‘The object of great curiosity’

Iets over de wonderlijke ‘Pisonia’-boom van Berthe Hoola van Nooten.

‘There is in Java a tree or shrub; formerly enveloped in profound mystery and the object of great curiosity’ (Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java, Bruxelles 1863, tekst bij plaat [21], ‘Pisonia Sylvestris’)

In januari 1863 liet de in Utrecht geboren amateurbotanica Berthe Hoola van Nooten (1817-’92) de eerste aflevering van een omvangrijk plantenboek publiceren, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et pomone de L’île de Java. Volgens de schrijfster was het werk niet bedoeld als een serieuze studie (dat leek haar meer iets voor mannen), maar als een populair overzicht van de veertig mooiste bloemen en vruchten van Java, het tropische eiland waarop zijzelf destijds woonde. Ondanks de intekenprijs (fl 60,-, ruim € 600,-) bleek de verkoop ervan al snel een groot succes. Dat was vooral te danken aan de oogverblindende kleurenplaten, in Brussel gelithografeerd door Guillaume Severeyns, een van de beste botanische ambachtslieden van zijn tijd. Helaas is geen enkele van Berthes originele aquarellen ooit boven water gekomen. We weten dus niet hoe deze eruitzien (of -zagen), maar vanwege de zorgvuldige manier waarop Severeyns duizenden andere reproducties vervaardigde zal hij ook haar werk natuurgetrouw hebben weergegeven.

Eén van de platen springt dubbel in het oog. Daarop worden namelijk twee planten tegelijkertijd afgebeeld, de crèmekleurige koolboom (een cultivar, Pisonia alba) en zijn stamvorm, Pisonia sylvestris (tegenwoordig P. grandis). De eerste dankt haar naam (op Java ook wel ‘kohl banda’) aan het feit dat de bladeren soms gekookt worden gegeten als surrogaat voor kool of sla. De andere plant, door Berthe op de achtergrond getekend, heeft geen Nederlandse naam en valt met haar eenvoudige donkergroene blad ook wat minder op, maar in folkloristisch en taxonomisch opzicht is ze juist de meest fascinerende van de twee. Onder andere dankzij het werk van Hoola van Nooten en dat van haar beroemde tijd- en eilandgenoot, de in Duitsland geboren natuuronderzoeker Franz Wilhelm Junghuhn (1809-’64), weten we iets meer over allerlei details daarvan.

Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java [Bruxelles, 1863-’64], plaat [21] (chromolithografie), ‘Pisonia Sylvestris [= P. grandis]. T[eijsmann]. et B[innendijk]. widjojo koesoema. [&] Pisonia Alba. Spink. [sic, moet ‘Span.’ zijn, = Johan Baptist Spanoghe] kohl banda.’

Pisonia grandis, een stevige, struik- tot boomachtige plant (in het Engels ‘Grand Devil’s Claw’), komt op meestal kleinere eilanden overal in het Maleise gebied zeer verspreid voor. In kolonies broedende zeevogels, zoals sternen en fregatvogels, maken bij hun nestbouw graag gebruik van haar stevige takken, waardoor de bladeren en de grond daaronder vaak bedekt zijn met kostbare guano. Op Java wordt ze ook wel ‘widjojo koesoemo’ genoemd, ‘De alles overtreffende bloem’, een opvallende naam die Hoola van Nooten als volgt verklaart:

In the javanese language the [Sanskriet] word widjojo is translated in the following manner: wi civilised, djojo courageous and lucky or fortunate and koesoema, means nobility, illustrious birth, high rank.

Deze etymologie slaat niet op de bescheiden bloempjes zelf, maar op de bijzondere folklore daaromheen. Terwijl het witte blad van de koolboom overal aangetroffen kon worden als goedkoop varkensvoer, werden de bloesems van de groene ‘widjojo koesoemo’ op het neveneiland Noesakambangan aan de zuidkust van Java juist vol eerbied gebruikt bij de officiële kroningsplechtigheden van de keizers van Solo, het huidige Surakarta. De plant leek toen nog buitengewoon zeldzaam. In het eerste deel van zijn hoofdwerk, Java, zijne gedaante, zijne plantentooi en inwendige bouw (1850-’54), had Junghuhn al uitvoerig beschreven hoe de blijkbaar afzonderlijk groeiende mannelijke en vrouwelijke bloemen met behulp van een in een wiebelige prauw geplaatste smalle ladder op twee uit de kust liggende en vrijwel onbereikbare rotspunten (‘schedels’) met gevaar voor eigen leven geplukt moesten zien te worden. Een speciaal voor die ene taak in dienst gehouden ‘inlander’ was daar verantwoordelijk voor. Als deze in dat huzarenstukje slaagde, wat bij ruwe zee sowieso onmogelijk was, werden de geurige rozewitte bloesemblaadjes met hun waaiervormige stengels (zie afbeeldingen) in wat vochtige aarde gestoken en voorzichtig op een kostbare zilveren schaal gelegd. Enkele speciaal daarvoor geselecteerde hoge afgezanten namen alles vervolgens mee, om na een feestelijke processie onder allerlei beschaduwende ‘verhemelten’ (baldakijnen) de nu dubbel geplukte maar nog frisse bloesems te kunnen aanbieden aan de schitterend uitgedoste, destijds nog in ‘eenen absolute heerschappij’ regerende vorst. Volgens Junghuhn mocht op straffe des doods niemand anders dan hij de als heilig vereerde ‘widjojo koesoemo’ in ontvangst nemen. Hoola van Nooten vermeldt dat 

The heirs to the javanese throne therefore, felt sure of their father’s succession, as soon as the precious flower was in their possession.

In een andere versie van het verhaal was de ceremonie bedoeld voor een van de vrouwen van de vorst, meestal een jong meisje, dat, ver vòòr allerlei politiek-correcte #MeToo-ideeën, met het verorberen van de magische bloempjes geen serviele seksegenote maar juist een ooit net zo dominante man als hij ter wereld hoopte te brengen. Overigens was het ritueel al tijdens Berthes leven in verval geraakt. Dat zou ook verklaren waarom geen enkele Europese tijdgenoot de sprookjesachtige gebruiken met eigen ogen gezien heeft. Alle verhalen erover, zelfs de meest uitgebreide van Junghuhn, komen uit tweede hand.

Westerse wetenschap kan net zo wonderlijk zijn als Oosterse folklore. De officiële Latijnse naam van het geslacht Pisonia, bijvoorbeeld, is gebaseerd op die van de zeventiende-eeuwse arts Willem Piso, bezorger van onder andere het botanische pionierswerk van Jacobus de Bondt, beter bekend als Bontius. Omdat Piso de originele tekst van zijn vroeggestorven collega (die jarenlang op Java had gewerkt) nogal slordig had geredigeerd leek het net alsof hijzelf verantwoordelijk was voor veel van het werk dat juist Bontius had gedaan. Wegens de gemene doorns van sommige soorten (vandaar ‘Grand Devil’s Claw’ voor P. grandis) noemde de grote Zweedse systematicus Carolus Linnaeus het geslacht Pisonia daarom naar hem, als een taxonomische steek onder water. De arme Piso zag op die manier zijn naam in 1753 postuum vereeuwigd, alleen niet als gerespecteerd botanicus, maar als onbetrouwbare letterdief.

Sydney Parkinson, Pisonia grandis, aquarel [ca 1770], Natural History Museum, London, The Endeavour Botanical Illustrations.

Pas in 1810 werd Pisonia sylvestris voor het eerst officieel beschreven. Dat gebeurde door Robert Brown, de privé-bibliothecaris van Joseph Banks, op zijn beurt zo’n veertig jaar daarvoor James Cooks metgezel op diens eerste reis om de wereld. Omdat Browns typering (als Pisonia grandis) de vroegste in drukvorm is (ongepubliceerde namen tellen in de taxonomie niet mee), zijn alle latere voor soortgelijke planten vervallen. De lijst daarvan is lang, zelfs voor een variabele soort. Om er enkele te noemen: Pisonia excelsa (1825), P. olitoria (1837), P. forsteriana (1842), P. morindifolia (1852), P. albaP. sylvestris (Hoola van Nooten, 1863), P. viscosa (1877), Calpidia excelsa (1913) – al deze namen  zijn ongeldig verklaard of simpelweg onopgelost gebleven. Verantwoordelijk voor dit taxonomische slagveld is de ingewikkelde evolutie van de Pisonia-soorten onderling. Zelfs Georg Rumpf (Rumphius, de beroemde zeventiende-eeuwse natuuronderzoeker op Ambon) had al een Pisonia-soort besproken (als ‘Olus album insularis’), maar zijn Latijnse namen zijn, hoewel postuum gepubliceerd, pre-Linneaans, en dus sowieso ongeldig. Om alles nog gecompliceerder te maken, het is zelfs niet uitgesloten dat de natuuronderzoekers Johann Reinhold Forster en zijn tienerzoon Georg (Cooks wetenschappelijke medewerkers op diens tweede wereldreis) bij hun beschrijving van de nauw verwante Ceodes [tegenwoordig Pisonia] umbellifera in de kleine donkere scheepskajuit van de Resolution in werkelijkheid een specimen van Pisonia grandis voor zich hadden liggen. Als de twee planten destijds inderdaad verwisseld zijn, zou alles wat er daarna over is gepubliceerd op losse schroeven kunnen komen te staan. Onzekerheden als deze hebben ervoor gezorgd dat de systematiek van Pisonia met zijn tientallen soorten en honderden Latijnse namen zelfs voor ervaren botanici een lastig ontwarbare kluwen is geworden.

‘Junghuhn’, frontispice (tegenover pag. 297) in Wichmann, ‘Franz Wilhelm Junghuhn’ in Petermanns Mitteilungen, deel 55 (1909)

Ook Junghuhn slaagde er niet in om de geheimzinnige plant van Noesakambangan als een Pisonia te identificeren. Tot zijn grote ergernis konden de in 1847 door een lokale informant stiekem buitgemaakte en voor nader onderzoek aan de Leidse hoogleraar botanie De Vriese opgestuurde exemplaren nergens meer teruggevonden worden. Een wetenschappelijke beschrijving, door wie dan ook, was daarmee uitgesloten. In haar florilegium vermeldt Hoola van Nooten echter dat de hortulanus van ’s Lands plantentuin te Buitenzorg, Johannes Elias Teijsmann, al in 1854 soortgelijke ‘magnifiek gekroonde bomen’ eveneens op het nabijgelegen Bali had ontdekt. Enkele specimina ervan zou hij meegenomen hebben naar Java, om ze daar te typeren als Pisonia sijlvestris (originele spelling). In zijn eigen verslag hierover beschrijft Teijsmann zijn verbazing toen hij erachter kwam dat de ooit als heilig vereerde talisman van de machtige keizers van Solo niets anders was dan een doodnormale, overal voorkomende verwant van de witte koolboom. Het raadsel rondom de groene ‘widjojo koesoema’ leek daarmee eindelijk opgelost. Overigens schijnt Teijsmann zich niet gerealiseerd te hebben dat Robert Brown al zo’n halve eeuw eerder onder een andere naam dezelfde plant had beschreven. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat volgens een contemporaine catalogus Browns publicatie ontbrak in de bibliotheek van ’s Lands Plantentuin, destijds de enige plek in de tropen waar zo’n uitgebreide collectie natuurwetenschappelijke boeken publiekelijk toegankelijk was. Hoe dan ook, vanaf het moment dat duidelijk werd dat Teijsmanns typering uit 1855 niet de eerste was kwam ook deze te vervallen. Tegenwoordig worden de namen Pisonia sylvestris en Pisonia alba door de meeste botanici beschouwd als synoniemen van Pisonia grandis. Het geslacht Pisonia zelf behoort tot de Nyctaginaceae (bij Hoola van Nooten Nyctaginae), een kleine familie van veelal (sub)tropische en eveneens zeer verspreid voorkomende tweezaadlobbigen. 

Al deze informatie heeft Teijsmann vrijwel zeker gedeeld met Berthe. Niet alleen woonden beide tijdgenoten enkele jaren op slechts enkele honderden meters afstand van elkaar (hij op het terrein van ’s Lands Plantentuin, zij pal aan de overkant aan de Groote Postweg), het was ook in ‘zijn’ tuin dat ze in opdracht van het Indische gouvernement alle platen voor haar florilegium zou tekenen. Omdat de bijbehorende teksten een meer dan amateuristische natuurhistorische kennis verraden is het zelfs zeer waarschijnlijk dat Teijsmann heeft geholpen bij het schrijven ervan. Wie ook wat heeft gedaan, juist Berthes Pisonia-plaat werd in het serieuze Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem van 1907 nog uitdrukkelijk genoemd als een van de beste ervan, samen met de eerdere beschrijving door Junghuhn. Dit soort professionele loftuitingen laat zien dat het florilegium het niveau van een simpel, vlot verkopend salontafelboek ver overstijgt, ondanks het feit dat destijds het leven van de tekenares allang in vergetelheid was geraakt.

Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860 (collectie familie Barth)

Verrassend genoeg kan Junghuhn het florilegium nog gedeeltelijk in handen hebben gehad. Want juist in de korte periode (augustus 1863 – april ’64) dat hij en Berthe tegelijkertijd lid waren van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging te Batavia, kwamen daar de eerste ‘livraisons’ van haar werk vanuit Brussel aan. Zíjn publicaties heeft Berthe in elk geval goed gekend, want in haar bespreking van de Indiase plosso of palasa (Butea frondosa, tegenwoordig Butea monosperma, plaat achttien uit het florilegium) refereert ze daaraan. Het is zelfs mogelijk dat beide ‘totoks’ (blanke Indiërs) elkaar daadwerkelijk ontmoet hebben, tijdens een van de vergaderingen, of in de wandelgangen van het verenigingspand aan het Koningsplein. Hoe zo’n persoonlijk treffen eruit gezien kan hebben is natuurlijk gissen, maar zeker is dat twee zo totaal tegenovergestelde naturen, Berthe, de rechtlijnige christin, en Franz Wilhelm, de beruchte vrijdenker, naast botanie niet veel gemeenschappelijke gespreksstof gehad kunnen hebben zonder hun respectieve geloofsbrieven enigszins op de vlakte te houden. Van eventueel commentaar op haar werk lijkt van zijn kant helaas niets bekend. Hij is altijd veel beroemder geweest dan zij, vanzelfsprekend, maar Berthe is met haar Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone L’Île de Java de allereerste vrouw in de geschiedenis die een origineel Indisch plantenboek heeft laten publiceren. Nadat Junghuhn (de ‘De Humboldt van Java’) begin 1864 werd getroffen door dysenterie kwam hij al op 24 april van dat jaar te overlijden. Berthe zou in steeds grotere godsvrucht nog bijna dertig jaar langer leven. Ze kreeg zelfs twee nieuwe, verbeterde edities van haar botanische pionierswerk onder ogen. Dat was inclusief de eenentwintigste plaat daaruit, die van de gewone en tegelijkertijd zo wonderlijke Pisonia-boom.  

(Met, zoals altijd, veel dank aan Marcel van Dorst, An Duits en Marianne Offereins)
Hieronder de originele tekst bij Hoola van Nootens afbeelding van Pisonia sylvestris en Pisonia alba, plaat [21] uit haar florilegium (3de editie, ongedateerd, 1881); overigens beschrijft Hoola van Nooten Pisonia sylvestris als een variëteit van Pisonia alba, terwijl de werkelijke verhouding andersom ligt.

(opent vergroot in apart venster)

Literatuur
Airy Shaw, H.K.: ‘On the Distribution of Pisonia grandis R. Br. (Nyctaginaceae), with Special Reference to Malaysia’,  Kew Bulletin Vol. 7, No. 1 pp 87-97. Springer Verlag for the Royal Botanic Garden, Kew, 1952.
[anon] ’Widjojo koesoemo’, Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem 1907 [pag. 134].
Blink, H.: Nederlandsch Oost- en West-Indië. Geographisch, ethnographisch en economisch beschreven. Leiden: Boekhandel en drukkerij E.J. Brill, 1905-’07 [Jacobus de Bondt (Bontius) pag. 187]. 
Brown, R.: Prodromus floræ NovæHollandiæ […]. Londini: Typis Richardi Taylor et Socii, 1810 [Pisonia grandis deel I pag. 422].
Cook, H.J.: ‘Global Economics’ in Schiebinger, L. en C. Swan (eds): Colonial Botany. Science, Commerce, and Politics in the Early Modern World. Philadephia: University of Pennsylvania Press, 2005 [Jacobus de Bondt (Bontius) pag. 106].
Forster, J.R. en G.: Characteres generum plantarum […]. Londen: White, Cadell & Elmsly, 1776 [eerste editie 1775; Pisonia [als Ceodes] umbellifera pag. 142 e.v. & plaat 71].
Gedenkboek Franz Junghuhn 1809-1909. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1910 [‘De Humboldt van Java’ pag. 23].
Hoola van Nooten, B.: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java. Bruxelles: Émile Tarlier, 1863 [-’64; tweede gecorrigeerde editie Severeyns 1866, derde geheel opnieuw gelithografeerde editie (ongedateerd) Muquardt 1881; Pisonia plaat [21]].
Junghuhn, Dr. Franz: Java, zijne gedaante, zijne plantentooi en inwendige bouw. ’s Gravenhage: C.W. Mieling, 1853-’54 [= tweede, gewijzigde druk; eerste druk als Java, deszelfs gedaante, bekleeding, en inwendige structuur, Amsterdam: P.N. van Kampen, 1850-’54] [‘Widjojo Koesoemo’ deel [1] pag. 365 e.v. en (voor Vriese) noot 7 pag. 659].
Linnaeus, C.: Species plantarum, exhibentes plantas rite cognitas […]. Holmiæ [Stockholm]: Impensis Laurentii Salvii, 1753 [eerste druk, twee delen; Pisonia pag. 1026].
Loos-Haaxman, J. de: Verlaat Rapport Indië. Drie eeuwen Westerse schilders, tekenaars, grafici, zilversmeden en kunstnijveren in Nederlands-Indië. ’s Gravenhage: Mouton & Co Uitgevers, 1968  [Hoola van Nooten pag. 44; over de professionele ‘verbetering’ van origineel tekenwerk in lithografie zie pag. 45; zie daarvoor ook Coppoolse, De Primeur. Berthe Hoola van Nooten publiceert haar Javaanse florilegium (webartikel) https://davidcoppoolse.com/2018/01/22/de-primeur-het-javaanse-florilegium-van-berthe-hoola-van-nooten-wordt-gepubliceerd/].
Mohammad, G.S.: Widjojo Koesoemo Between Tradition and Science, 1830-1939 (Master Thesis). Leiden: Leiden University, 2014.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-Indie deel XXVI zesde serie deel I 1864 [lidmaatschap Hoola van Nooten].
Nicolson, D.H. en F.R. Fosberg: The Forsters and the Botany of the Second Cook Expedition (1772-1775). Rugell, Liechtenstein: A.R.G. Gantner Verlag K.G., 2004 [Pisonia [als Ceodes] umbellifera pag. 541 e.v.].
Nissen, C.: Die Botanische Buchillustration. Ihre Geschichte und Bibliographie. Stuttgart: Hiersemann Verlags-Gesellschaft, 1951 [Severeyns pag. 233].
Pies, E.: Willem Piso (1611-1678). Begründer der kolonialen Medizin und Leibartz des Grafen Johann Moritz von Nassau-Siegen in Brasilien. Eine Biographie. Düsseldorf: interma-orb Verlagsgruppe, 1981 [Bontius pag. 33].
Pisonia albahttp://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-50097057  (als P. umbellifera)
Pisonia grandishttp://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-50097056
Pisonia sylvestris: http://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/kew-2552973
Pisonia umbellifera: http://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-22500321
Pramanick, D.D., G.G. Maiti en M.S. Mondal: ‘Taxonomic study of the genus Pisonia L. (Nyctaginaceae) in India’ in Annals of Plant Science 4.8 (2015) pp 1179-1184. 
Sirks, M.J.: Indisch Natuuronderzoek. Amsterdam: Amsterdamsche Boek- en Steendrukkerij v/h. Ellerman, Harms & Co., 1915 [o.a. Junghuhn pag. 141 e.v.].
Teijsmann, J.E.: ‘Iets over de Widjojo Koesoemo (Pisonia Sijlvestris Teijsm. Binnd.)’ in Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië uitgegeven door de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië Deel IX Nieuwe Serie Deel VI [pp 349-556], Batavia: Lange & Co., 1855.
Treub [voorwoord]: Catalogus der bibliotheek van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg. Batavia: Landsdrukkerij, 1887.
Wit, H.C.D. de: ‘A checklist to Rumphius’s Herbarium Amboinense’ in De Wit, Rumphius Memorial Volume. Baarn: Uitgeverij en drukkerij Hollandia, 1959 [Pisonia alba als ‘Olus album insularis’ pag. 446].
Advertenties
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

‘Oh, for a lovelier faith!’

Berthe Hoola van Nooten en haar kortstondige meisjesscholen op Java

[…] Nadat Berthe op 12 april 18561 in Nederlands-Indië was aangekomen leken er voor haar gezin eindelijk betere tijden aan te breken. Dankzij een forse gouvernementele subsidie van fl 1500,- per maand2 (zo’n 15.000,-) slaagde ze erin al op 6 april van het volgende jaar 3 in Batavia een nieuwe meisjesschool te openen. Deze was, als vanzelfsprekend, bedoeld voor blanke meisjes, liefst ‘uit den beschaafden stand’.4 Bij de publiekelijk fel bekritiseerde5 officiële toestemming daarvoor verleend (d.d. 24 maart) kon Berthe haar ruim twintig jaar oude Wageningse ‘acte van toelating tot schoolhouderes in de Nederduitsche, Hoogduitsche, Fransche en Engelsche talen’ nog overleggen.6 Ze kreeg zelfs meer dan ze had gevraagd. Niet alleen mocht ze alle extra inkomsten voor zichzelf houden,7 de Hoofdcommissie van Onderwijs beloofde haar dat bij een succesvolle start het schoolcontract na twaalf maanden met vijf jaar verlengd zou worden.Ook Berthes gastheer, haar succesvolle maar erg agressieve (‘very violently indisposed’)9 halfbroer Vincent Jacob van Dolder, gaf zijn zegen aan het project, hoewel niet zonder flink wat commentaar op haar veronderstelde gebrek aan financiële capaciteiten.10 Eerdere plannen om te gaan wonen op een van zijn Javaanse suikerplantages kon Berthe in elk geval laten varen.11 Na alle onzekerheid over de toekomst was ze geëmotioneerd, opgelucht en dankbaar.12

Het pand waarin de school gevestigd werd, stond in de Gang Scott, een van de mooiste zijlanen van het centraal gelegen Koningsplein. Verscholen in het overdadige groen (zie afbeelding hieronder) was daar ook de villa van Vincent Jacob te vinden, terwijl in de ruim aangelegde wijken eromheen de blanke Bataviase elite resideerde, vooralsnog in de watten gelegd door ontelbare autochtone bedienden, ‘baboes’ (Multatuli’s kindermeisjes) en huishoudhulpen. 

Woodbury & Page, Gang Scott, Batavia (albuminedruk), ca 1880 (de villa van Vincent Jacob stond rechts, op deze foto net niet te zien)

De school ging vlot van start. Vooral na verhuizing naar ‘another very large house’,13 iets verderop in de laan, groeide het aantal leerlingen snel. In dit nieuwe pand (tevens woonhuis) kreeg Berthe uiteindelijk bijna vijftig ‘Jonge Jufvrouwen’14 onder haar Nederlandse Hervormde vleugels. Dat succes kon nauwelijks onverwacht gekomen zijn, want in Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië, werd door het gouvernement al decennialang geen regulier meisjesonderwijs meer aangeboden.15 Maar ondanks die bevoorrechte positie schijnt Berthe eigenzinnig gemanoeuvreerd te hebben. Als gelovig christin (het blijft een merkwaardige uitdrukking, maar, inderdaad, er bestaan ongelovige christenen) vertikte ze het bijvoorbeeld om het klassikaal Bijbellezen achterwege te laten (‘[…] with the help of God, I will never yield this point.’)16, iets wat de seculiere autoriteiten haar eerder toch uitdrukkelijk hadden gevraagd. Dat was onvoorzichtig gedacht van de subsidiante. In dezelfde buurt werkten namelijk meerdere vrouwelijke collega’s die al veel langer op een riante overheidstoelage als de hare aasden, met of zonder een flinke dosis ‘jalousie de métier’.17  Deze seksegenotes zouden nog sneller hun zin krijgen dan verwacht. Want ook al lijkt madame Hoola van Nooten née Van Dolder zich snel thuis gemaakt te hebben in de hogere kringen van Batavia ,18 op 1 januari 1859 raakte ze de royale subsidie voor haar ‘partikuliere meisjes- dag- en kostschool’ alweer kwijt,19 vierenhalf jaar eerder dan de bedoeling was geweest. De gehoopte Bijbelse zes vette jaren waren ineengeschrompeld tot een magere anderhalf. Berthe kon weer van voor af aan beginnen. Volgens haar was in juridische zin koning Willem III daar uiteindelijk verantwoordelijk voor,20 ironisch genoeg dezelfde man wiens naam later bovenaan de intekenlijst van haar Javaanse florilegium zou prijken.

Hoola van Nooten aan Dunlap, pp 14 & 15 van brief d.d. 21 september 1859 (laatst bekende brief van Berthe; © John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University)

Ondanks het gebrek aan geld zette Berthe de school nog enkele maanden voort, tot minstens oktober van dat jaar. Daarna dreigden de kosten van vooral het inhuren van Europese leerkrachten definitief te hoog te worden.21 De aangeslagen ‘kostschoolderes’22  beweerde zelf dat het mislukken van haar school opzettelijk was gebeurd, inderdaad ‘in consequence of all sorts of opposition and intrigue’,23 maar vrijwel zeker had haar eigen protestantse ‘Prinzipienreiterei’ een net zo obstructieve rol gespeeld. Eindeloos zijn de klaagzangen over alle volgens haar even godenrijke als goddeloze eilandgenoten, of het nu ging om Javanen, Rooms-Katholieken, anderszins niet-evangelische christenen, Arabieren, Chinezen, Maleisiërs, Armeniërs, of, bovenal, ‘Mohammedanen’.24 Meestal werden die jeremiades gevolgd door (weliswaar wat weifelachtige) dankzeggingen aan haar eigen God, voor de troost en kracht die Hij haar ondanks alles zou weten te schenken. Maar ook Hij kon niet voorkomen dat op 18 september 1860 het pand in de Gang Scott publiekelijk werd geveild.25 Vincent Jacob, toch al sceptisch, zal alles met lede ogen hebben aangezien. Voor Berthe echter zal dat niet het zwaarste geweest zijn. Eerder had ze, waarschijnlijk door tijd- of geldnood gedwongen, haar twee tienerzonen Jacques Henri en Alphonse naar Merchiston Castle School laten sturen,26 een jongensinternaat onder Edinburgh, Schotland. Misschien was dat exotische adres afkomstig van de veelbereisde Vincent Jacob, of verkregen via de internationale vrijmetselaarscontacten27 van haar in 1847 in New Orleans overleden echtgenoot. Hoe dan ook, voor een alleenstaande moeder als Berthe kan zo’n scheiding alleen maar vreselijk geweest zijn, ook al beloofde hun ‘suikeroom’ hen tijdens een van zijn Europese zakenreizen weer op te gaan halen. De toekomst van de jongens in het koude noorden was volkomen onzeker:

My brother, who is now in Europe, promised me to go and see them. What their future home and destiny will be, I can little see. Some how or other I can not see Java as their future home and am rather inclined to see their subsequent life will be spent in America. Java seems to be a very undesirable place, godless, teeming with lewdness and infidelity [zie bovenstaande afbeelding].28 

Wagner & Debes, Indien. Handbuch für Reisende, (Nederlandstalige) plattegrond Buitenzorg (Bogor) met paleis van de gouverneur-generaal en ’s Lands Plantentuin, Verlag Karl Baedeker, Leipzig 1914

Berthe miste hen, elke dag.29 Uiteindelijk kwam Alphonse op 23 oktober 1861 via Amsterdam dan toch weer in Batavia aan.30 Zijn oudere broer Jacques Henri zou zelfs nog later naar Java terugkeren. In de tussentijd (eind 1859) was Berthe met haar drie dochters naar Buitenzorg verhuisd, een kleine veertig ‘palen31 (zo’n zestig kilometer) ten zuiden van de hoofdstad. In deze voormalige blanke lusthof had ze binnen enkele maanden na aankomst opnieuw een meisjesinstituut geopend. De school, inmiddels haar zesde, was dit keer gevestigd in een eenvoudige woning aan de Groote Postweg, precies naast het gebouw van het Mijnwezen32 waarin ruim dertig jaar later de botanische bibliotheek van ‘s Lands Plantentuin gehuisvest zou worden.33 Vanuit haar voorraam keek Berthe precies uit op de westelijke zijingang van de destijds wereldberoemde hortus, aan de overkant van de straat. Daarachter, verscholen in het bos, lag het witgepleisterde paleis van de gouverneur-generaal, en verder naar het zuiden de gouvernementstuin zelf, weelderig begroeid met de mooiste bloemen, het overvloedigste fruit, het kleurrijkste groen. Haar oudste dochter Maria Philippina vond de Javaanse natuur zelfs nog indrukwekkender dan die van Brits Guyana, haar geboorteland.34 Maar hoe mooi de omgeving ook was, de ‘opvoedings-Inrigting’35 voor jonge christelijke meisjes bleek geen groot succes. Midden 1860 moest de bescheiden opgezette school alweer sluiten. Voor de derde keer in haar leven stond Berthe in een vreemd en exotisch land met lege handen. ‘Oh, for a lovelier faith!’, had ze al eens in wanhoop geschreven.36 Wat nu te doen, als berooide weduwe? Hoe voor zichzelf en haar vijf kinderen te zorgen, in de verre toekomst, of zelfs de meest nabije?

Met, als altijd, veel dank aan Marcel van Dorst, An Duits en Marianne Offereins
Noten en literatuur
♣ 1) Java-Bode 16 april 1856; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana (USA), Tulane University (LaRC)) brief d.d. 10 mei 1856; 2) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen, ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk [sic] der Nederlanden, voor den jare 1860 (1860) pag. 804; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap (zie hierboven), brief d.d. 10 maart 1857; 3) Java-Bode 1 april 1857; ♣ 4) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 804; ♣ 5) Voor de publiekelijke aanvallen op Berthes school zie bijvoorbeeld De Indische Schoolbode No. 7. Julij. A.1858 inclusief het vervolg daarop, ibid., No. 8 Augustus. 1858 en ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 804; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 6) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 805 (‘bij besluit der Hoofdcommissie van Onderwijs’); ♣ 7) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 7 september 1856 en ibid., brief d.d. 10 mei 1857; ♣ 8) Ibid., brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 9) Ibid.; ♣ 10) Ibid.; ♣ 11) Ibid., brief d.d. 7 september 1856; ♣ 12) Ibid., brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 13) Ibid.; dit nieuwe onderkomen was eigendom van de heer Eilbrechts, zie Java-Bode woensdag 1 April 1857; overigens werden destijds in Batavia nog geen huisnummers gebruikt, zie De Haan, Oud Batavia (1922) Deel 1 § 772; ♣ 14) Java-Bode 1 april 1857; ♣ 15) Brugmans, Geschiedenis van het onderwijs in Nederlands-Indië (1938) pp 108-113 en De Haan, Oud Batavia (1922) Deel 2 § 1415; voor de periode daarvòòr zie ook Taylor, Smeltkroes Batavia (1988) pag. 113 e.v.; ♣ 16) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 17) De Indische Schoolbode No. 8. Augustus 1858; ♣ 18) Zie bijvoorbeeld Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 7 september 1856; ♣ 19) Algemeen verslag van den staat van het schoolwezen in Nederlandsch-Indië (1859) pag. 19; ♣ 20) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 21) Ibid., brief d.d. 21 september 1859; ♣ 22) De Indische Schoolbode No. 8. Augustus 1858; ♣ 23) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 21 september 1859; ♣ 24) Ibid., brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 25) Java-Bode 12 september 1860; ♣ 26) Merchiston Castle School Register voor het jaar 1859 pp 35 en 38; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 21 september 1859; ♣ 27) Ibid., brief d.d. 11 november 1854; ♣ 28) Ibid., brief d.d. 21 september 1859; ♣ 29) Ibid., brief 9 december 1859; ♣ 30) Java-Bode 26 oktober 1861; ♣ 31) Huyssen van Kattendijke (Met prins Hendrik naar de Oost (2004) pag. 258) noemt een aantal van zesendertig palen, Van de Velde (Gezigten uit Neêrlands Indië (1844-’45) pag. 10) negenendertig; ♣ 32) Bataviaasch Handelsblad 3 oktober 1860; ♣ 33) Burck, ‘Het herbarium en museum’ in Treub, ‘s Lands Plantentuin te Buitenzorg (1892) pag. 221; ♣ 34) Maria Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 9 mei 1857; ♣ 35) Bataviaasch Handelsblad 3 oktober 1860; ♣ 36) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 januari 1855 
Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Een onverwachte vondst.

‘[…] it is a story just naturally full of footnotes and asides.’ (Anderson, Plants, Man and Life pag. 16)

Amersfoort, april 2004, veertien jaar geleden. Het is een vroege, zonnige voorjaarsdag. Ik scharrel wat rond in antiquariaat ’t Ezelsoor. Het loopt tegen sluitingstijd, er wordt vriendelijk gevraagd het pand te verlaten. Nog even en ik sta weer buiten. Op het laatste moment trekt een op de grond liggende stapel oud papier mijn aandacht. De deur blijft open, op een kier. De boekverkoper kijkt op zijn horloge. Ik loop terug, kniel voorzichtig en bekijk de warhoop wat zorgvuldiger. Al bij de lichtste aanraking ervan dwarrelen wolken verpulverd papier de winkel in, glinsterend in het licht van de late, nog warme middagzon. Fragmenten verdroogd leder worden zichtbaar, stukken linnen, vergulde rugletters en snippers met inktzwarte kapitalen, verstrooid tussen de overblijfselen van iets dat lijkt op een oud boekwerk. Op een half gescheurd titelblad zijn nog een jaartal (1863) en wat Franse woorden te onderscheiden, zoals ‘Fleurs’, ‘feuillages’ en ‘Bruxelles’, Vlak daarnaast doemt een exotisch klinkende naam op, ‘Île de Java’, gevolgd door een Bijbelcitaat over de legendarische rijkdommen van koning Salomo, en ook de opvallende naam van een mij onbekende vrouw, ’Madame Berthe Hoola van Nooten’. Zorgvuldig zoek ik verder.

‘Poinciana Regia’ (= Delonix regia, vlam- of pauwenboom), plaat [37] uit Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java [Bruxelles, 1863-’64]

Dan, plotseling, vanuit het donker, komen tientallen afbeeldingen van uitheemse bloemen en vruchten tevoorschijn, kleurrijk, levensecht, sprankelend getekend, bijna tastbaar, gedrukt op zo te voelen steviger en dus beter bewaard gebleven losse vellen papier. Ik ben sprakeloos. De stoffige stapel op de vloer blijkt het restant van een originele negentiende-eeuwse foliant, een heuse papieren bloemenschat. Bananen, vlambomen, palmen, gemberbloesems, papaja’s, mango’s – al bladerend kom ik de ene na de andere tropische plantensoort tegen. Fantasieën van een paradijselijk eiland in koloniale tijden zweven voorbij, van woeste kusten, onherbergzame binnenlanden en adembenemende vergezichten, uitgestrekte oerbossen vol onontdekte botanische zeldzaamheden. Kan het boek daar vandaan komen? Ik schrik op. De antiquaar tikt me tegen de schouder, en daarmee uit mijn dagdromen. De winkel gaat sluiten. Ik besluit de onverwacht gevonden bibliofiele restanten zo snel mogelijk mee naar huis te nemen. Eenmaal buiten gekomen word ik steeds nieuwsgieriger. Wie is Berthe Hoola van Nooten? En wat voor prachtigs heb ik eigenlijk van haar in handen gekregen? Een lange ontdekkingsreis begint…

Literatuur
Anderson, E.: Plants, Man and Life. Berkeley / Los Angeles: University of California Press, 1967 [eerste druk 1952]
Hoola van Nooten, B.: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et pomone de L’Île de Java. Bruxelles: Émile Tarlier, 1863 [-’64]
(Antiquariaat ’t Ezelsoor bevindt zich in Amersfoort Achter de Arnhemse Poortwal op nummer 21)
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , | 4 reacties

De primeur.

Berthe Hoola van Nooten publiceert haar Javaanse florilegium.

To open the great book of nature […]’ (Hoola van Nooten, ‘Preface’ in Fleurs, fruits et feuillages)

Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages [etc], omslag eerste livraison eerste editie, Bruxelles 1863; © Bijzondere Collecties UvA

In 1863 was het eindelijk zover. Vanaf dat jaar liet Berthe een eigen Javaans plantenboek verschijnen. Ze is daarmee, voor zover bekend, de eerste vrouw in de geschiedenis. Volgens de gedrukte data op de losse omslagen van een bewaard gebleven oningebonden exemplaar1 kwam de eerste aflevering met vier platen van het florilegium in januari van dat jaar te Brussel uit. Nog vòòr het einde van 1863 werden de vijf daaropvolgende gepubliceerd, terwijl de laatste vier afleveringen pas in de loop van 1864 zouden verschijnen. Op de officiële titelpagina is deze informatie overigens niet terug te vinden. Het project van veertig grote kleurplaten moet, los van de lange duur, sowieso nogal een kostbare gok zijn geweest. Toch bevatte het fonds van uitgever Émile Tarlier meerdere soortgelijke titels. De Belgische botanicus De Puydt (die in 1880 te Parijs een omvangrijk orchideeënboek zou laten verschijnen) publiceerde hier bijvoorbeeld zijn eveneens schitterend geïllustreerde plantenkashandleiding Traité theorique et pratique de la culture des plantes de serre froide – orangerie et serre tempérée des jardiniers (ca 1862). Volgens het titelblad van Berthes florilegium was Tarliers bedrijf gevestigd op nummer vijf in de Montagne de L’Oratoire (Oratoriënberg), in de toenmalige Faubourg de Louvain, tegenwoordig Saint-Josse-ten-Noode. De wijk  is nog altijd de kleinste maar drukst bewoonde buurt van Brussel. Wat verder naar het westen liggen de sierlijke, Sanssouci-achtige kassen van de in 1826 aangelegde Kruidtuin (Botanique), vol met plantensoorten die daar vanuit de hele wereld naartoe gezonden waren. Iets noordelijker, in de Rue de Liekerke, bevond zich de werkplaats van Tarliers belangrijkste lithograaf, Guillaume Severeyns, lid van de Académie royale de Belgique. Geboren in 1830 als Guillaume Albert Charles (abusievelijk ook wel Georges genoemd), was hij zelf de zoon van een bekende steendrukker, Guillaume Michel Corneille Severeyns (1804-’65).2 Al op vierentwintigjarige leeftijd had deze een lithografische studio opgericht. In het bedrijfspand in de Brusselse Rue de Schuddebeek waren uiteindelijk zo’n dertig steentekenaars in dienst. Vader en zoon werkten op zeker moment zo intensief samen dat het vrijwel onmogelijk is om hun identiek gesigneerde platen (‘G. Severeyns’) uit elkaar te kunnen houden, ook al schijnt Severeyns junior in zijn manuscripten ter onderscheiding ‘fils’ aan zijn naam toegevoegd te hebben.3 Duizenden platen moeten ze samen hebben gemaakt, en toch is er nauwelijks iets over hen bekend. Zelfs de sterfdatum van de jonge Guillaume is tot nu toe niet boven water gekomen.4

Ook in Batavia stonden steendrukpersen,5 zoals die van het Lithografische Établissement van het Topografische Bureau.6 Maar deze lijken vooral gebruikt te zijn voor cartografische overheidsopdrachten, of voor het maken van bijzondere tropische landschapsgezichten, zoals afbeeldingen van ‘vuurbergen’7 (vulkanen). ‘s Lands Plantentuin bezat zelfs een eigen drukkerijtje.8 Dat Berthes aquarellen dan ook niet in Batavia of Buitenzorg, maar in Brussel werden gedrukt, was te danken aan Guillaume Severeyns’ opvallende tekenkwaliteiten. Samen met zijn vader ging hij door voor misschien wel de beste botanische lithograaf van zijn tijd.9 Berthe heeft dan ook veel geluk gehad dat juist zij haar werk wilden reproduceren. Later zou Severeyns alle lithografische stenen overnemen van Émile Tarlier, om in 1866 Fleurs, fruits et feuillages onder zijn eigen naam opnieuw uit te kunnen geven. Het Duitse ‘Verschlimmbesserung’ is een verrukkelijk woord: naast alle daarbij gecorrigeerde tekstfouten maakte hij bijna net zoveel nieuwe.10 De veertig originele, met de hand geannoteerde en van een uitgebreid kleurennummer-systeem voorziene losse vellen van de eerste editie die daarvoor als monsters werden gebruikt bevinden zich nog altijd in het bezit van Berthes Nederlandse nazaten. Elk blad is door zowel Severeyns –père of fils– als zijn drukker Van Goethem geparafeerd en voorzien van precies dezelfde handgeschreven tekst en signaturen:

Vu et approuvé Comme type pour exécution conforme / Suivant Convention de Cejour, quinze Mai Mille / huit Cent Soixante Cinq. [M.?] Van Goethem / G. Severeijns’.

Hoola van Nooten, ‘Sterculia Nobilis’ (= Sterculia monosperma); door zowel lithograaf Severeyns als drukker Van Goethem geannoteerde en geparafeerde proefplaat (1865) van de eerste druk (1863-’64) van Fleurs, fruits et feuillages (plaat [11]), bedoeld voor de tweede editie van 1866; bezit familie Barth

De combinatie van genummerde kleurcodes daarentegen is voor elke plaat specifiek. Welke druktechnische aanwijzingen daarmee bedoeld worden lijkt niet meer te achterhalen, net zo min als via welke wegen alle losse bladen tenslotte bij Berthes familie in Amsterdam zijn terechtgekomen. Ondanks de enorme geografische omweg moeten ze na ‘gebruik’ toch zijn opgestuurd naar Batavia, om later door Berthes kinderen of kleinkinderen weer meegenomen te worden naar Nederland. Maar één ding is zeker. Het stuk voor stuk bekijken, controleren, annoteren, corrigeren en uiteindelijk dubbel goedkeuren van alle veertig chromolithografieën laat zien dat het uitgeven van Fleurs, fruits et feuillages ook voor deze tweede editie een prestigieus project was.11 Als er van de eerste editie zo’n driehonderd exemplaren verkocht waren à  fl 60/70,- , dan moet de totaalopbrengst daarvan al gauw fl 19.500,- (195.000,-) bedragen hebben, een enorme som. De opbrengst van de tweede editie à fl 85,- zal nog hoger geweest zijn, namelijk fl 25.500,-, dus zo’n 255.000,-. Wat uitgevers als Tarlier, Severeyns en later Muquardt daaraan financieel overgehouden konden hebben is eveneens niet bekend, maar voor een handarbeider was de rekensom snel gemaakt. Om één livraison à fl 7,- van Berthes Javaanse bloemenboek te kunnen betalen moest hij een volle week werken.

De door Berthe gemaakte tekeningen zijn tot nu toe niet getraceerd. Maar er is wel een goed beeld te krijgen van Severeyns’ capaciteiten als lithograaf door enkele uitzonderlijk bewaard gebleven andere aquarellen te vergelijken met de platen die hij daarnaar op steen heeft overgebracht. Dit geldt bijvoorbeeld de originele tekening en bijbehorende lithografie van Tecomanthe dendrophila, een tropische trompetboomachtige die in 1849 voor het eerst officieel beschreven was door de Leidse botanicus Blume, in diens vierdelige Rumphia.12 Overigens zal Berthe dit prachtig geïllustreerde werk goed gekend hebben, het stond in elk geval al sinds de publicatie ervan op de planken van de bibliotheek van ’s Lands Plantentuin.13 Uit een snelle vergelijking van de twee Tecomanthe-afbeeldingen  wordt meteen duidelijk dat Severeyns in staat was om zowel de grootste botanische structuren als de kleinste technische details van transparante aquarellen natuurgetrouw (en eventueel in spiegelbeeld) op steen te reproduceren, inclusief fraai verkleurde, aangevreten of afgestorven plantendelen.

Links: W.J. Gordon (zie Haks en Maris, Lexicon of Foreign Artists pag. 102), ongetiteld, ongedateerd, Tecomanthe dendrophila, aquarel, eerste helft negentiende eeuw; Naturalis Biodiversity Center illustratie 32018; rechts: ‘Dendrophila trifoliata‘ (= Tecomanthe dendrophila), handgekleurde lithografie van Severeyns in Blume, Rumphia. Tomus quartus (1849; plaat 190), Naturalis Biodiversity Center illustratie 111725

Als dit representatief is voor al zijn tekenkunst, dan moeten, omgekeerd bekeken, die van Berthe eveneens van een hoge kwaliteit zijn geweest. Uit deze vergelijking blijkt ook dat de uitvergrote bloemonderdelen aan de onderkant van de platen uit haar florilegium misschien niet door Berthe zelf waren vervaardigd, maar dat Severeyns die toevoegde, of liet toevoegen, wellicht door een professioneel botanicus. Anatomische details als deze lijken het verschil tussen Hoola van Nootens bloemenboek en een echte, wetenschappelijke flora wel heel erg klein te maken. In elk geval verdampten Tarliers eventuele verkoopzorgen al snel. De publicatie van Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java in 1863/’64 was een groot succes, artistiek en commercieel. Dat gold niet alleen het grote publiek in Nederlands Indië. Ook bekende botanici in Europa, zoals F.A.W. Miquel en C.A.J.A. Oudemans, waren onder de indruk. Volgens het voorwoord van de tweede editie uit 1866 zou gouverneur-generaal Sloet van de Beele daarnaast maar liefst fl 2000,- (zo’n 20.000,-) aan de eerste hebben bijgedragen. Dit royale gebaar, gemaakt namens de Indische regering en voldaan na afronding van het werk in 1864,14 was ongetwijfeld mede te danken aan Berthes opvallende sociale vaardigheden. De titelpagina van het florilegium was overigens minder verrassend. Deze bestond uit de typisch  negentiende-eeuwse mengelmoes van kleine, grote, dikke, dunne, nauwelijks gespatieerde romeinse karakters en industrieel ogende schreeflozen en schaduwschriften. Des te indrukwekkender waren de veertig daaropvolgende ‘kromolitografieën’15 van Berthe c.q. Severeyns. Na het mislukken van haar meisjesschool in Batavia hoopte de vrome weduwe hiermee misschien geen hemelse vruchten, maar dan toch broodnodige aardse pecunia te kunnen oogsten. [wordt vervolgd]

(met veel dank aan de familie Barth, Marcel van Dorst, An Duits, Marianne Offereins en Johan de Zoete)
Noten
♣ 1) Bijzondere Collecties UvA; ♣ 2) Flores-Villela, Bour en Adler, ‘Publication history of the Mission scientifique au Mexique [etc]’, Revista Mexicana de Biodiversidad, vol. 87, núm. 3, septiembre [2016] pp 1162-1167♣ 3) Ibid.; ♣ 4) Het schijnt dat in 1898 de ‘l’imprimerie Severyns’ (eerder gevestigd in de Rue de L’Union 10, maar later ‘au 181 rue de Progrès près de la gare du Nord à Bruxelles’) werd overgenomen door de bekende affichedrukker Goffart, zie Gasnier, Les affiches publicitaires d’alcool [2006] pag. 301; ♣ 5) De eerste was al in 1828 geïnstalleerd en stond in de Parapatandrukkerij, in de wijk met die naam, zuidoostelijk van het Koningsplein, zie De Haan, Oud Batavia Gedenkboek II [1922] pag. 286 noot 1; ♣ 6) De drukpersen van het Topografische bureau te Batavia (vallend onder de Genie) hadden al in de jaren ‘50 van de negentiende eeuw concurrentie gekregen van geïmporteerde persen en nieuwe ‘steenen’, zie bijvoorbeeld Verslag van het beheer en den staat der Nederlandsche bezittingen en kolonien in Oost- en West-Indië en ter kust van Guinea over 1853 [1858] pag. 40 – zie ook Merrillees, Batavia in Nineteenth Century Photographs [2010] pp 266 en 267; ♣ 7) Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië. Uitgegeven door de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië. Deel VII. Nieuwe Serie. Deel IV [1854] pp 478-479; ♣ 8) Haeckel, Uit Insulinde [1902] pag. 80; ♣ 9) Nissen, Die Botanische Buchillustration [1951] pag. 233; ♣ 10) Voor het contemporaine corrigeren van drukproeven zie bijvoorbeeld Van der Meulen, Boekhandel en bibliographie [1883] pag. 136 e.v.; ♣ 11) Een wellicht vergelijkbaar begrotelijk project betrof Buffa & Zonen’s topografische platenalbum Java (1865-’72) met vierentwintig lithografieën van Johan Greive naar schilderijen en tekeningen van Abraham Salm – dit werk (overigens net als Fleurs, fruits et feuillages op speciaal watermerkloos Bristol papier gedrukt) werd aangeboden voor fl 96,-, een bedrag dat eerder blijkbaar ook voor Buffa een ‘heavy investment’ had betekend, zie Bastin en Brommer, Nineteenth Century Prints and Illustrated Books [1979] pag. 44 e.v.; ♣ 12) Blume, Rumphia [1835-’48] Tomus quartus tab. 190 (als Dendrophila trifoliata); ♣ 13) Treub, Catalogus der bibliotheek van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg [1887] pp iv en 39; ♣ 14) Verslag van het beheer en den staat der Oost-Indische bezittingen over 1862. Geleidende Brief. No 1. Zitting 1864-1865. XCVIII. 29 Maart 1865. No. 3 [1865] pag. 122; ♣ 15) Ibid.
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , | 4 reacties

Bedrieglijke schoonheid. Enkele terzijdes bij de touwbloem van Berthe Hoola van Nooten

I then saw Java’s true and living charms’ (Maria van Nooten (de oudste dochter van Berthe) aan Dunlap, brief d.d. 9 mei 1857)

[…] Al snel na aankomst op Java kwam Berthe in de hogere kringen van Batavia terecht. Ze moet zelfs goed contact hebben gehad met de toenmalige gouverneur-generaal, baron Sloet van de Beele (in functie 1861-’66). Hij was het tenslotte die in 1863 namens het Indische gouvernement de eerste editie van haar Fleurs, fruits et feuillages zo royaal zou subsidiëren. Zijn werkpaleis te Buitenzorg (Bogor) stond schuin tegenover het pand waarin later haar vijfde meisjesschool gevestigd zou worden, aan de overkant van de Groote Postweg. Deze ruim duizend kilometer lange verkeersader over Java liep met twee scherpe bochten pal langs het gouvernementele paleis. De naastgelegen plantentuin, plek waar Berthe haar veertig plantensoorten ‘d’après nature’ zou tekenen, werd op die manier in het noorden begrensd door het paleispark, in het westen door de drukke Postweg, in het oosten door de smalle, snelstromende Tjiliwoeng (Ciliwung) en het zuiden door de dichtbevolkte en door Europeanen gewoonlijk gemeden Chinese wijk, de ‘Kampong China’. Op heldere dagen kon men in de verte de glinsterende contouren ontwaren van de nog actieve vulkanen Gedeh en Salak, de ‘blauwe bergen’ van de allereerste Hollandse handelsreizigers.

Tot de opening van een spoorlijn in 1873 waren de ruim veertig ‘palen’ (zo’n zestig kilometer) tussen Buitenzorg en Batavia alleen te voet, te paard of per koets af te leggen, een urenlange rit. Toch gebeurde dat, zelfs voortdurend, want in de hoofdstad bevond zich het handelscentrum, in het zuiden zetelde de koloniale regering en resideerde de landvoogd. Bovendien lag het relatief muskietenarme Buitenzorg dicht tegen de berghellingen van de Preanger aan. Overvloedige moessonregens en de daarop binnenstromende frissere lucht konden daardoor in elk geval ‘s nachts voor wat verkoeling zorgen. Volgens de Duitse evolutionist Ernst Haeckel was de plek een van de mooiste op aarde, volgens zijn landgenoot Franz Junghuhn in elk geval de natste. Dagelijks terugkerende, met felle donderslagen gepaard gaande stortbuien deden de gezwollen lucht boven ‘s Lands Plantentuin soms trillen. Ze konden zo heftig zijn dat ze vergezeld gingen van heuse, ijzige hagelvlagen. De bodem, de bergen, de nog werkende vulkanen, het broeierige klimaat, de lucht, de vochtigheid, de ‘plasregens’, het schitterende uitzicht, alles droeg ertoe bij om van de plantentuin te Buitenzorg, veel meer nog dan de Gang Scott in Batavia, een levende broeikas, een Javaanse Hof van Eden te maken. Geen plant was zo exotisch of ze kon hier tot bloei komen.

Hoola van Nooten, ‘Strophanthus Dichotomus’ (= S. caudatus), plaat 25 uit Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java, Bruxelles, 1863-’64

Dit gold ook de zogenoemde touwbloem, door Hoola van Nooten op de vijfentwintigste plaat van haar florilegium afgebeeld. De tot twaalf meter hoge hout- en liaanachtige plant (tegenwoordig Strophanthus caudatus) komt voor van Zuid-China en Maleisië tot op Java en Nieuw-Guinea. Volgens een catalogus uit 1866 had Berthe een levend exemplaar ervan kunnen aantreffen bij de hoofdingang van ’s Lands Plantentuin, precies in de linkerbocht van Groote Postweg. Later schijnt de plant verplaatst te zijn, want een overzicht uit 1923 vermeldt dat ze in de buurt van de Tjiliwoeng groeide, aan de andere kant van de hortus. In het florilegium merkte Berthe op dat ‘Indian ladies’ hun sluike kapsels doorvlochten met de zijdezachte, bont wit/paars gekleurde en tot een halve meter lang kronkelende touwbloemslingers. Het elastische en struisveerachtige vruchtpluis (zie afbeelding) zou eveneens ‘extremely pretty’ zijn. Indische schonen kenden deze ‘exquisite beauty’ al veel langer. Dat had zijn prijs, want vrouwelijke gevoeligheden als deze zijn altijd al ten koste gegaan van kwetsbare natuurproducten, hoewel dat offer de waarde van de feminiene bevlieging uiteraard juist verhoogde, als het die al niet veroorzaakte. Exotische orchideeën, kroonduiven, zilverreigers, sprookjesachtige paradijsvogels, alles wat glinsterde, zeldzaam of buitenissig was moest het daarbij ontgelden. Vrouwelijke ijdelheden kende Berthe zelf maar al te goed. Veel eerder, op een Texaans huwelijksbal, had ze als jonge weduwe eens haar opwachting gemaakt in een zwartsatijnen avondjurk die weliswaar al vier jaar oud was, maar haar, beweerde ze, alle bijbelse vermaningen over pronkzucht terzijde schuivend, nog zo beeldig stond dat ze elke veel kapitaalkrachtigere seksegenote er ter plekke de loef mee afstak. 

Ansichtkaart (jaren ’40) van gouvernementspaleis te Buitenzorg vanuit ’s Lands Plantentuin

De schoonheid van de touwbloem is overigens bedrieglijk: de plant bevat een krachtig gif (strophantine) dat vroeger door Maleise ‘inboorlingen’ voor dodelijke pijlpunten werd gebruikt. Hoewel de originele aquarel verloren lijkt gegaan, werd deze ooit door de Brusselse meesterlithograaf Guillaume Severeyns in ‘kostelijke’ kleuren en natuurgetrouw op watermerkloos velijnpapier gereproduceerd, om zo, samen met alle andere gedrukte platen, tekstbladen en titelpagina, alsnog vereeuwigd te worden in Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Ile de Java, het botanische prachtwerk van een in meerdere opzichten ongekende negentiende-eeuwse vrouw. 

(de gedrukte tekst zal alle bibliografische verwijzingen bevatten)
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , | 5 reacties

12 oktober 1817

Vandaag is het precies tweehonderd jaar geleden dat de Utrechtse amateurbotanica Berthe Hoola van Nooten werd geboren. Ze is de maakster van een van de mooiste Indische florilegia uit de negentiende eeuw, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java. Uit een te verschijnen studie over haar leven en werk wordt hier alvast een hoofdstuk gepubliceerd. Het is 1855. Berthe is eerder vanuit Suriname in New Orleans terechtgekomen. In 1847 heeft ze daar haar echtgenoot aan de gele koorts verloren en sindsdien ze staat er in het verre, vreemde Amerika met haar vijf jonge kinderen helemaal alleen voor. Onvoorzien zal ze de grootste reis van haar leven gaan maken.

Op weg naar Java

This summer has been very dark to me.’ (Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 20 oktober 1854)

[…] Na de dood van haar man moet Berthe wanhopig zijn geweest. ‘All human joys have been taken away from me’, schreef ze later bitter. Toch leek ze ongebroken. Ze blijkt zelfs nog Nederland bezocht te hebben, tussen de tweede meisjesschool te New Orleans en de derde te Plaquemine in. Nadat ze haar oudste dochters Maria Philippina en Julia Bertha had achtergelaten bij hun tantes in Wageningen kwam ze vermoedelijk in haar eentje terug naar Amerika. Al haar eerdere meisjesinstituten waren daar geëindigd in financiële mislukkingen. Omdat geldgebrek steeds nijpender werd nodigde haar halfbroer Vincent Jacob van Dolder het hele gezin uit om op Java te komen wonen, waar hij zojuist op een belangrijke en vooral lucratieve koloniale post was benoemd. Ook Helena, Berthes huishoudhulp was welkom, een knappe Creoolse ex-slavinnendochter waarop hij tijdens een eerder bezoek aan New Orleans smoorverliefd was geworden. Vincent Jacob beloofde voor iedereen de overtocht te betalen. Die extra hulp werd al snel onmisbaar, want de veiling van Berthes huisraad en de verkoop van haar financiële aandeel in de school zouden vrijwel niets opbrengen. Zijn woorden moeten als manna uit de hemel gevallen zijn:

Yesterday’s mail has brought me letters from home & one from my brother from Java wherein he informs me, that he has lately been appointed to one of the chief offices of the Colony – with a considerable salary – and that otherwise being very successful in his business – this circumstance enables him to assure the entire charge of my children’s education and to provide for them entirely – so that he proposes to me to join him in East-India – offering me a home of my own and a quiet, comfortable life for the balance of my days.

Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860 (collectie familie Barth)

Berthe voelde zich verward, maar ook opgelucht en dankbaar. Ze accepteerde zijn aanbod. Bij een gehaaid zakenman als Vincent Jacob is het trouwens niet ondenkbaar dat die herenigingsdrang eerder de mooie Helena gegolden zal hebben dan haar bazin, zijn vrome halfzus. Hoe dan ook, enkele maanden later zou Berthe de Verenigde Staten achter zich laten, samen met haar jongste dochter Henriëtte en twee zoontjes Jacques Henri en Alphonse. Ze deed dat volgens eigen zeggen met spijt in het hart en, buiten het contante passagiersgeld van $110, een vrijwel lege portemonnee. ‘After eight years of struggle and toil I shall leave America, without even fifty dollars that I can call my own’, schreef ze gedesillusioneerd. Daarnaast voelde ze zich flink bedrukt door het besef dat ze diverse school- en huishoudrekeningen onbetaald had achtergelaten. Dat haar schuldgevoel hierover bepaald niet onterecht was is te lezen in The Galveston News van dinsdag 8 november 1855. Daarin wordt namelijk vermeld dat drie bekende winkeliers uit Galveston een zekere mevrouw ‘B.H. van Nooten’ bij de ‘Justice of Peace’ (kantonrechter) hebben aangeklaagd wegens het niet betalen van $ 55,22 voor geleverde ‘goods, wares and merchandise’. Op dat moment was de weduwe echter al gevlogen, richting Europa. Vlak voor haar inscheping vanuit Boston lukte het nog wel om een portretfoto van haarzelf te laten maken. Dat was een daguerreotypie, de nieuwe, uit Frankrijk overgewaaide en ook in de Verenigde Staten razendsnel populair geworden reproduceertechniek. In de rijke havenstad wemelde het destijds van de studio’s waar men zich dankzij verzilverde koperen platen, zoutoplossingen en levensgevaarlijke jodium- en kwikdampen in glashelder miniatuur kon laten vereeuwigen. Elke foto was uniek, ook die van Berthe. Ze stuurde het portret op als aandenken op aan de kort daarvoor weduwnaar en opnieuw trouwlustig geworden Dunlap. Hij deed hetzelfde met dat van hem, in omgekeerde richting. Tussendoor bekende Berthe dat ze zich, ‘with a heart craving for affection’, meerdere nieuwe liefdesbetuigingen had laten welgevallen, van ‘other lips then yours [Dunlap]’. Ze weigerde echter de naam van de tweede vrijer te onthullen, vanwege een ‘secret of terrible consent’. Wat was dat ‘verschrikkelijke’ geheim? En wie was die andere man, een publiek iemand misschien, een door eigen toedoen in verleiding gebrachte kerkgenoot, of iemand die eenvoudigweg al bezet was? Dunlap moet er diep door zijn geraakt. Toch lijkt hijzelf degene te zijn geweest die, om wat voor redenen dan ook, niet was ingegaan op haar eerdere avances. Na deze door haarzelf vroegtijdig beëindigde affaire besloot Berthe nooit meer te trouwen, met welke huwelijkszuchtige dan ook. ‘I do hope I shall once visit these shores’ schreef ze nog aan Dunlap, maar de twee zouden elkaar na hun afscheid in dit aardse leven niet meer terugzien. Hij bleef alleen achter, weemoedig en gedeprimeerd. ‘We shall meet again, if not here, then in a better world.’ zijn aan hem haar laatste, nog in het Texaanse Galveston haastig neergekrabbelde woorden.

Tweede en derde pagina brief Hoola van Nooten aan Dunlap Batavia 9 december 1856; collectie ‘Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59’ (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University)

Na anderhalve maand gelogeerd te hebben in een ‘delightful, beautiful mansion’ van de bevriende familie Eaton, vertrok Berthe met haar driekwart gezin vanuit de haven van Boston richting Europa. Op de bijna zestig meter lange pakketboot Chatsworth was ze volgens eigen zeggen de enige ‘lady-passenger’. Quasi-ongeïnteresseerd sigaren rokende mannen ergerden haar. Overdag werd ze vaak beziggehouden door de drie kinderen, maar ‘s nachts, alleen in haar kajuit, de donkere, rusteloze watermassa bodemloos onder haar, sloeg de eenzaamheid toe. ‘Oh, how I then long for you’ schreef ze Dunlap. ‘I can say in all truth, that of all the friends I have left in America, you have been uppermost in my thoughts […].’ Over een stormachtige noordelijke Atlantische Oceaan (waarbij Berthe soms voor haar leven vreesde en verschillende keer zelfs Zijn hulp moest aanroepen) kwam het gezin via Liverpool (22 oktober, inclusief aanvaring met een groot vrachtschip) en Londen (per trein) ‘per steamship’ tenslotte aan in Rotterdam. Opnieuw over het spoor ging het daarna snel door naar Wageningen, waar Berthe op 28 oktober haar twee oudste dochters na een jarenlange scheiding eindelijk weer in de armen kon sluiten. Ruim vier weken later vertrok de nu zeskoppige familie op de Resident van Son vanuit Rotterdam richting Kinderdijk, Hellevoetsluis en, als laatste Europese stad, Brouwershaven. Wind en mistbanken dwongen het stoomschip daar meer dan een week op definitief vertrek naar Indië te wachten. Maar de wind ging liggen, de mist trok op, en de reis werd voortgezet. Via een nog altijd gure Noordzee, de Canarische en Kaapverdische eilanden, de zuidelijke Atlantische Oceaan, het inmiddels Engelse Kaapstad, de Indische Oceaan, de nauwe Straat Malakka, het door Raffles pas zevenendertig jaar daarvoor gestichte ‘Singapoera’ (dat ze als poste restante-adres had opgegeven aan Dunlap), de Zuid-Chinese Zee en tenslotte de ondiepe, troebele Javazee, landde Berthe na bijna zes maanden, op 12 april 1856, met haar vijf kinderen veilig op de reede van Batavia. Met de Resident van Son verging het minder goed. De tweedeks bark zou al haar verre Indiëreizen overleven, maar in 1862 tijdens een voorjaarsstorm op de Zuid-Engelse klippen lopen, kapot slaan, en versplinterd worden door de golven van Het Kanaal.

Kaart Batavia en de omliggende landen, aquarel, ongedateerd, 1800-1850 (Nationaal Archief)

De halve-wereldreis was op de Bataviase reede nog niet voorbij. Berthe en haar gezin moesten vanaf de ruim twee kilometer buitengaats gelegen aanlegplaats via het kaarsrechte Havenkanaal (‘very Dutch and straight’) verder afgezet worden bij de Kleine Boom, het eenvoudige en nogal haveloze douanegebouwtje op het Javaanse vasteland, ook wel kantoor der recherche of inklaringskantoor genoemd. Dat overzetten was een hele bedoening. Omdat er bij stormachtig weer zelfs doden konden vallen werd het werk meestal niet geklaard door Europese matrozen, maar door veel goedkopere lokale roeiers die in honderden prauwen (‘tambangangs’) voortdurend in de haven ronddobberden. In alle windrichtingen keek de fris gearriveerde weduwe uit op glibberige, uitgestrekte en door ‘verderfelijke uitwasemingen’ geplaagde moddervelden en brakwaterplassen. Verlaten visvijvers vol muskietenlarven vulden de kale vlakte. De woonwijk rondom het vroegere Casteel (de ‘benedenstad’) was het oudste gedeelte van Batavia, de blanke residentie die ooit ‘die magtige Koninginne van ‘t Oosten’ werd genoemd. Die tijd bestond niet meer. Met het gestage teloorgaan van de VOC was de onvermijdelijke aftakeling ingezet. Geteisterd door malaria had de hoofdstad zelfs de steeds passender bijnaam ‘Kerkhof der Europeanen’ gekregen. Alfred Russel Wallace, Darwins evolutionistische penvriend, vond tijdens zijn reis door de ‘Maleise’ archipel dat Java zich het mooiste tropische eiland ter wereld mocht noemen, maar de eerste kennismaking met Indië moet voor elke nieuwe reiziger een flinke schok zijn geweest. Tientallen jaren eerder had een Nederlandse adelborst de omgeving al beschreven als een ‘smerige en walgelijke buurt’, een gevaarlijke plek om zo snel mogelijk achter zich te laten, en nog veel later, tegen het einde van de eeuw, deed het eindeloze havenkanaal vol ‘trübschmutziges Wasser’ de Duitse botanicus Haberlandt van afkeer bijna terugdeinzen. In dit broeierige havengebied vol pakhuizen en afgeladen toko’s leefden destijds ‘slechts’ niet-blanke slaven, Arabieren, honderden Portugese afstammelingen, duizenden ‘onzindelijke’ Chinezen, tienduizenden Indiërs en miljoenen muskieten, alle, buiten strikt noodzakelijke kantooruren, zorgvuldig gemeden door hun blanke landgenoten. Berthe zou de zuidelijker gelegen ‘bovenstad’ geregeld, maar het eiland nooit meer verlaten. [wordt vervolgd...

Woodbury & Page, fotografie, ongetiteld (circa 1865), haven van Batavia, zicht richting noordoosten op het Havenkanaal en (rechts) het douanekantoor de Kleine Boom

 

 

 

 

 

 

 

 

(de gedrukte tekst zal alle bibliografische verwijzingen bevatten)
Geplaatst in botanie, Reizen, Uncategorized | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Berthe Hoola van Nooten gekiekt. Een originele Woodbury & Page-carte de visite herontdekt en enige andere wetenswaardigheden rondom een voormalig buffelsveld.

‘Oh, for a lovelier faith!’
(Berthe Hoola van Nooten, Galveston, aan John Dunlap, New Orleans, 24 januari 1855)

Om en nabij het Koningsplein

Gang Scott ca 1880

afb. 1) Woodbury & Page: Gang Scott, fotografie,  ca 1880.

Batavia, juni 1857. De Nederlandse magistratenweduwe Berthe Hoola van Nooten née Van Dolder (1817-’92) woont in de Gang Scott, een van de meest schilderachtige lanen van de toenmalige hoofdstad van Nederlands-Indië. Berthe heeft in haar leven flink wat tegenslagen gehad maar lijkt nu eindelijk rust te krijgen. Ze mag, ‘surrounded by every luxury of an eastern life’1, logeren in het ‘splendid house’ van haar halfbroer, de succesvolle bestuurder en zakenman in suiker Vincent Jacob van Dolder (1815-’76). Het is juist dit blanke milieu dat later honderden keren gefotografeerd zal worden door Walter Bentley Woodbury (1834-’85) en James Page (1833-’65), twee jonge Engelse avonturiers die vrijwel tegelijkertijd met Berthe vanuit Australië op Java waren aangekomen. In de jaren die volgen zullen de vier ‘totoks’ (Europese Indiërs) op onverwachte manieren met elkaar te maken krijgen.

2) Koningsplein, 'Kadastrale overzichtskaart der afdeeling Batavia, 1874-6', Algemeen Rijksarchief Den Haag (uitsnede; pijlen met bijbehorende teksten toegevoegd)

afb. 2) Koningsplein, ‘Kadastrale overzichtskaart der afdeeling Batavia, 1874-6’, Algemeen Rijksarchief Den Haag (uitsnede; pijlen met bijbehorende teksten toegevoegd; op het Europese kerkhof Tanah Abang lag Berthe begraven).

Iets verder naar het oosten, verscholen in het groen, op de hoek van de Gang Scott (tegenwoordig Jalan Budi Kemuliaan) en het destijds fashionable Koningsplein, staat de villa die ooit eigendom was van een zekere Robert Scott. Deze eveneens succesvolle zakenman, volgens een van zijn nakomelingen een achterneef van Sir Walter ‘Ivanhoe’ Scott, was onder andere werkzaam geweest als waarnemend havenmeester in Semarang voordat hij na het Engelse tussenbestuur op Java in 1820 in Batavia neerstreek. Aan de toen nog open vlakte ten zuiden van het Koningsplein (waarvan een gedeelte ook wel Buffelsveld, of liefdevol Buffeltje werd genoemd2) had hij zijn huis laten bouwen, in de eigenhandig aangelegde en naar hem vernoemde laan. Precies in dat monumentale hoekpand had de weduwe Van Nooten op 6 april 1857 een particuliere meisjesschool geopend.3 Het was de vierde in haar leven.

Een nieuwe school

Berthes eerdere instituten, ‘Female Seminary’ of ‘Academy for Young Ladies’ genoemd, had ze opgericht of geleid in achtereenvolgens het Noord-Amerikaanse New Orleans (samen met haar man Dirk, tot zijn onverwachte overlijden aldaar op 13 september 1847), het nietige Plaquemine (iets hogerop aan de Mississippi) en het Texaanse havenstadje Galveston, aan de Golf van Mexico. Nu, in Batavia, aan de andere kant van de wereld, doet ze een nieuwe poging. Hoewel de hoofdstad van Nederlands-Indië in het midden van de negentiende eeuw duizenden Europese bewoners telt, wordt er door het gouvernement al decennialang geen adequaat meisjesonderwijs meer aangeboden.4, 5 De fris gearriveerde mevrouw Van Nooten hoopt dan ook dat haar nieuwe school in een gezonde en vooral lucratieve pedagogische behoefte zal voorzien.6

Berthe is niet alleen weduwe, maar ook een alleenstaande moeder van vijf kinderen. Ondanks een royale schoolsubsidie van omgerekend zo’n € 15.000,- per maand7 moet ze hard werken voor de kost. Ze runt haar instituut dan ook als een moderne, multitaskende schooljuf. Naast alle huishoudelijke verplichtingen en administratieve rompslomp geeft ze zelf les in onder andere geschiedenis, Frans, Engels, tekenen, schilderen, pianospelen, zingen, naaiwerk en, last but not least, bijbellezen.8 Ze wordt daarbij,  naast drie uit Nederland overgekomen ‘geëxamineerde secondantes’, geholpen door haar oudste dochters Maria Philippina en Julia Bertha. Op moeilijke momenten weten zij haar vaak op te vrolijken.9 Berthes twee zoontjes zitten noodgedwongen op Merchiston Castle School, een jongensinternaat vlak onder Edinburg, in het verre en koude Schotland. Hun moeder mist hen, elke dag.10

De locatie op de hoek van de Gang Scott voldoet blijkbaar niet, want Berthe verplaatst haar meisjesinstituut al snel naar een ander pand, iets verderop in de laan, eigendom van een zekere heer Eilbrechts.11 Op dat laatste adres, net als alle andere toen nog zonder huisnummer,12 brengt Berthe (uiteindelijk) maar liefst achtenveertig leerlingen onder haar Nederlands Hervormde vleugels. Toch blijkt dit ook niet voldoende om het voortbestaan van de school te garanderen. Na allerlei publiekelijk uitgevochten intriges en subsidieproblemen met de Hoofdcommissie van Onderwijs te Batavia moet ze op 1 januari 1859 haar zo felbevochten onderwijsinstelling alweer sluiten.13

Een paradijselijke hof

Pal aan de overkant in de Gang Scott kijkt Berthe uit op de gloednieuwe, in classicistische stijl ontworpen ‘Armeniaansche’ of St Johannes Kerk (afb. 3). Dit gebouw zal juist in 1857 ingewijd worden, nadat in 1854 de eerste steen ervan was gelegd door de kort daarvoor opgerichte Bataviase firma E. Chaulan, Deeleman & Co.14

1) Jacobus Anthonie Meessen, ongetiteld, albuminedruk, ca september 1867, de Armeense Kerk op de hoek van de Gang Scott (voorlangs de kerk rechts naar het westen weglopend), het Koningsplein (achter de fotograaf) en de hoek van de tuin van het huis van Berthes meisjesinstituut (rechts).

afb. 3) Jacobus Anthonie Meessen, ongetiteld, albuminedruk, ca september 1867, de Armeense Kerk op de hoek van de Gang Scott (voorlangs de kerk rechts weglopend, richting Tanah Abang in het westen), het Koningsplein (achter de fotograaf) en de hoek van de tuin van het huis van Berthes voormalige meisjesinstituut (rechts).

In het het noorden van Batavia, voorbij de ‘Benedenstad’, aan de ondiepe Javazee, bevindt zich de modderige en stinkende haven, omgord door talloze pakhuizen en volgepakte toko’s. Maar in de wijk waar Berthe woont, de ‘Bovenstad’, in het zuiden, is het ‘rustig, stil en koel’.15 In dit milieu geniet de blanke elite van ruim aangelegde, parkachtige tuinen en royale huizen, daarbij verwend door ontelbare autochtone bedienden. Hier bevindt zich ook de meisjesschool van madame Van Nooten, een instituut bedoeld voor jonge, christelijke, ‘beschaafde’ élèves. Tenminste, zo lang het duurt. Want al snel na de sluiting van haar school zal Berthe uit deze Indische Hof van Eden verdreven worden, niet vanwege verboden vruchten, maar door mooie principes en lelijk geldgebrek.

Een vroeg portretje

4) Olland & Zn Batavia: fotografie Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860, in handschrift op achterkant (waarschijnlijk van Julius Paul Barth): "Berthe Hoola van Nooten – van Dolder, grootmoeder van Elly van Marle, die haar verzorgde als „Maatji” tot haar 6e jaar in Indië, omdat haar dochter Bertha van Marle – Hoola bij de geboorte van Elly gestorven was (overgrootmoeder van J.P. Barh en B.M. Hupka-Barth)" (© collectie familie Barth).

afb. 4) Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860, in handschrift op achterkant (waarschijnlijk van Julius Paul Barth): “Berthe Hoola van Nooten – van Dolder [.] grootmoeder v. Elly van Marle, die haar verzorgde als „Maatji” tot haar 6e jaar in Indië, omdat haar dochter Bertha v. Marle – Hoola v. Nooten, bij de geboorte van Elly gestorven was [.] overgrootmoeder van J.P. Barth en B.M. Hupka-Barth.” (© collectie familie Barth).

Vooralsnog telt Berthe de zegeningen van haar bijbelse vette jaren. In deze tijd laat ze een portretfoto maken door de Bataviase firma W.J. Olland & Zoon Java (hier voor het eerst afgebeeld). Uit een van de brieven aan haar Texaanse vriend John G. Dunlap weten we dat ze al eerder een foto voor zichzelf had besteld. Die foto, een daguerreotypie, had ze hem als aandenken gestuurd bij haar vertrek in de winter van 1855 uit Boston (via Engeland en Nederland) naar Java.16 Op de nieuwe, eveneens ongekleurde foto (‘copien zÿn op aanvraag te verkrÿgen’17) draagt ze een hooggesloten lijfje en een rok van zo te zien wat donkerder zijde, ondersteund door een crinoline en een ongetwijfeld met baleinen versterkt korset. Deze constructie zorgt ervoor dat haar boezem discreet maar effectief omhoog wordt gestuwd. Het haar lijkt in een losse wrong gedragen en in het kuiltje van haar hals hangt een ovalen medaillon, met misschien een camee of een portretje. Op deze foto maakt ze een weliswaar modieuze, maar ondanks (of juist dankzij, dat soort zaken lag ook toen al gevoelig) haar opgewerkte buste beslist geen onzedelijke indruk. In het warme klimaat van Nederlands-Indië droegen Europeanen graag luchtige Chinese zijde, ook al liepen sommigen privé liever in ruimvallende, inlandse kleding rond. Wie de foto van Berthe aandachtiger bekijkt zal niet verbaasd zijn dat de ongeveer vijfenveertigjarige, blonde, goedverzorgde en deugdzaam poserende weduwe meerdere mannelijke aanbidders van zich af heeft moeten slaan.18

Een lommerrijke laan

Rechts van de Armeense Kerk, dus links vanuit Berthes huis gezien, staat een witgekalkte villa met een voor de Nederlandse literatuur bescheiden, maar bijzondere geschiedenis (afb. 5). In dit pand brengt namelijk de romancier Louis Couperus enkele van zijn jongensjaren door, verwend door tientallen inlandse personeelsleden.19, 20 Op de hieronder afgebeelde foto’s van Woodbury & Page is goed te zien hoe de omgeving overwoekerd werd door tropische groen.

5) Woodbury & Page, ‘Een waringinboom op een huiserf in Gang Scott (Batavia) met op de achtergrond de Armeense kerk’, uit: ‘Indrukken van Indonesië, Jawa (Java)’, circa 1870, op registratiekaart geplakte fotografie; genomen op de hoek van het Koningsplein (rechtsachter de fotograaf) en de Gang Scott (rechts, in de verte weglopend richting Tanah Abang in het westen), met pal achter de fotograaf de Gang Holle, op de voorgond het huis waarin volgens Rob Nieuwenhuys de jonge Louis Couperus heeft gewoond, in het midden de rechterzijkant van de voorgevel van de Armeense Kerk en helemaal rechts op de foto (net niet zichtbaar) ) de tuin van het voormalige huis van Robert Scott waar in 1857-‘58 Berthes meisjesschool in gevestigd is; de foto moet gemaakt zijn vanuit de tuin van het huis van Mrs Bain, de ‘landlady’ van Woodbury en Page in 1857.

afb. 5) Woodbury & Page, ‘Een waringinboom op een huiserf in Gang Scott (Batavia) met op de achtergrond de Armeense kerk’, uit: Indrukken van Indonesië, Jawa (Java), circa 1870, op registratiekaart geplakte fotografie; genomen op de hoek van het Koningsplein (rechtsachter de fotograaf) en de Gang Scott (rechts, in de verte weglopend richting Tanah Abang in het westen), met pal achter de fotograaf de Gang Holle, op de voorgrond het huis waarin volgens Hein Buitenweg in zijn Zo kenden wij Batavia de jonge Louis Couperus heeft gewoond (maar die in zijn Baren en oudgasten op pag. 147 juist het hoekpand in de noordelijker gelegen Gang Secretarie in die hoedanigheid noemt), in het midden de rechterzijkant van de voorgevel van de Armeense Kerk en helemaal rechts op de foto (net niet zichtbaar) ) de tuin van het voormalige huis van Robert Scott waar in 1857-‘58 Berthes meisjesschool in gevestigd is; de foto moet gemaakt zijn vanuit de voortuin van het huis van Mrs Bain, de ‘landlady’ van Woodbury en Page na hun aankomst op Java in 1857.

De jonge Couperus is niet de enige voor wie dit onvergetelijk is. Zijn collega Arthur van Schendel en later de dichter Leo Vroman hebben eveneens in dit laantje gewoond, onder het verkoelende bladerdak van hoog oprijzende vlam-, klapper-, banyan-, tamarinde-, kanari- en waringinbomen. Dit herinnerde Vroman zich, tientallen jaren daarna:

Poinsettia regia

afb. 6) Madame Berthe Hoola van Nooten: Fleurs, fruits [etc] de L’île de Java [etc], ongenummerde plaat ‘Poinciana Regia’ [= Delonix regia, vlamboom of pauwenbloem], chromolithografie.

Er was grind en er waren hoge bomen, en struiken met paarse en rode bloemen.21

Van Schendel verwoordt het in zijn Jeugdherinneringen als volgt, beknopt, betoverend:

Wij liepen over gras onder donkere bomen, het Koningsplein. Wij woonden in de Gang Scott.22,

terwijl Hella Haasse op het einde van haar leven (in een aan Rob Nieuwenhuys gewijde tekst in de Indische Letteren) zich nog levendig de ‘mooie grote woningen’ rondom het Koningsplein en in de Gang Scott en Gang Holle uit haar jeugd voor de geest kon halen.23

Ook de Franse graaf en wereldreiziger Ludovic de Beauvoir (1846-1929) is enthousiast over de Indische hoofdstad. Hij blijkt wel over rijkelijk meer flux de paroles te beschikken dan de nuchtere Hollanders. Zijn beschrijving van Batavia, dat wil zeggen, het Europese quartier, de wijk waar Berthe woont, klinkt als volgt:

Oh! De feeërieke tuin, het paradijselijke groen! Werkelijk, in Batavia zijn geen straten, er zijn slechts majestueuze lanen, overhuifd door de mooiste bomen met de weelderigste kruinen die brede en eindeloze wandelpaden overkoepelen, zoals men die in Europa slechts in de decors van de Opéra ziet [vert. ondergetekende].24

. Le Comte de Beauvoir: Voyage autour du Monde. Paris: E. Plon et Cie, 1867

afb. 7) Le Comte de Beauvoir: Voyage autour du Monde [Java]. Paris: E. Plon et Cie, 1867, frontispice, houtgravure.

In november 1866 moet de comte ook de Gang Scott in de ‘ville neuve’ (de Bovenstad, dus in het zuiden) bezocht hebben. In elk geval gebruikt hij een afbeelding in houtgravure van het laantje als frontispice van zijn reisverslag (afb. 7). De prent is gebaseerd op een originele albuminedruk die Walter Woodbury en James Page circa mei 1863 gemaakt hadden. (afb. 8). Waarschijnlijk heeft De Beauvoir deze plaat ter plekke van het Engelse duo gekocht en meegenomen naar Parijs, waar in het jaar daarop de eerste twee delen (Java en Australie) van zijn bestsellende reisdagboek verschenen. Verrassend genoeg moet ook Berthe Hoola van Nooten veel met de twee fotografen te maken hebben gehad.

6) Woodbury & Page, ‘Gang Scott in Weltevreden te Batavia [richting Tanah Abang in het westen]‘, uit: ‘Vues de Java Photographies par Woodbury & Page Batavia’, albuminedruk, tot nu toe gedateerd als ‘circa 1875′ maar vanwege het hieronder genoemde en getoonde reisverslag van Comte de Beauvoir niet laten genomen dan 1867 (links verscholen in het groen de Armeense Kerk, rechts een stukje van de tuin van het huis waar Berthe haar meisjesinstituut had).

afb. 8) Woodbury & Page, ‘Gang Scott in Weltevreden te Batavia [richting Tanah Abang in het westen]‘, uit: ‘Vues de Java Photographies par Woodbury & Page Batavia’, albuminedruk, tot nu toe soms gedateerd als ‘circa 1875′ maar waarvan de originele foto vanwege het hierboven besproken en getoonde reisverslag van Comte de Beauvoir niet later genomen kan zijn dan 1867; links verscholen in het groen de Armeense Kerk, rechts het bruggetje naar de tuin van Berthes voormalige meisjesinstituut.

Bijzondere buren

Tijd is relatief, zeker in het negentiende-eeuwse Nederlands-Indië. Als Berthe oostwaarts wil wandelen, vanaf de Armeense Kerk in de Gang Scott langs de zuidkant van het Koningsplein (dat zo uitgestrekt was dat er nog maar twintig jaar eerder een heus jachtverbod op los rondlopende wilde dieren was uitgevaardigd25), de deftige Gang Holle, officieel ‘Sterreweg’ genoemd,26 aan de rechterhand houdend, richting het gebouw van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging (het wetenschappelijk instituut waar ze in 1863 lid van zou worden27) en de zuidoostelijke wijk Parapattan (‘viersprong’), met in de verte bijna zichtbaar het dak van de in 1828 gebouwde, bescheiden en anno 2018 nog altijd in het frisgroen verscholen, witgekalkte ‘kleine, doch nette Engelsche Kerk’28 (die ze volgens eigen zeggen liever bezoekt dan de tien jaar jongere Willemskerk van haar eigen Nederlands Hervormde gemeente, aan de oostkant van het plein29), dan doemt rechts al snel de villa van een zekere Mrs Bain op. Deze alleenstaande dame, telg uit een Schots geslacht dat al minstens een eeuw in Batavia gevestigd is, stelt vanaf 5 juni 1857 een gedeelte van haar huis ter beschikking aan Walter en James, inclusief atelier.30  Het is dit juist adres dat verklaart waarom er van deze zuidwestelijke hoek van het Koningsplein zoveel verschillende Woodbury & Page-foto’s bekend zijn. De albuminedruk van het huis van Louis Couperus (afb. 5) moet ruim tien jaar later gemaakt zijn vanuit haar voortuin, links in de richting van de Gang Scott. Voordat Walter en James waren gearriveerd in Batavia hadden ze in het Australische Melbourne geprobeerd goud te delven. Later zouden ze in dezelfde stad met meer succes een eenvoudige fotostudio beginnen,31 maar pas in de high society van Batavia zullen beiden beroemd worden en ook, hoewel kortstondig, flink gefortuneerd, onder de naam Photographisch Atelier van Woodbury & Page, kortweg als de Firma Woodbury & Page.

Albert en Henry James Woodbury

afb. 9) Albert en Henry James Woodbury, carte de visite, Batavia ca 1865, albuminedruk.

Dankzij de vele honderden foto’s die zij (en later ook Henry James en Albert, respectievelijk Walter Woodbury’s jongere en jongste broer) hebben gemaakt van Batavia en haar bevolking weten we relatief goed hoe de blanke Indische samenleving er in contemporaine ogen uitzag (of behoorde te zien).32 Vanaf het begin van de jaren ’60 vervolmaken ze de zogeheten Woodburytype, een gelatineuze, korrelloze en gloedvolle afdruktechniek die mede is uitgevonden door hun landgenoot Joseph Wilson Swan. Volgens velen is dit het mooiste fotografische procedé ooit ontwikkeld, ‘a pinnacle of photographic achievement’.33 In de decennia daarna zouden zelfs vips als Charles Darwin en koningin Victoria zich laten vereeuwigen met behulp van deze reproduceermethode, die uitgerekend hier aan het voormalige Bataviase Buffelsveld het daglicht zag. Zoals vermeld, nauwelijks twee maanden voordat de tengere, bijna ontroerend jonge Woodbury (afb. 9) zal aankomen op de inmiddels tot ‘Koningsplein’ gepromoveerde kale grasvlakte, was Berthe haar meisjesschool gestart in het hoekpand van de Gang Scott, aan de overkant van het huis van Mrs Bain. Het toeval wil dat de Engelse Woodbury en Page met hun Schotse landlady en de Hollandse Berthe met haar welvarende halfbroer, gastheer en ‘suikeroom’ Vincent Jacob bijna een half jaar lang schuin tegenover elkaar zullen blijven wonen en werken. Het kan dan ook niet anders of ze hebben elkaar in de tijd regelmatig, misschien wel dagelijks, gezien en gesproken.

Een kostbaar kiekje

Vincent Jacob van 8) Walter Bentley Woodbury, fa. Woodbury & Page, Java: ‘Vincent Jacob van Dolder’, carte de visite, fotografie, met de hand gedateerd '1862', Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie

afb. 10) Vincent Jacob van Dolder door Walter Bentley Woodbury, fa. Woodbury & Page, Java: ‘Vincent Jacob van Dolder’, carte de visite, fotografie, met de hand gedateerd ‘1862’, Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie

Vincent Jacob van Dolder is een succesvol zakenman. In 1862 kan hij het zich dan ook veroorloven om Woodbury en Page (waarvan de eerste inmiddels was verhuisd naar een eigen, prestigieuze locatie in de Gang Secretarie aan de  noordkant van het Koningsplein)34 een portretfoto te laten maken voor zijn carte de visite (afb. 10). Deze kaartjes worden hartstochtelijk verzameld, maar als hobby is dat bepaald geen sinecure. Alleen de blanke Bataviase elite kan zich dit visuele nieuwigheidje veroorloven. Volgens een contemporaine krantenadvertentie moeten geïnteresseerden maar liefst f 20,- per foto-afdruk neerleggen, dat is omgerekend zo’n € 200,-.35 Weliswaar wordt deze prijs binnen enkele jaren door de snel opkomende concurrentie gedecimeerd, maar Berthe had zich zulke bedragen sowieso nooit kunnen veroorloven. Ze was nog maar enkele jaren daarvoor volkomen berooid uit Noord-Amerika overgekomen36 en enige tijd aangewezen geweest op de gunsten van haar half geliefde, maar door zijn onbeschaamde levenswandel ook half gehate stiefbroer.

Een indringende blik

Toch is er nu, na anderhalve eeuw, bij Berthes afstammelingen in Nederland een originele Woodbury & Page-carte de visite van haar opgedoken. Dit lijkt inderdaad een wonder, een verschijnsel dat de fel anti-paapse Berthe vermoedelijk niet als zodanig had weten te waarderen. Het haarscherpe fotoportretje (12,5-15 cm, afb. 11) is ongekleurd, ongetiteld en ongedateerd.

11) Woodbury & Page Photographers Java, carte de visite, fotografie, ongetiteld, ongedateerd, met de hand bijgeschreven ‘Bartha H.P. van Dolder (1.6 [= hoofdstuknummer in familie-album familie Barth])’, omstreeks 1880, © collectie familie Barth.

afb. 11) Woodbury & Page Photographers Java, carte de visite, fotografie, ongetiteld, ongedateerd, met de hand bijgeschreven ‘Bartha H.P. van Dolder (1.6 [= hoofdstuknummer in familiealbum familie Barth])’, omstreeks 1880, © collectie familie Barth.

Als de door familie-archivaris Julius Paul Barth (1910-‘94) geschreven datum (‘1878’) op de achterkant van het visitekaartje juist is, zou de foto gemaakt kunnen zijn naar aanleiding van Berthes eenenzestigste verjaardag op 12 oktober van dat jaar.37 Ook dit portret wordt hier voor het eerst afgebeeld. Berthe (door Julius Paul ‘Bartha’ genoemd, haar doopnaam), draagt nu, heel modern, niet langer een prangend korset zoals dat onder haar kleding was te ontwaren op de Olland-foto van zo’n twintig jaar eerder, maar een ruimvallend en comfortabel manteltje, dat is afgezet met een fraai zogenoemd passement, handgeborduurd met florale motieven. Rond de hals beschermt de wat losse ruche van de chemise het kostbare bovenkleed. Op de foto oogt Berthe frêle, bijna meisjesachtig.

11) Madame Hoola van Nooten: 'Fleurs, fruits [etc] de l’Île de Java [etc]'', plaat 'Nephelium Lappaceum' [ramboetan], chromolithografie.

afb. 12) Madame Hoola van Nooten: Fleurs, fruits [etc] de l’Île de Java [etc], ongenummerde plaat ‘Nephelium Lappaceum Jack.’ [= Nephelium lappaceum Correa, ramboetan], chromolithografie.

Wie haar wat scheefhoekige blik durft te pareren zal merken dat deze steeds helderder lijkt te worden, opmerkzamer, en zelfs indringender. Is dat slechts illusie, omdat we, terugblikkend, weten hoeveel dierbaars ze in haar leven heeft moeten loslaten en hoe ze alle verliezen toch te boven is gekomen? Toch zijn er ook bewijzen van haar volharding. Slechts enkele jaren voordat deze foto door de firma Woodbury & Page genomen werd, krijgt Berthe persoonlijk bezoek van Marianne North. Deze rijke, onafhankelijke Engelse wereldreizigster schrijft in haar postuum uitgegeven memoires dat ze weliswaar geschokt is door de armoedige staat waarin ‘madame Van Nooten’ verkeert, maar dat Berthe ‘interesting and most enthousiastic’ is, en onvermoeibaar vertelt over haar botanische werk (afb. 12).38 De delicaat ogende gastvrouw is heel wat veerkrachtiger dan men op het eerste gezicht zou kunnen denken.

Trouble in Paradise

'Magdalena. Evangelisch Jaarboekje. 1876.'

afb. 13) Magdalena. Evangelisch Jaarboekje. 1876.

Twintig jaar hiervoor, in de blanke paradijshof van Weltevreden, blijkt intussen niet alles pais en vree. Berthe krijgt bonje met haar dominante halfbroer en zijn eigenzinnige maîtresse.39 Na hoogoplopende ruzies vertrekt ze begin 1860 uit de Gang Scott en verhuist naar Buitenzorg (Bogor), zo’n zestig kilometer ten zuiden van Batavia, richting de koelere bergen van het Javaanse binnenland. Vanaf het einde van dat jaar zal ze aan de Groote Postweg opnieuw een eenvoudige ‘opvoedings-Inrigting’ starten ‘voor [twaalf] meisjes van den beschaafden stand’,40 voor de zesde en laatste keer in haar leven. Pal aan de overkant van de straat ligt westelijke ingang van de wereldberoemde plantentuin, de plek waar ze inspiratie zal opdoen voor haar monumentale Java-boek. Alhoewel ze het voorwoord al in juli 1862 schrijft, zal dit werk in tien afleveringen pas in de loop van 1863-’64 te Brussel verschijnen.

In 1873 verkast Berthe opnieuw, ditmaal definitief, naar het gehucht Selipi, in het landelijke gebied ten zuidwesten van Batavia. Haar tweede dochter Julia Bertha, die net als Maria Philippina zo’n grote steun was geweest op de meisjesschool in de Gang Scott, zal al in 1874 op jonge leeftijd komen te overlijden. Dit is voor Berthe (minstens zo gekweld als getroost door haar godsgeloof) aanleiding om een aangrijpende zedenschets en bijpassend stichtelijk treurgedicht te schrijven. Beide worden in 1876 onder het pseudoniem ‘B.’ te ‘Java’ gepubliceerd in het Evangelisch Jaarboekje Magdalena (afb. 13).41 De baten van deze protestantse almanak kwamen overigens ten goede aan de Vereeniging het Asyl Steenbeek te Amsterdam, een tehuis dat was opgezet ter ‘opbeuring’ van ‘boetvaardige’ en tot ‘christelijke inkeer’ gekomen ‘gevallen vrouwen’,42 dat wil zeggen, ex-prostituees, zoals, volgens kwade roomse tongen, Jezus’ eigen echtgenote, Maria Magdalena, moet zijn geweest.

10) Woodbury & Page, “Boek- en bureauhandel G. Kolff & Co. [...] aan de Pasar Pisang te Batavia”, albuminedruk, circa 1865-’72; in deze bekende Bataviase boekwinkel zal ook Berthes grote Java-boek verkocht zijn.

afb. 14) Woodbury & Page, “Boek- en bureauhandel G. Kolff & Co. […] aan de Pasar Pisang te Batavia”, albuminedruk, circa 1865-’72; in deze bekende Bataviase boekwinkel zal ook Berthes florilegium verkocht zijn.

Epiloog

Heiligen of hoeren, christenen of ketters, voor God is iedereen gelijk, hoewel sommigen gelijker blijken dan anderen. Ondanks haar literaire aspiraties zou Berthe net als vrijwel elke andere aardse ziel binnen enkele generaties volkomen vergeten zijn, ware het niet dat ze verantwoordelijk is voor een van de mooiste Indische florilegia van de negentiende eeuw, het anno 2018 nog altijd even spectaculaire als peperdure Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java.43 Samen met de hier voor het eerst gepubliceerde originele Woodbury & Page-foto heeft ze daarmee alsnog het eeuwige leven verworven waar ze zo naar verlangde, hoewel op een andere manier dan ze zich waarschijnlijk had voorgesteld.

Java Bode 1863, met een advertentie van Woodbury & Page boven een annonce van de tweede druk van Berthes Java-boek (verkoopprijs fl 85,- of ca € 850,-).

afb. 15) Java Bode 1866, met een advertentie van Woodbury & Page boven een annonce van de tweede druk van Berthes Java-boek (verkoopprijs fl 85,- of ca € 850,-).

Ook Woodbury’s aardse bestaan zal niet verlopen zoals hij stellig dacht toen hij nog als jong, gezond en succesvol society-fotograaf aan het vorstelijke Koningsplein te Batavia resideerde. Nadat hij is geremigreerd naar Europa blijkt hij ongeneeslijk ziek te zijn. Walter besluit het onvermijdelijke einde niet af te wachten. Tijdens een korte vakantie samen met twee van zijn dochters in de Engelse badplaats Margate overlijdt de inmiddels berooid, versleten en wanhopig geraakte uitvinder van de geliefde woodburytype in 1885 aan een zelf-toegediende overdosis van het verslavende kalmeringsmiddel laudanum.44 Zo vergaat de roem van de wereld, en nog heel wat meer. Walters overbuurvrouw Berthe aan het Koningsplein zou het zover nooit laten komen. In de Préface draagt ze haar Javaanse bloemenboek niet alleen op aan Sophie, de onbestorven Koningin der Nederlanden, maar vooral ook aan haar andere seksegenotes, haar lotgenotes, bondgenotes, aan alle zorgzame, nederige, maar ook manmoedige, krachtige en volhardende vrouwen van deze wereld.

David Apollonius Coppoolse

Met veel dank aan Jonathan Barth die met zijn enthousiasme het mogelijk maakte om de zich in familiebezit bevindende carte de visite van zijn voormoeder Berthe Hoola van Nooten hier te bespreken en af te beelden, aan Marcel van Dorst dankzij wiens niet-aflatende speurtalent en onwankelbare vriendschap Berthe stukje bij beetje tot leven kan komen, aan de onvermoeibaar kritische en inspirerende An Duits die tevens de mode-aspecten van de hier afgebeelde Berthe-portretten voor haar rekening nam en aan Alle Diderik de Jonge die als altijd consciëntieus commentaar leverde, waarbij vanzelfsprekend alle eventueel gemaakte fouten en tekortkomingen geheel voor rekening van de auteur zijn.
Noten
1) Hoola van Nooten aan Dunlap 10 mei 1856. 2) De Haan Oud Batavia Deel 1 § 769. 3) Java-Bode 1857 woensdag 18 februarij. 4) Brugmans Geschiedenis onderwijs pp 108-113. 5) De Haan Oud Batavia Deel 2 § 1415. 6) Hoola van Nooten aan Dunlap 7 september 1856. 7) Algemeen Verslag pag. 19. 8) Hoola van Nooten aan Dunlap 10 januari 1855. 9) Hoola van Nooten aan Dunlap 24 augustus 1857. 10) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 december 1859. 11) Java-bode 1857 woensdag 1 April. 12) De Haan Oud Batavia Deel 1 § 772. 13) Algemeen Verslag pag. 19. 14) Merrillees Batavia pag. 164. 15) Nieuwenhuys Komen en blijven pag. 26. 16) Hoola van Nooten aan Dunlap 31 augustus 1855. 17) drukkersmerk op achterzijde besproken portretfoto. 18) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 december 1859. 19) Couperus Oostwaarts pag. 126. 20) Buitenweg Tempo doeloe pag. 110. 21) Vroman ‘Warm, rood, nat en lief’ pag. 52. 22) Van Schendel Jeugdherinneringen pag. 13. 23) Haasse ‘Beelden’ pag. 154. 24) De Beauvoir Java pag. 4. 25) De Haan Oud Batavia Deel 1 § 772. 26) ibid. 27Natuurkundig Tijdschrift pag. 659. 28) Van de Velde Gezigten uit Neêrlands Indië pag. 6. 29) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 juni 1855. 30) Merrillees Batavia pag. 168. 31) Wachlin Woodbury & Page pp 9-10. 32) ibid. ‘blurb’. 33) Oliver History pag. XV en ibid. ‘blurb’. 34) Wachlin Woodbury & Page pag. 17. 35) Java Bode 1857 zaturdag 18 julij. 36) Hoola van Nooten aan Dunlap 24 augustus 1857. 37) Barth familiearchief. 38) North Recollections Vol. I pag. 260. 39) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 december 1859. 40) Bataviaasch Handelsblad 1860. 41) Magdalena pp 160-166. 42) Calisch Liefdadigheid pag. 439. 43) Hoola van Nooten Fleurs et fruits. 44) Wachlin Woodbury & Page pag. 25.
Bibliografie:
Algemeen verslag van den staat van het schoolwezen in Nederlandsch-Indië. a. voor Europeanen en inlandsche christenen opgemaakt door de Hoofd-commissie van onderwijs. b. voor inlanders, opgemaakt ter Algemeene Secretatie. Afgesloten onder Ultimo 1858. Batavia: Lange & Co, 1859.
“B. [te] Java.” [= Berthe Hoola van Nooten]: ‘Vreugde en droefheid’ in: Magdalena Evangelisch Jaarboekje uitgegeven ten voordeele van het Asyl Steenbeek [etc]. 24ste Jaargang. Amsterdam: W.H. Kirberger, 1876.
Barth familiearchief, Amsterdam [ongepubliceerd].
ataviaasch Handelsblad. Aº. 1860. No. 79. Woensdag 3 October. Derde Jaargang.
Beauvoir, le Comte de: Java, Siam, Canton. Voyage autour du Monde. Paris: E. Plon et Cie, 1867.
Breton de Nijs, E. [= Rob Nieuwenhuys]: Batavia koningin van het oosten. ‘s-Gravenhage: Thomas & Eras Uitgevers, 1976.
Brugmans, I.J.: Geschiedenis van het onderwijs in Nederlandsch-Indië. Groningen – Batavia: Wolters’ Uitgevers-maatschappij, 1938.
Buitenweg, H.: De laatste tempo doeloe. Katwijk: Servire, 1964.
Calisch, N.S.: Liefdadigheid te Amsterdam. Overzicht van al hetgeen er in Amsterdam wordt verricht, ter bevordering van de stoffelijke, zedelijke en godsdienstige belangen, voornamelijk der minvermogenden en behoeftigen. Amsterdam: M. Schooneveld en Zoon, 1851.
Couperus, L.: Oostwaarts. Den Haag: Leopold, 1924.
Gevers Deynoot, W.T.: Herinneringen eener reis naar Nederlandsch Indië in 1862. ‘s-Gravenhage: Nijhoff, 1864.
[Haan, H. de]: Oud Batavia Gedenkboek. Uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen naar aanleiding van het driehonderdjarig bestaan der stad in 1919. Batavia: G. Kolff & Co, 1922 (twee tekstdelen en een Platen Album).
Haasse, Hella S.: ‘Beelden die me begeleiden. Hella S. Haasse over de fotoboeken van Rob Nieuwenhuys. [red.] Peter van Zonneveld’. Indische Letteren Jaargang 15. Alphen aan den Rijn: Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde,  2000.
Hohé, Madelief & Ileen Montijn: Romantische mode. Zwolle: Waanders, 2014.
Hoola van Nooten aan John Dunlap 10 januari 1855 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
Hoola van Nooten aan John Dunlap 9 juni 1855 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
Hoola van Nooten aan John Dunlap 31 augustus 1855 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
Hoola van Nooten aan John Dunlap 10 mei 1856 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
Hoola van Nooten aan John Dunlap 7 september 1856 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
Hoola van Nooten aan John Dunlap 9 december 1856 (originele brief): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC) (gepubliceerd op https://davidcoppoolse.com/2014/10/28/my-dear-friend-een-javaanse-hartekreet-ontcijferd/ ).
Hoola van Nooten aan John Dunlap 24 augustus 1857 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
Hoola van Nooten, Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par madame Berthe Hoola van NootenOuvrage dédié à sa majesté [sic] la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier, Montagne de L’Oratoir, 5, 1863 [-’64] (2de editie Severeyns 1866, 3de editie Merzbach & Falk [1881]).
Java-Bode. Nieuws- Handels- en Advertentie-blad voor Nederlandsch-Indië. Ao. 1857. Woensdag 18 Februarij. No. 14.
Java-Bode. Nieuws- Handels- en Advertentie-blad voor Nederlandsch-Indië. Ao. 1857. Woensdag 1 April. No. 26.
Java-Bode. Nieuws- Handels- en Advertentie-blad voor Nederlandsch-Indië. Ao. 1857. Zaturdag 18 julij. No. 57.
Magdalena. Evangelisch Jaarboekje uitgegeven ten voordeele van het Asyl Steenbeek onder redactie van J.A. Schuurman Johsz. en L.R. Beynen. 24ste Jaargang 1876. Amsterdam: W.H. Kirberger, [1876].
Merrillees, Scott: Batavia in Nineteenth Century Photographs. Singapore: EDM Editions Didier Millet, 2010.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indie uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-Indie deel XXVI zesde serie deel I. Batavia: H.M. van Dorp, & ’s Gravenhage: Martinus Nyhoff, 1864.
Nienwenhuys, Rob: Baren en oudgasten. Tempo Doeloe- een verzonken wereld. Fotografische documenten uit het oude Indië 1870-1920. Amsterdam: Querido, 1981.
Nieuwenhuys, Rob: Komen en blijven. Tempo doeloe – een verzonken wereld. Fotografische documenten uit het oude Indië 1870-1920. Amsterdam: Querido, 1982.
North, Marianne: Recollections of a Happy Life. London: MacMillan, 1893 [postuum gepubliceerd in 2 delen, in 1894 verscheen een derde deel als Further Recollections].
Oliver, Barrett: A History of the Woodburytype. Nevada City, California: Carl Mautz Publishers, 2006.
Schendel, Arthur van: Jeugdherinneringen. Een document. Amsterdam: Meulenhoff, 1989.
oekan Potret. 100 jaar fotografie in Nederlands Indië 1839-1939. Amsterdam: Fragment Uitgeverij & Rotterdam: Museum voor Volkenkunde, 1989.
Velde, C.W.M. van de: Gezigten op Neêrlands Indië naar de natuur geteekend en beschreven. Amsterdam: Frans Buffa en Zonen, [1844-’45].
Vroman, Leo: ‘Warm, rood, nat en lief.’ Het levensverhaal van de dichter, schrijver, wetenschapper en tekenaar. Amsterdam: Uitgeverij Contact, 1994.
Wachlin, Steven: Woodbury & Page. Photographers Java. Leiden: KITLV Press, 1994.
[Zoete, Johan de, red.] De techniek van de Nederlandse boekillustratie in de 19de eeuw. Kerstnummer Grafisch Nederland 1995. Amstelveen: Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen / Grafische Cultuurstichting KVGO, 1995.
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 2 reacties