‘Oh, for a lovelier faith!’

Berthe Hoola van Nooten en haar kortstondige meisjesscholen op Java

[…] Nadat Berthe op 12 april 18561 in Nederlands-Indië was aangekomen leken er voor haar en haar gezin eindelijk betere tijden aan te breken. Dankzij een forse gouvernementele subsidie van fl 1500,- per maand2 (zo’n 15.000,-) slaagde ze erin al op 6 april van het jaar daarop3 in Batavia een nieuwe meisjesschool te openen. Deze was, uiteraard, bedoeld voor blanke meisjes, liefst ‘uit den beschaafden stand’.4 Bij de publiekelijk fel bekritiseerde5 officiële toestemming (d.d. 24 maart) kon Berthe haar meer dan twintig jaar oude Wageningse ‘acte van toelating tot schoolhouderes in de Nederduitsche, Hoogduitsche, Fransche en Engelsche talen’ nog overleggen.6 Ze kreeg zelfs meer dan ze had gevraagd. Niet alleen mocht ze alle extra inkomsten voor zichzelf houden,7 de Hoofdcommissie van Onderwijs beloofde haar dat bij een succesvolle start het schoolcontract na twaalf maanden met vijf jaar verlengd zou worden.Ook Berthes gastheer, haar even rijke als agressieve (‘very violently indisposed’)9 halfbroer Vincent Jacob van Dolder, gaf zijn zegen aan het project, alhoewel dat gepaard ging met flink wat commentaar op haar veronderstelde gebrek aan financiële capaciteiten.10 Eerdere plannen om op een van zijn Javaanse suikerplantages te gaan wonen kon Berthe in elk geval laten varen.11 Na alle onzekerheid over de toekomst was ze geëmotioneerd, opgelucht en dankbaar.12

Het pand waarin de school gevestigd werd, stond in de Gang Scott, een van de mooiste zijlanen van het centraal gelegen Koningsplein. Verscholen in het tropische groen was hier ook de villa van Vincent Jacob te vinden. In de ruim aangelegde wijken eromheen resideerde de blanke Bataviase elite, vooralsnog in de watten gelegd door ontelbare autochtone bedienden, baboes (Multatuli’s ‘kindermeisjes’) en huishoudhulpen. 

Woodbury & Page, Gang Scott, Batavia (albuminedruk), ca 1880

De school ging vlot van start. Vooral na verhuizing naar ‘another very large house’,13 iets verderop in de laan, groeide het aantal leerlingen snel. Uiteindelijk kreeg Berthe in dit nieuwe pand (tevens woonhuis) bijna vijftig ‘Jonge Jufvrouwen’14 onder haar Nederlandse Hervormde vleugels. Dat succes kon nauwelijks onverwacht gekomen zijn. In Batavia, nota bene de hoofdstad van Nederlands-Indië, werd door het gouvernement al decennialang geen regulier meisjesonderwijs meer aangeboden.15 Maar ondanks die bevoorrechte positie schijnt Berthe onhandig gemanoeuvreerd te hebben, eigenzinnig, zelfs halsstarrig. Ze vertikte het bijvoorbeeld om het klassikaal Bijbellezen achterwege te laten (‘[…] with the help of God, I will never yield this point.’)16, iets wat de seculiere autoriteiten haar toch uitdrukkelijk hadden gevraagd. Dat was onvoorzichtig gedacht van de schooldirectrice. In dezelfde buurt werkten namelijk meerdere andere onderwijzeressen die op een riante overheidstoelage als de hare aasden, met of zonder een flinke dosis ‘jalousie de métier’.17  Deze seksegenotes zouden nog sneller hun zin krijgen dan waarschijnlijk verwacht. Want ook al lijkt madame Hoola van Nooten née Van Dolder zich in de hogere kringen van Batavia snel thuis gemaakt te hebben,18 op 1 januari 1859 raakte ze de royale subsidie voor haar ‘partikuliere meisjes- dag- en kostschool’ alweer kwijt,19 vierenhalf jaar eerder dan de bedoeling was geweest. De gehoopte Bijbelse zes vette jaren waren ineengeschrompeld tot een magere anderhalf. Volgens haar was in juridische zin koning Willem III daar uiteindelijk verantwoordelijk voor,20 ironisch genoeg dezelfde man wiens naam later bovenaan de intekenlijst van haar Javaanse florilegium zou prijken.

Hoola van Nooten aan Dunlap, pp 14 & 15 van brief d.d. 21 september 1859 (laatst bekende brief van Berthe; © John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University)

Ondanks het gebrek aan subsidie zette Berthe de school nog enkele maanden voort, tot minstens oktober van dat jaar. Daarna dreigden de kosten van vooral het inhuren van Europese leerkrachten definitief te hoog te worden.21 De aangeslagen ‘kostschoolderes’22  beweerde zelf dat het mislukken van haar school opzettelijk was gebeurd, ‘in consequence of all sorts of opposition and intrigue’,23 maar vrijwel zeker had haar eigen protestantse ‘Prinzipienreiterei’ een net zo obstructieve rol gespeeld. Eindeloos zijn de klaagzangen over alle in haar ogen even godenrijke als goddeloze eilandgenoten, of het nu ging om Javanen, Rooms-Katholieken, anderszins niet-evangelische christenen, Arabieren, Chinezen, Maleisiërs, Armeniërs of, bovenal, ‘Mohammedanen’.24 Meestal werden die jeremiades gevolgd door (weliswaar wat weifelachtige) dankzeggingen aan haar eigen God, voor de troost en kracht die Hij haar ondanks alles zou weten te schenken. Toch kon ook Hij niet voorkomen dat op 18 september 1860 het pand in de Gang Scott publiekelijk werd geveild.25 De sceptische Vincent Jacob zal alles met lede ogen hebben aangezien. Voor Berthe echter was dat niet het zwaarste. Eerder had ze, waarschijnlijk door tijd- of geldnood gedwongen, haar twee tienerzonen Jacques Henri en Alphonse naar Merchiston Castle School laten sturen,26  een jongensinternaat nabij Edinburgh, in het verre, koude Schotland. Wellicht was dat adres afkomstig van de veelbereisde Vincent Jacob, of verkregen via de internationale vrijmetselaars-contacten27 van haar in 1847 overleden echtgenoot. Hoe dan ook, de scheiding zal voor een alleenstaande moeder als Berthe heel moeilijk geweest zijn, ook al beloofde hun ‘suikeroom’ hen tijdens een van zijn Europese zakenreizen weer op te gaan halen. De toekomst van de jongens was volkomen ongewis:

My brother, who is now in Europe, promised me to go and see them. What their future home and destiny will be, I can little see. Some how or other I can not see Java as their future home and am rather inclined to see their subsequent life will be spent in America. Java seems to be a very undesirable place, godless, teeming with lewdness and infidelity [zie bovenstaande afbeelding].28 

Wagner & Debes, Indien. Handbuch für Reisende, (Nederlandstalige) plattegrond Buitenzorg (Bogor) met Paleis van de Gouverneur-Generaal en ’s Lands Plantentuin, Verlag Karl Baedeker, Leipzig 1914

Berthe miste hen, elke dag.29 Uiteindelijk keerde Alphonse op 23 oktober 1861 via Amsterdam toch weer in Batavia terug.30  Zijn oudere broer Jacques Henri zou zelfs nog later zijn moeder weer kunnen omarmen. In de tussentijd (eind 1859) verhuisde Berthe met haar drie dochters naar Buitenzorg, een kleine veertig ‘palen31 (zo’n zestig kilometer) ten zuiden van de hoofdstad. In deze voormalige lusthof opende ze binnen enkele maanden opnieuw een meisjesinstituut. De school (inmiddels haar zesde) was gevestigd in een eenvoudige woning aan de grote Postweg, precies naast het gebouw van het Mijnwezen32 waarin ruim dertig jaar later de botanische bibliotheek van ‘s Lands Plantentuin gehuisvest zou worden.33  Vanuit haar voorraam keek Berthe uit op de westelijke zijingang van de wereldberoemde hortus, recht de weelderig begroeide parklanen in. Veel meer nog dan in de Gang Scott te Batavia kon ze hier de meest exotische planten bewonderen, het kleurrijkste groen, de mooiste bloemen, het overvloedigste fruit. Haar oudste dochter Maria Philippina vond de natuur op Java zelfs indrukwekkender dan die van Brits Guyana, haar eigen geboorteland.34 Maar hoe prachtig de omgeving ook was, de bescheiden ‘opvoedings-Inrigting’35 voor jonge christelijke meisjes bleek eveneens geen lang leven beschoren. Na de sluiting ervan stond Berthe opnieuw met lege handen. ‘Oh, for a lovelier faith!’, had ze eerder al eens in wanhoop geschreven.36 Wat nu te doen, als berooide weduwe? Hoe voor zichzelf en haar vijf kinderen te zorgen, in de verre toekomst, of de meest nabije?

Met, als altijd, veel dank aan Marcel van Dorst, An Duits en Marianne Offereins
Noten en literatuur
♣ 1) Java-Bode 16 april 1856; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana (USA), Tulane University (LaRC)) brief d.d. 10 mei 1856; 2) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen, ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk [sic] der Nederlanden, voor den jare 1860 (1860) pag. 804; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap (zie hierboven), brief d.d. 10 maart 1857; 3) Java-Bode 1 april 1857; ♣ 4) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 804; ♣ 5) Voor de publiekelijke aanvallen op Berthes school zie bijvoorbeeld De Indische Schoolbode No. 7. Julij. A.1858 inclusief het vervolg daarop, ibid., No. 8 Augustus. 1858 en ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 804; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 6) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 805 (‘bij besluit der Hoofdcommissie van Onderwijs’); ♣ 7) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 7 september 1856 en ibid., brief d.d. 10 mei 1857; ♣ 8) Ibid., brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 9) Ibid.; ♣ 10) Ibid.; ♣ 11) Ibid., brief d.d. 7 september 1856; ♣ 12) Ibid., brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 13) Ibid.; dit nieuwe onderkomen was eigendom van de heer Eilbrechts, zie Java-Bode woensdag 1 April 1857; overigens werden destijds in Batavia nog geen huisnummers gebruikt, zie De Haan, Oud Batavia (1922) Deel 1 § 772; ♣ 14) Java-Bode 1 april 1857; ♣ 15) Brugmans, Geschiedenis van het onderwijs in Nederlands-Indië (1938) pp 108-113 en De Haan, Oud Batavia (1922) Deel 2 § 1415; voor de periode daarvòòr zie ook Taylor, Smeltkroes Batavia (1988) pag. 113 e.v.; ♣ 16) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 17) De Indische Schoolbode No. 8. Augustus 1858; ♣ 18) Zie bijvoorbeeld Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 7 september 1856; ♣ 19) Algemeen verslag van den staat van het schoolwezen in Nederlandsch-Indië (1859) pag. 19; ♣ 20) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 21) Ibid., brief d.d. 21 september 1859; ♣ 22) De Indische Schoolbode No. 8. Augustus 1858; ♣ 23) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 21 september 1859; ♣ 24) Ibid., brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 25) Java-Bode 12 september 1860; ♣ 26) Merchiston Castle School Register voor het jaar 1859 pp 35 en 38; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 21 september 1859; ♣ 27) Ibid.,, brief d.d. 11 november 1854; ♣ 28) Ibid., brief d.d. 21 september 1859; ♣ 29) Ibid., brief 9 december 1859; ♣ 30) Java-Bode 26 oktober 1861; ♣ 31) Huyssen van Kattendijke (Met prins Hendrik naar de Oost (2004) pag. 258) noemt een aantal van zesendertig palen, Van de Velde (Gezigten uit Neêrlands Indië (1844-’45) pag. 10) negenendertig; ♣ 32) Bataviaasch Handelsblad 3 oktober 1860; ♣ 33) Burck, ‘Het herbarium en museum’ in Treub, ‘s Lands Plantentuin te Buitenzorg (1892) pag. 221; ♣ 34) Maria Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 9 mei 1857; ♣ 35) Bataviaasch Handelsblad 3 oktober 1860; ♣ 36) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 januari 1855 
Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Een onverwachte vondst.

‘[…] it is a story just naturally full of footnotes and asides.’ (Anderson, Plants, Man and Life pag. 16)

Amersfoort, april 2004, veertien jaar geleden. Het is een vroege, zonnige voorjaarsdag. Ik scharrel wat rond in antiquariaat ’t Ezelsoor. Het loopt tegen sluitingstijd, er wordt vriendelijk gevraagd het pand te verlaten. Nog even en ik sta weer buiten. Op het laatste moment trekt een op de grond liggende stapel oud papier mijn aandacht. De deur blijft open, op een kier. De boekverkoper kijkt op zijn horloge. Ik loop terug, kniel voorzichtig en bekijk de warhoop wat zorgvuldiger. Al bij de lichtste aanraking ervan dwarrelen wolken verpulverd papier de winkel in, glinsterend in het licht van de late, nog warme middagzon. Fragmenten verdroogd leder worden zichtbaar, stukken linnen, vergulde rugletters en snippers met inktzwarte kapitalen, verstrooid tussen de overblijfselen van iets dat lijkt op een oud boekwerk. Op een half gescheurd titelblad zijn nog een jaartal (1863) en wat Franse woorden te onderscheiden, zoals ‘Fleurs’, ‘feuillages’ en ‘Bruxelles’, Vlak daarnaast doemt een exotisch klinkende naam op, ‘Île de Java’, gevolgd door een Bijbelcitaat over de legendarische rijkdommen van koning Salomo, en ook de opvallende naam van een mij onbekende vrouw, ’Madame Berthe Hoola van Nooten’. Zorgvuldig zoek ik verder.

‘Poinciana Regia’ (= Delonix regia, vlam- of pauwenboom), plaat [37] uit Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java [Bruxelles, 1863-’64]

Dan, plotseling, vanuit het donker, komen tientallen afbeeldingen van uitheemse bloemen en vruchten tevoorschijn, kleurrijk, levensecht, sprankelend getekend, bijna tastbaar, gedrukt op zo te voelen steviger en dus beter bewaard gebleven losse vellen papier. Ik ben sprakeloos. De stoffige stapel op de vloer blijkt het restant van een originele negentiende-eeuwse foliant, een heuse papieren bloemenschat. Bananen, vlambomen, palmen, gemberbloesems, papaja’s, mango’s, al bladerend stuit ik hier in Amersfoort op de ene na de andere tropische plantensoort. Fantasieën van een paradijselijk eiland in koloniale tijden zweven voorbij, van woeste kusten, onherbergzame binnenlanden en adembenemende vergezichten, uitgestrekte oerbossen vol onontdekte botanische zeldzaamheden. Kan het boek daar vandaan komen? Ik schrik op. De antiquaar tikt me tegen de schouder, en daarmee uit mijn dagdromen. De winkel gaat sluiten. Ik besluit de onverwacht gevonden bibliofiele restanten zo snel mogelijk mee naar huis te nemen. Eenmaal buiten gekomen word ik steeds nieuwsgieriger. Wie is Berthe Hoola van Nooten? En wat voor prachtigs heb ik eigenlijk van haar in handen gekregen? Een lange ontdekkingsreis begint…

Literatuur
Anderson, E.: Plants, Man and Life. Berkeley / Los Angeles: University of California Press, 1967 [eerste druk 1952]
Hoola van Nooten, B.: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et pomone de L’Île de Java. Bruxelles: Émile Tarlier, 1863 [-’64]
(Antiquariaat ’t Ezelsoor bevindt zich in Amersfoort Achter de Arnhemse Poortwal op nummer 21)
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , | 4 reacties

De primeur. Berthe Hoola van Nooten publiceert haar Javaanse florilegium.

To open the great book of nature […]’ (Hoola van Nooten, ‘Preface’ in Fleurs, fruits et feuillages)

Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages [etc], omslag eerste livraison eerste editie, Bruxelles 1863; © Bijzondere Collecties UvA

In 1863 was het eindelijk zover. Vanaf dat jaar liet Berthe een eigen Javaans plantenboek verschijnen. Ze is daarmee, voor zover bekend, de eerste vrouw in de geschiedenis. Volgens de gedrukte data op de losse omslagen van een bewaard gebleven oningebonden exemplaar1 kwam de eerste aflevering met vier platen van het florilegium in januari van dat jaar te Brussel uit. Nog vòòr het einde van 1863 werden de vijf daaropvolgende gepubliceerd, terwijl de laatste vier afleveringen pas in de loop van 1864 zouden verschijnen. Op de officiële titelpagina is deze informatie niet terug te vinden. Het project van veertig grote kleurplaten moet, los van de lange duur, sowieso nogal een kostbare gok zijn geweest. Toch bevatte het fonds van uitgever Émile Tarlier meerdere soortgelijke titels. De Belgische botanicus De Puydt (die in 1880 te Parijs een omvangrijk orchideeënboek zou laten verschijnen) publiceerde hier bijvoorbeeld zijn eveneens schitterend geïllustreerde plantenkashandleiding Traité theorique et pratique de la culture des plantes de serre froide – orangerie et serre tempérée des jardiniers (ca 1862). Volgens het titelblad van Berthes florilegium was Tarliers bedrijf gevestigd op nummer vijf in de Montagne de L’Oratoire (Oratoriënberg), in de toenmalige Faubourg de Louvain, tegenwoordig Saint-Josse-ten-Noode. De wijk  is nog altijd de kleinste maar drukst bewoonde buurt van Brussel. Wat verder naar het westen liggen de sierlijke, Sanssouci-achtige kassen van de in 1826 aangelegde Kruidtuin (Botanique), vol met plantensoorten die daar vanuit de hele wereld naartoe gezonden waren. Iets noordelijker, in de Rue de Liekerke, bevond zich de werkplaats van Tarliers belangrijkste lithograaf, Guillaume Severeyns, lid van de Académie royale de Belgique. Geboren in 1830 als Guillaume Albert Charles (abusievelijk ook wel Georges genoemd), was hij zelf de zoon van een bekende steendrukker, Guillaume Michel Corneille Severeyns (1804-’65).2 Al op vierentwintigjarige leeftijd had deze een lithografische studio opgericht. In het bedrijfspand in de Brusselse Rue de Schuddebeek waren uiteindelijk zo’n dertig steentekenaars in dienst. Vader en zoon werkten op zeker moment zo intensief samen dat het vrijwel onmogelijk is om hun identiek gesigneerde platen (‘G. Severeyns’) uit elkaar te kunnen houden, ook al schijnt Severeyns junior in zijn manuscripten ter onderscheiding ‘fils’ aan zijn naam toegevoegd te hebben.3 Duizenden platen moeten ze samen hebben gemaakt, en toch is er nauwelijks iets over hen bekend. Zelfs de sterfdatum van de jonge Guillaume is tot nu toe niet boven water gekomen.4

Ook in Batavia stonden steendrukpersen,5 zoals die van het Lithografische Établissement van het Topografische Bureau.6 Maar deze lijken vooral gebruikt te zijn voor cartografische overheidsopdrachten, of voor het maken van bijzondere tropische landschapsgezichten, zoals afbeeldingen van ‘vuurbergen’7 (vulkanen). ‘s Lands Plantentuin bezat zelfs een eigen drukkerijtje.8 Dat Berthes aquarellen dan ook niet in Batavia of Buitenzorg, maar in Brussel werden gedrukt, was te danken aan Guillaume Severeyns’ bijzondere tekenkwaliteiten. Samen met zijn vader ging hij door voor misschien wel de beste botanische lithograaf van zijn tijd.9 Berthe heeft veel geluk gehad dat juist zij haar werk wilden reproduceren. Later zou Severeyns alle lithografische stenen overnemen van Émile Tarlier, om in 1866 Fleurs, fruits et feuillages onder zijn eigen naam opnieuw uit te kunnen geven. Het Duitse ‘Verschlimmbesserung’ is een verrukkelijk woord: naast alle daarbij gecorrigeerde tekstfouten blijken er bijna net zoveel nieuwe gemaakt te zijn.10 De veertig originele, met de hand geannoteerde en van een uitgebreid kleurennummer-systeem voorziene losse vellen van de eerste editie die daarvoor als monsters werden gebruikt bevinden zich nog altijd in het bezit van Berthes Nederlandse nazaten. Elk blad is door zowel Severeyns –père of fils– als zijn drukker Van Goethem geparafeerd en voorzien van precies dezelfde handgeschreven tekst en signaturen:

Vu et approuvé Comme type pour exécution conforme / Suivant Convention de Cejour, quinze Mai Mille / huit Cent Soixante Cinq. [M.?] Van Goethem / G. Severeijns’.

Hoola van Nooten, ‘Sterculia Nobilis’ (= Sterculia monosperma); door zowel lithograaf Severeyns als drukker Van Goethem geannoteerde en geparafeerde proefplaat (1865) van de eerste druk (1863-’64) van Fleurs, fruits et feuillages (plaat [11]), bedoeld voor de tweede editie van 1866; bezit familie Barth

De combinatie van genummerde kleurcodes daarentegen is voor elke plaat specifiek. Welke druktechnische aanwijzingen daarmee bedoeld worden lijkt niet meer te achterhalen, terwijl ook onduidelijk is via welke wegen alle losse bladen tenslotte bij Berthes familie in Amsterdam zijn terechtgekomen. Ondanks de enorme geografische omweg moeten ze na ‘gebruik’ toch zijn opgestuurd naar Batavia, en later door haar kinderen of kleinkinderen weer zijn meegenomen naar Nederland. Maar één ding is zeker. Het stuk voor stuk bekijken, controleren, annoteren, corrigeren en uiteindelijk dubbel goedkeuren van alle veertig chromolithografieën laat zien dat het uitgeven van Fleurs, fruits et feuillages ook voor deze tweede editie een prestigieus project was.11 Als er van de eerste editie zo’n driehonderd exemplaren verkocht waren à  fl 60/70,- , dan moet de totaalopbrengst daarvan al gauw fl 19.500,- (195.000,-) bedragen hebben, een enorme som. De opbrengst van de tweede editie à fl 85,- zal nog hoger geweest zijn, namelijk fl 25.500,-, dus zo’n 255.000,-. Wat uitgevers als Tarlier, Severeyns en later Muquardt daaraan financieel overgehouden konden hebben is eveneens niet bekend, maar voor een handarbeider was de rekensom snel gemaakt. Om één livraison à fl 7,- van Berthes Javaanse bloemenboek te kunnen betalen moest hij een volle week werken.

De door Berthe gemaakte tekeningen zijn tot nu toe niet getraceerd. Maar er is wel een goed beeld te krijgen van Severeyns’ capaciteiten als lithograaf door enkele uitzonderlijk bewaard gebleven andere aquarellen te vergelijken met de platen die hij daarnaar op steen heeft overgebracht. Dit geldt bijvoorbeeld de originele tekening en bijbehorende lithografie van Tecomanthe dendrophila, een tropische trompetboomachtige die in 1849 voor het eerst officieel beschreven was door de Leidse botanicus Blume, in diens vierdelige Rumphia.12 Overigens zal Berthe dit prachtig geïllustreerde werk goed gekend hebben, het stond in elk geval al sinds publicatie op de planken van de bibliotheek van ’s Lands Plantentuin.13 Uit een snelle vergelijking van de twee Tecomanthe-afbeeldingen  wordt meteen duidelijk dat Severeyns in staat was om zowel de grootste botanische structuren als de kleinste technische details van transparante aquarellen natuurgetrouw (en eventueel in spiegelbeeld) op steen te reproduceren, inclusief fraai verkleurde, aangevreten of afgestorven plantendelen.

Links: W.J. Gordon (zie Haks en Maris, Lexicon of Foreign Artists pag. 102), ongetiteld, ongedateerd, Tecomanthe dendrophila, aquarel, eerste helft negentiende eeuw; Naturalis Biodiversity Center illustratie 32018; rechts: ‘Dendrophila trifoliata‘ (= Tecomanthe dendrophila), handgekleurde lithografie van Severeyns in Blume, Rumphia. Tomus quartus (1849; plaat 190), Naturalis Biodiversity Center illustratie 111725

Als dit representatief is voor al zijn tekenkunst, dan moeten, omgekeerd bekeken, die van Berthe eveneens van een hoge kwaliteit zijn geweest. Uit deze vergelijking blijkt ook dat de uitvergrote bloemonderdelen aan de onderkant van de platen uit haar florilegium misschien niet door Berthe zelf waren vervaardigd, maar dat Severeyns die toevoegde, of liet toevoegen, wellicht door een professioneel botanicus. Deze anatomische details lijken het verschil tussen Hoola van Nootens bloemenboek en een echte, wetenschappelijke flora wel heel erg klein te maken. In elk geval verdampten Tarliers eventuele verkoopzorgen al snel. De publicatie van Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java in 1863/’64 was een groot succes, artistiek en commercieel. Dat gold niet alleen het grote publiek in Nederlands Indië. Ook bekende botanici in Europa, zoals F.A.W. Miquel en C.A.J.A. Oudemans, waren onder de indruk. Volgens het voorwoord van de tweede editie uit 1866 zou gouverneur-generaal Sloet van de Beele daarnaast maar liefst fl 2000,- (zo’n 20.000,-) aan de eerste hebben bijgedragen. Dit royale gebaar, gemaakt namens de Indische regering en voldaan na afronding van het werk in 1864,14 was ongetwijfeld mede te danken aan Berthes opvallende sociale vaardigheden. De titelpagina van het florilegium was overigens minder verrassend. Deze bestond uit de typisch  negentiende-eeuwse mengelmoes van kleine, grote, dikke, dunne, nauwelijks gespatieerde romeinse karakters en industrieel ogende schreeflozen en schaduwschriften. Des te indrukwekkender waren de veertig daaropvolgende ‘kromolitografieën’15 van Berthe c.q. Severeyns. Na het mislukken van haar meisjesschool in Batavia hoopte de vrome weduwe hiermee misschien geen hemelse vruchten, maar dan toch broodnodige aardse pecunia te kunnen oogsten. [wordt vervolgd]

(met veel dank aan de familie Barth, Marcel van Dorst, An Duits, Marianne Offereins en Johan de Zoete)
Noten
♣ 1) Bijzondere Collecties UvA; ♣ 2) Flores-Villela, Bour en Adler, ‘Publication history of the Mission scientifique au Mexique [etc]’, Revista Mexicana de Biodiversidad, vol. 87, núm. 3, septiembre [2016] pp 1162-1167♣ 3) Ibid.; ♣ 4) Het schijnt dat in 1898 de ‘l’imprimerie Severyns’ (eerder gevestigd in de Rue de L’Union 10, maar later ‘au 181 rue de Progrès près de la gare du Nord à Bruxelles’) werd overgenomen door de bekende affichedrukker Goffart, zie Gasnier, Les affiches publicitaires d’alcool [2006] pag. 301; ♣ 5) De eerste was al in 1828 geïnstalleerd en stond in de Parapatandrukkerij, in de wijk met die naam, zuidoostelijk van het Koningsplein, zie De Haan, Oud Batavia Gedenkboek II [1922] pag. 286 noot 1; ♣ 6) De drukpersen van het Topografische bureau te Batavia (vallend onder de Genie) hadden al in de jaren ‘50 van de negentiende eeuw concurrentie gekregen van geïmporteerde persen en nieuwe ‘steenen’, zie bijvoorbeeld Verslag van het beheer en den staat der Nederlandsche bezittingen en kolonien in Oost- en West-Indië en ter kust van Guinea over 1853 [1858] pag. 40 – zie ook Merrillees, Batavia in Nineteenth Century Photographs [2010] pp 266 en 267; ♣ 7) Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië. Uitgegeven door de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië. Deel VII. Nieuwe Serie. Deel IV [1854] pp 478-479; ♣ 8) Haeckel, Uit Insulinde [1902] pag. 80; ♣ 9) Nissen, Die Botanische Buchillustration [1951] pag. 233; ♣ 10) Voor het contemporaine corrigeren van drukproeven zie bijvoorbeeld Van der Meulen, Boekhandel en bibliographie [1883] pag. 136 e.v.; ♣ 11) Een wellicht vergelijkbaar begrotelijk project betrof Buffa & Zonen’s topografische platenalbum Java (1865-’72) met vierentwintig lithografieën van Johan Greive naar schilderijen en tekeningen van Abraham Salm – dit werk (overigens net als Fleurs, fruits et feuillages op speciaal watermerkloos Bristol papier gedrukt) werd aangeboden voor fl 96,-, een bedrag dat eerder blijkbaar ook voor Buffa een ‘heavy investment’ had betekend, zie Bastin en Brommer, Nineteenth Century Prints and Illustrated Books [1979] pag. 44 e.v.; ♣ 12) Blume, Rumphia [1835-’48] Tomus quartus tab. 190 (als Dendrophila trifoliata); ♣ 13) Treub, Catalogus der bibliotheek van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg [1887] pp iv en 39; ♣ 14) Verslag van het beheer en den staat der Oost-Indische bezittingen over 1862. Geleidende Brief. No 1. Zitting 1864-1865. XCVIII. 29 Maart 1865. No. 3 [1865] pag. 122; ♣ 15) Ibid.
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , | 3 reacties

Bedrieglijke schoonheid. Enkele terzijdes bij de touwbloem van Berthe Hoola van Nooten

I then saw Java’s true and living charms’ (Maria van Nooten (de oudste dochter van Berthe) aan Dunlap, brief d.d. 9 mei 1857)

[…] Al snel na aankomst op Java kwam Berthe in de hogere kringen van Batavia terecht. Ze moet zelfs goed contact hebben gehad met de toenmalige gouverneur-generaal, baron Sloet van de Beele (in functie 1861-’66). Hij was het tenslotte die in 1863 namens het Indische gouvernement de eerste editie van haar Fleurs, fruits et feuillages zo royaal zou subsidiëren. Zijn werkpaleis te Buitenzorg (Bogor) stond schuin tegenover het pand waarin later haar vijfde meisjesschool gevestigd zou worden, aan de overkant van de Grote Postweg. Die ruim duizend kilometer lange verkeersader over Java liep met twee scherpe bochten pal langs het gouvernementele paleis. De naastgelegen plantentuin, plek waar Berthe haar veertig plantensoorten ‘d’après nature’ zou tekenen, werd op die manier in het noorden begrensd door het paleispark, in het westen door de drukke Postweg, in het oosten door de smalle, snelstromende Tjiliwoeng (Ciliwung) en het zuiden door de dichtbevolkte en door Europeanen gewoonlijk gemeden Chinese wijk, de ‘Kampong China’. Overdag kon men in de glinsterende verte de contouren ontwaren van de nog actieve vulkanen Gedeh en Salak, de ‘blauwe bergen’ van de allereerste Hollandse handelsreizigers.

Tot de opening van een spoorlijn in 1873 waren de ruim veertig ‘palen’ (zo’n zestig kilometer) tussen Buitenzorg en Batavia alleen te voet, te paard of per koets af te leggen, een urenlange rit. Toch gebeurde dat, zelfs voortdurend, want in de hoofdstad bevond zich het handelscentrum, in het zuiden zetelde de koloniale regering en resideerde de landvoogd. Bovendien lag het relatief muskietenarme Buitenzorg dicht tegen de berghellingen van de Preanger aan. Overvloedige moessonregens en de daarop binnenstromende frissere lucht konden daardoor in elk geval ‘s nachts voor wat verkoeling zorgen. Volgens de Duitse evolutionist Ernst Haeckel was de plek een van de mooiste op aarde, volgens zijn landgenoot Franz Junghuhn in elk geval de natste. Dagelijks terugkerende, met felle donderslagen gepaard gaande stortbuien deden de gezwollen lucht boven ‘s Lands Plantentuin soms trillen. Ze konden zo heftig zijn dat ze vergezeld gingen van heuse, ijzige hagelvlagen. De bodem, de bergen, de nog werkende vulkanen, het broeierige klimaat, de lucht, de vochtigheid, de ‘plasregens’, het schitterende uitzicht, alles droeg ertoe bij om van de plantentuin te Buitenzorg, veel meer nog dan de Gang Scott in Batavia, een levende broeikas, een Javaanse Hof van Eden te maken. Geen plant was zo exotisch of ze kon hier tot bloei komen.

Hoola van Nooten, ‘Strophanthus Dichotomus’ (= S. caudatus), plaat 25 uit Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java, Bruxelles, 1863-’64

Dit gold ook de zogenoemde touwbloem, door Hoola van Nooten op de vijfentwintigste plaat van haar florilegium afgebeeld. De tot twaalf meter hoge hout- en liaanachtige plant (tegenwoordig Strophanthus caudatus) komt voor van Zuid-China en Maleisië tot op Java en Nieuw-Guinea. Volgens een catalogus uit 1866 had Berthe een levend exemplaar ervan kunnen aantreffen bij de hoofdingang van ’s Lands Plantentuin, precies in de linkerbocht van Grote Postweg. Later schijnt de plant verplaatst te zijn, want een overzicht uit 1923 vermeldt dat ze in de buurt van de Tjiliwoeng groeide, aan de andere kant van de hortus. Berthe merkt in het florilegium op dat ‘Indian ladies’ hun sluike kapsels doorvlochten met de zijdezachte, bont wit/paars gekleurde en tot een halve meter lang kronkelende touwbloemslingers. Het elastische en struisveerachtige vruchtpluis (zie afbeelding) zou eveneens ‘extremely pretty’ zijn. Indische schonen kenden deze ‘exquisite beauty’ al veel langer, als altijd gevoelig voor de laatste modegrillen. Die vrouwelijke sensitiviteit ging ook toen al vaak ten koste van kwetsbare natuurproducten, hoewel dat offer, door anderen gebracht, de waarde van de eigen bevlieging uiteraard juist verhoogde, als het die al niet veroorzaakte. Exotische orchideeën, kroonduiven, zilverreigers, sprookjesachtige paradijsvogels, alles wat glinsterde, zeldzaam of buitenissig was moest het daarbij ontgelden. Vrouwelijke ijdelheden kende Berthe zelf maar al te goed. Veel eerder, op een Texaans huwelijksbal, had ze als jonge weduwe eens haar opwachting gemaakt in een zwartsatijnen avondjurk die weliswaar al vier jaar oud was, maar haar, beweerde ze, alle bijbelse vermaningen over pronkzucht terzijde schuivend, nog zo beeldig stond dat ze elke veel kapitaalkrachtigere seksegenote er ter plekke de loef mee afstak. 

Ansichtkaart (jaren ’40) van gouvernementspaleis te Buitenzorg vanuit ’s Lands Plantentuin

De schoonheid van de touwbloem is overigens bedrieglijk: de plant bevat een krachtig gif (strophantine) dat vroeger door Maleise ‘inboorlingen’ voor dodelijke pijlpunten werd gebruikt. Hoewel de originele aquarel verloren lijkt gegaan, werd deze ooit door de Brusselse meesterlithograaf Guillaume Severeyns in ‘kostelijke’ kleuren en natuurgetrouw op watermerkloos velijnpapier gereproduceerd, om zo, samen met alle andere gedrukte platen, tekstbladen en titelpagina, alsnog vereeuwigd te worden in Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Ile de Java, het botanische prachtwerk van een in meerdere opzichten ongekende negentiende-eeuwse vrouw. 

(de gedrukte tekst zal alle bibliografische verwijzingen bevatten)
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | 5 reacties

12 oktober 1817

Vandaag is het precies tweehonderd jaar geleden dat de Utrechtse amateurbotanica Berthe Hoola van Nooten werd geboren. Ze is verantwoordelijk voor een van de mooiste Indische florilegia uit de negentiende eeuw, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java. Uit een te verschijnen studie over haar leven en werk wordt hier alvast een hoofdstuk gepubliceerd. Het is 1855. Berthe is eerder vanuit Suriname in New Orleans terechtgekomen. Ze heeft daar in 1847 haar echtgenoot aan de gele koorts verloren en staat er in het verre, vreemde Amerika met haar vijf jonge kinderen helemaal alleen voor. Onvoorzien zal ze de grootste reis van haar leven gaan maken.

Op weg naar Java

This summer has been very dark to me.’ (Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 20 oktober 1854)

[…] Na de dood van haar man moet Berthe wanhopig zijn geweest. ‘All human joys have been taken away from me’, schreef ze later bitter. Toch leek ze ongebroken. Ze blijkt zelfs nog Nederland bezocht te hebben, tussen de tweede meisjesschool te New Orleans en de derde te Plaquemine in. Nadat ze haar oudste dochters Maria Philippina en Julia Bertha had achtergelaten bij hun tantes in Wageningen kwam ze vermoedelijk in haar eentje terug naar Amerika. Al haar eerdere meisjesinstituten waren daar geëindigd in financiële mislukkingen. Omdat geldgebrek steeds nijpender werd nodigde haar halfbroer Vincent Jacob van Dolder het hele gezin uit om op Java te komen wonen, waar hij zojuist op een belangrijke en vooral lucratieve koloniale post was benoemd. Ook Helena, Berthes huishoudhulp was welkom, een knappe Creoolse ex-slavin waarop hij tijdens een eerder bezoek aan New Orleans smoorverliefd was geworden. Vincent Jacob beloofde voor iedereen de overtocht te betalen. Die extra hulp werd al snel onmisbaar, want de veiling van Berthes huisraad en de verkoop van haar financiële aandeel in de school zouden vrijwel niets opbrengen. Zijn woorden moeten als manna uit de hemel gevallen zijn:

Yesterday’s mail has brought me letters from home & one from my brother from Java wherein he informs me, that he has lately been appointed to one of the chief offices of the Colony – with a considerable salary – and that otherwise being very successful in his business – this circumstance enables him to assure the entire charge of my children’s education and to provide for them entirely – so that he proposes to me to join him in East-India – offering me a home of my own and a quiet, comfortable life for the balance of my days.

Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860 (collectie familie Barth)

Berthe voelde zich verward, maar ook opgelucht en dankbaar. Ze accepteerde zijn aanbod. Bij een gehaaid zakenman als Vincent Jacob is het trouwens niet ondenkbaar dat die herenigingsdrang eerder de mooie Helena gegolden zal hebben dan haar bazin, zijn vrome halfzus. Hoe dan ook, enkele maanden later zou Berthe de Verenigde Staten achter zich laten, samen met haar jongste dochter Henriëtte en twee zoontjes Jacques Henri en Alphonse. Ze deed dat met spijt in het hart en, buiten het contante passagiersgeld van $110, een vrijwel lege portemonnee. ‘After eight years of struggle and toil I shall leave America, without even fifty dollars that I can call my own’, schreef ze gedesillusioneerd. Daarnaast voelde ze zich flink bedrukt door het besef van diverse onbetaald achtergelaten school- en huishoudrekeningen. Dat haar schuldgevoel hierover niet onterecht was is te lezen in The Galveston News van dinsdag 8 november 1855. Daarin wordt vermeld dat drie bekende winkeliers uit Galveston een mevrouw ‘B.H. van Nooten’ bij de ‘Justice of Peace’ (kantonrechter) hebben aangeklaagd wegens het niet betalen van $ 55,22 voor geleverde ‘goods, wares and merchandise’. Op dat moment was de weduwe echter al gevlogen, richting Europa. Vlak voor haar inscheping vanuit Boston lukte het nog wel om een portretfoto van haarzelf te laten maken. Dat blijkt een daguerreotypie geweest te zijn, de nieuwe, uit Frankrijk overgewaaide en ook in de Verenigde Staten razendsnel populair geworden reproduceertechniek. In de havenstad wemelde het destijds van de studio’s waar men zich dankzij verzilverde koperen platen, zoutoplossingen en levensgevaarlijke jodium- en kwikdampen in glashelder miniatuur kon laten vereeuwigen. Elke foto was uniek, ook die van Berthe. Ze stuurde het portret op als aandenken op aan de kort daarvoor weduwnaar en opnieuw trouwlustig geworden Dunlap. Hij deed hetzelfde met dat van hem, in omgekeerde richting. Tussendoor bekende Berthe dat ze zich, ‘with a heart craving for affection’, meerdere nieuwe liefdesbetuigingen had laten welgevallen, van ‘other lips then yours [Dunlap]’. Ze weigerde echter de naam van de volhardendste vrijer te onthullen, vanwege een ‘secret of terrible consent’. Wat was dat ‘verschrikkelijke’ geheim? En wie was die andere man, een publiek iemand misschien, een door zichzelf in verleiding gebrachte dominee, of iemand die eenvoudigweg al bezet was? Dunlap moet er in elk geval diep door zijn geraakt. Toch lijkt juist hij degene te zijn geweest die, om wat voor redenen dan ook, niet was ingegaan op haar eerdere avances. Na de door haarzelf vroegtijdig beëindigde affaire besloot Berthe nooit meer te trouwen, met welke huwelijkszuchtige dan ook. ‘I do hope I shall once visit these shores’ schreef ze nog aan Dunlap, maar de twee zouden elkaar na hun afscheid in dit aardse leven niet meer terugzien. Hij bleef alleen achter, weemoedig en gedeprimeerd. ‘We shall meet again, if not here, then in a better world.’ zijn aan hem haar laatste, nog in het Texaanse Galveston haastig neergekrabbelde woorden.

Tweede en derde pagina brief Hoola van Nooten aan Dunlap Batavia 9 december 1856; collectie ‘Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59’ (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University)

Na anderhalve maand gelogeerd te hebben in een ‘delightful, beautiful mansion’ van de bevriende familie Eaton, vertrok Berthe met haar driekwart gezin vanuit de haven van Boston richting Europa. Op de bijna zestig meter lange pakketboot Chatsworth was ze volgens eigen zeggen de enige ‘lady-passenger’. Quasi-ongeïnteresseerd sigaren rokende mannen ergerden haar. Overdag werd ze vaak beziggehouden door de drie kinderen, maar ‘s nachts, alleen in haar kajuit, de donkere, rusteloze watermassa vlak onder haar, sloeg de eenzaamheid toe. ‘Oh, how I then long for you’ schreef ze Dunlap. ‘I can say in all truth, that of all the friends I have left in America, you have been uppermost in my thoughts […].’ Over een stormachtige noordelijke Atlantische Oceaan (waarbij Berthe af en toe voor haar leven vreesde en verschillende keer zelfs Zijn hulp moest aanroepen) via Liverpool (22 oktober, inclusief aanvaring met een groot vrachtschip) en Londen (per trein) kwam het gezin ‘per steamship’ aan te Rotterdam. Opnieuw over het spoor ging het snel door naar Wageningen (28 oktober), waar Berthe haar twee oudste dochters na een jarenlange scheiding eindelijk weer kon omarmen. Ruim vier weken later vertrok de nu zeskoppige familie op de Resident van Son vanuit Rotterdam richting Kinderdijk, Hellevoetsluis en, als laatste Europese stad, Brouwershaven. Wind en mistbanken dwongen het stoomschip daar meer dan een week op definitief vertrek naar Indië te wachten. Maar de wind ging liggen, de mist trok op, en de reis werd voortgezet. Via een nog altijd gure Noordzee, de Canarische en Kaapverdische eilanden, de zuidelijke Atlantische Oceaan, het inmiddels Engelse Kaapstad, de Indische Oceaan, de nauwe Straat Malakka, het door Raffles pas zevenendertig jaar daarvoor gestichte ‘Singapoera’ (dat ze als poste restante-adres had opgegeven aan Dunlap), de Zuid-Chinese Zee en tenslotte de ondiepe, troebele Javazee, landde Berthe na bijna zes maanden, op 12 april 1856, met haar vijf kinderen veilig op de reede van Batavia. Met de Resident van Son verging het minder goed. De tweedeks bark zou al haar verre Indiëreizen overleven, maar in 1862 tijdens een voorjaarsstorm op de Zuid-Engelse klippen lopen, kapot slaan, en versplinterd worden door de golven van Het Kanaal.

Kaart Batavia en de omliggende landen, aquarel, ongedateerd, 1800-1850 (Nationaal Archief)

De halve-wereldreis was op de Bataviase reede nog niet voorbij. Berthe en haar gezin moesten vanaf de ruim twee kilometer buitengaats gelegen aanlegplaats via het kaarsrechte Havenkanaal (‘very Dutch and straight’) verder afgezet worden bij de Kleine Boom, het eenvoudige en nogal haveloze douanegebouwtje op het Javaanse vasteland, ook wel kantoor der recherche of inklaringskantoor genoemd. Dat overzetten was een hele bedoening. Omdat er bij slecht weer zelfs doden konden vallen werd het werk meestal niet geklaard door Europese matrozen, maar door veel goedkopere lokale roeiers die in honderden prauwen (‘tambangangs’) voortdurend in de haven ronddobberden. In alle windrichtingen keek de fris gearriveerde weduwe uit op glibberige, uitgestrekte en door ‘verderfelijke uitwasemingen’ geplaagde moddervelden en brakwaterplassen. Verlaten visvijvers vol muskietenlarven vulden de kale vlakte. Het woongebied rondom het vroegere Casteel (de ‘benedenstad’) was het oudste gedeelte van Batavia, de blanke residentie die ooit ‘die magtige Koninginne van ‘t Oosten’ werd genoemd. Die tijd bestond niet meer. Met het gestage teloorgaan van de VOC was de onvermijdelijke aftakeling ingezet. Geteisterd door malaria had de hoofdstad zelfs de steeds passender bijnaam ‘Kerkhof der Europeanen’ gekregen. Alfred Russel Wallace, Darwins evolutionistische penvriend, vond tijdens zijn reis door de ‘Maleise’ archipel dat Java zich het mooiste tropische eiland ter wereld mocht noemen, maar de eerste kennismaking met Indië moet voor elke nieuwe reiziger een flinke schok zijn geweest. Tientallen jaren eerder had een ambitieuze Nederlandse adelborst de omgeving al beschreven als een ‘smerige en walgelijke buurt’, een gevaarlijke plek om zo snel mogelijk achter zich te laten, en nog veel later, tegen het einde van de eeuw, deed het eindeloze havenkanaal vol ‘trübschmutziges Wasser’ de Duitse botanicus Haberlandt van afkeer bijna terugdeinzen. In de broeierige havenwijk vol pakhuizen en afgeladen toko’s woonden destijds ‘slechts’ niet-blanke slaven, Arabieren, honderden Portugese afstammelingen, duizenden ‘onzindelijke’ Chinezen, tienduizenden Indiërs en ontelbare volwassen geworden muskieten, allen, buiten strikt noodzakelijke kantooruren, zorgvuldig gemeden door hun blanke landgenoten. Berthe zou de zuidelijker gelegen ‘bovenstad’ geregeld, maar het eiland nooit meer verlaten. [wordt vervolgd...

Woodbury & Page, fotografie, ongetiteld (circa 1865), haven van Batavia, zicht richting noordoosten op het Havenkanaal en (rechts) het douanekantoor de Kleine Boom

 

 

 

 

 

 

 

 

(de gedrukte tekst zal alle bibliografische verwijzingen bevatten)
Geplaatst in botanie, Reizen, Uncategorized | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Berthe Hoola van Nooten gekiekt. Een originele Woodbury & Page-carte de visite herontdekt en enige andere wetenswaardigheden rondom een voormalig buffelsveld.

‘Oh, for a lovelier faith!’
(Berthe Hoola van Nooten, Galveston, aan John Dunlap, New Orleans, 24 januari 1855)

Om en nabij het Koningsplein

Gang Scott ca 1880

afb. 1) Woodbury & Page: Gang Scott ca 1880.

Batavia, juni 1857. De Nederlandse magistratenweduwe Berthe Hoola van Nooten née Van Dolder (1817-’92) woont in de Gang Scott, een van de oudste en meest schilderachtige lanen van de toenmalige hoofdstad van Nederlands-Indië. Berthe heeft in haar woelige leven flink wat tegenslagen te verduren gekregen maar lijkt nu eindelijk geluk te hebben. Ze mag, ‘surrounded by every luxury of an eastern life’1, logeren in het ‘splendid house’ van haar halfbroer, de succesvolle bestuurder en zakenman in suiker Vincent Jacob van Dolder (1815-’76). Dit is het welgestelde blanke Indische milieu dat later honderden keren gefotografeerd wordt door Walter Bentley Woodbury (1834-’85) en James Page (1833-’65), twee jonge Engelse avonturiers die zojuist op Java waren  aangekomen. In de daaropvolgende tijd zal het viertal op onverwachte manieren met elkaar te maken krijgen.

2) Koningsplein, 'Kadastrale overzichtskaart der afdeeling Batavia, 1874-6', Algemeen Rijksarchief Den Haag (uitsnede; pijlen met bijbehorende teksten toegevoegd)

afb. 2) Koningsplein, ‘Kadastrale overzichtskaart der afdeeling Batavia, 1874-6’, Algemeen Rijksarchief Den Haag (uitsnede; pijlen met bijbehorende teksten toegevoegd; op het Europese kerkhof Tanah Abang lag Berthe begraven).

Iets verder naar het oosten, verscholen in het groen, op de hoek van de Gang Scott (tegenwoordig Jalan Budi Kemuliaan) en het destijds fashionable Koningsplein, staat de villa die ooit eigendom was van een zekere Robert Scott. Deze achterneef van Sir Walter ‘Ivanhoe’ Scott was onder andere werkzaam geweest als waarnemend havenmeester in Semarang voordat hij na het Engelse tussenbestuur op Java als succesvol zakenman in 1820 te Batavia neerstreek. Aan de toen nog open vlakte ten zuiden van het Koningsplein (waarvan een gedeelte ook wel Buffelsveld of liefdevol Buffeltje werd genoemd2) had hij zijn huis laten bouwen, in de eigenhandig aangelegde en naar hem vernoemde laan. Precies in dat monumentale hoekpand had de weduwe Van Nooten op 6 april 1857 een particuliere meisjesschool geopend,3 de vierde in haar leven.

Een nieuwe school

Berthes drie eerdere instituten, ‘Female Seminary’ of ‘Academy for Young Ladies’ genoemd, had zij geleid in achtereenvolgens het Noord-Amerikaanse New Orleans (samen met haar man Dirk, tot zijn onverwachte overlijden aldaar op 13 september 1847), het nietige Plaquemine (iets hogerop aan de Mississippi) en het Texaanse havenstadje Galveston, aan de Golf van Mexico. Nu, in Batavia, aan de andere kant van de wereld, doet zij een nieuwe poging. Alhoewel de hoofdstad van Nederlands-Indië in het midden van de negentiende eeuw duizenden Europese bewoners telt, wordt er door het gouvernement al decennialang geen adequaat meisjesonderwijs meer aangeboden.4, 5 De fris gearriveerde mevrouw Van Nooten hoopt dan ook dat haar nieuwe school in een gezonde en vooral lucratieve pedagogische behoefte zal voorzien.6

Berthe is niet alleen weduwe maar ook een alleenstaande moeder van vijf kinderen. Ondanks een royale schoolsubsidie van omgerekend zo’n € 15.000,- per maand7 moet zij hard werken voor de kost. Ze runt haar instituut dan ook als een moderne, multitaskende schooljuf. Naast alle huishoudelijke verplichtingen en administratieve rompslomp geeft ze zelf les in onder andere geschiedenis, Frans, Engels, tekenen, schilderen, pianospelen, zingen, naaiwerk en, last but not least, bijbellezen.8 Ze wordt daarbij niet alleen geholpen door drie uit Nederland overgekomen ‘geëxamineerde secondantes’ maar ook door haar oudste dochters Maria Philippina en Julia Bertha. Zijn vrolijken haar op moeilijke momenten vaak op.9 Berthes twee zoontjes zitten noodgedwongen op Merchiston Castle School, een uit baksteen opgetrokken jongensinternaat vlak onder Edinburg, in het verre en koude Schotland. Hun moeder mist hen, elke dag.10

De locatie op de hoek van de Gang Scott voldoet blijkbaar niet, want Berthe verplaatst haar meisjesinstituut al snel naar een ander pand verderop in de laan, eigendom van een zekere heer Eilbrechts.11 Op dat laatste adres, net als alle andere in de wijk toen nog zonder huisnummer,12 brengt Berthe (uiteindelijk) maar liefst achtenveertig leerlingen onder haar Nederlands Hervormde vleugels. Toch blijkt dit niet voldoende om het voortbestaan van de school te garanderen. Na allerlei publiekelijk uitgevochten intriges en subsidieproblemen met de Hoofdcommissie van Onderwijs te Batavia moet zij op 1 januari 1859 haar zo felbevochten onderwijsinstelling alweer sluiten.13

Een paradijselijke hof

Pal aan de overkant in de Gang Scott kijkt Berthe uit op de gloednieuwe, in classicistische stijl ontworpen ‘Armeniaansche’ of St Johannes Kerk (afb. 3). Dit gebouw zal in 1857 ingewijd worden, nadat in 1854 de eerste steen ervan was gelegd door de kort daarvoor opgerichte Bataviase firma E. Chaulan, Deeleman & Co.14

1) Jacobus Anthonie Meessen, ongetiteld, albuminedruk, ca september 1867, de Armeense Kerk op de hoek van de Gang Scott (voorlangs de kerk rechts naar het westen weglopend), het Koningsplein (achter de fotograaf) en de hoek van de tuin van het huis van Berthes meisjesinstituut (rechts).

afb. 3) Jacobus Anthonie Meessen, ongetiteld, albuminedruk, ca september 1867, de Armeense Kerk op de hoek van de Gang Scott (voorlangs de kerk rechts weglopend, richting Tanah Abang in het westen), het Koningsplein (achter de fotograaf) en de hoek van de tuin van het huis van Berthes voormalige meisjesinstituut (rechts).

Wat verwarrend heet het noorden van Batavia de ‘Benedenstad’, terwijl het zuiden juist de ‘Bovenstad’ wordt genoemd. Nog verder naar het noorden, voorbij het Molenvliet, aan de ondiepe Javazee, bevindt zich de modderige en stinkende haven, omgord door talloze pakhuizen en volgepakte toko’s. Maar in de wijk waar Berthe woont, de Bovenstad, dus in het zuiden, is het ‘rustig, stil en koel’.15 Hier resideert de blanke elite, omringd door ruim aangelegde, parkachtige tuinen en ontelbare autochtone bedienden. Hier ook bevindt zich de meisjesschool van madame Van Nooten, bedoeld voor jonge, christelijke, ‘beschaafde’ élèves. Tenminste, zo lang het duurt. Want al snel na de sluiting van haar school zal Berthe uit deze Indische Hof van Eden verdreven worden, niet door het verorberen van verboden vruchten, maar wegens mooie principes en lelijk geldgebrek.

Een vroeg portretje

4) Olland & Zn Batavia: fotografie Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860, in handschrift op achterkant (waarschijnlijk van Julius Paul Barth): "Berthe Hoola van Nooten – van Dolder, grootmoeder van Elly van Marle, die haar verzorgde als „Maatji” tot haar 6e jaar in Indië, omdat haar dochter Bertha van Marle – Hoola bij de geboorte van Elly gestorven was (overgrootmoeder van J.P. Barh en B.M. Hupka-Barth)" (© collectie familie Barth).

afb. 4) Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860, in handschrift op achterkant (waarschijnlijk van Julius Paul Barth): “Berthe Hoola van Nooten – van Dolder [.] grootmoeder v. Elly van Marle, die haar verzorgde als „Maatji” tot haar 6e jaar in Indië, omdat haar dochter Bertha v. Marle – Hoola v. Nooten, bij de geboorte van Elly gestorven was [.] overgrootmoeder van J.P. Barth en B.M. Hupka-Barth.” (© collectie familie Barth).

Vooralsnog telt Berthe de zegeningen van haar bijbelse vette jaren. In deze tijd laat zij een portretfoto maken (hier voor het eerst afgebeeld) door de Bataviase firma W.J. Olland & Zoon Java. Uit een van de brieven aan haar Texaanse vriend John G. Dunlap weten we dat zij al eerder een foto van zichzelf had laten maken. Die zogenoemde daguerreotypie had zij hem als aandenken gestuurd bij haar vertrek in de winter van 1855 uit Boston (via Engeland en Nederland) naar Java.16 Op de nieuwe, eveneens ongekleurde foto (‘copien zÿn op aanvraag te verkrÿgen’17) draagt zij een hooggesloten lijfje en een rok van vermoedelijk donkere zijde, ondersteund door een crinoline en een ongetwijfeld met baleinen versterkt korset. Deze constructie zorgt ervoor dat haar boezem discreet maar effectief omhoog wordt gestuwd. Het haar lijkt in een losse wrong gedragen en in het kuiltje van haar hals hangt een ovalen medaillon, met misschien een camee of een portretje. Zij maakt op deze foto een weliswaar modieuze, maar ondanks (of dankzij, dat soort zaken ligt gevoelig) de opgewerkte buste beslist geen onzedelijke indruk. In het warme klimaat van Nederlands-Indië droegen Europeanen graag luchtige zijde, ook al liepen sommigen privé liever in ruimvallende, inlandse kleding rond. Wie de foto van Berthe aandachtiger bekijkt zal niet verbaasd zijn dat de ongeveer vijfenveertigjarige, blonde, goedverzorgde en als deugdzaam poserende weduwe meerdere mannelijke aanbidders van zich af heeft moeten slaan.18

Een lommerrijke laan

Rechts van de Armeense Kerk, dus links voor Berthe, staat een witgekalkte villa met een voor de Nederlandse literatuur bescheiden, maar bijzondere geschiedenis (afb. 5). In dit pand brengt de romancier Louis Couperus enkele van zijn innig gekoesterde jongensjaren door, omringd door tientallen inlandse personeelsleden.19, 20 Op de hier afgebeelde Woodbury & Page-foto’s is goed te zien hoe de lanen in de omgeving van de Gang Scott bijna overwoekerd lijken te worden door tropische woudreuzen.

5) Woodbury & Page, ‘Een waringinboom op een huiserf in Gang Scott (Batavia) met op de achtergrond de Armeense kerk’, uit: ‘Indrukken van Indonesië, Jawa (Java)’, circa 1870, op registratiekaart geplakte fotografie; genomen op de hoek van het Koningsplein (rechtsachter de fotograaf) en de Gang Scott (rechts, in de verte weglopend richting Tanah Abang in het westen), met pal achter de fotograaf de Gang Holle, op de voorgond het huis waarin volgens Rob Nieuwenhuys de jonge Louis Couperus heeft gewoond, in het midden de rechterzijkant van de voorgevel van de Armeense Kerk en helemaal rechts op de foto (net niet zichtbaar) ) de tuin van het voormalige huis van Robert Scott waar in 1857-‘58 Berthes meisjesschool in gevestigd is; de foto moet gemaakt zijn vanuit de tuin van het huis van Mrs Bain, de ‘landlady’ van Woodbury en Page in 1857.

afb. 5) Woodbury & Page, ‘Een waringinboom op een huiserf in Gang Scott (Batavia) met op de achtergrond de Armeense kerk’, uit: ‘Indrukken van Indonesië, Jawa (Java)’, circa 1870, op registratiekaart geplakte fotografie; genomen op de hoek van het Koningsplein (rechtsachter de fotograaf) en de Gang Scott (rechts, in de verte weglopend richting Tanah Abang in het westen), met pal achter de fotograaf de Gang Holle, op de voorgrond het huis waarin volgens Hein Buitenweg in zijn Zo kenden wij Batavia de jonge Louis Couperus heeft gewoond (maar die in zijn Baren en oudgasten op pag. 147 juist het hoekpand in de noordelijker gelegen Gang Secretarie in die hoedanigheid noemt), in het midden de rechterzijkant van de voorgevel van de Armeense Kerk en helemaal rechts op de foto (net niet zichtbaar) ) de tuin van het voormalige huis van Robert Scott waar in 1857-‘58 Berthes meisjesschool in gevestigd is; de foto moet gemaakt zijn vanuit de voortuin van het huis van Mrs Bain, de ‘landlady’ van Woodbury en Page na hun aankomst op Java in 1857.

De jonge Couperus is niet de enige voor wie dit alles onvergetelijk is. De schrijver Arthur van Schendel en later de dichter Leo Vroman hebben eveneens in dit laantje gewoond, onder het verkoelende bladerdak van hoog oprijzende vlam-, klapper-, banyan-, tamarinde-, kanari- en waringinbomen. Dit herinnerde Vroman zich, tientallen jaren daarna:

Poinsettia regia

afb. 6) Madame Berthe Hoola van Nooten: Fleurs, fruits [etc] de L’île de Java [etc], ongenummerde plaat ‘Poinciana Regia’ [= Delonix regia, vlamboom of pauwenbloem], chromolithografie.

Er was grind en er waren hoge bomen, en struiken met paarse en rode bloemen.21

Van Schendel verwoordt het in zijn Jeugdherinneringen als volgt, beknopt, betoverend:

Wij liepen over gras onder donkere bomen, het Koningsplein. Wij woonden in de Gang Scott.22,

terwijl Hella Haasse op het einde van haar leven (in een aan Rob Nieuwenhuys gewijde tekst in de Indische Letteren) zich nog levendig de ‘mooie grote woningen’ rondom het Koningsplein en in de Gang Scott en Gang Holle uit haar jeugd voor de geest kan halen.23

Ook de Franse graaf en wereldreiziger Ludovic de Beauvoir (1846-1929) is enthousiast over de Indische hoofdstad. Hij blijkt over rijkelijk meer flux de paroles te beschikken dan de nuchtere Hollanders. Zijn beschrijving van Batavia, dat wil zeggen, het Europese quartier, de wijk waar Berthe woont, klinkt als volgt:

Oh! De feeërieke tuin, het paradijselijke groen! Werkelijk, in Batavia zijn geen straten, er zijn slechts majestueuze lanen, overhuifd door de mooiste bomen met de weelderigste kruinen die brede en eindeloze wandelpaden overkoepelen, zoals men die in Europa slechts in de decors van de Opéra ziet [vert. ondergetekende].24

. Le Comte de Beauvoir: Voyage autour du Monde. Paris: E. Plon et Cie, 1867

afb. 7) Le Comte de Beauvoir: Voyage autour du Monde [Java]. Paris: E. Plon et Cie, 1867, frontispice, houtgravure.

In november 1866 bezoekt de eloquente comte ook de Gang Scott in de ‘ville neuve’ (de Bovenstad, in het zuiden). In elk geval gebruikt hij een afbeelding in houtgravure van het laantje als frontispice van zijn reisverslag (afb. 7). De prent blijkt gebaseerd op een originele albuminedruk die Walter Woodbury en James Page circa mei 1863 gemaakt hadden. (afb. 8). Waarschijnlijk heeft De Beauvoir deze plaat ter plekke van het Engelse duo gekocht en meegenomen naar Parijs, waar in het jaar daarop de eerste twee delen (Java en Australie) van zijn prompt bestsellende reisdagboek verschenen. Verrassend genoeg moet ook Berthe Hoola van Nooten met de twee fotografen te maken hebben gehad.

6) Woodbury & Page, ‘Gang Scott in Weltevreden te Batavia [richting Tanah Abang in het westen]‘, uit: ‘Vues de Java Photographies par Woodbury & Page Batavia’, albuminedruk, tot nu toe gedateerd als ‘circa 1875′ maar vanwege het hieronder genoemde en getoonde reisverslag van Comte de Beauvoir niet laten genomen dan 1867 (links verscholen in het groen de Armeense Kerk, rechts een stukje van de tuin van het huis waar Berthe haar meisjesinstituut had).

afb. 8) Woodbury & Page, ‘Gang Scott in Weltevreden te Batavia [richting Tanah Abang in het westen]‘, uit: ‘Vues de Java Photographies par Woodbury & Page Batavia’, albuminedruk, tot nu toe soms gedateerd als ‘circa 1875′ maar waarvan de originele foto vanwege het hierboven besproken en getoonde reisverslag van Comte de Beauvoir niet later genomen kan zijn dan 1867; links verscholen in het groen de Armeense Kerk, rechts het bruggetje naar de tuin van Berthes voormalige meisjesinstituut.

Bijzondere buren

Tijd is relatief, zeker in het negentiende-eeuwse Nederlands-Indië. Als men vanaf de Armeense Kerk in de Gang Scott oostwaarts wil wandelen, langs de zuidkant van het Koningsplein (dat zo uitgestrekt is dat er nog maar twintig jaar daarvoor een heus jachtverbod op los rondlopend wild was uitgevaardigd25), de deftige Gang Holle, officieel ‘Sterreweg’ genoemd,26 aan de rechterhand houdend, richting het gebouw van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging (het wetenschappelijk instituut waar Berthe in 1863 lid van zou worden27) en de zuidoostelijke wijk Parapattan (‘viersprong’), met in de verte bijna zichtbaar het dak van de in 1828 gebouwde, bescheiden en anno 2016 nog altijd in het frisgroen verscholen, witgekalkte ‘kleine, doch nette Engelsche Kerk’28 (die Berthe volgens eigen zeggen liever bezoekt dan de tien jaar jongere Willemskerk van haar eigen Nederlands Hervormde gemeente aan de oostkant van het plein29), dan doemt rechts al snel de villa van een zekere Mrs Bain op. Deze dame, telg uit een Schots geslacht dat al minstens een eeuw in Batavia gevestigd is, stelt vanaf 5 juni 1857 een gedeelte van haar huis ter beschikking aan Walter en James, inclusief atelier.30 Dit adres verklaart dan ook waarom er van juist deze zuidwestelijke hoek van het Koningsplein verschillende Woodbury & Page-foto’s bekend zijn. De albuminedruk van het huis van Louis Couperus (afb. 5) moet ruim tien jaar later gemaakt zijn vanuit haar royale voortuin, links in de richting van de Gang Scott. Voordat de avontuurlijke Walter en James waren gearriveerd in Batavia hadden ze in het Australische Melbourne geprobeerd goud te delven, als zovelen in die tijd. Later zouden ze in dezelfde stad met meer succes een eenvoudige fotostudio beginnen.31 Maar pas in de high society van Batavia zullen beiden beroemd worden en, hoewel kortstondig, flink gefortuneerd, onder de naam Photographisch Atelier van Woodbury & Page, kortweg als de Firma Woodbury & Page.

Albert en Henry James Woodbury

afb. 9) Albert en Henry James Woodbury, carte de visite, Batavia ca 1865, albuminedruk.

Dankzij de duizenden fotografieën die zij (en later ook Henry James en Albert, respectievelijk Walter Woodbury’s jongere en jongste broer) hebben gemaakt van onder andere Batavia en haar bevolking weten wij hoe de blanke Indische samenleving er in contemporaine ogen uitzag (of behoorde te zien).32 Vanaf het begin van de jaren ’60 vervolmaken zij de zogeheten Woodburytype, een gelatineuze, korrelloze en gloedvolle afdruktechniek die mede is uitgevonden door hun landgenoot Joseph Wilson Swan. Volgens velen is dit het mooiste fotografische procedé ooit ontwikkeld, ‘a pinnacle of photographic achievement’.33 In de decennia daarna zouden zelfs vips als Charles Darwin en koningin Victoria zich laten vereeuwigen met behulp van deze reproduceermethode, die uitgerekend hier aan het voormalige Bataviase Buffelsveld het daglicht zag. Zoals vermeld, nauwelijks twee maanden voordat de tengere, bijna ontroerend jonge Woodbury (afb. 9) zal aankomen op de inmiddels tot ‘Koningsplein’ gepromoveerde kale grasvlakte, was Berthe haar meisjesschool gestart in het hoekpand van de Gang Scott, aan de overkant van het huis van Mrs Bain. Het toeval wil dat de Engelse Woodbury en Page met hun Schotse landlady en de Hollandse Berthe met haar welvarende halfbroer, gastheer en ‘suikeroom’ Vincent Jacob bijna een half jaar lang schuin tegenover elkaar zullen blijven wonen en werken. Het kan dan ook niet anders of zij hebben elkaar in de tijd regelmatig, misschien wel dagelijks, gezien en gesproken. Maar er is meer te ontdekken.

Een kostbaar kiekje

Vincent Jacob van 8) Walter Bentley Woodbury, fa. Woodbury & Page, Java: ‘Vincent Jacob van Dolder’, carte de visite, fotografie, met de hand gedateerd '1862', Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie

afb. 10) Vincent Jacob van Dolder door Walter Bentley Woodbury, fa. Woodbury & Page, Java: ‘Vincent Jacob van Dolder’, carte de visite, fotografie, met de hand gedateerd ‘1862’, Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie

Vincent Jacob van Dolder is een gehaaide en succesvolle zakenman. Hij kan het zich in 1862 dan ook veroorloven om Woodbury en Page (waarvan de eerste inmiddels was verhuisd naar een eigen, prestigieuze locatie in de Gang Secretarie aan de  noordkant van het Koningsplein)34 een portretfoto te laten maken voor zijn carte de visite (afb. 10). Deze kaartjes worden hartstochtelijk verzameld, maar fotografie is bepaald geen sinecure. Alleen de welgestelde blanke Bataviase elite kan zich dit visuele nieuwtje veroorloven. Volgens een contemporaine krantenadvertentie moeten geïnteresseerden maar liefst f 20,- per foto-afdruk neerleggen, dat is omgerekend zo’n € 200,-.35 Weliswaar wordt deze prijs binnen enkele jaren door de snel opkomende concurrentie meer dan gedecimeerd, maar Berthe zal zich zulke bedragen sowieso nooit hebben kunnen veroorloven. Zij was nog maar enkele jaren daarvoor volkomen berooid uit Noord-Amerika overgekomen36 en enige tijd geheel aangewezen geweest op de gunsten van haar half geliefde, maar door zijn losse levenswandel ook half gehate stiefbroer.

Een indringende blik

Ondanks dit alles is er na anderhalve eeuw bij Berthes directe afstammelingen in Nederland een originele Woodbury & Page-carte de visite van haar opgedoken. Dit mag een mirakel genoemd worden, een verschijnsel dat de fel anti-paapse Berthe waarschijnlijk niet als zodanig had weten te waarderen. Het haarscherpe fotoportretje (12,5-15 cm, afb. 11) is ongekleurd, ongetiteld en ongedateerd.

11) Woodbury & Page Photographers Java, carte de visite, fotografie, ongetiteld, ongedateerd, met de hand bijgeschreven ‘Bartha H.P. van Dolder (1.6 [= hoofdstuknummer in familie-album familie Barth])’, omstreeks 1880, © collectie familie Barth.

afb. 11) Woodbury & Page Photographers Java, carte de visite, fotografie, ongetiteld, ongedateerd, met de hand bijgeschreven ‘Bartha H.P. van Dolder (1.6 [= hoofdstuknummer in familiealbum familie Barth])’, omstreeks 1880, © collectie familie Barth.

Als de door familie-archivaris Julius Paul Barth (1910-‘94) geschreven datum (‘1878’) op de achterkant van het visitekaartje juist is, zou de foto gemaakt kunnen zijn naar aanleiding van Berthes eenenzestigste verjaardag op 12 oktober van dat jaar.37 Het portret wordt hier voor het eerst afgebeeld. Berthe (door Julius Paul ‘Bartha’ genoemd, haar doopnaam), draagt nu, heel modern, niet langer een prangend korset zoals dat onder haar kleding was te ontwaren op de Olland-foto van zo’n twintig jaar eerder, maar een ruimvallend en comfortabel manteltje, dat is afgezet met een fraai zogenoemd passement, handgeborduurd met florale motieven. Rond de hals beschermt de wat losse ruche van de chemise het kostbare bovenkleed. Op de foto oogt Berthe frêle, bijna meisjesachtig.

11) Madame Hoola van Nooten: 'Fleurs, fruits [etc] de l’Île de Java [etc]'', plaat 'Nephelium Lappaceum' [ramboetan], chromolithografie.

afb. 12) Madame Hoola van Nooten: Fleurs, fruits [etc] de l’Île de Java [etc], ongenummerde plaat ‘Nephelium Lappaceum Jack.’ [= Nephelium lappaceum Correa, ramboetan], chromolithografie.

Wie haar wat scheefhoekige blik pareert zal merken dat deze steeds helderder lijkt te worden, opmerkzamer, en zelfs indringender. Is dit illusie, omdat wij, terugblikkend, weten hoeveel dierbaars zij in haar leven heeft moeten loslaten en hoe zij alles toch te boven is gekomen? Er zijn echter ook getuigen van haar volharding. Slechts enkele jaren voordat deze foto door de firma Woodbury & Page genomen werd, krijgt Berthe bezoek van de rijke, onafhankelijke Engelse wereldreizigster Marianne North. Zij schrijft in haar postuum uitgegeven Recollections of a Happy Life dat ze weliswaar geschokt is door de armoedige staat waarin ‘madame Van Nooten’ verkeert, maar dat Berthe ‘interesting and most enthousiastic’ is en onvermoeibaar vertelt over haar botanische werk (afb. 12).38 Deze delicaat ogende weduwe is heel wat veerkrachtiger dan men op het eerste gezicht zou kunnen denken.

Trouble in Paradise

'Magdalena. Evangelisch Jaarboekje. 1876.'

afb. 13) Magdalena. Evangelisch Jaarboekje. 1876.

Twintig jaar hiervoor, in de blanke paradijshof van Weltevreden, blijkt intussen niet alles pais en vree. Berthe krijgt bonje met haar dominante halfbroer en zijn eigenzinnige maîtresse.39 Na hoogoplopende ruzies vertrekt ze begin 1860 uit de Gang Scott en verhuist naar Buitenzorg (Bogor), zo’n zestig kilometer ten zuiden van Batavia, richting de koelere bergen van het Javaanse binnenland. Daar zal zij vanaf het einde van dat jaar aan de Groote Postweg opnieuw een eenvoudige ‘opvoedings-Inrigting’ starten ‘voor [twaalf] meisjes van den beschaafden stand’,40 voor de vijfde en laatste keer in haar leven. Pal aan de overkant van de straat ligt westelijke ingang van de wereldberoemde plantentuin waar ze inspiratie opdoet voor haar monumentale Java-boek. Het voorwoord hiervan schrijft zij al in juli 1862 maar het werk zal pas in de loop van 1863-’64 in tien afleveringen te Brussel gepubliceerd worden. In 1873 verkast Berthe opnieuw, ditmaal definitief, naar het landelijke Selipi, ten zuidwesten van Batavia. Haar tweede dochter Julia Bertha, die net als Maria Philippina zo’n grote steun was geweest op de meisjesschool in de Gang Scott, zal al op jonge leeftijd in 1874 overlijden. Dit is voor Berthe (zowel gekweld als getroost door haar godsgeloof) aanleiding om een aangrijpende zedenschets en bijpassend treurgedicht te schrijven. Beide worden in 1876 onder het pseudoniem ‘B.’ te ‘Java’ gepubliceerd in het Evangelisch Jaarboekje Magdalena (afb. 13).41 De baten van deze protestantse almanak kwamen ten goede aan de Vereeniging het Asyl Steenbeek te Amsterdam. Dat tehuis was ooit opgezet ter ‘opbeuring’ van ‘boetvaardige’ en tot ‘christelijke inkeer’ gekomen ‘gevallen vrouwen’,42 dat wil zeggen, ex-prostituees, zoals, volgens kwade roomse tongen, Jezus’ eigen echtgenote, de lichtzedige Maria Magdalena moet zijn geweest.

10) Woodbury & Page, “Boek- en bureauhandel G. Kolff & Co. [...] aan de Pasar Pisang te Batavia”, albuminedruk, circa 1865-’72; in deze bekende Bataviase boekwinkel zal ook Berthes grote Java-boek verkocht zijn.

afb. 14) Woodbury & Page, “Boek- en bureauhandel G. Kolff & Co. […] aan de Pasar Pisang te Batavia”, albuminedruk, circa 1865-’72; in deze bekende Bataviase boekwinkel zal ook Berthes grote Java-boek verkocht zijn.

Epiloog

Heiligen of hoeren, christenen of ketters, in het aangezicht van God is iedereen gelijk, hoewel sommigen gelijker zijn dan anderen. Ondanks haar literaire aspiraties zou Berthe net als vrijwel elke andere aardse ziel binnen enkele generaties volkomen vergeten zijn, ware het niet dat zij verantwoordelijk is voor een van de mooiste Indische florilegia van de negentiende eeuw, het anno 2018 nog altijd even spectaculaire en zeldzame als peperdure Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java.43 Samen met de hier voor het eerst gepubliceerde originele Woodbury & Page-foto heeft zij daarmee alsnog het eeuwige leven verworven waar zij zo hartstochtelijk naar verlangde, hoewel op een andere manier dan zij zich waarschijnlijk had voorgesteld.

Java Bode 1863, met een advertentie van Woodbury & Page boven een annonce van de tweede druk van Berthes Java-boek (verkoopprijs fl 85,- of ca € 850,-).

afb. 15) Java Bode 1866, met een advertentie van Woodbury & Page boven een annonce van de tweede druk van Berthes Java-boek (verkoopprijs fl 85,- of ca € 850,-).

Ook Woodbury’s aardse bestaan zal niet verlopen zoals hij nog dacht moet hebben toen hij als jong, gezond en succesvol society-fotograaf aan het vorstelijke Koningsplein resideerde. Nadat hij is geremigreerd naar Europa blijkt hij ongeneeslijk ziek te zijn. Walter besluit het onvermijdelijke einde niet af te wachten. Tijdens een korte vakantie samen met twee van zijn dochters in de Engelse badplaats Margate overlijdt de inmiddels berooid, versleten en wanhopig geraakte uitvinder van de wereldwijd geliefde woodburytype in 1885 aan een zelf-toegediende overdosis van het verslavende kalmeringsmiddel laudanum.44 Zo vergaat de roem van de wereld, en nog heel wat meer. Walters vastberaden overbuurvrouw Berthe aan het Koningsplein zal het zover nooit laten komen. In de Préface draagt zij haar Javaanse bloemenboek niet alleen op aan Sophie, de onbestorven Koningin der Nederlanden, maar vooral ook aan haar andere seksegenotes, haar lotgenotes, bondgenotes, aan alle zorgzame, nederige, maar ook manmoedige, krachtige en volhardende vrouwen van deze wereld.

David Apollonius Coppoolse

Met veel dank aan Jonathan Barth die met zijn enthousiasme het mogelijk maakte om de zich in familiebezit bevindende carte de visite van zijn voormoeder Berthe Hoola van Nooten hier te bespreken en af te beelden, aan Marcel van Dorst dankzij wiens niet-aflatende speurtalent en onwankelbare vriendschap Berthe stukje bij beetje tot leven kan komen, aan de onvermoeibaar kritische en inspirerende An Duits die tevens de mode-aspecten van de hier afgebeelde Berthe-portretten voor haar rekening nam en aan Alle Diderik de Jonge die als altijd consciëntieus commentaar leverde, waarbij vanzelfsprekend alle eventueel gemaakte fouten en tekortkomingen geheel voor rekening van de auteur zijn.
Noten
1) Hoola van Nooten aan Dunlap 10 mei 1856. 2) De Haan Oud Batavia Deel 1 § 769. 3) Java-Bode 1857 woensdag 18 februarij. 4) Brugmans Geschiedenis onderwijs pag. 108-113. 5) De Haan Oud Batavia Deel 2 § 1415. 6) Hoola van Nooten aan Dunlap 7 september 1856. 7) Algemeen Verslag pag. 19. 8) Hoola van Nooten aan Dunlap 10 januari 1855. 9) Hoola van Nooten aan Dunlap 24 augustus 1857. 10) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 december 1859. 11) Java-bode 1857 woensdag 1 April. 12) De Haan Oud Batavia Deel 1 § 772. 13) Algemeen Verslag pag. 19. 14) Merrillees Batavia pag. 164. 15) Nieuwenhuys Komen en blijven pag. 26. 16) Hoola van Nooten aan Dunlap 31 augustus 1855. 17) drukkersmerk op achterzijde besproken portretfoto. 18) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 december 1859. 19) Couperus Oostwaarts pag. 126. 20) Buitenweg Tempo doeloe pag. 110. 21) Vroman ‘Warm, rood, nat en lief’ pag. 52. 22) Van Schendel Jeugdherinneringen pag. 13. 23) Haasse ‘Beelden’ pag. 154. 24) De Beauvoir Java pag. 4. 25) De Haan Oud Batavia Deel 1 § 772. 26) ibidem 27Natuurkundig Tijdschrift pag. 659. 28) Van de Velde Gezigten uit Neêrlands Indië pag. 6. 29) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 juni 1855. 30) Merrillees Batavia pag. 168. 31) Wachlin Woodbury & Page pag. 9-10. 32) ibidem ‘blurb’. 33) Oliver History pag. XV en ibidem ‘blurb’. 34) Wachlin Woodbury & Page pag. 17. 35) Java Bode 1857 zaturdag 18 julij. 36) Hoola van Nooten aan Dunlap 24 augustus 1857. 37) Barth familiearchief. 38) North Recollections Vol. I pag. 260. 39) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 december 1859. 40) Bataviaasch Handelsblad 1860. 41) Magdalena pag. 160-166. 42) Calisch Liefdadigheid pag. 439. 43) Hoola van Nooten Fleurs et fruits. 44) Wachlin Woodbury & Page pag. 25.
Bibliografie:
Algemeen verslag van den staat van het schoolwezen in Nederlandsch-Indië. a. voor Europeanen en inlandsche christenen opgemaakt door de Hoofd-commissie van onderwijs. b. voor inlanders, opgemaakt ter Algemeene Secretatie. Afgesloten onder Ultimo 1858. Batavia: Lange & Co, 1859.
♣ “B. [te] Java.” [= Berthe Hoola van Nooten]: ‘Vreugde en droefheid’ in: Magdalena Evangelisch Jaarboekje uitgegeven ten voordeele van het Asyl Steenbeek [etc]. 24ste Jaargang. Amsterdam: W.H. Kirberger, 1876.
♣ Barth familiearchief, Amsterdam [ongepubliceerd].
Bataviaasch Handelsblad. Aº. 1860. No. 79. Woensdag 3 October. Derde Jaargang.
♣ BEAUVOIR, le Comte de: Java, Siam, Canton. Voyage autour du Monde. Paris: E. Plon et Cie, 1867.
♣ BRETON DE NIJS, E. [= Rob Nieuwenhuys]: Batavia koningin van het oosten. ‘s-Gravenhage: Thomas & Eras Uitgevers, 1976.
♣ BRUGMANS, I.J.: Geschiedenis van het onderwijs in Nederlandsch-Indië. Groningen – Batavia: Wolters’ Uitgevers-maatschappij, 1938.
♣ BUITENWEG, Hein: De laatste tempo doeloe. Katwijk: Servire, 1964.
♣ CALISCH, N.S.: Liefdadigheid te Amsterdam. Overzicht van al hetgeen er in Amsterdam wordt verricht, ter bevordering van de stoffelijke, zedelijke en godsdienstige belangen, voornamelijk der minvermogenden en behoeftigen. Amsterdam: M. Schooneveld en Zoon, 1851.
♣ COUPERUS, Louis: Oostwaarts. Den Haag: Leopold, 1924.
♣ GEVERS DEYNOOT, W.T.: Herinneringen eener reis naar Nederlandsch Indië in 1862. ‘s-Gravenhage: Nijhoff, 1864.
♣ [HAAN, H. de]: Oud Batavia Gedenkboek. Uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen naar aanleiding van het driehonderdjarig bestaan der stad in 1919. Batavia: G. Kolff & Co, 1922 (twee tekstdelen en een Platen Album).
♣ HAASSE, Hella S.: ‘Beelden die me begeleiden. Hella S. Haasse over de fotoboeken van Rob Nieuwenhuys. [red.] Peter van Zonneveld’. Indische Letteren Jaargang 15. Alphen aan den Rijn: Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde,  2000.
♣ HOHÉ, Madelief & Ileen MONTIJN: Romantische mode. Zwolle: Waanders, 2014.
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 10 januari 1855 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 9 juni 1855 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 31 augustus 1855 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 10 mei 1856 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 7 september 1856 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 9 december 1856 (originele brief): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC) (gepubliceerd op https://davidcoppoolse.com/2014/10/28/my-dear-friend-een-javaanse-hartekreet-ontcijferd/ ).
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 24 augustus 1857 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par madame Berthe Hoola van NootenOuvrage dédié à sa majesté [sic] la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier, Montagne de L’Oratoir, 5, 1863 [-’64] (2de editie Severeyns 1866, 3de editie Merzbach & Falk [1881]).
♣ Java-Bode. Nieuws- Handels- en Advertentie-blad voor Nederlandsch-Indië. Ao. 1857. Woensdag 18 Februarij. No. 14.
♣ Java-Bode. Nieuws- Handels- en Advertentie-blad voor Nederlandsch-Indië. Ao. 1857. Woensdag 1 April. No. 26.
♣ Java-Bode. Nieuws- Handels- en Advertentie-blad voor Nederlandsch-Indië. Ao. 1857. Zaturdag 18 julij. No. 57.
♣ Magdalena. Evangelisch Jaarboekje uitgegeven ten voordeele van het Asyl Steenbeek onder redactie van J.A. Schuurman Johsz. en L.R. Beynen. 24ste Jaargang 1876. Amsterdam: W.H. Kirberger, [1876].
♣ MERRILLEES, Scott: Batavia in Nineteenth Century Photographs. Singapore: EDM Editions Didier Millet, 2010.
♣ Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indie uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-Indie deel XXVI zesde serie deel I. Batavia: H.M. van Dorp, & ’s Gravenhage: Martinus Nyhoff, 1864.
♣ NIEUWENHUYS, Rob: Baren en oudgasten. Tempo Doeloe- een verzonken wereld. Fotografische documenten uit het oude Indië 1870-1920. Amsterdam: Querido, 1981.
♣ NIEUWENHUYS, Rob: Komen en blijven. Tempo doeloe – een verzonken wereld. Fotografische documenten uit het oude Indië 1870-1920. Amsterdam: Querido, 1982.
♣ NORTH, Marianne: Recollections of a Happy Life. London: MacMillan, 1893 [postuum gepubliceerd in 2 delen, in 1894 verscheen een derde deel als Further Recollections].
♣ OLIVER, Barrett: A History of the Woodburytype. Nevada City, California: Carl Mautz Publishers, 2006.
♣ SCHENDEL, Arthur van: Jeugdherinneringen. Een document. Amsterdam: Meulenhoff, 1989.
TOEKAN POTRET. 100 jaar fotografie in Nederlands Indië 1839-1939. Amsterdam: Fragment Uitgeverij & Rotterdam: Museum voor Volkenkunde, 1989.
♣ VELDE, C.W.M. van de: Gezigten op Neêrlands Indië naar de natuur geteekend en beschreven. Amsterdam: Frans Buffa en Zonen, [1844-’45].
♣ VROMAN, Leo: ‘Warm, rood, nat en lief.’ Het levensverhaal van de dichter, schrijver, wetenschapper en tekenaar. Amsterdam: Uitgeverij Contact, 1994.
♣ WACHLIN, Steven: Woodbury & Page. Photographers Java. Leiden: KITLV Press, 1994.
♣ [ZOETE, Johan de, red.] De techniek van de Nederlandse boekillustratie in de 19de eeuw. Kerstnummer Grafisch Nederland 1995. Amstelveen: Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen / Grafische Cultuurstichting KVGO, 1995.
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Een tsarenzoon, een bliksembezoek en twee kostbare geschenken. Berthe Hoola van Nooten ontmoet prins Alexis Alexandrovitch van Rusland.

Een waargebeurd sprookje

K.F. Busscher: ‘Plan van Batavia en de Omliggende Landen’, ongedateerd (1800-’50), tekening, Nationaal Archief.

Er waren eens, heel lang geleden, een jonge rijke Russische prins en een oude arme Nederlandse weduwe. De twee ontmoetten elkaar op Java, waarbij ook enkele beleefdheden en twee kostbare geschenken werden uitgewisseld. Hoe verrassend ook, het Indische sprookje blijkt waargebeurd. Er zijn zelfs twee historische bronnen voor te vinden: een summier berichtje in het negentiende-eeuwse Bataviase Nieuwsblad voor den Boekhandel1 en een anonieme, eveneens meer dan honderd jaar oude en nogal geromantiseerde familievertelling.2  Voor serieus onderzoek lijkt dit nauwelijks voldoende, zeker niet omdat de twee hoofdpersonen elkaar na hun korte ontmoeting nooit meer hebben gezien, gesproken of geschreven. Maar het Indische rendez-vous tussen de prins en de weduwe blijkt vervlochten met allerlei opmerkelijke en zelfs ongepubliceerde historische verwikkelingen. Om deze te kunnen ontrafelen en het Javaanse sprookje Anno 2018 nieuw leven in te blazen gaan we terug naar de tweede helft van de negentiende eeuw, naar Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië die ooit, in glorieuzere VOC-tijden, ‘Die magtige Koninginne van ’t Oosten’3 werd genoemd.

Onrust in de kolonie

Moritz Calisch: ‘Berthe Hoola van Nooten’, ongedateerd, olieverf op doek, collectie Tropenmuseum Amsterdam.

De amateur-botanica Berthe Hoola van Nooten wordt op 12 oktober 1817 in Utrecht geboren als Bartha Hendrica Philippina van Dolder, woont in de jaren ’20 in Wageningen, emigreert in de jaren ’30 naar Suriname, werkt in de jaren ’40 als onderwijzeres op verschillende plaatsen in Texas en Louisiana, VS, en komt in de jaren ’50 (via Boston, Liverpool en Rotterdam) uiteindelijk in Batavia, Nederlands-Indië terecht. Haar halfbroer, de koloniale bestuurder en zakenman in suiker Vincent Jacob van Dolder, heeft haar trans-Atlantische overtocht betaald. Madame Van Nooten née Van Dolder is financieel aan de grond geraakt en laat in Amerika slechts schulden achter. Na eerst bij Vincent Jacob in de chique Gang Scott gelogeerd te hebben verhuist ze in 1860 naar het zuidelijker gelegen Buitenzorg om daar korte tijd een meisjesinstituut te leiden. Als de maand augustus van 1872 aanbreekt gonst het in de Indische couranten van de geruchten. Zijne Koninklijke Hoogheid Alexis Alexandrovitch (1850-1908), de derde, ooit vierde, zoon van tsaar Alexander II van Rusland, is op diplomatieke wereldreis. Hij is eerder in Noord-Amerika als populaire gast ontvangen (zijn feestelijk bezoek aan New Orleans schijnt het plaatselijke carnaval -Mardi Gras, oftewel ‘Vette Dinsdag’- een beslissende boost te hebben gegeven), heeft daarna de Zuid-Afrikaanse Kaap aangedaan (toentertijd in Engelse handen) en stoomt inmiddels op naar het verre Japan. In de tussentijd lijkt hij het Batavia te willen bezichtigen.

'Grand Duke Alexis', New York 1871, fotografie.

‘Grand Duke Alexis’, New York 1871, fotografie.

Niemand weet precies wanneer de tsarenzoon van de Kaap is vertrokken, laat staan wanneer hij op Java zal aankomen.De gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, de statusgevoelige James Loudon, moet van het door hem verfoeide journaille vernemen dat het schip van de grootvorst inderdaad onderweg is naar Batavia. Verder blijkt hij slecht geïnformeerd. Loudon denkt dat Alexis niet vanuit de Afrikaanse Kaap, maar uit de tegenovergestelde richting, vanuit Hong Kong, op hem komt afstevenen.6 Al deze Indische Irrungen, Wirrungen zorgen in de kleine blanke gemeenschap van Batavia voor flink wat onrust en ook Berthe zal de berichten met spanning hebben gevolgd. Ze heeft van de autoriteiten de eervolle opdracht gekregen om een exemplaar van haar rijk geïllustreerde florilegium over de Javaanse bloemen- en plantenwereld, Fleurs fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java, de grootvorst als geschenk aan te bieden.

Een pijnlijke situatie

Plotseling is het dan zover. Op maandag 19 augustus 1872 komt de onderweg 23 jaar geworden Alexis7 met het schroeffregat Swetlana (Светлана) op de reede van Batavia aan.8

Alexander Karlovich Beggrov (1841-1914): ‘На палубе фрегата «Светлана» [‘Aan dek van het fregat “Svetlana”‘, in de haven van Sint Petersburg ter voorbereiding van de wereldreis van 1871-’72]’, olieverf op doek, 1884, collectie The Central Naval Museum, Sint Petersburg, Rusland.

Het is een prachtige, heldere namiddag. De ondiepe zee, de nabije haven en het spiegelgladde water, het op de reede liggende prinselijke schroeffregat Swetlana (‘stralend’), de Kleine Boom, de vele steigers, bruggen, loodsen, toko’s, het overdadige groen, de daartussen nog hoger opschietende kokospalmen, de vlakke stad ‘met hare witte en roode huizen’, de nog actieve vulkanen Gedeh en Salak (de ‘blauwe bergen’ van de Hollandse pioniers) in de verafgelegen Preanger regentschappen, alles zal geglinsterd hebben in de onbewolkte, zinderende lucht.9 De voormalige oorlogsbodem staat onder commando van de in het Grootvorstendom Finland geboren Russische kapitein Oscar von Kræmer. Zijn bemanning moet nog bijkomen van de enthousiaste ontvangst door de Engelsen in Kaapstad, enkele weken eerder. Daar was hun een grandioos bal masqué bereid waarbij meer dan achthonderd gasten aanwezig waren, uitgedost in de meest exotische vermommingen.10 De Nederlanders in Batavia blijken heel wat slechter voorbereid te zijn op het hoge bezoek. Weliswaar staat er op de kade een provisorisch samengesteld eskadron van de cavalerie klaar en wordt er vanaf het schip van de wacht saluutvuur afgeschoten (dat heel toepasselijk ‘poekoel boem!’ wordt genoemd en zo oorverdovend klinkt dat er in de stad verschillende ruiten gesprongen zouden zijn11), maar intussen is James Loudon, die in het zestig kilometer zuidelijker gelegen Buitenzorg zijn werkpaleis heeft, in geen velden of wegen te bekennen. Daardoor kunnen de grootvorst en het hoogstaande gezelschap niet debarkeren zonder in een ordinair huurrijtuig te moeten stappen.12 De situatie is ongemakkelijk, pijnlijk. Wenkbrauwen worden gefronst.13

Een dagje incognito

Alexey Ivanovich Korzukhin (1835-1894): ‘Портрет великого князя Алексея Александрович [Grootprins Alexis Alexandrovitch]’, olieverf op doek, 1889, collectie Nationaal Historisch Museum, Moskou.

In allerijl waarschuwt men de autoriteiten. In de avond arriveert eindelijk Johannes Isaak de Rochemont, de persoonlijke adjudant van Loudon.14 Hij heeft een haastig geschreven uitnodiging van zijn superieur bij zich. Deze stelt zijn paleis met onmiddellijke ingang ter beschikking aan de tsarenzoon en, enigszins zuinigjes, aan twee van diens scheepsgenoten.15 Alexis dankt hartelijk daarvoor, maar vraagt om nog één dag langer aan boord te mogen blijven. De gouverneur-generaal (die ’s avonds ook in Batavia is aangekomen16) denkt daar het zijne van, zo blijkt uit zijn privé-dagboek.17 Hij vermoedt dat Alexis die dag wil gebruiken om in het gezelschap van zijn Russische vrienden Batavia te bezoeken, incognito en zonder verplichtende gastheren. Anderhalve eeuw eerder deed Alexis’ verre voorvader tsaar Peter de Grote hetzelfde, door zich in vermomming onder het volk te begeven om ‘anoniem’ de scheepswerven van Zaandam te kunnen bezoeken. De ruim twee meter lange tsaar Peter had daarmee in het vroeg-achttiende-eeuwse Holland waarschijnlijk net zoveel succes als zijn ‘vorstelijke’18, hoogblonde en evenzeer ‘uit de kluiten gewassen’19 nazaat Alexis in het laat-negentiend-eeuwse Indië.

Een prins van het volk

De officiële landingsplaats van Batavia is de Kleine Boom, ook wel Kantoor der Recherche genoemd. Daar worden in de negentiende eeuw reizigers vanaf de (buitengaatse) reede met kleine boten afgezet bij het douanekantoor.

Batavia, De Boom

Woodbury & Page: ongetiteld (haven van Batavia, zicht richting noordoosten op Haven Kanaal en (rechts) De Kleine Boom), fotografie, circa 1864-’65.

Vanaf de Swetlana ziet grootvorst Alexis op die plek in de prille woensdagochtend eindelijk de gouverneur-generaal in eigen persoon opdoemen met in diens kielzog de Raden van Indië en enkele commandanten van de land- en zeemacht.20 Na allerlei korte officiële plichtplegingen in de stad vertrekt het hele gezelschap om negen uur alweer in omgekeerde richting, terug naar het paleis in Buitenzorg. Daar wordt iedereen ontvangen door Louise, de echtgenote van Loudon, en verschillende plaatselijke gezagsdragers. ’s Middags om vijf uur wordt een bezoek gebracht aan ’s Lands Plantentuin (waar Berthe bijna tien jaar eerder de originele tekeningen voor alle veertig chromolithografieën van haar florilegium had gemaakt21) en toert men in een rijtuig ‘ontspannen’22 door de lommerrijke omgeving.

Perelaer: 'Het kamerlid van Berkenstein in Nederlandsch-Indie.' Leiden: Sijthoff, 1888

M.T.H. Perelaer: ongetiteld (’s Lands Plantentuin, Bogor), lithografie (tekening Jhr. J.C. Rappard), uit: Het kamerlid van Berkenstein in Nederlandsch-Indie. Leiden: A.W. Sijthoff, 1888.

’s Avonds wordt er in het paleis (dat grenst aan de botanische tuinen) een spectaculair diner gegeven. Grootvorst Alexis, die volgens Loudon bijzonder innemend is en sprekend lijkt op prins Willem van Oranje, rookt en drinkt als een ketter en schijnt zich ondanks de drukkende hitte uitstekend te vermaken. De vaderlijk bezorgde Loudon vraagt zich af of de prins er niet beter aan zou doen om wat minder koud Engels bier en wat meer warme thee te drinken, maar houdt dit wijselijk voor zich.23 Alexis blijft die nacht slapen (we mogen aannemen als een blok) in een van de gastenvertrekken van het paleis. De volgende dag vertrekt hij samen met de gouverneur-generaal in alle vroegte alweer naar Batavia, om daar in de relatieve koelte van de ochtend allerlei ‘voorname inrigtingen’24 te bezoeken.

Twee kostbare geschenken

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Musa Coccinea’ [= Musa coccinea], lithografie (G. Severeyns), plaat [33] uit: Fleurs, fruits et feuillages choisis de l’Île de Java peints d’après de nature. Bruxelles: Muquardt [1881; derde editie].

Het is waarschijnlijk op deze donderdagochtend dat ‘madame Hoola van Nooten’25 wordt voorgesteld aan grootvorst Alexis. Misschien gebeurt dat in het gebouw van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging, tenslotte één van de Bataviase ‘voorname inrigtingen’. Berthe was in 1863 lid geworden van dit wetenschappelijke genootschap, vlak na het verschijnen (in Brussel) van de eerste livraisons van haar hierboven genoemde Java-boek.26 Tien jaar later was deze inmiddels uitverkochte publicatie nog altijd heel gezocht. Dat blijkt onder andere uit de Java-Bode van donderdag 7 maart 1872. Daarin wordt namelijk uitdrukkelijk vermeld dat een exemplaar van Berthes ‘prachtwerk’ aanwezig is op een vendutie-avond, georganiseerd door het bekende handelshuis H.M. Van Dorp & Co.27 De gelukkige koper (of liever koopster, als het aan de schrijfster had gelegen28) is niet de enige die enthousiast geweest zal zijn. Toen in 1866 de tweede editie uitkwam, werd in het voorwoord daarvan vermeld dat de in 1863 [-’64] verschenen eerste editie met maar liefst fl 2000,- (± € 20.000,-) was ondersteund door baron Sloet van de Beele, de toenmalige gouverneur-generaal.29 Daarnaast had Berthe in 1869 op verzoek van de Bataviase onderwijscommissie ook een taalboekje Nederlands-Maleis gepubliceerd (Aurora of de Morgenstond der kennis. Mengelingen op zedekundig en wetenschappelijk gebied.), in 550 exemplaren.30 Dit was één van de eerste in zijn soort31 en werd veel gebruikt op scholen, ondanks het feit dat Berthe het ongevraagd (en kwalijker, ongewenst) in de vorm van een christelijk traktaat had geschreven. Dat laatste was tegen het zere been van de seculiere onderwijsautoriteiten in het verre Nederland.32 Berthes onstuitbare drang tot evangeliseren heeft haar altijd veel problemen opgeleverd,33 maar blijkbaar zijn alle ambtelijke plooien weer gladgestreken. Ze mag nu als Bataviase bekendheid een exemplaar van haar botanische levenswerk aanbieden aan de jonge prins. Dat zal ongetwijfeld een speciaal ingebonden de luxe-uitgave zijn geweest.

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Musa coccinea’ uit ‘Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par madame Berthe Hoola van Nooten. Ouvrage dédié à sa majesté la reine de Hollande’. Bruxelles: Émile Tarlier, 1863 [-'64].

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Amherstia Nobilis’ [= Amherstia nobilis], lithografie (G. Severeyns), plaat [2] uit Fleurs, fruits et feuillages choisis de l’Île de Java peints d’après de nature. Bruxelles: Muquardt [1881; derde editie].

Want we weten dat er in elk geval ook van de laatste editie (in driehonderdtien exemplaren, ongedateerd, voorwoord uit 1880, uitgekomen in 1881)34 tien stuks zijn gedrukt op ‘Bristol’, speciaal, smetteloos wit papier, bestemd voor bijzondere gelegenheden.35 De Russische hoogheid is geroerd, zoals dat heet. Hij schenkt Berthe een ‘vleiende dankbetuiging’.36 Daarnaast ontvangt ze een kostbare armband,37 die volgens een van haar twintigste-eeuwse nazaten zelfs is ingelegd met diamanten.38 Dat is alles wat we weten over dit korte, maar waargebeurde Javaanse sprookje. Het is niet denkbeeldig dat prins Alexis er melding van maakt in zijn dagboeken uit die tijd, deze zijn echter nooit gepubliceerd.39 ’s Middags om vier uur verplaatst het hoge gezelschap zich opnieuw, dit keer naar het immense Koningsplein, ooit het Buffelsveld, tegenwoordig Medan Merdeka geheten. Daar wordt een spiegel- (of militair schijn-) gevecht gehouden, met aansluitend een grote receptie en een bal dansant in het nabijgelegen gouvernementshotel Rijswijk. In die laatste residentie zal de grootvorst ook overnachten.40

Vuurwerk in de nacht

Svetlana op volle zee

Alexander Karlovich Beggrov (1841-1914): Винтовой фрегат «Светлана» [het schroeffregat Svetlana]’, 1878, olieverf op doek.

Dan is het prinselijke bliksembezoek alweer bijna voorbij. Vrijdagochtend keert Alexis samen met de gouverneur-generaal via het douanekantoor bij de Kleine Boom terug naar de buitengaats wachtende Swetlana. Daar nuttigen ze samen een scheepsontbijt,41 waarna iedereen ‘hartelijk’42 afscheid neemt van elkaar. Samen met alle andere bagage zal dan ook Berthes bloemenboek aan boord zijn gebracht. Later op de avond geeft Alexis op zijn schip een officieel afscheidsdiner, dat feestelijk wordt begeleid door een perfect getimed43 en wederom oorverdovend saluutvuur van de dekbatterij op het vlakbij gelegen wachtschip (blijkbaar hebben de eerder genoemde klachten over springend glaswerk weinig zoden aan de dijk gezet). Als Loudon na afloop van alle feestelijkheden definitief van boord gaat en overstapt op een van de bootjes die hem weer bij het douanekantoor zullen afzetten, laat de in het duister achterblijvende en enthousiast met zijn hoed zwaaiende Russische prins44 het fregat verlichten met Bengaals vuur,45 dat zacht suizend, roodgloeiend en toverachtig opgevlamd zal hebben in de inmiddels pikdonker geworden tropennacht.

Drie bibliotheken

Zalacca edulis

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Zalacca Edulis’ [= Salacca zalacca], lithografie (G. Severeyns), plaat [38] uit: Fleurs, fruits et feuillages choisis de l’Île de Java peints d’après de nature. Bruxelles: Muquardt [1881; derde editie].

Niets is eeuwig. Alles vergaat. De wereld is een tranendal en de slechts dood schenkt verlossing. Voor ongelovigen is er nauwelijks hoop, maar voor een christin als Berthe is dit alles juist heerlijk nieuws, immers, het aardse sterven verkondigt de hemelse wederopstanding. Zonder deze goddelijke wetenschap zou ze volgens eigen zeggen zelfs verloren zijn geweest.46 Want ondanks het commerciële en artistieke succes van haar botanische werk, ondanks haar aanstekelijke enthousiasme47 en ondanks de uitgelezen contacten in de hoogste kringen van Batavia is ze haar leven lang gekweld geweest door depressies, onenigheden met zowel veronderstelde heidenen als veronderstelde geloofsgenoten, eeuwigdurende geldzorgen en venijnige familievetes. Dat blijkt uit vijfendertig nog ongepubliceerde brieven aan haar Noord-Amerikaanse aanbidder J.G. Dunlap48 en ook uit op schrift gestelde herinneringen van anderen die haar hebben gekend, zoals de Engelse amateur-botanica en wereldreizigster Marianne North.49 Na de eervolle ontmoeting met prins Alexis keert Berthe huiswaarts, richting Buitenzorg. Het jaar daarop (1873) zal ze opnieuw verkassen, terug naar Batavia, naar Pekambangan in de wijk Selipie (Slipi), een destijds landelijk gebied ten zuidwesten van de Indische hoofdstad. Ze heeft daar een bescheiden terrein gekocht met stukken tuin, zaai- en grasland, een stenen woonhuis, enkele houten bijgebouwen en een primitieve paardenstal50 en zal daar blijven wonen tot haar overlijden in 1892. Berthes geloof zal haar verboden hebben om trots te zijn, maar dankbaarheid is toegestaan, als een gift, een gave van God:

Sergei Lvovich Levitsky: ongetiteld (Groothertog Alexis), fotografie, circa 1870.

Fleurs fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java pronkt nu in drie royale bibliotheken, die van haar patrones koningin Sophie der Nederlanden (een enigszins gehavend exemplaar van het Java-boek is nog steeds aanwezig in het Koninklijk Huisarchief te Den Haag51), die van haar bewonderaarster keizerin Eugénie van Frankrijk en nu ook in die van prins Alexis Alexandrovitch van Rusland. De jonge, kettingrokende en op sterke drank beluste Russische prins stort zich na zijn thuiskomst enthousiast op het verzamelen van zeldzaam zilver en aantrekkelijke actrices,52 zodat men zich kan afvragen of hij veel tijd over heeft gehad (of willen hebben) om Berthes botanische meesterwerk meer dan oppervlakkig door te bladeren.

Met veel dank aan de Bibliotheek van het Koninklijk Natuurkundig Gezelschap ‘Natura Artis Magistra’, Bijzondere Collecties UvA, Simon Burgers, Marcel van Dorst, An Duits, Alle Diderik de Jonge, Mark Loderichs, Scott Merrillees, het Tropenmuseum en Bernadette Weusten.
(De publieksversie van dit artikel wordt gepubliceerd in het april 2015-nummer van het Indisch maandblad Moesson.)
Noten
1) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 85. 2) Hupka-Barth. 3) Valentyn. 4) Nederland’s patriciaat. 5) De Locomotief. 6) Loudon. 7) De Locomotief. 8) idem. 9) Kræmer. 10) Nieuwe Amsterdamsche Courant. 11) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. Woensdag 21 Augustus 1872. 12) De Locomotief. 13) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 14) De Locomotief. 15) idem. 16) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 17) Loudon. 18) idem. 19) idem. 20) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 21) Hoola van Nooten 1863 (Préface). 22) Loudon. 23) idem. 24) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 25) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 85. 26) Natuurkundig Tijdschrift. 27) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels en Advertentie-Blad voor Nederl.-Indië. Ao. 1872. No. 57. 28) Hoola van Nooten 1863 (‘Préface’). 29) Hoola van Nooten 1866 (‘préface’). 30) Koloniaal verslag van 1871 (8.16). 31) Groeneboer. 32) ‘Maandelijksch overzigt’. 33) Hoola van Nooten aan Dunlap. 34) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 92. 35) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 92. 36) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 85. 37) idem. 38) Hupka-Barth. 39) Wikipedia Duke Alexei Alexandrovich of Russia. 40) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 41) idem. 42) Loudon. 43) idem. 44) idem. 45) idem. 46) Hoola van Nooten aan Dunlap. 47) North. 48) Hoola van Nooten aan Dunlap. 49) North. 50) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederlandsch Oost-Indië. Ao. 1894. No. 213. 51) Koninklijk Huisarchief. 52) Wikipedia Duke Alexei Alexandrovich of Russia.
Bibliografie
♣ BRETON DE NIJS, E. [Rob Nieuwenhuys]: Batavia. Koningin van het oosten. ‘s-Gravenhage: Thomas & Eras, 1976.
♣ De Locomotief. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad. XXIste Jaargang. Zaterdag 24 Augustus [onrust in de kolonie, aankomst Alexis in Batavia].
♣ GROENEBOER, Kees: Weg tot het Westen, het Nederlands voor Indië 1600-1950, een taalpolitieke geschiedenis. Leiden: KITLV Uitgeverij, 1993.
♣ [HAAN, Frederik de:] OUD BATAVIA GEDENKBOEK uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen naar aanleiding van het driehonderdjarig bestaan der stad in 1919. Batavia: G. Kolff & Co, 1922 (2 tekstdelen en 1 Platen album).
♣ [HOOLA VAN NOOTEN, Berthe:] Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University [USA] (LaRC, auteursrechten aldaar) [35 ongepubliceerde brieven, 1844-’57, complete scans en transcripties in collectie auteur].
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Madame Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par madame Berthe Hoola van Nooten. Ouvrage dédié à sa majesté [sic] la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier, Montagne de L’Oratoir, 5, 1863 [-’64]. [voorintekenprijs: fl 60,-, verkoopprijs: fl 70,-].
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Madame Berthe: Fleurs, Fruits et Feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Seconde édition. Bruxelles: Faubourg de Louvain [tegenwoordig Saint-Josse-ten-Noode], Rue de Liekerke 40. Publiée par G. Severeyns, dessinateur & chromolithographe de l’Académie Royale de Belgique, 1866 [verkoopprijs: fl 80,-].
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Madame Berthe: Fleurs Fruits et Feuillages Choisis de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Troisième édition. Bruxelles: Librairie Européene C. Muquardt, même maison à Leipzig, publiée par Merzbach & Falk, Éditeurs, Libraires de la Cour et de S.A.R. Le Comte de Flandre, [1881] [verkoopprijs normale editie (300 exx): 175,- (Belgische) francs, gelimiteerde editie op ‘bristol’ (10 exx): 350,- (Belgische) francs].
♣ [HUPKA-BARTH, Betsy Marianne (Beppie)]: ‘Poging tot necrologie [van Berthe Hoola van Nooten]’. Anoniem, ongedateerd, ongepubliceerd, op website Collectie Tropenmuseum, opgetekend door een medewerker (die in elk geval in 2012 al was overleden) van het Tropenmuseum, waarschijnlijk in de jaren ’80 van de XXste eeuw, uit de mond van Hupka-Barth (1908-2004, volgens ‘eigen’ zeggen een kleindochter van Berthe Hoola van Nooten, maar in werkelijkheid haar achterkleindochter)  (persoonlijke communicatie van toenmalige conservator Koos van Brakel, Tropenmuseum, augustus 2012).
♣ JAVA-BODE. Nieuws-, Handels en Advertentie-Blad voor Nederl.-Indië. Ao. 1872. No. 57. Mail-nummer. Donderdag 7 Maart. Een-en-Twintigste Jaargang [vendutie Fleurs & fruits].
♣ JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. Woensdag 21 Augustus 1872 [Alexis in Batavia en kanongebulder].
♣ JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederlandsch Oost-Indië. Ao. 1894. No. 213. Zaterdag 15 September Drie-en-Veertigste Jaargang [met daarin vermeld de originele Hypotheekacte dd. 13 Maart 1873, No. 48, te Batavia verleden].
♣ Koloniaal verslag van 1871 (8.16). Lijst van lees- en leerboeken [oplage Aurora of de morgenstond der kennis].
♣ Koninklijk Huisarchief, Den Haag (persoonlijke mededeling Harm Robaard, bibliothecaris Koninklijk Huisarchief, 22.08.2012).
♣ [KRÆMER, Oscar von] (anoniem): ‘Oscar von Kræmers togter og verdensomsejlinger’, op: http://www.lemvigmuseum.dk/ (01.01.2014).
♣ [LOUDON, James] Henk Boels, Janny de Jong, C.A. Tamse: Eer en fortuin. Leven in Nederland en Indië 1824-1900. Autobiografie van gouverneur-generaal James Loudon. Amsterdam: De Bataafsche Leeuw, 2003.
♣ ‘Maandelijksch overzigt der Indische letterkunde’, in: Tijdschrift voor Neerland’s Indië, Jaargang 23, 1861 (1ste deel No. 5).
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indie uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-Indie deel XXVI zesde serie deel I. Batavia: H.M. van Dorp, & ’s Gravenhage: Martinus Nyhoff, 1864.
NEDERLAND’S PATRICIAAT 53ste Jaargang 1967 [Hoola van Nooten].
Nieuwe Amsterdamsche Courant. Algemeen Handelsblad. No. 12821. Ao. 1872. Zondag 24 Augustus [Alexis in Kaapstad].
NIEUWSBLAD voor den BOEKHANDEL. No. 85. Negen-en-dertigste Jaargang. Dinsdag 22 October 1872 [Berthe ontmoet Alexis].
NIEUWSBLAD voor den BOEKHANDEL. No. 92. Acht-en-Veertigste Jaargang. Vrijdag 11 November 1881. [3de editie Fleurs & Fruits gaat verschijnen].
♣ NORTH, Marianne: Recollections of a Happy Life. London: MacMillan, 1893 [postuum gepubliceerd in 2 delen, in 1894 verscheen een derde deel als Further Recollections].
♣ VALENTYN, François: Oud en Nieuw Oost-Indien [etc.]. Dordrecht &  Amsterdam: Joannes van Braam & Gerard onder de Linden, 1724-’26.
http://en.wikipedia.org/wiki/Grand_Duke_Alexei_Alexandrovich_of_Russia (20.04.2014)
Geplaatst in Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , | 4 reacties