Golownins lotgevallen bij de Japanners opnieuw tot leven gewekt

Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (1)

Voor Ayolt en Lide Brongers

Onlangs kreeg ik van een bevriend echtpaar twee bijzondere boeken cadeau. Het betreft de Nederlandse vertaling uit 1817-’18 van de memoires van Vasily Golownin, een Russische kapitein die twee jaar lang als gijzelaar werd gehouden in Japan. De oorspronkelijk in 1816 te Sint Petersburg gepubliceerde herinneringen worden gezien als een ontroerend monument voor alle vriendschappelijkheid die hij bij de Japanners had ervaren, ondanks zijn soms vernederende gevangenschap. In de loop van de negentiende eeuw, in elk geval tot het einde van de Edoperiode (1868), zouden ze voor een belangrijk deel de politieke gevoelens tussen Rusland en Japan bepalen. Tegenwoordig zijn originele exemplaren van de Nederlandse vertaling heel zeldzaam. Ik had dan ook nooit durven hopen die te kunnen vinden, laat staan cadeau te krijgen. Nu staat zo’n set dus bij mij thuis, in complete, prachtige, en onafgesneden staat, dat wil zeggen, op groter papier en in de oorspronkelijke gebloemde platten (omslagen) bewaard gebleven. Het gulle gebaar van mijn vrienden zou Golownin ongetwijfeld veel plezier hebben gedaan. Met deze bescheiden historische schets van zijn lotgevallen wil ik hen daarvoor bedanken, op een persoonlijke, maar hopelijk ook voor andere boekenliefhebbers interessante manier.

La Pérouse, Chart of the Discoveries made in 1787, in the Seas of China and Tartary by the Boussole and Astrolabe […] (1798), met in het zuiden de noordpunt van Honshu, in het midden (onvolledig) Hokkaido en Sachalin, rechts de Koerilen richting Kamtsjatka, en nog verder (niet meer zichtbaar) de Aleoeten, richting Alaska

De voorgeschiedenis van Golownins avonturen is onstuimig, stormachtig zelfs. In de winter van 1783, tijdens een nachtelijke hoosbui, raakt de Japanse scheepskapitein Daikokuya Kōdayū de macht kwijt over de Shinshô Maru, een eenvoudige open zeilboot waarmee hij met vijftien andere opvarenden rijst vervoert van Ise naar Edo (ook wel Yeddo, tegenwoordig Tokio), de hoofdstad van Japan. Na allerlei mislukte pogingen om weer aan land te komen halen ze eigenhandig de mast neer. Het inmiddels gebroken scheepsroer zal niet veel later verdwijnen in de golven. Voortgestuwd door de harde wind drijven ze steeds verder weg, de open oceaan op. Na bijna acht maanden overleefd te hebben op regenwater, sporadisch gevangen vis en de niet eerder overboord gegooide rijst, spoelen Kōdayū en zijn medepassagiers uiteindelijk aan op de kust van Amtsjitka, een kaal, kil en vrijwel onbewoond eiland in de Aleoeten, de reusachtige archipel die als een snoer van vulkanen richting Alaska wegdraait. Met behulp van enkele Russische pelsjagers proberen ze hier te overleven. Er volgen vier jaren van allerlei ontberingen, zoals kou, honger, en overnachtingen in onderaardse, metersdiepe holen. Als ze ten einde raad zijn, besluit Kōdayū om met een provisorisch gemaakte zeilboot het eiland te ontvluchten. Over de noordelijke Stille Oceaan belanden de negen overlevenden niet in Japan, zoals gehoopt, maar op Kamtsjatka, net als Amtsjitka een onherbergzame en grotendeels onbewoonde plek. Hier houden ze het twee jaar vol. Dan vertrekken de vijf overgebleven schipbreukelingen opnieuw, om over de Zee van Ochotsk en via het Siberische Jakoetsk in 1789 terecht te komen in Irkoetsk, pal tegen de grens met China. Op die uitheemse locatie is ooit een Japans taalschooltje gesticht. Daar ook lopen ze Erik Laxman tegen het lijf, een naar Rusland geëmigreerde Finse wetenschapper. Deze besluit hen onder zijn hoede te nemen.

Ramming, Reisen schiffbrüchiger Japaner im 18. Jahrhundert, Berlin 1931

Zoals gezegd, Japan bevindt zich dan middenin de Edoperiode, genoemd naar de stad waar de oppermachtige shogun resideert. Los van strikt gereguleerde handelscontacten met China en Holland (en officieuze met de zuidelijke Riukiu-archipel), heeft het shogunaat zich dan al anderhalve eeuw hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Het is Japanners niet alleen verboden naar het buitenland te gaan, ze mogen er ook niet uit terugkeren. Als natuurhistoricus is Laxman is dan ook zeer gefascineerd door de onverwacht in zijn schoot geworpen exoten. Hij wil ze gaan voorstellen aan het Russische hof, te Sint Petersburg, duizenden kilometers ten westen van Jakoetsk. Na opnieuw een maandenlange tocht, nu over de eindeloze Siberische vlakten, komt de groep in 1791 via Moskou in de Russische hoofdstad aan. Net als alle anderen die hem ontmoeten is keizerin Catharina II (‘De Grote’) onder de indruk van Kōdayū’s intelligentie en leergierigheid. Ze stuurt onmiddellijk een oekaze rond om op haar kosten de schipbreukelingen terug te brengen naar Japan, als blijk van goede wil, maar ook (of vooral) om via hen te proberen handelsbetrekkingen met het afgesloten keizerrijk aan te knopen. Na een tweede tocht over de Siberische vlakten, maar nu de andere kant op, komen Eric Laxman, zijn zoon Adam, Kōdayū en zijn landgenoten in 1792 via de Zee van Ochotsk weer aan bij Nemuro aan de kust van Ezo (Jesso), het huidige Hokkaido. Pas na veel overredingskracht lukt het Adam om de voormalige schipbreukelingen achter te laten bij de wantrouwige Japanse autoriteiten. Van de oorspronkelijke zestien keren er na bijna tien jaar slechts drie in hun vaderland terug. Eén overlijdt alsnog, kort na aankomst. De shogun is weliswaar persoonlijk geïnteresseerd in de lotgevallen van de wereldreizigers en laat hen intensief ondervragen (Catharina de Grote is de heldin van de dag), maar gebiedt ook dat Kōdayū de rest van zijn leven moet doorbrengen op het terrein van de kruidentuin bij het shogunale paleis te Edo, als straf voor zijn ‘illegale’ schipbreuk.

De jonge Laxman wordt beleefd bedankt voor zijn bemiddeling. Hij krijgt, vermoedelijk vooral om van hem af te komen, van de Japanse autoriteiten de indruk mee dat hij bij een eerstvolgend bezoek officieel ontvangen zou kunnen worden, alleen niet hier, op Ezo, maar Nagasaki, de ruim tweeduizend kilometer verderop gelegen handelsstad waar enkel Japanners zelf, Hollanders en Chinezen welkom zijn. Met die vage belofte keert hij terug naar Sint Petersburg. Daar is het keizerlijke hof echter te verwikkeld geraakt in alle politieke verwarringen vanuit Europa om van de veronderstelde uitnodiging gebruik te maken.

Golownin door de ogen van de Japanners gezien, in Roshia furyo-ki (‘Verslag van de Russische gevangenen’), manuscript, zonder datum (contemporain), in Lensen, Report from Hokkaido, 1954, pag. 29, en bibliografie

Pas veel later komt daar verandering in. Zeven jaar na Catharina’s overlijden, in 1803, vertrekken Johann Adam Krusenstern (naamgever van de beroemde viermaster Kruzenshtern) en Yuri Lisyansky op de allereerste Russische reis om de wereld. Ze doen ook Japan aan, in de hoop van Laxmans uitnodiging gebruik te kunnen maken. De officiële gezagvoerder van de Nadezhda en de Newa is baron Nikolaj Petrovitsj Rezanov. Nadat de handelsmissie in 1805 dankzij de stroperige onderhandelingstactieken van de Japanners in Nagasaki op een volkomen mislukking is uitgelopen, zoals te verwachten was, ontsteekt deze ongeduldige diplomaat in woede, vertrekt op hoge poten, maar laat zijn jonge zakenvrienden Nikolai Chwostoff en Gavriil Davydoff de vrije hand om bij de noordelijke ainoe (de oorspronkelijke inwoners van Japan) zich te buiten te gaan aan plunderingen, moorden, brandstichtingen en andere vernielingen. Als de autoriteiten in Edo dit ter ore komt, zijn ze ontsteld. Ze zinnen op wraak. Die komt er, zes jaar later, als de onverwachte held van dit verhaal, kapitein Golownin, met zijn schip Diana in Japan arriveert om daar in alle onschuld te willen gaan herbevoorraden. Al na enkele dagen wordt hij met een list door de Japanners gevangen genomen, gekneveld en hardhandig weggevoerd. Na de eerste schrik en een mislukte ontsnappingspoging beseft Golownin dat hij voorlopig niet vrij zal komen. Hij besluit zijn gijzelnemers beter te gaan leren kennen.

Tijdens de gevangenneming is de plaatsvervangend kapitein van de Diana, Pyotr Rikord, aan boord gebleven. In allerijl vaart hij nu weg, zijn gezagvoerder bij de Japanners achterlatend. Hij neemt zich voor zo snel mogelijk terug te keren. Als hij het jaar daarop weer in de buurt is, neemt hij een willekeurige Japanner gevangen, als menselijk losgeld voor de vrijlating van Golownin. Deze gijzelaar blijkt geen eenvoudige matroos, zoals gedacht, maar de hooggeboren Takatai-Kachi (Takadaya Kahei), een rijke, ontwikkelde en nieuwsgierige man, iemand die, net als Golownin, steeds meer respect voor zijn gijzelnemers krijgt. Die gevoelens worden al snel beantwoord. Takadaya, inmiddels vrienden met Rikord (ze slapen zelfs in dezelfde kajuit), zorgt ervoor dat er voorzichtig contact wordt gemaakt met de overgevoelige Japanse autoriteiten. Dankzij de diplomatie van Takadaya, de volhardendheid van Rikord, maar vooral dankzij het geduld, de welwillendheid en het inlevingsvermogen van de op de achtergrond opererende Golownin loopt alles uiteindelijk goed af, en worden tot ieders opluchting de gijzelaars in 1813 wederzijds vrijgelaten. De hele affaire zal de geschiedenis ingaan als ‘Het Golownin-incident’. Het onvermijdelijke afscheid nadert nu snel, en wordt door de nieuwe vrienden feestelijk gevierd met meertalige gelukswensen en ‘Leve Diana!’-uitroepen. Na zijn terugreis naar Sint Petersburg, over de inmiddels bekende Siberische vlakten, bergketens en rivieren, per koets, kar, boot, te paard, te voet, per honden- en rendierslee etc, publiceert Golownin zijn memoires, de aanleiding tot dit verhaal. Het blijken instant bestsellers. Al binnen enkele jaren verschijnen er, naast de Nederlandse, meerdere vertalingen, waaronder Franse, Engelse en Hoogduitse. Golownin wordt door Alexander I veelvoudig gedecoreerd voor zijn verdiensten voor het vaderland. Hij zal nog meerdere succesvolle Russische scheepsbouwprojecten opzetten en mentor worden van tientallen jonge zeesoldaten. Tijdens de cholera-epidemie van 1831 komt hij in Sint Petersburg te overlijden, een inmiddels gerespecteerd en geliefd marineman.

Tot zover deze korte historische schets. Hoe ontoereikend ook, ik hoop er het gulle gebaar van mijn vrienden enigszins mee terugbetaald te hebben. Wat zou het mooi zijn als Golownins Lotgevallen, te midden van ruim anderhalfduizend andere boeken over Europees-Japanse betrekkingen in de Edoperiode, hier nu snel thuisraken. Tenminste, totdat het echte leven hen vroeger of later onvermijdelijk weer mee zal voeren, naar nieuwe, ongekende avonturen.

David Apollonius Coppoolse

(Met veel dank aan Alessandro Di Meo en An Duits, voor hun kritische meelezen)

Literatuur:
Golownin, W.: Mijne lotgevallen in mijne gevangenschap bij de Japanners, gedurende de jaren 1812 en 1813. Benevens eenige aanmerkingen over het Japansche keizerrijk en het Japansche volk, en eenige bijdragen van den kapitein Rikord. Uit het Russisch volgens de Hoogduitse vertaling [van Carl Johann Schultz] door Steenbergen van Goor. Dordrecht: A. Blussé & Zoon, 1918 [-’18; twee delen; oorspronkelijk afkomstig uit de bibliotheek van de grootvader van de schenker].
Golownin, Captain R.N.: Memoirs of a Captivity in Japan 1811-1813 [intr. John McMaster]. Hong Kong [etc]: Oxford University Press, 1973 [reprint in drie delen].
Keen, D.: The Japanese Discovery of Europe, 1720-1830. Stanford, California: Stanford University Press, 1969 [herz. tweede druk, eerste druk 1952].
Krusenstern, A.J. von: Voyage Round the World in the Year 1803, 1804, 1805, & 1806. London: John Murray, 1813 [twee delen en atlas; reprint Amsterdam: Da Capo Press, 1968].
Lensen, G. A.: Report from Hokkaido. The Remains of Russian Culture in Northern Japan. Hakodate, Japan: The Municipal Library of Hakodate, 1954 [exemplaar met opdracht van de schrijver].
Ibid.: The Russian Push Towards Japan. Russo-Japanese Relations, 1697-1875. Princeton, New Jersey: Princeton University Press, 1959 [exemplaar met opdracht van de schrijver].
Otterloo, A. van: Japan, beschreven naar de nieuwste bronnen. Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1860.
Plummer, K.: The Shogun’s Reluctant Ambassadors. Portland: The Oregon Historical Society, 1991 (derde, herziene druk, eerste druk 1984].
Ramming, M.: Reisen schiffbrüchiger Japaner im 18. Jahrhundert. Berlin Lankwitz: Würfel Verlag, 1931.
Rikord: Captain Rikord’s Voyages to Japan during 1811-1813. [red. Lin Sho Doh, Japanese National Archives; CreateSpace Independent Publishing Platform [Bicentennial, Anniversary edition, April 12, 2012].
Sansom, G.B.: The Western World and Japan. A Study in the Interaction of European and Asiatic Cultures. New York: Alfred A. Knopf, 1962.
Steger, F.: De Nippon-vaarders of het wedergeopende Japan. In schetsen uit de bekendste oudere en nieuwere reizen. Leyden: A.W. Sijthoff, 1861.
Winkel, M.: Japan ziet Rusland. Een Japans schipbreukelingenverslag uit 1794. Leiden: Oosters Genootschap in Nederland, 1998.
Wolcott Brooks, Ch.: Japanese Wrecks Stranded and Picked up Adrift in the North Pacific Ocean. Fairfield, Washington: YE Galleon Press, 1964.
Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

‘The object of great curiosity’

Iets over de wonderlijke ‘Pisonia’-boom van Berthe Hoola van Nooten.

‘There is in Java a tree or shrub; formerly enveloped in profound mystery and the object of great curiosity’ (Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java, Bruxelles 1863, tekst bij plaat [21], ‘Pisonia Sylvestris’)

Berthe Hoola van Nooten: ‘Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java’, eerste editie 1863 (-’64), Émile Tarlier, Bruxelles; collectie Antiquariaat Jan Meemelink, ‘s-Gravenhage

Begin januari 1863 verscheen bij de Brusselse uitgever Émile Tarlier de eerste aflevering van een groots opgezet platenboek over enkele van de mooiste bloemen en vruchten van Java, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java. Het beoogd publiek was blank, hoogopgeleid en welvarend, de prijs navenant: bij voorintekening kostte het complete boek in tien afleveringen maar liefst fl 60,-, ruim € 600,-. Wilde men het daarna aanschaffen, dan was men tien gulden duurder uit. Toch bleek de verkoop al snel een succes. Dat was vooral te danken aan de veertig kleurrijke illustraties, uitzonderlijk genoeg gemaakt door een vrouw, Berthe Hoola van Nooten. Deze in 1817 te Utrecht geboren onderwijzeres en amateurbotanica woonde destijds zelf op Java, eerst in de blanke wijk Weltevreden in Batavia, later in de zuidelijker gelegen voormalige lusthof Buitenzorg en uiteindelijk weer in Batavia, waar zij in 1892 ook zou komen te overlijden. Verantwoordelijk voor de lithografische reproducties in het boek was Guillaume Severeyns, Tarliers stadsgenoot en een van de beste botanische steendrukkers van zijn tijd. Helaas is geen enkele van Berthes originele tekeningen ooit boven water gekomen. Niemand weet dus meer hoe deze eruit zien (of -zagen), maar door de zorgvuldige manier waarop Severeyns duizenden andere reproducties vervaardigde zal hij ook dit op Java gemaakte werk natuurgetrouw hebben weergegeven. 

Anno 2019, ruim anderhalve eeuw later, zien de platen er nog altijd spectaculair uit, maar één ervan springt dubbel in het oog. Daarop worden twee plantensoorten tegelijkertijd afgebeeld, de crèmekleurige koolboom (een cultivar, Pisonia alba) en zijn stamvorm, Pisonia sylvestris (tegenwoordig P. grandis). De eerste dankt haar naam (op Java ook wel ‘kohl banda’) aan het feit dat de bladeren soms gekookt worden gegeten als surrogaat voor kool of sla. De andere valt met haar donkergroene blad misschien wat minder op, maar in folkloristisch en taxonomisch opzicht is het juist de meest fascinerende van de twee. Onder andere door het werk van Hoola van Nooten en dat van haar beroemde tijd- en eilandgenoot, de in Westfalen geboren natuuronderzoeker Franz Wilhelm Junghuhn (1809-’64), weten we iets meer over allerlei details daarvan.

Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java [Bruxelles, 1863-’64], plaat [21] (chromolithografie), ‘Pisonia Sylvestris [= P. grandis]. T[eijsmann]. et B[innendijk]. widjojo koesoema. [&] Pisonia Alba. Spink. [sic, moet zijn ‘Span.’, = Johan Baptist Spanoghe] kohl banda.’

Pisonia grandis, een stevige, struik- tot boomachtige plant (geen Nederlandse naam, in het Engels ‘Grand Devil’s Claw’), komt op meestal kleinere eilanden overal in het Maleise gebied zeer verspreid voor. Zeevogels die in kolonies broeden, zoals sternen en fregatvogels, maken bij hun nestbouw graag gebruik van de stevige takken, waardoor de bladeren en de grond daaronder vaak bedekt zijn met kostbare guano. Op Java wordt ze ook wel ‘widjojo koesoemo’ genoemd, ‘De alles overtreffende bloem’, een gezien haar bescheiden voorkomen wat wonderlijke naam die Hoola van Nooten als volgt verklaart:

In the javanese language the [Sanskriet] word widjojo is translated in the following manner: wi civilised, djojo courageous and lucky or fortunate and koesoema, means nobility, illustrious birth, high rank.

Deze etymologie slaat dus niet op de bloempjes zelf, maar op de bijzondere folklore daaromheen. Terwijl het blad van de koolboom overal op het platteland kon worden aangetroffen als goedkoop varkensvoer, werden de bloesems van de ‘widjojo koesoemo’ ooit vol eerbied gebruikt bij de officiële kroningsplechtigheden van de keizers van Solo, het huidige Surakarta. Destijds dacht men nog dat de plant uitzonderlijk zeldzaam was. In het eerste deel van zijn hoofdwerk, Java, zijne gedaante, zijne plantentooi en inwendige bouw (1850-’54), had Junghuhn al beschreven hoe de blijkbaar gescheiden groeiende vrouwelijke en mannelijke bloemen met veel moeite en met behulp van een in een wiebelige prauw geplaatste smalle ladder op twee in de Indische Oceaan liggende en vrijwel onbereikbare rotspunten (‘schedels’) op het neveneiland Noesakambangan aan de zuidkust van Java geplukt moesten zien te worden. Een uitsluitend voor die ene taak in dienst gehouden ‘inlander’ was daar verantwoordelijk voor. Als deze in dat huzarenstukje slaagde, wat bij ruwe zee sowieso onmogelijk was, werden de geurige rozewitte bloesemblaadjes met hun waaiervormige stengels (zie afbeeldingen) in wat vochtige aarde gestoken en voorzichtig op een kostbare zilveren schaal gelegd. Enkele zorgvuldig geselecteerde hoge afgezanten namen vervolgens alles mee, om na een feestelijke processie onder allerlei beschaduwende ‘verhemelten’ (baldakijnen) de nu dubbel geplukte maar nog frisse bloesems te kunnen aanbieden aan de schitterend uitgedoste, destijds nog in ‘eenen absolute heerschappij’ regerende vorst. Volgens Junghuhn mocht op straffe des doods niemand anders dan hij de als heilig vereerde ‘widjojo koesoemo’ in ontvangst nemen. Hoola van Nooten vermeldt nog dat: 

The heirs to the javanese throne therefore, felt sure of their father’s succession, as soon as the precious flower was in their possession.

Er zijn ook andere versies van het verhaal. In een daarvan is de ceremonie niet bedoeld voor de vorst, maar voor een van zijn vrouwen, meestal een jong meisje, dat, ongehinderd door allerlei politiek-correcte opwellingen, met het verorberen van de magische bloempjes geen serviele seksegenote zoals zijzelf maar juist een ooit net zo dominante man als hij ter wereld hoopte te brengen. Toch was al tijdens Berthes leven het ritueel in verval geraakt. Die teloorgang zou ook verklaren waarom geen enkele Europese tijdgenoot de sprookjesachtige gebruiken met eigen ogen gezien heeft. Alle verhalen erover, zelfs de meest uitgebreide van Junghuhn, komen uit tweede hand.

Westerse wetenschap kan net zo wonderlijk zijn als Oosterse folklore. De officiële Latijnse naam van het geslacht Pisonia, bijvoorbeeld, is gebaseerd op die van de zeventiende-eeuwse arts Willem Piso, bezorger van onder andere het botanische pionierswerk van Jacobus de Bondt, beter bekend als Bontius. Omdat Piso de originele tekst van zijn vroeggestorven collega (die jarenlang op Java had gewerkt) nogal slordig had geredigeerd leek het net alsof hijzelf verantwoordelijk was voor veel van het werk dat juist Bontius had gedaan. Wegens de gemene doorns van sommige soorten (vandaar ‘Grand Devil’s Claw’ voor P. grandis) noemde de grote Zweedse systematicus Carolus Linnaeus het geslacht Pisonia daarom naar hem, als een taxonomische steek onder water. De arme Piso zag op die manier zijn naam in 1753 postuum vereeuwigd, alleen niet als gerespecteerd botanicus, maar als onbetrouwbare letterdief.

Sydney Parkinson, Pisonia grandis, aquarel [ca 1770], Natural History Museum, London, The Endeavour Botanical Illustrations.

Pas in 1810 werd Berthes Pisonia sylvestris voor het eerst officieel beschreven. Dat gebeurde door Robert Brown, de privé-bibliothecaris van Joseph Banks, op zijn beurt zo’n veertig jaar daarvoor James Cooks metgezel op diens eerste reis om de wereld. Omdat Browns typering (als Pisonia grandis) de vroegste in drukvorm is (ongepubliceerde namen, zoals op de tekening hiernaast, tellen in de taxonomie niet mee), zijn alle latere voor soortgelijke planten vervallen. De lijst daarvan is lang, zelfs voor een variabele soort. Om er enkele te noemen: Pisonia excelsa (1825), P. olitoria (1837), P. forsteriana (1842), P. morindifolia (1852), P. albaP. sylvestris (Hoola van Nooten, 1863), P. viscosa (1877), Calpidia excelsa (1913) – al deze namen  zijn ongeldig verklaard of simpelweg onopgelost gebleven. Verantwoordelijk voor dit taxonomische slagveld zijn de ingewikkelde evolutionaire verhoudingen van de Pisonia-soorten onderling. Zelfs Georg Rumpf (Rumphius, de beroemde zeventiende-eeuwse natuuronderzoeker op Ambon) had al een Pisonia-soort besproken (als ‘Olus album insularis’), maar zijn Latijnse namen zijn, hoewel postuum gepubliceerd, pre-Linneaans, en dus sowieso ongeldig. Het is zelfs niet uitgesloten dat de natuuronderzoekers Johann Reinhold Forster en zijn tienerzoon Georg (Cooks wetenschappelijke medewerkers op diens tweede wereldreis) bij hun beschrijving van de nauw verwante Ceodes [tegenwoordig Pisonia] umbellifera in de kleine donkere scheepskajuit van de Resolution in werkelijkheid een specimen van Pisonia grandis voor zich op tafel hadden liggen. Als destijds de twee planten inderdaad verwisseld zijn, zou alles wat er daarna over is gepubliceerd in taxonomisch opzicht op losse schroeven kunnen komen te staan. Onzekerheden als deze hebben ervoor gezorgd dat de systematiek van Pisonia met zijn tientallen soorten en honderden namen zelfs voor ervaren botanici een bijna onontwarbare kluwen is geworden.

‘Junghuhn’, frontispice (tegenover pag. 297) in Wichmann, ‘Franz Wilhelm Junghuhn’ in Petermanns Mitteilungen, deel 55 (1909)

Ook Junghuhn slaagde er niet in om de geheimzinnige plant van Noesakambangan als een Pisonia te identificeren. Tot zijn grote ergernis konden de in 1847 door een lokale informant stiekem buitgemaakte en voor nader onderzoek aan de Leidse hoogleraar botanie De Vriese opgestuurde exemplaren nergens meer teruggevonden worden. Een wetenschappelijke beschrijving, door wie dan ook, was daarmee uitgesloten. In haar florilegium vermeldt Hoola van Nooten echter dat de hortulanus van ’s Lands plantentuin te Buitenzorg, Johannes Elias Teijsmann, al in 1854 soortgelijke ‘magnifiek gekroonde bomen’ eveneens op het nabijgelegen Bali had ontdekt. Enkele specimina ervan zou hij meegenomen hebben naar Java, om ze daar te typeren als Pisonia sijlvestris (originele spelling). In zijn eigen verslag hierover beschrijft Teijsmann zijn verbazing toen hij erachter kwam dat de ooit als heilig vereerde talisman van de machtige keizers van Solo niets anders was dan een groene, overal voorkomende verwant van de doodgewone koolboom. Het raadsel rondom de ‘widjojo koesoema’ leek daarmee eindelijk opgelost. Overigens schijnt Teijsmann zich niet gerealiseerd te hebben dat Robert Brown al zo’n halve eeuw eerder onder een andere naam dezelfde plant had beschreven. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat Browns publicatie destijds ontbrak in de bibliotheek van ’s Lands Plantentuin, de enige plek in de tropen waar zo’n uitgebreide collectie natuurwetenschappelijke boeken publiekelijk toegankelijk was. Hoe dan ook, vanaf het moment dat duidelijk werd dat Teijsmanns typering uit 1855 niet de eerste was kwam ook deze te vervallen. Tegenwoordig worden de namen Pisonia sylvestris en Pisonia alba door de meeste botanici beschouwd als synoniemen van Pisonia grandis. Het geslacht Pisonia zelf behoort tot de Nyctaginaceae (bij Hoola van Nooten Nyctaginae), een kleine familie van veelal (sub)tropische en eveneens zeer verspreid voorkomende tweezaadlobbigen. 

Al deze informatie heeft Teijsmann vrijwel zeker gedeeld met Berthe. Niet alleen woonden beide tijdgenoten enkele jaren op slechts enkele honderden meters afstand van elkaar (hij op het terrein van ’s Lands Plantentuin, zij pal aan de overkant aan de Groote Postweg), het was ook in ‘zijn’ tuin dat ze in opdracht van het Indische gouvernement alle platen voor haar florilegium zou tekenen. Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat Teijsmann heeft meegeholpen bij het schrijven van de bijbehorende Frans/Engelse teksten, deze verraden namelijk een meer dan gemiddelde natuurhistorische kennis. Wie ook wat heeft gedaan, in het Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem van 1907 werd juist Hoola van Nootens Pisonia-plaat nog geroemd als een van de beste ervan, samen met de eerdere beschrijving door Junghuhn. Loftuitingen als deze laten zien dat Fleurs, fruits et feuillages het niveau van een simpel salontafelboek ver overstijgt, ook al beweerde Berthe zelf geen echte, wetenschappelijke flora te kunnen maken. Zoiets ingewikkelds leek haar meer iets voor mannen.

Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860 (collectie familie Barth)

Verrassend genoeg kan Junghuhn de eerste platen van haar werk nog in handen hebben gehad. Want juist in de korte periode (augustus 1863 – april ’64) dat hij en Berthe tegelijkertijd lid waren van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging te Batavia, kwamen daar de vroegste ‘livraisons’ van het florilegium vanuit Brussel aan. Zíjn publicaties heeft Berthe in elk geval goed gekend, want in haar bespreking van de Indiase plosso of palasa (Butea frondosa, tegenwoordig Butea monosperma, plaat achttien uit het florilegium) refereert ze daaraan. Het is zelfs mogelijk dat beide ‘totoks’ (blanke Indiërs) elkaar daadwerkelijk ontmoet hebben, tijdens een van de vergaderingen, of in de wandelgangen van het verenigingspand aan het Koningsplein. Hoe zo’n persoonlijk treffen eruit gezien kan hebben is natuurlijk gissen, maar zeker is dat twee zo totaal tegenovergestelde naturen, Berthe, de rechtlijnige christin, en Franz Wilhelm, de beruchte vrijdenker, naast botanie niet veel gemeenschappelijke gespreksstof gehad kunnen hebben zonder hun respectieve geloofsbrieven enigszins op de vlakte te houden. Van eventueel commentaar op haar werk lijkt van zijn kant helaas niets bekend. Hij is altijd veel beroemder geweest dan zij, vanzelfsprekend, maar Berthe is met haar Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone L’Île de Java de allereerste vrouw in de geschiedenis die een origineel Indisch plantenboek heeft laten publiceren. Nadat Junghuhn (de ‘De Humboldt van Java’) begin 1864 werd getroffen door dysenterie kwam hij al op 24 april van dat jaar te overlijden. Berthe zou in steeds grotere godsvrucht nog bijna dertig jaar langer leven. Ze kreeg zelfs twee nieuwe, verbeterde edities van haar botanische pionierswerk onder ogen. Dat was inclusief de eenentwintigste plaat daaruit, die van de gewone en tegelijkertijd zo wonderlijke Pisonia-boom.  

(Met, zoals altijd, veel dank aan Marcel van Dorst, An Duits en Marianne Offereins)
Hieronder de originele tekst bij Hoola van Nootens afbeelding van Pisonia sylvestris en Pisonia alba, plaat [21] uit haar florilegium (3de editie, ongedateerd, 1881); overigens vermeldt Hoola van Nooten Pisonia sylvestris als een variëteit van Pisonia alba, en niet andersom, zoals beschreven in onderhavig artikel.

(opent vergroot in apart venster)

Literatuur
Airy Shaw, H.K.: ‘On the Distribution of Pisonia grandis R. Br. (Nyctaginaceae), with Special Reference to Malaysia’,  Kew Bulletin Vol. 7, No. 1 pp 87-97. Springer Verlag for the Royal Botanic Garden, Kew, 1952.
[anon] ’Widjojo koesoemo’, Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem 1907 [pag. 134].
Blink, H.: Nederlandsch Oost- en West-Indië. Geographisch, ethnographisch en economisch beschreven. Leiden: Boekhandel en drukkerij E.J. Brill, 1905-’07 [Jacobus de Bondt (Bontius) pag. 187]. 
Brown, R.: Prodromus floræ NovæHollandiæ […]. Londini: Typis Richardi Taylor et Socii, 1810 [Pisonia grandis deel I pag. 422].
Cook, H.J.: ‘Global Economics’ in Schiebinger, L. en C. Swan (eds): Colonial Botany. Science, Commerce, and Politics in the Early Modern World. Philadephia: University of Pennsylvania Press, 2005 [Jacobus de Bondt (Bontius) pag. 106].
Forster, J.R. en G.: Characteres generum plantarum […]. Londen: White, Cadell & Elmsly, 1776 [eerste editie 1775; Pisonia [als Ceodes] umbellifera pag. 142 e.v. & plaat 71].
Gedenkboek Franz Junghuhn 1809-1909. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1910 [‘De Humboldt van Java’ pag. 23].
Hoola van Nooten, B.: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java. Bruxelles: Émile Tarlier, 1863 [-’64; tweede gecorrigeerde editie Severeyns 1866, derde geheel opnieuw gelithografeerde editie (met iets ingekorte titel) Muquardt (ongedateerd) 1881; Pisonia plaat [21]].
Junghuhn, Dr. Franz: Java, zijne gedaante, zijne plantentooi en inwendige bouw. ’s Gravenhage: C.W. Mieling, 1853-’54 [= tweede, gewijzigde druk; eerste druk als Java, deszelfs gedaante, bekleeding, en inwendige structuur, Amsterdam: P.N. van Kampen, 1850-’54] [‘Widjojo Koesoemo’ deel [1] pag. 365 e.v. en (voor Vriese) noot 7 pag. 659].
Linnaeus, C.: Species plantarum, exhibentes plantas rite cognitas […]. Holmiæ [Stockholm]: Impensis Laurentii Salvii, 1753 [eerste druk, twee delen; Pisonia pag. 1026].
Loos-Haaxman, J. de: Verlaat Rapport Indië. Drie eeuwen Westerse schilders, tekenaars, grafici, zilversmeden en kunstnijveren in Nederlands-Indië. ’s Gravenhage: Mouton & Co Uitgevers, 1968  [Hoola van Nooten pag. 44; over de professionele ‘verbetering’ van origineel tekenwerk in lithografie zie pag. 45; zie daarvoor ook Coppoolse, De Primeur. Berthe Hoola van Nooten publiceert haar Javaanse florilegium (webartikel) https://davidcoppoolse.com/2018/01/22/de-primeur-het-javaanse-florilegium-van-berthe-hoola-van-nooten-wordt-gepubliceerd/].
Mohammad, G.S.: Widjojo Koesoemo Between Tradition and Science, 1830-1939 (Master Thesis). Leiden: Leiden University, 2014.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-Indie deel XXVI zesde serie deel I 1864 [lidmaatschap Hoola van Nooten].
Nicolson, D.H. en F.R. Fosberg: The Forsters and the Botany of the Second Cook Expedition (1772-1775). Rugell, Liechtenstein: A.R.G. Gantner Verlag K.G., 2004 [Pisonia [als Ceodes] umbellifera pag. 541 e.v.].
Nissen, C.: Die Botanische Buchillustration. Ihre Geschichte und Bibliographie. Stuttgart: Hiersemann Verlags-Gesellschaft, 1951 [Severeyns pag. 233].
Pies, E.: Willem Piso (1611-1678). Begründer der kolonialen Medizin und Leibartz des Grafen Johann Moritz von Nassau-Siegen in Brasilien. Eine Biographie. Düsseldorf: interma-orb Verlagsgruppe, 1981 [Bontius pag. 33].
Pisonia albahttp://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-50097057  (als P. umbellifera)
Pisonia grandishttp://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-50097056
Pisonia sylvestris: http://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/kew-2552973
Pisonia umbellifera: http://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-22500321
Pramanick, D.D., G.G. Maiti en M.S. Mondal: ‘Taxonomic study of the genus Pisonia L. (Nyctaginaceae) in India’ in Annals of Plant Science 4.8 (2015) pp 1179-1184. 
Sirks, M.J.: Indisch Natuuronderzoek. Amsterdam: Amsterdamsche Boek- en Steendrukkerij v/h. Ellerman, Harms & Co., 1915 [o.a. Junghuhn pag. 141 e.v.].
Teijsmann, J.E.: ‘Iets over de Widjojo Koesoemo (Pisonia Sijlvestris Teijsm. Binnd.)’ in Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië uitgegeven door de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië Deel IX Nieuwe Serie Deel VI [pp 349-556], Batavia: Lange & Co., 1855.
Treub [voorwoord]: Catalogus der bibliotheek van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg. Batavia: Landsdrukkerij, 1887.
Wit, H.C.D. de: ‘A checklist to Rumphius’s Herbarium Amboinense’ in De Wit, Rumphius Memorial Volume. Baarn: Uitgeverij en drukkerij Hollandia, 1959 [Pisonia alba als ‘Olus album insularis’ pag. 446].
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

‘Oh, for a lovelier faith!’

Berthe Hoola van Nooten en haar kortstondige meisjesscholen op Java.

[…] Nadat Berthe op 12 april 18561 in Nederlands-Indië was aangekomen leken er voor haar gezin eindelijk betere tijden aan te breken. Dankzij een forse gouvernementele subsidie van fl 1500,- per maand2 (zo’n 15.000,-) slaagde ze erin al op 6 april van het volgende jaar 3 in Batavia een nieuwe meisjesschool te openen. Deze was, als vanzelfsprekend, bedoeld voor blanke meisjes, liefst ‘uit den beschaafden stand’.4 Bij de publiekelijk fel bekritiseerde5 officiële toestemming daarvoor verleend (d.d. 24 maart) kon Berthe haar ruim twintig jaar oude Wageningse ‘acte van toelating tot schoolhouderes in de Nederduitsche, Hoogduitsche, Fransche en Engelsche talen’ nog overleggen.6 Ze kreeg zelfs meer dan ze had gevraagd. Niet alleen mocht ze alle extra inkomsten voor zichzelf houden,7 de Hoofdcommissie van Onderwijs beloofde haar dat bij een geslaagde start het schoolcontract na twaalf maanden met vijf jaar verlengd zou worden.Ook Berthes gastheer, haar even succesvolle als agressieve (‘very violently indisposed’)9 halfbroer Vincent Jacob van Dolder, gaf zijn zegen aan het project, hoewel niet zonder luidruchtig commentaar op haar veronderstelde gebrek aan financiële capaciteiten.10 Eerdere plannen om te gaan wonen op een van zijn Javaanse suikerplantages kon Berthe in elk geval laten varen.11 Na alle onzekerheid over de toekomst was ze geëmotioneerd, opgelucht en dankbaar.12

Het pand waarin de school gevestigd werd, stond in de Gang Scott, een van de mooiste zijlanen van het centraal gelegen Koningsplein. Verscholen in het overweldigende groen (zie afbeelding) was daar ook de villa van Vincent Jacob te vinden. In de ruim aangelegde wijken eromheen resideerde de blanke Bataviase elite, vooralsnog in de watten gelegd door ontelbare autochtone bedienden, ‘baboes’ (Multatuli’s kindermeisjes) en huishoudhulpen. 

Woodbury & Page, Gang Scott, Batavia (albuminedruk), ca 1880 (de villa van Vincent Jacob stond rechts, op deze foto net niet te zien)

De school ging vlot van start. Vooral na verhuizing naar ‘another very large house’,13 iets verderop in de laan, groeide het aantal leerlingen snel. In dit nieuwe pand (tevens woonhuis) kreeg Berthe uiteindelijk bijna vijftig ‘Jonge Jufvrouwen’14 onder haar Nederlandse Hervormde vleugels. Dat succes kon nauwelijks onverwacht gekomen zijn, want in Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië, werd door het gouvernement al decennialang geen regulier meisjesonderwijs meer aangeboden.15 Maar ondanks die bevoorrechte positie schijnt Berthe eigenzinnig gemanoeuvreerd te hebben. Als gelovig christin (inderdaad, er bestaan ongelovige christenen) vertikte ze het bijvoorbeeld om het klassikaal Bijbellezen achterwege te laten (‘[…] with the help of God, I will never yield this point.’)16, iets wat de seculiere autoriteiten haar eerder toch uitdrukkelijk hadden gevraagd. Dat was onvoorzichtig gedacht van de subsidiante. In dezelfde buurt werkten namelijk meerdere vrouwelijke collega’s die al veel langer op een riante overheidstoelage als de hare aasden, met of zonder een flinke hoeveelheid ‘jalousie de métier’.17  Deze seksegenotes zouden nog sneller hun zin krijgen dan wellicht verwacht. Want ook al lijkt madame Hoola van Nooten née Van Dolder zich snel thuis gemaakt te hebben in de hogere kringen van Batavia ,18 op 1 januari 1859 raakte ze de royale subsidie voor haar ‘partikuliere meisjes- dag- en kostschool’ alweer kwijt,19 vierenhalf jaar eerder dan de bedoeling was geweest. De gehoopte Bijbelse zes vette jaren waren ineengeschrompeld tot een magere anderhalf en Berthe kon weer van voor af aan beginnen. Volgens haar was in juridische zin koning Willem III daar uiteindelijk verantwoordelijk voor,20 ironisch genoeg dezelfde man wiens naam later bovenaan de intekenlijst van haar Javaanse florilegium zou prijken.

Hoola van Nooten aan Dunlap, pp 14 & 15 van brief d.d. 21 september 1859 (laatst bekende brief van Berthe; © John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University; with special thanks to Simone Ballard, of the same university)

Ondanks het gebrek aan geld zette Berthe de school nog enkele maanden voort, tot minstens oktober van dat jaar. Daarna dreigden de kosten van vooral het inhuren van Europese leerkrachten definitief te hoog te worden.21 De aangeslagen ‘kostschoolderes’22  beweerde zelf dat het mislukken van haar school opzettelijk was gebeurd, inderdaad ‘in consequence of all sorts of opposition and intrigue’,23 maar vrijwel zeker had haar eigen protestantse ‘Prinzipienreiterei’ een net zo obstructieve rol gespeeld. Eindeloos zijn de klaagzangen over alle volgens haar even godenrijke als goddeloze eilandgenoten, of het nu ging om Javanen, Rooms-Katholieken, anderszins niet-evangelische christenen, Arabieren, Chinezen, Maleisiërs, Armeniërs, of, bovenal, ‘Mohammedanen’.24 Meestal werden die jeremiades gevolgd door (weliswaar wat weifelachtige) dankzeggingen aan haar eigen God, voor de troost en kracht die Hij haar ondanks alles zou weten te schenken. Maar ook Hij kon niet voorkomen dat op 18 september 1860 het pand in de Gang Scott publiekelijk werd geveild.25 Vincent Jacob, toch al sceptisch, zal alles met lede ogen hebben aangezien. Voor Berthe echter zal dat niet het zwaarste geweest zijn. Eerder had ze, waarschijnlijk door tijd- of geldnood gedwongen, haar twee tienerzonen Jacques Henri en Alphonse naar Merchiston Castle School laten sturen,26 een jongensinternaat onder Edinburgh, in het verre Schotland. Misschien was dat adres afkomstig van de veelbereisde Vincent Jacob, of verkregen via de internationale vrijmetselaarscontacten27 van haar in 1847 in New Orleans overleden echtgenoot. Hoe dan ook, voor een alleenstaande moeder als Berthe kan zo’n scheiding alleen maar hartverscheurend geweest zijn, ook al beloofde hun ‘suikeroom’ hen tijdens een van zijn Europese zakenreizen weer op te gaan halen. De toekomst van de twee jongens in het koude noorden was volkomen onzeker:

My brother, who is now in Europe, promised me to go and see them. What their future home and destiny will be, I can little see. Some how or other I can not see Java as their future home and am rather inclined to see their subsequent life will be spent in America. Java seems to be a very undesirable place, godless, teeming with lewdness and infidelity [zie bovenstaande afbeelding].28 

Wagner & Debes, Indien. Handbuch für Reisende, (Nederlandstalige) plattegrond Buitenzorg (Bogor) met paleis van de gouverneur-generaal en ’s Lands Plantentuin, Verlag Karl Baedeker, Leipzig 1914

Berthe miste hen, elke dag.29 Uiteindelijk kwam Alphonse op 23 oktober 1861 via Amsterdam dan toch terug in Batavia.30 Zijn oudere broer Jacques Henri zou zelfs nog later weer op Java aankomen. In de tussentijd (eind 1859) was Berthe met haar drie dochters naar Buitenzorg verhuisd, een kleine veertig ‘palen31 (zo’n zestig kilometer) ten zuiden van de hoofdstad. In deze voormalige blanke lusthof had ze binnen enkele maanden na aankomst opnieuw een meisjesinstituut geopend. De school, inmiddels haar zesde, was dit keer gevestigd in een eenvoudige woning aan de Groote Postweg, precies naast het gebouw van het Mijnwezen32 waarin ruim dertig jaar later de botanische bibliotheek van ‘s Lands Plantentuin gehuisvest zou worden.33 Vanuit haar voorraam keek Berthe precies uit op de westelijke zijingang van de destijds wereldberoemde hortus, aan de overkant van de straat. Daarachter, verscholen in het bos, lag het witgepleisterde paleis van de gouverneur-generaal, en verder naar het zuiden de gouvernementstuin zelf, weelderig begroeid met de mooiste bloemen, het overvloedigste fruit, het kleurrijkste groen. Haar oudste dochter Maria Philippina vond de Javaanse natuur zelfs nog indrukwekkender dan die van Brits Guyana, haar geboorteland.34 Maar hoe mooi de omgeving ook was, ze kon niet verhinderen dat de ‘opvoedings-Inrigting’35 voor jonge christelijke meisjes een grote mislukking werd. Midden 1860 moest het schooltje alweer sluiten. Voor de derde keer in haar leven vond Berthe zichzelf terug in een vreemd en exotisch land. ‘Oh, for a lovelier faith!’, had ze al eens in wanhoop geschreven.36 Wat nu te doen, als berooide weduwe? Hoe voor zichzelf en haar vijf kinderen te zorgen, in zelfs de meest nabije toekomst?

Met, als altijd, veel dank aan Marcel van Dorst, An Duits en Marianne Offereins
Noten en literatuur
♣ 1) Java-Bode 16 april 1856; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana (USA), Tulane University (LaRC)) brief d.d. 10 mei 1856; 2) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen, ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk [sic] der Nederlanden, voor den jare 1860 (1860) pag. 804; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap (zie hierboven), brief d.d. 10 maart 1857; 3) Java-Bode 1 april 1857; ♣ 4) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 804; ♣ 5) Voor de publiekelijke aanvallen op Berthes school zie bijvoorbeeld De Indische Schoolbode No. 7. Julij. A.1858 inclusief het vervolg daarop, ibid., No. 8 Augustus. 1858 en ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 804; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 6) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 805 (‘bij besluit der Hoofdcommissie van Onderwijs’); ♣ 7) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 7 september 1856 en ibid., brief d.d. 10 mei 1857; ♣ 8) Ibid., brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 9) Ibid.; ♣ 10) Ibid.; ♣ 11) Ibid., brief d.d. 7 september 1856; ♣ 12) Ibid., brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 13) Ibid.; dit nieuwe onderkomen was eigendom van de heer Eilbrechts, zie Java-Bode woensdag 1 April 1857; overigens werden destijds in Batavia nog geen huisnummers gebruikt, zie De Haan, Oud Batavia (1922) Deel 1 § 772; ♣ 14) Java-Bode 1 april 1857; ♣ 15) Brugmans, Geschiedenis van het onderwijs in Nederlands-Indië (1938) pp 108-113 en De Haan, Oud Batavia (1922) Deel 2 § 1415; voor de periode daarvòòr zie ook Taylor, Smeltkroes Batavia (1988) pag. 113 e.v.; ♣ 16) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 17) De Indische Schoolbode No. 8. Augustus 1858; ♣ 18) Zie bijvoorbeeld Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 7 september 1856; ♣ 19) Algemeen verslag van den staat van het schoolwezen in Nederlandsch-Indië (1859) pag. 19; ♣ 20) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 21) Ibid., brief d.d. 21 september 1859; ♣ 22) De Indische Schoolbode No. 8. Augustus 1858; ♣ 23) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 21 september 1859; ♣ 24) Ibid., brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 25) Java-Bode 12 september 1860; ♣ 26) Merchiston Castle School Register voor het jaar 1859 pp 35 en 38; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 21 september 1859; ♣ 27) Ibid., brief d.d. 11 november 1854; ♣ 28) Ibid., brief d.d. 21 september 1859; ♣ 29) Ibid., brief 9 december 1859; ♣ 30) Java-Bode 26 oktober 1861; ♣ 31) Huyssen van Kattendijke (Met prins Hendrik naar de Oost (2004) pag. 258) noemt een aantal van zesendertig palen, Van de Velde (Gezigten uit Neêrlands Indië (1844-’45) pag. 10) negenendertig; ♣ 32) Bataviaasch Handelsblad 3 oktober 1860; ♣ 33) Burck, ‘Het herbarium en museum’ in Treub, ‘s Lands Plantentuin te Buitenzorg (1892) pag. 221; ♣ 34) Maria Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 9 mei 1857; ♣ 35) Bataviaasch Handelsblad 3 oktober 1860; ♣ 36) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 januari 1855 
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Een onverwachte vondst.

‘[…] it is a story just naturally full of footnotes and asides.’ (Anderson, Plants, Man and Life pag. 16)

Amersfoort, april 2004, veertien jaar geleden. Het is een vroege, zonnige voorjaarsdag. Ik scharrel wat rond in antiquariaat ’t Ezelsoor. Het loopt tegen sluitingstijd, er wordt vriendelijk gevraagd het pand te verlaten. Nog even en ik sta weer buiten. Op het laatste moment trekt een op de grond liggende stapel oud papier mijn aandacht. De deur blijft open, op een kier. De boekverkoper kijkt op zijn horloge. Ik loop terug, kniel voorzichtig en bekijk de warhoop wat zorgvuldiger. Al bij de lichtste aanraking ervan dwarrelen wolken verpulverd papier de winkel in, glinsterend in het licht van de late, nog warme middagzon. Fragmenten verdroogd leder worden zichtbaar, stukken linnen, vergulde rugletters en snippers met inktzwarte kapitalen, verstrooid tussen de overblijfselen van iets dat lijkt op een oud boekwerk. Op een half gescheurd titelblad zijn nog een jaartal (1863) en wat Franse woorden te onderscheiden, zoals ‘Fleurs’, ‘feuillages’ en ‘Bruxelles’, Vlak daarnaast doemt een exotisch klinkende naam op, ‘Île de Java’, gevolgd door een Bijbelcitaat over de legendarische rijkdommen van koning Salomo, en ook de opvallende naam van een mij onbekende vrouw, ’Madame Berthe Hoola van Nooten’. Zorgvuldig zoek ik verder.

‘Poinciana Regia’ (= Delonix regia, vlam- of pauwenboom), plaat [37] uit Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java [Bruxelles, 1863-’64]

Dan, plotseling, vanuit het donker, komen tientallen afbeeldingen van uitheemse bloemen en vruchten tevoorschijn, kleurrijk, levensecht, sprankelend getekend, bijna tastbaar, gedrukt op zo te voelen steviger en dus beter bewaard gebleven losse vellen papier. Ik ben sprakeloos. De stoffige stapel op de vloer blijkt het restant van een originele negentiende-eeuwse foliant, een heuse papieren bloemenschat. Bananen, vlambomen, palmen, gemberbloesems, papaja’s, mango’s – al bladerend kom ik de ene na de andere tropische plantensoort tegen. Fantasieën van een paradijselijk eiland in koloniale tijden zweven voorbij, van woeste kusten, onherbergzame binnenlanden en adembenemende vergezichten, uitgestrekte oerbossen vol onontdekte botanische zeldzaamheden. Kan het boek daar vandaan komen? Ik schrik op. De antiquaar tikt me tegen de schouder, en daarmee uit mijn dagdromen. De winkel gaat sluiten. Ik besluit de onverwacht gevonden bibliofiele restanten zo snel mogelijk mee naar huis te nemen. Eenmaal buiten gekomen word ik steeds nieuwsgieriger. Wie is Berthe Hoola van Nooten? En wat voor prachtigs heb ik eigenlijk van haar in handen gekregen? Een lange ontdekkingsreis begint…

Literatuur
Anderson, E.: Plants, Man and Life. Berkeley / Los Angeles: University of California Press, 1967 [eerste druk 1952]
Hoola van Nooten, B.: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et pomone de L’Île de Java. Bruxelles: Émile Tarlier, 1863 [-’64]
(Antiquariaat ’t Ezelsoor bevindt zich in Amersfoort Achter de Arnhemse Poortwal op nummer 21)
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , | 4 reacties

De primeur.

Berthe Hoola van Nooten publiceert haar Javaanse florilegium.

To open the great book of nature […]’ (Hoola van Nooten, ‘Preface’ in Fleurs, fruits et feuillages)

Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages [etc], omslag eerste livraison eerste editie, Bruxelles 1863; © Bijzondere Collecties UvA

In 1863 was het eindelijk zover. Vanaf dat jaar liet Berthe een eigen Javaans plantenboek verschijnen. Ze is daarmee, voor zover bekend, de eerste vrouw in de geschiedenis. Volgens de gedrukte data op de losse omslagen van een bewaard gebleven oningebonden exemplaar1 kwam de eerste aflevering met vier platen van het florilegium in januari van dat jaar te Brussel uit. Nog vòòr het einde van 1863 werden de vijf daaropvolgende gepubliceerd, terwijl de laatste vier afleveringen pas in de loop van 1864 zouden verschijnen. Op de officiële titelpagina is deze informatie overigens niet terug te vinden. Het project van veertig grote kleurplaten moet, los van de lange duur, sowieso een kostbare gok zijn geweest. Toch bevatte het fonds van uitgever Émile Tarlier meerdere soortgelijke titels. De Belgische botanicus De Puydt (die in 1880 te Parijs een omvangrijk orchideeënboek zou laten verschijnen) publiceerde hier bijvoorbeeld zijn eveneens schitterend geïllustreerde plantenkashandleiding Traité theorique et pratique de la culture des plantes de serre froide – orangerie et serre tempérée des jardiniers (ca 1862). Volgens het titelblad van Berthes florilegium was Tarliers bedrijf gevestigd op nummer vijf in de Montagne de L’Oratoire (Oratoriënberg), in de toenmalige Faubourg de Louvain, tegenwoordig Saint-Josse-ten-Noode. De wijk  is nog altijd de kleinste maar drukst bewoonde buurt van Brussel. Wat verder naar het westen liggen de sierlijke, Sanssouci-achtige kassen van de in 1826 aangelegde Kruidtuin (Botanique), vol met plantensoorten die daar vanuit de hele wereld naartoe gezonden waren. Iets noordelijker, in de Rue de Liekerke, bevond zich de werkplaats van Tarliers belangrijkste lithograaf, Guillaume Severeyns, lid van de Académie royale de Belgique. Geboren in 1830 als Guillaume Albert Charles (abusievelijk ook wel Georges genoemd), was hij zelf de zoon van een bekende steendrukker, Guillaume Michel Corneille Severeyns (1804-’65).2 Al op vierentwintigjarige leeftijd had deze een lithografische studio opgericht. In het bedrijfspand in de Brusselse Rue de Schuddebeek waren uiteindelijk zo’n dertig steentekenaars in dienst. Vader en zoon werkten op zeker moment zo intensief samen dat het vrijwel onmogelijk is om hun identiek gesigneerde platen (‘G. Severeyns’) uit elkaar te kunnen houden, ook al schijnt Severeyns junior in zijn manuscripten ter onderscheiding ‘fils’ aan zijn naam toegevoegd te hebben.3 Duizenden platen moeten ze samen hebben gemaakt, en toch is er nauwelijks iets over hen bekend. Zelfs de sterfdatum van de jonge Guillaume is tot nu toe niet boven water gekomen.4

Ook in Batavia stonden steendrukpersen,5 zoals die van het Lithografische Établissement van het Topografische Bureau.6 Maar deze lijken vooral gebruikt te zijn voor cartografische overheidsopdrachten, of voor het maken van bijzondere tropische landschapsgezichten, zoals afbeeldingen van ‘vuurbergen’7 (vulkanen). ‘s Lands Plantentuin bezat zelfs een eigen drukkerijtje.8 Dat Berthes aquarellen dan ook niet in Batavia of Buitenzorg, maar in Brussel werden gedrukt, was te danken aan Guillaume Severeyns’ opvallende tekenkwaliteiten. Samen met zijn vader ging hij door voor misschien wel de beste botanische lithograaf van zijn tijd.9 Berthe heeft dan ook veel geluk gehad dat juist zij haar werk wilden reproduceren. Later zou Severeyns alle lithografische stenen overnemen van Émile Tarlier, om in 1866 Fleurs, fruits et feuillages onder zijn eigen naam en enigszins bewerkt opnieuw uit te kunnen geven. Het Duitse ‘Verschlimmbesserung’ is een verrukkelijk woord: naast alle daarbij op de steen gecorrigeerde oude tekstfouten maakte hij bijna net zoveel nieuwe.10 De veertig originele, met de hand geannoteerde en van een uitgebreid kleurennummer-systeem voorziene losse vellen van de eerste editie die daarvoor als monsters werden gebruikt bevinden zich nog altijd in het bezit van Berthes Nederlandse nazaten. Elk blad is door zowel Severeyns –père of fils– als zijn drukker Van Goethem geparafeerd en voorzien van precies dezelfde handgeschreven tekst en signaturen:

Vu et approuvé Comme type pour exécution conforme / Suivant Convention de Cejour, quinze Mai Mille / huit Cent Soixante Cinq. [M.?] Van Goethem / G. Severeijns’.

Hoola van Nooten, ‘Sterculia Nobilis’ (= Sterculia monosperma); door zowel lithograaf Severeyns als drukker Van Goethem geannoteerde en geparafeerde proefplaat (1865) van de eerste druk (1863-’64) van Fleurs, fruits et feuillages (plaat [11]), bedoeld voor de tweede editie van 1866; bezit familie Barth

De combinatie van genummerde kleurcodes daarentegen is voor elke plaat specifiek. Welke druktechnische aanwijzingen daarmee bedoeld worden lijkt niet meer te achterhalen, net zo min als via welke wegen alle losse bladen tenslotte bij Berthes familie in Amsterdam zijn terechtgekomen. Ondanks de enorme geografische omweg moeten deze na ‘gebruik’ toch zijn opgestuurd naar Batavia, om later door Berthes kinderen of kleinkinderen weer meegenomen te worden naar Nederland. Maar één ding is zeker. Het stuk voor stuk bekijken, controleren, annoteren, corrigeren en uiteindelijk dubbel goedkeuren van alle veertig chromolithografieën laat zien dat het uitgeven van Fleurs, fruits et feuillages ook voor deze tweede editie een prestigieus project was.11 Als er van de eerste editie zo’n driehonderd exemplaren verkocht waren à  fl 60/70,- , dan moet de totaalopbrengst daarvan al gauw fl 19.500,- (195.000,-) bedragen hebben, een enorme som. De opbrengst van de tweede editie à fl 85,- zal nog hoger geweest zijn, namelijk fl 25.500,-, dus zo’n 255.000,-. Wat uitgevers als Tarlier, Severeyns en later Muquardt daaraan financieel overgehouden konden hebben is eveneens niet bekend, maar voor een handarbeider was de rekensom snel gemaakt. Om één livraison à fl 7,- van Berthes Javaanse bloemenboek te kunnen betalen moest hij een volle week werken.

De door Berthe gemaakte tekeningen zijn tot nu toe niet getraceerd. Maar er is wel een goed beeld te krijgen van Severeyns’ capaciteiten als lithograaf door enkele uitzonderlijk bewaard gebleven andere aquarellen te vergelijken met de platen die hij daarnaar op steen heeft overgebracht. Dit geldt bijvoorbeeld de originele tekening en bijbehorende lithografie van Tecomanthe dendrophila, een tropische trompetboomachtige die in 1849 voor het eerst officieel beschreven was door de Leidse botanicus Blume, in diens vierdelige Rumphia.12 Overigens zal Berthe dit prachtig geïllustreerde werk goed gekend hebben, het stond in elk geval al sinds de publicatie ervan op de planken van de bibliotheek van ’s Lands Plantentuin.13 Uit een snelle vergelijking van de twee Tecomanthe-afbeeldingen  wordt meteen duidelijk dat Severeyns in staat was om zowel de grootste botanische structuren als de kleinste technische details van transparante aquarellen natuurgetrouw (en eventueel in spiegelbeeld) op steen te reproduceren, inclusief fraai verkleurde, aangevreten of afgestorven plantendelen.

Links: W.J. Gordon (zie Haks en Maris, Lexicon of Foreign Artists pag. 102), ongetiteld, ongedateerd, Tecomanthe dendrophila, aquarel, eerste helft negentiende eeuw; Naturalis Biodiversity Center illustratie 32018; rechts: ‘Dendrophila trifoliata‘ (= Tecomanthe dendrophila), handgekleurde lithografie van Severeyns in Blume, Rumphia. Tomus quartus (1849; plaat 190), Naturalis Biodiversity Center illustratie 111725

Als dit representatief is voor al zijn tekenkunst, dan moeten, omgekeerd bekeken, die van Berthe eveneens van een hoge kwaliteit zijn geweest. Uit deze vergelijking blijkt ook dat de uitvergrote bloemonderdelen aan de onderkant van de platen uit haar florilegium misschien niet door Berthe zelf waren vervaardigd, maar dat Severeyns die toevoegde, of liet toevoegen, wellicht door een professioneel botanicus. Anatomische details als deze lijken het verschil tussen Hoola van Nootens bloemenboek en een echte, wetenschappelijke flora wel heel erg klein te maken. In elk geval verdampten Tarliers eventuele verkoopzorgen al snel. De publicatie van Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java in 1863/’64 was een groot succes, artistiek en commercieel. Dat gold niet alleen het grote publiek in Nederlands Indië. Ook bekende botanici in Europa, zoals F.A.W. Miquel en C.A.J.A. Oudemans, waren onder de indruk. Volgens het voorwoord van de tweede editie uit 1866 zou gouverneur-generaal Sloet van de Beele daarnaast maar liefst fl 2000,- (zo’n 20.000,-) aan de eerste hebben bijgedragen. Dit royale gebaar, gemaakt namens de Indische regering en voldaan na afronding van het werk in 1864,14 was ongetwijfeld mede te danken aan Berthes opvallende sociale vaardigheden. De titelpagina van het florilegium was overigens minder verrassend. Deze bestond uit de typisch  negentiende-eeuwse mengelmoes van kleine, grote, dikke, dunne, nauwelijks gespatieerde romeinse karakters en industrieel ogende schreeflozen en schaduwschriften. Des te indrukwekkender waren de veertig daaropvolgende ‘kromolitografieën’15 van Berthe c.q. Severeyns. Na het mislukken van haar meisjesschool in Batavia hoopte de vrome weduwe hiermee misschien geen hemelse vruchten, maar dan toch wat broodnodige aardse pecunia te kunnen oogsten. [wordt vervolgd]

(met veel dank aan de familie Barth, Marcel van Dorst, An Duits, Marianne Offereins en Johan de Zoete)
Noten
♣ 1) Bijzondere Collecties UvA; ♣ 2) Flores-Villela, Bour en Adler, ‘Publication history of the Mission scientifique au Mexique [etc]’, Revista Mexicana de Biodiversidad, vol. 87, núm. 3, septiembre [2016] pp 1162-1167♣ 3) Ibid.; ♣ 4) Het schijnt dat in 1898 de ‘l’imprimerie Severyns’ (eerder gevestigd in de Rue de L’Union 10, maar later ‘au 181 rue de Progrès près de la gare du Nord à Bruxelles’) werd overgenomen door de bekende affichedrukker Goffart, zie Gasnier, Les affiches publicitaires d’alcool [2006] pag. 301; ♣ 5) De eerste was al in 1828 geïnstalleerd en stond in de Parapatandrukkerij, in de wijk met die naam, zuidoostelijk van het Koningsplein, zie De Haan, Oud Batavia Gedenkboek II [1922] pag. 286 noot 1; ♣ 6) De drukpersen van het Topografische bureau te Batavia (vallend onder de Genie) hadden al in de jaren ‘50 van de negentiende eeuw concurrentie gekregen van geïmporteerde persen en nieuwe ‘steenen’, zie bijvoorbeeld Verslag van het beheer en den staat der Nederlandsche bezittingen en kolonien in Oost- en West-Indië en ter kust van Guinea over 1853 [1858] pag. 40 – zie ook Merrillees, Batavia in Nineteenth Century Photographs [2010] pp 266 en 267; ♣ 7) Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië. Uitgegeven door de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië. Deel VII. Nieuwe Serie. Deel IV [1854] pp 478-479; ♣ 8) Haeckel, Uit Insulinde [1902] pag. 80; ♣ 9) Nissen, Die Botanische Buchillustration [1951] pag. 233; ♣ 10) Voor het contemporaine corrigeren van drukproeven zie bijvoorbeeld Van der Meulen, Boekhandel en bibliographie [1883] pag. 136 e.v.; ♣ 11) Een wellicht vergelijkbaar begrotelijk project betrof Buffa & Zonen’s topografische platenalbum Java (1865-’72) met vierentwintig lithografieën van Johan Greive naar schilderijen en tekeningen van Abraham Salm – dit werk (overigens net als Fleurs, fruits et feuillages op speciaal watermerkloos Bristol papier gedrukt) werd aangeboden voor fl 96,-, een bedrag dat eerder blijkbaar ook voor Buffa een ‘heavy investment’ had betekend, zie Bastin en Brommer, Nineteenth Century Prints and Illustrated Books [1979] pag. 44 e.v.; ♣ 12) Blume, Rumphia [1835-’48] Tomus quartus tab. 190 (als Dendrophila trifoliata); ♣ 13) Treub, Catalogus der bibliotheek van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg [1887] pp iv en 39; ♣ 14) Verslag van het beheer en den staat der Oost-Indische bezittingen over 1862. Geleidende Brief. No 1. Zitting 1864-1865. XCVIII. 29 Maart 1865. No. 3 [1865] pag. 122; ♣ 15) Ibid.
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , | 4 reacties

Bedrieglijke schoonheid. Enkele terzijdes bij de touwbloem van Berthe Hoola van Nooten

I then saw Java’s true and living charms’ (Maria van Nooten (de oudste dochter van Berthe) aan Dunlap, brief d.d. 9 mei 1857)

[…] Al snel na aankomst op Java kwam Berthe in de hogere kringen van Batavia terecht. Ze moet zelfs goed contact hebben gehad met de toenmalige gouverneur-generaal, baron Sloet van de Beele (in functie 1861-’66). Hij was het tenslotte die in 1863 namens het Indische gouvernement de eerste editie van haar Fleurs, fruits et feuillages zo royaal zou subsidiëren. Zijn werkpaleis te Buitenzorg (Bogor) stond schuin tegenover het pand waarin later haar vijfde meisjesschool gevestigd zou worden, aan de overkant van de Groote Postweg. Deze ruim duizend kilometer lange verkeersader over Java liep met twee scherpe bochten pal langs het gouvernementele paleis. De naastgelegen plantentuin, dezelfde plek waar Berthe haar veertig plantensoorten ‘d’après nature’ zou tekenen, werd op die manier in het noorden begrensd door het paleispark, in het westen door de drukke Postweg, in het oosten door de smalle, snelstromende Tjiliwoeng (Ciliwung) en het zuiden door de dichtbevolkte en door Europeanen gewoonlijk gemeden Chinese wijk, de ‘Kampong China’. Op heldere dagen kon men in de verte de glinsterende contouren ontwaren van de nog actieve vulkanen Gedeh en Salak, de ‘blauwe bergen’ van de allereerste Hollandse handelsreizigers.

Tot de opening van een spoorlijn in 1873 waren de ruim veertig ‘palen’ (zo’n zestig kilometer) tussen Buitenzorg en Batavia alleen te voet, te paard of per koets af te leggen, een urenlange rit. Toch gebeurde dat, zelfs voortdurend, want in de hoofdstad bevond zich het handelscentrum, in het zuiden zetelde de koloniale regering en resideerde de landvoogd. Bovendien lag het relatief muskietenarme Buitenzorg dicht tegen de berghellingen van de Preanger aan. Overvloedige moessonregens en de daarop binnenstromende frissere lucht konden daardoor in elk geval ‘s nachts voor wat verkoeling zorgen. Volgens de Duitse evolutionist Ernst Haeckel was de plek een van de mooiste op aarde, volgens zijn landgenoot Franz Junghuhn in elk geval de natste. Dagelijks terugkerende, met felle donderslagen gepaard gaande stortbuien deden de gezwollen lucht boven ‘s Lands Plantentuin soms trillen. Ze konden zo heftig zijn dat ze vergezeld gingen van heuse, ijzige hagelvlagen. De bodem, de bergen, de nog werkende vulkanen, het broeierige klimaat, de lucht, de vochtigheid, de ‘plasregens’, het schitterende uitzicht, alles droeg ertoe bij om van de plantentuin te Buitenzorg, veel meer nog dan de Gang Scott in Batavia, een levende broeikas, een Javaanse Hof van Eden te maken. Geen plant was zo exotisch of ze kon hier tot bloei komen.

Hoola van Nooten, ‘Strophanthus Dichotomus’ (= S. caudatus), plaat 25 uit Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java, Bruxelles, 1863-’64

Dit geldt ook de zogenoemde touwbloem, door Hoola van Nooten op de vijfentwintigste plaat van haar florilegium afgebeeld. De tot twaalf meter hoge hout- en liaanachtige plant (tegenwoordig Strophanthus caudatus) komt voor van Zuid-China en Maleisië tot op Java en Nieuw-Guinea. Volgens een contemporaine catalogus (1866) had Berthe een levend exemplaar ervan kunnen aantreffen bij de hoofdingang van ’s Lands Plantentuin, precies in de linkerbocht van Groote Postweg. Later schijnt de plant verplaatst te zijn, want een overzicht uit 1923 vermeldt dat ze in de buurt van de Tjiliwoeng groeide, aan de andere kant van de hortus. In het florilegium merkte Berthe op dat ‘Indian ladies’ hun sluike kapsels doorvlochten met de zijdezachte, bont wit/paars gekleurde en tot een halve meter lang kronkelende touwbloemslingers. Het elastische en struisveerachtige vruchtpluis (zie afbeelding) zou eveneens ‘extremely pretty’ zijn. Indische schonen kenden deze ‘exquisite beauty’ al veel langer. Dat had zijn prijs, want vrouwelijke gevoeligheden als deze zijn altijd al ten koste gegaan van kwetsbare natuurproducten, hoewel dat offer de waarde van de feminiene opwinding uiteraard juist verhoogde, als het die al niet veroorzaakte. Exotische orchideeën, kroonduiven, zilverreigers, sprookjesachtige paradijsvogels, alles wat glinsterde, zeldzaam of buitenissig was moest het daarbij ontgelden. Vrouwelijke ijdelheden kende Berthe zelf maar al te goed. Veel eerder, op een Texaans huwelijksbal, had ze als jonge weduwe eens haar opwachting gemaakt in een zwartsatijnen avondjurk die weliswaar al vier jaar oud was, maar haar, beweerde ze, alle bijbelse vermaningen over pronkzucht terzijde schuivend, nog zo beeldig stond dat ze elke veel kapitaalkrachtigere seksegenote er ter plekke de loef mee afstak. 

Ansichtkaart (jaren ’40) van gouvernementspaleis te Buitenzorg vanuit ’s Lands Plantentuin

De schoonheid van de touwbloem is overigens bedrieglijk: de plant bevat een krachtig gif (strophantine) dat vroeger door Maleise ‘inboorlingen’ voor dodelijke pijlpunten werd gebruikt. Hoewel de originele aquarel verloren lijkt gegaan, werd deze ooit door de Brusselse meesterlithograaf Guillaume Severeyns in ‘kostelijke’ kleuren en natuurgetrouw op watermerkloos velijnpapier gereproduceerd, om zo, samen met alle andere gedrukte platen, tekstbladen en titelpagina, alsnog vereeuwigd te worden in Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Ile de Java, het botanische prachtwerk van een in meerdere opzichten ongekende negentiende-eeuwse vrouw. 

(de gedrukte tekst zal alle bibliografische verwijzingen bevatten)
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | 5 reacties

12 oktober 1817

Vandaag is het precies tweehonderd jaar geleden dat de Utrechtse amateurbotanica Berthe Hoola van Nooten werd geboren. Ze is de maakster van een van de mooiste Indische florilegia uit de negentiende eeuw, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java. Uit een te verschijnen studie over haar leven en werk wordt hier alvast een hoofdstuk gepubliceerd. Het is 1855. Berthe is eerder vanuit Suriname in New Orleans terechtgekomen. In 1847 heeft ze daar haar echtgenoot aan de gele koorts verloren en sindsdien ze staat er in het verre, vreemde Amerika met haar vijf jonge kinderen helemaal alleen voor. Onvoorzien zal ze de grootste reis van haar leven gaan maken.

Op weg naar Java

This summer has been very dark to me.’ (Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 20 oktober 1854)

[…] Na de dood van haar man moet Berthe wanhopig zijn geweest. ‘All human joys have been taken away from me’, schreef ze later bitter. Toch leek ze ongebroken. Ze blijkt zelfs nog Nederland bezocht te hebben, tussen de tweede meisjesschool te New Orleans en de derde te Plaquemine in. Nadat ze haar oudste dochters Maria Philippina en Julia Bertha had achtergelaten bij hun tantes in Wageningen kwam ze vermoedelijk in haar eentje terug naar Amerika. Al haar eerdere meisjesinstituten waren daar geëindigd in financiële mislukkingen. Omdat geldgebrek steeds nijpender werd nodigde haar halfbroer Vincent Jacob van Dolder het hele gezin uit om op Java te komen wonen, waar hij zojuist op een belangrijke en vooral lucratieve koloniale post was benoemd. Ook Helena, Berthes huishoudhulp was welkom, een knappe Creoolse ex-slavinnendochter waarop hij tijdens een eerder bezoek aan New Orleans smoorverliefd was geworden. Vincent Jacob beloofde voor iedereen de overtocht te betalen. Die extra hulp werd al snel onmisbaar, want de veiling van Berthes huisraad en de verkoop van haar financiële aandeel in de school zouden vrijwel niets opbrengen. Zijn woorden moeten als manna uit de hemel gevallen zijn:

Yesterday’s mail has brought me letters from home & one from my brother from Java wherein he informs me, that he has lately been appointed to one of the chief offices of the Colony – with a considerable salary – and that otherwise being very successful in his business – this circumstance enables him to assure the entire charge of my children’s education and to provide for them entirely – so that he proposes to me to join him in East-India – offering me a home of my own and a quiet, comfortable life for the balance of my days.

Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860 (collectie familie Barth)

Berthe voelde zich verward, maar ook opgelucht en dankbaar. Ze accepteerde zijn aanbod. Bij een gehaaid zakenman als Vincent Jacob is het trouwens niet ondenkbaar dat die herenigingsdrang eerder de mooie Helena gegolden zal hebben dan haar bazin, zijn vrome halfzus. Hoe dan ook, enkele maanden later zou Berthe de Verenigde Staten achter zich laten, samen met haar jongste dochter Henriëtte en twee zoontjes Jacques Henri en Alphonse. Ze deed dat volgens eigen zeggen met spijt in het hart en, buiten het contante passagiersgeld van $110, een vrijwel lege portemonnee. ‘After eight years of struggle and toil I shall leave America, without even fifty dollars that I can call my own’, schreef ze gedesillusioneerd. Daarnaast voelde ze zich flink bedrukt door het besef dat ze diverse school- en huishoudrekeningen onbetaald had achtergelaten. Dat haar schuldgevoel hierover bepaald niet onterecht was is te lezen in The Galveston News van dinsdag 8 november 1855. Daarin wordt vermeld dat drie bekende winkeliers uit Galveston een zekere mevrouw ‘B.H. van Nooten’ bij de ‘Justice of Peace’ (kantonrechter) hebben aangeklaagd wegens het niet betalen van $ 55,22 voor geleverde ‘goods, wares and merchandise’. Op dat moment was de weduwe echter al gevlogen, richting Europa.

Vlak voor haar inscheping lukte het nog wel om een portretfoto van zichzelf te laten maken. Dat was een daguerreotypie, de nieuwe, uit Frankrijk overgewaaide en ook in de Verenigde Staten razendsnel populair geworden reproduceertechniek. In de rijke havenstad Boston wemelde het destijds van de studio’s waar men zich dankzij verzilverde koperen platen, zoutoplossingen en levensgevaarlijke jodium- en kwikdampen in glashelder miniatuur kon laten vereeuwigen. Elke foto was uniek, ook die van Berthe. Ze stuurde het portret op als aandenken op aan de kort daarvoor weduwnaar geworden Dunlap. Hij deed hetzelfde met dat van hem, in omgekeerde richting. Tussendoor bekende Berthe dat ze zich, ‘with a heart craving for affection’, meerdere nieuwe liefdesbetuigingen had laten welgevallen, van ‘other lips then yours [Dunlap]’. Ze weigerde echter de naam van de tweede vrijer te onthullen, vanwege een ‘secret of terrible consent’. Wat was dat ‘verschrikkelijke’ geheim? En wie was die andere man, een publiek iemand misschien, een door eigen toedoen in verleiding gebrachte kerkgenoot, of iemand die eenvoudigweg al bezet was? Dunlap moet er diep door zijn geraakt. Toch lijkt hijzelf degene te zijn geweest die, om wat voor redenen dan ook, niet was ingegaan op haar eerdere avances. Na deze door haarzelf vroegtijdig beëindigde affaire besloot Berthe nooit meer te trouwen, met welke huwelijkszuchtige dan ook. ‘I do hope I shall once visit these shores’ schreef ze nog aan Dunlap, maar de twee zouden elkaar na hun afscheid in dit aardse leven niet meer terugzien. Hij bleef alleen achter, weemoedig en gedeprimeerd. ‘We shall meet again, if not here, then in a better world.’ zijn aan hem haar laatste, nog in het Texaanse Galveston haastig neergekrabbelde woorden.

Tweede en derde pagina brief Hoola van Nooten aan Dunlap Batavia 9 december 1856; collectie ‘Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59’ (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University)

Na anderhalve maand gelogeerd te hebben in een ‘delightful, beautiful mansion’ van de bevriende familie Eaton, vertrok Berthe met haar driekwart gezin vanuit de haven van Boston richting Europa. Op de bijna zestig meter lange pakketboot Chatsworth was ze volgens eigen zeggen de enige ‘lady-passenger’. Quasi-ongeïnteresseerd sigaren rokende mannen ergerden haar. Overdag werd ze vaak beziggehouden door de drie kinderen, maar ‘s nachts, alleen in haar kajuit, de donkere, rusteloze watermassa bodemloos onder haar, sloeg de eenzaamheid toe. ‘Oh, how I then long for you’ schreef ze Dunlap. ‘I can say in all truth, that of all the friends I have left in America, you have been uppermost in my thoughts […].’ Over een stormachtige noordelijke Atlantische Oceaan (waarbij Berthe soms voor haar leven vreesde en verschillende keer zelfs Zijn hulp moest aanroepen) kwam het gezin via Liverpool (22 oktober, inclusief aanvaring met een groot vrachtschip) en Londen (per trein) ‘per steamship’ tenslotte aan in Rotterdam. Opnieuw over het spoor ging het daarna snel door naar Wageningen, waar Berthe op 28 oktober haar twee oudste dochters na een jarenlange scheiding eindelijk weer in de armen kon sluiten. Ruim vier weken later vertrok de nu zeskoppige familie op de Resident van Son vanuit Rotterdam richting Kinderdijk, Hellevoetsluis en, als laatste Europese stad, Brouwershaven. Wind en mistbanken dwongen het stoomschip daar meer dan een week op definitief vertrek naar Indië te wachten. Maar de wind ging liggen, de mist trok op, en de reis werd voortgezet. Via een nog altijd gure Noordzee, de Canarische en Kaapverdische eilanden, over de zuidelijke Atlantische Oceaan, het inmiddels Engelse Kaapstad, de Indische Oceaan, de nauwe Straat Malakka, het door Raffles pas zevenendertig jaar daarvoor gestichte ‘Singapoera’ (dat ze als poste restante-adres had opgegeven aan Dunlap), de Zuid-Chinese Zee en tenslotte de ondiepe, troebele Javazee, landde Berthe na bijna zes maanden, op 12 april 1856, met haar vijf kinderen veilig op de reede van Batavia. Met de Resident van Son verging het minder goed. De tweedeks bark zou al haar verre Indiëreizen overleven, maar in 1862 tijdens een voorjaarsstorm op de Zuid-Engelse klippen lopen, kapot slaan, en versplinterd worden door de golven van Het Kanaal.

Kaart Batavia en de omliggende landen, aquarel, ongedateerd, 1800-1850 (Nationaal Archief)

De halve-wereldreis was op de Bataviase reede nog niet voorbij. Berthe en haar gezin moesten vanaf de ruim twee kilometer buitengaats gelegen aanlegplaats via het kaarsrechte Havenkanaal (‘very Dutch and straight’) verder afgezet worden bij de Kleine Boom, het eenvoudige en nogal haveloze douanegebouwtje op het Javaanse vasteland, ook wel kantoor der recherche of inklaringskantoor genoemd. Dat overzetten was een hele bedoening. Omdat er bij stormachtig weer zelfs doden konden vallen werd het werk meestal niet geklaard door Europese matrozen, maar door veel goedkopere lokale roeiers die in honderden prauwen (‘tambangangs’) voortdurend in de haven ronddobberden. In alle windrichtingen keek de fris gearriveerde weduwe uit op glibberige, uitgestrekte en door ‘verderfelijke uitwasemingen’ geplaagde moddervelden en brakwaterplassen. Verlaten visvijvers vol muskietenlarven vulden de kale vlakte. De woonwijk rondom het vroegere Casteel (de ‘benedenstad’) was het oudste gedeelte van Batavia, de blanke residentie die ooit ‘die magtige Koninginne van ‘t Oosten’ werd genoemd. Die tijd bestond niet meer. Met het gestage teloorgaan van de VOC was de onvermijdelijke aftakeling ingezet. Geteisterd door malaria had de hoofdstad zelfs de steeds passender bijnaam ‘Kerkhof der Europeanen’ gekregen. Alfred Russel Wallace, Darwins evolutionistische penvriend, vond tijdens zijn reis door de ‘Maleise’ archipel dat Java zich het mooiste tropische eiland ter wereld mocht noemen, maar de eerste kennismaking met Indië moet voor elke nieuwe reiziger een flinke schok zijn geweest. Tientallen jaren eerder had een Nederlandse adelborst de omgeving al beschreven als een ‘smerige en walgelijke buurt’, een gevaarlijke plek om zo snel mogelijk achter zich te laten, en nog veel later, tegen het einde van de eeuw, deed het eindeloze havenkanaal vol ‘trübschmutziges Wasser’ de Duitse botanicus Haberlandt van afkeer bijna terugdeinzen. In dit broeierige havengebied vol pakhuizen en afgeladen toko’s leefden destijds ‘slechts’ niet-blanke slaven, Arabieren, honderden Portugese afstammelingen, duizenden ‘onzindelijke’ Chinezen, tienduizenden Indiërs en miljoenen muskieten, alle, buiten strikt noodzakelijke kantooruren, zorgvuldig gemeden door hun Hollandse landgenoten. Berthe zou de zuidelijker gelegen ‘bovenstad’ geregeld, maar het eiland nooit meer verlaten. [wordt vervolgd...

Woodbury & Page, fotografie, ongetiteld (circa 1865), haven van Batavia, zicht richting noordoosten op het Havenkanaal en (rechts) het douanekantoor de Kleine Boom

 

 

 

 

 

 

 

 

(de gedrukte tekst zal alle bibliografische verwijzingen bevatten)
Geplaatst in botanie, Reizen, Uncategorized | Tags: , , , , , , , | 1 reactie