026].
Loos-Haaxman, J. de: Verlaat Rapport Indië. Drie eeuwen Westerse schilders, tekenaars, grafici, zilversmeden en kunstnijveren in Nederlands-Indië. ’s Gravenhage: Mouton & Co Uitgevers, 1968  [Hoola van Nooten pag. 44; over de professionele ‘verbetering’ van origineel tekenwerk in lithografie zie pag. 45; zie daarvoor ook Coppoolse, De Primeur. Berthe Hoola van Nooten publiceert haar Javaanse florilegium (webartikel) https://davidcoppoolse.com/2018/01/22/de-primeur-het-javaanse-florilegium-van-berthe-hoola-van-nooten-wordt-gepubliceerd/].
Mohammad, G.S.: Widjojo Koesoemo Between Tradition and Science, 1830-1939 (Master Thesis). Leiden: Leiden University, 2014.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-Indie deel XXVI zesde serie deel I 1864 [lidmaatschap Hoola van Nooten].
Nicolson, D.H. en F.R. Fosberg: The Forsters and the Botany of the Second Cook Expedition (1772-1775). Rugell, Liechtenstein: A.R.G. Gantner Verlag K.G., 2004 [Pisonia [als Ceodes] umbellifera pag. 541 e.v.].
Nissen, C.: Die Botanische Buchillustration. Ihre Geschichte und Bibliographie. Stuttgart: Hiersemann Verlags-Gesellschaft, 1951 [Severeyns pag. 233].
Pies, E.: Willem Piso (1611-1678). Begründer der kolonialen Medizin und Leibartz des Grafen Johann Moritz von Nassau-Siegen in Brasilien. Eine Biographie. Düsseldorf: interma-orb Verlagsgruppe, 1981 [Bontius pag. 33].
Pisonia albahttp://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-50097057  (als P. umbellifera)
Pisonia grandishttp://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-50097056
Pisonia sylvestris: http://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/kew-2552973
Pisonia umbellifera: http://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-22500321
Pramanick, D.D., G.G. Maiti en M.S. Mondal: ‘Taxonomic study of the genus Pisonia L. (Nyctaginaceae) in India’ in Annals of Plant Science 4.8 (2015) pp 1179-1184. 
Sirks, M.J.: Indisch Natuuronderzoek. Amsterdam: Amsterdamsche Boek- en Steendrukkerij v/h. Ellerman, Harms & Co., 1915 [o.a. Junghuhn pag. 141 e.v.].
Teijsmann, J.E.: ‘Iets over de Widjojo Koesoemo (Pisonia Sijlvestris Teijsm. Binnd.)’ in Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië uitgegeven door de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië Deel IX Nieuwe Serie Deel VI [pp 349-556], Batavia: Lange & Co., 1855.
Treub [voorwoord]: Catalogus der bibliotheek van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg. Batavia: Landsdrukkerij, 1887.
Wit, H.C.D. de: ‘A checklist to Rumphius’s Herbarium Amboinense’ in De Wit, Rumphius Memorial Volume. Baarn: Uitgeverij en drukkerij Hollandia, 1959 [Pisonia alba als ‘Olus album insularis’ pag. 446].
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties