Hoola van Nooten voor de klas

Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (3)

Voor Marcel van Dorst

‘Neither a borrower nor a lender be’. Voor echte bibliofielen kan dit citaat van Shakespeare (Polonius, Hamlet, 1ste akte, 3de scene) maar één ding betekenen: als boeken dan niet geleend mogen worden, laat staan uitgeleend, geef ze gewoon weg, voor niets, uit vriendschap. Dat klinkt mooi, maar het is natuurlijk de vraag of iedereen er zo over denkt. Mijn eigen vrienden lijken het echter helemaal met Polonius eens te zijn. Hier, in mijn huis, bijvoorbeeld, stond al een exemplaar van Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et pomone de L’Île de Java, het botanische prachtwerk van de negentiende-eeuwse tekenares Berthe Hoola van Nooten, maar wie had ooit kunnen denken dat er van deze uitgave ook losse schoolplaten zouden opduiken, en dat ik vier daarvan eveneens in mijn bezit zou krijgen, dankzij dezelfde vriend die me het originele boek al had gegeven? Toch is dat nu gebeurd, en de platen liggen inmiddels veilig opgeborgen in een grote houten archiefkast (eveneens door hem geschonken) in mijn bibliotheek, te midden van tientallen andere losse Hoola van Nooten-bladen. Waar komen deze schoolplaten vandaan, wanneer zijn ze gemaakt, en wat valt er verder over te vertellen? Aan mijn vriend, de gulle gever, is dit stukje opgedragen.

De  platen zijn dan wel bedoeld, maar zeker niet speciaal gedrukt voor schooldoeleinden. Ze blijken afkomstig uit de derde editie van Fleurs, fruits et feuillages, een uitgave die op de titelpagina weliswaar ongedateerd is (‘Préface’ 1880), maar volgens Nieuwsblad voor den Boekhandel No. 92 vrijdag 11 november 1881, ‘vient de paraître’, dat wil zeggen, op die datum zojuist verschenen. Het lijkt er dan ook op dat het als ‘prachtwerk’ geadverteerde boek voor de naderende feestdagen bestemd was, als een kostelijk kerstgeschenk. De maker ervan was Pieter Depannemaeker, een professionele lithograaf uit Ledeberg-lez-Gand (Gent). Voor deze derde editie had hij de oorspronkelijke, door Guillaume Severeyns in 1863 naar Hoola van Nootens voorbeeld op steen getekende, maar waarschijnlijk inmiddels vervaagde platen minutieus gekopieerd. Slechts met veel moeite, een vergrootglas en een ouderwets liniaal zijn de subtiele verschillen tussen alle bloemen, vruchten en bladeren te ontdekken. Ondanks de prijs (bij voorintekening in 1863 fl 60,-, ruim € 600,-) moet de verkoop van alle edities een succes zijn geweest, want enkele jaren na de laatste uitgave werd er in de Indische couranten al gevraagd naar eventueel overgebleven exemplaren. De uitgever, Merzbach & Falk uit Brussel, kon die blijkbaar niet meer leveren.

Op de huidige platen zijn vier op Java populaire plantensoorten te zien: ‘Amherstia Nobilis’ (tegenwoordig Amherstia nobilis, plaat 2 uit Fleurs, fruits et feuillages) uit Birma, ‘Saraca Declinata’ (Saraca thaipingensis, plaat 10) uit Thailand, de inheemse ‘Lagerstrœmia Regia’ (Lagerstroemia reginae, syn. L. speciosa, plaat 22) en de uit Midden-Amerika afkomstige ‘Anona Muricata’ (zuurzak, Annona muricata, plaat 39). Het lijkt erop dat ze speciaal werden  geselecteerd om hun spectaculaire uiterlijk. De gechromolithografeerde bladen zijn rondom afgesneden om ze op lilakleurige kartonnen bladen van handzamer formaat (55 x 37,5 cm) te kunnen plakken, omrand door verstevigend linnen. De oorspronkelijke ondertitels, met de Latijnse en eventueel inheemse plantennamen, zijn uitvergroot, losgeknipt en op de bladen bevestigd, terwijl de vier bijbehorende Franse teksten (alle edities van het florilegium bevatten ook Engelse) eveneens zijn uitgeknipt, en op de achterkant vastgelijmd. Een donkergeel lintje zorgt ervoor dat de platen opgehangen en zodoende zorgvuldig bestudeerd kunnen worden. De constructie als zodanig lijkt minstens een eeuw oud te zijn.

Voor Berthes werk is er altijd veel bewondering geweest. Zijzelf was niet wetenschappelijk opgeleid, maar dankzij haar opvallende tekenkwaliteiten en, volgens eigen zeggen, christelijk geïnspireerde volhardendheid, slaagde ze erin om door iedereen serieus genomen te worden. Daarnaast had ze veel persoonlijke contacten in de hoogste bestuurlijke en natuurhistorische kringen van Batavia en Buitenzorg. De eerste editie van Fleurs, fruits et feuillages (1863-’64) werd door botanici al meteen lovend besproken. Ze won er zelfs internationale prijzen mee, zoals in de zomer van 1883, tijdens de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling te Amsterdam, toen ze een eervolle gouden medaille ontving voor de twee exemplaren die daar te midden van een ‘overstelpend groot aantal inzendingen uit Oost- en West-Indië’ waren geëxposeerd. Het ene was door de organisatoren uit elkaar gehaald en als losse bladen opgehangen in veertig geelhouten lijsten. Het andere, eveneens compleet, maar nog ingebonden, kwam uit Berthes eigen bezit. De publicist Frederik Willem van Eeden, vader van de bekende schrijver, tevens medewerker aan de ambitieuze Flora Batava en een van Nederlands vroegste natuurbeschermers, was ter plekke vol bewondering voor Berthes ‘fraaie platen’. Zelfs iemand als prins Hendrik (‘De zeevaarder’) bleek enthousiast over haar werk. Zowel hij als koning Willem III, zijn broer, hadden zich in 1863 ingeschreven voor de eerste editie ervan. De prins (overigens de enige Oranje die ooit Nederlands-Indië bezocht) kreeg het boek vlak voor zijn overlijden in 1879 opnieuw onder ogen, toen hij door een publiek tentoongesteld exemplaar in het Koloniaal Museum te Amsterdam bladerde. Voor zijn geestesoog zag hij schitterend geïllustreerde toekomstige Indische flora’s verschijnen, als een voor Nederland roemrijke voortzetting op de gezaghebbende, maar volgens hem ‘alweer verouderde’ (lees saaiere) werken als die van de Leidse botanist Miquel. De schoonzus van de prins, koningin Sophie, had de eerste editie van Fleurs, fruits et feuillages zelfs gedeeltelijk gefinancierd. Dat royale gebaar is misschien wel het meest tastbare bewijs van de bewondering voor Berthes werk. Tegen het einde van de eeuw liet een Bataviaas kunstcomité het boek nog voorleggen aan aspirerende natuurtekenaars, met daarbij het uitdrukkelijke verzoek om tropische gewassen uit te kiezen die daarin niet waren afgebeeld. In 1914 vonden de Nederlandse botanici Koorders en Valeton haar afbeelding van Pisonia zo professioneel gedaan dat ze die gebruikten in hun Atlas der Baumarten von Java, een standaardwerk op dat gebied. 

De nu gevonden schoolplaten passen helemaal in deze traditie. Waarschijnlijk zijn ze ooit als voorbeeld op dezelfde losbladige manier opgehangen als tijdens de koloniale tentoonstelling te Amsterdam, waarbij het niet ondenkbaar is dat àlle veertig platen uit Fleurs, fruits et feuillages als zodanig zijn gebruikt. In dat geval moeten er nog zesendertig andere, soortgelijke kartonnen zijn, ergens verborgen liggend in Indië of Europa, wachtend op een gelukkige vinder. De huidige exemplaren zijn afkomstig uit een voormalige Leidse bibliotheek met daarin veel boeken over tropische en Javaanse geneeskunde. Het schijnt dat ze ooit zijn aangeschaft bij de Koninklijke Bibliotheek van België. Overigens kan het niet anders of Berthe heeft haar afbeeldingen ook zelf als voorbeeld gebruikt. We weten namelijk dat ze op haar meisjesscholen te Batavia (1857-’58) en Buitenzorg (ca 1860, pal tegenover ’s Lands Plantentuin) naast muziek, Engels, Frans, Duits, bijbellezen en naaiwerken, vaak tekenles gaf. Misschien waren de muren van de klaslokaaltjes wel volgehangen met haar werk, zoals later met de schoolplaten in Europa gebeurd moet zijn. Ze zal zich die overvloed gemakkelijk veroorloofd kunnen hebben, want ondanks haar chronische geldgebrek bleek de nalatenschap onder andere te bestaan uit veertien complete exemplaren van Fleurs, fruits et feuillages, alle prachtig ingebonden. Het is onbekend waar die terecht zijn gekomen. In elk geval liggen de Brusselse schoolplaten nu hier, in Amersfoort, veilig opgeborgen tussen de duizenden andere prenten en vooral boeken die ik bij leven mag beheren. Met dit stukje wil ik mijn vriend bedanken voor zijn vrijgevigheid. Om met Polonius, mijn naamgenoot, te eindigen, in een fraaie vertaling die Berthe zelf nog had kunnen lezen (Abraham Seyne Kok, Haarlem 1860):

Wees steeds gemeenzaam, nimmer onbescheiden.
Klem met metalen banden aan uw ziel den vriend,
waarvan de proef den keuze billijkt.

David Apollonius Coppoolse

(Met dank aan Alessandro Di Meo, An Duits, en onze jonge vriend Miguel Fernandez Voortman, zonder wiens speurzin de schoolplaten van Berthe Hoola van Nooten ons zeker ontglipt zouden zijn)
[eerste editie] Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java peints d’après de nature. Ouvrage dédié à sa majesté la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier [volgens Nissen: Muquardt], Éditeur, Montagne de L’Oratoire, 5. 1863 [-’64]; met veertig (volgens Nissen achtendertig) ongenummerde, door Guillaume Severeyns gelithografeerde platen, in enkele details met de hand bijgekleurd, gedurende ruim een jaar uitgegeven in tien opeenvolgende ‘livraisons’ (afleveringen) van ieder vier platen, voorafgegaan door één (hierboven genoemde) gezamenlijke titelpagina (uitgegeven na het verschijnen van de derde aflevering?) en tien afzonderlijke titelpagina’s (aflevering I (januari) t/m VI: 1863, VII t/m X: 1864; verkoopprijs complete set ƒ70,-, voorintekenprijs ƒ60,-.
[tweede editie] Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Seconde [volgens voorwoord van G. Severeyns: ‘verbeterde’] édition. Bruxelles: Faubourg de Louvain, Rue de Liekerke 40. Publiée par G. Severeyns, dessinateur & chromolithographe de l’Académie Royale de Belgique, 1866; met eveneens veertig (volgens Stafleu & Cowan: (‘1880?’) ’39?) bijgewerkte platen; de gehele tekst is opnieuw gezet, taal- en/of schrijffouten zijn gecorrigeerd en andere opnieuw gemaakt; onder de Latijnse namen worden nu ook de inlandse vermeld; het boek werd door de uitgever in één keer compleet en op verzoek ‘fraai ingebonden’ geleverd, verkoopprijs (volgens Brinkman’s Cumulatieve Catalogus) ∫80,-.
[derde editie] Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs fruits et feuillages choisis de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Bruxelles: Librairie Européene C. Muquardt, même maison à Leipzig, publiée par Merzbach & Falk, Éditeurs, Libraires de la Cour et de S.A.R. Le Comte de Flandre. Troisième [en laatste] Édition; ongedateerd (‘Préface’ 1880), volgens Nieuwsblad voor den Boekhandel No. 92 (vrijdag 11 november 1881) ‘vient de paraître’ (zojuist verschenen) in een ‘beperkte’ oplage van driehonderd gewone exx à 175,- (Belgische) francs en tien speciale, genummerde exx op ‘Bristol’ à 350,- (Belgische) francs; alle veertig platen opnieuw getekend en in kleur gelithografeerd, door Pieter Depannemaeker (ook: De Pannemaeker) uit Ledeberg-lez-Gand (Gent); de drukker is de Brusselse ‘Imprimeur au Roi’ Weissenbruch; de door Nissen veronderstelde 1885-editie is nooit verschenen.
Advertenties
Geplaatst in botanie | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Koerbagh, vrijdenkerij, en de wisselvalligheden van het leven

Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (2)

Voor Steven van Diermen 

In de derde eeuw na Christus merkte de Afrikaanse dichter Terentianus Maurus het al op, ‘Pro captu lectoris habent sua fata libelli, ‘Boeken hebben de lezers die ze verdienen’. Dit geldt zeker voor een boek dat ik een paar maanden geleden voor de tweede keer in mijn leven in mijn bezit kreeg. Het betreft Adriaen Koerbaghs Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet, ondanks de blijmoedige titel een van de beruchtste werken uit de aan dissidente literatuur toch al rijke zeventiende eeuw. Het is het enige woordenboek dat ooit in de Nederlanden verboden is geweest. Een trouwe vriend gaf het mij. Omdat ik al eerder met veel plezier een kort artikel had geschreven over twee andere bibliofiele geschenken (zie hieronder), wil ik nu iets soortgelijks doen voor de gulle gever van Een Bloemhof. Ik hoop ermee te kunnen laten zien hoe onvoorspelbaar het lot van boeken soms is, en hoe persoonlijke herinneringen daarmee verweven kunnen zijn, samen met liefde, verlies, en onverwachte vriendschappelijkheid. Niet altijd hebben boeken meteen de lezers die ze verdienen, zoals Maurus suggereerde, maar een enkele keer krijgen ze die toch, uiteindelijk.

Adriaen Koerbagh (1633-’69) was werkzaam als arts en jurist in Amsterdam, maar is bekend geworden vanwege zijn spinozistisch geïnspireerde vrijdenkersideeën. Deze werden door hem steeds openlijker beleden in twee publicaties, Een Bloemhof (1668) en Een ligt schijnende in duystere plaatsen, om te verligten de voornaamste saaken der Gods-geleertheyd en Gods-dienst (1669). De inhoud van de eerste bevatte opmerkingen die voor zijn tijd levensgevaarlijk waren, zoals ‘De Bijbel is ook maar een soort Reyntje de Vos of Uylenspieghel’. De filosofische en meer doorwrochte tekst van de tweede (volgens historicus Jonathan Israel een van de radicaalste van de vroege Verlichting) bleek voor de drukker ervan zelfs zo aanstootgevend, dat deze de persen stopte, ervandoor ging en de schout waarschuwde. Bijna alle exemplaren werden vervolgens vernietigd. Koerbagh zelf werd opgepakt en door de Amsterdamse autoriteiten veroordeeld tot het betalen van zesduizend gulden boete, een gevangenisstraf van tien jaar en een verbanning uit de hoofdstad voor eenzelfde periode. Dat viel nog mee, want eerder was geëist dat zijn rechterduim in het openbaar zou worden afgehakt, zijn vrijzinnige tong met een gloeiende priem doorstoken en al zijn boeken verbrand zouden worden. Hij stierf een jaar later, overigens zonder gemarteld te zijn, in het Rasphuis, de beruchte stadsgevangenis aan de Heiligeweg. Spinoza zelf schijnt bij het vernemen van zijn dood geroerd geweest te zijn.

Dit alles is des te tragischer, als men bedenkt dat Koerbagh iemand was die kennis juist graag wilde delen. Hij probeerde haar toegankelijk te maken, liefelijk, ‘sonder verdriet‘, zodat ze niet geheim kon worden gehouden in besloten clubjes van geleerden, machthebbers of kerkelijke gezagsdragers. Zijn eigen boeken schreef hij dan ook niet in het Latijn, een taal voor de elite, maar in het Nederlands, die van het volk. ‘De wijsheijd is het grootste wonder dat er ter waereld is’, merkt hij in Een Ligt op. Voor christenen was dit soort bescheidenheid echter pure godslastering. Eeuwenlang werd Koerbagh dan ook afgeschilderd als een duivelskind, een atheïstisch monster. Als zulke ‘religieuze’ gevoelens op de juiste manier worden begrepen, namelijk als het nietsontziende machtsinstrument dat ze in de praktijk vaak blijken te zijn, is het aantal van twee overgebleven exemplaren van Een Ligt schijnende in duystere plaatsen eigenlijk niet teleurstellend laag, maar juist wonderbaarlijk hoog. Van Een Bloemhof zijn er veel meer exemplaren bewaard gebleven, hoewel nog altijd zo weinig dat ze vrijwel nooit te koop worden aangeboden, voor welke prijs dan ook. De overlevingskans van oudere boeken is sowieso heel klein. Er wordt geschat, bijvoorbeeld, dat van de vele honderdduizenden boeken die in de Gouden Eeuw zijn gedrukt, hooguit een paar procent de daaropvolgende rampen, revoluties, oorlogen, branden, volksverhuizingen, overstromingen, diefstallen, godsdiensttwisten en opzettelijke vernielingen, maar ook persoonlijker zaken, zoals burenruzies, huwelijksperikelen en daaropvolgende vechtscheidingen heeft overleefd. Van sommige toch beroemde boeken zijn hele edities volkomen van de aardboden verdwenen, terwijl we toch zeker weten dat die ooit hebben bestaan, soms zelfs in duizenden exemplaren. Elk bewaard gebleven boek is inderdaad een wonder, een stille, maar sprekende getuige van het verleden.

Vanuit deze historische diepte dook midden 2012 tijdens een boekenveiling te Amsterdam plotseling het al genoemde exemplaar van Een Bloemhof op, in de oorspronkelijke lederen band met rijk in goud versierde rug prachtig bewaard gebleven. Waar het vandaan kwam, of wie het op de veiling aanbood, is onbekend, hoewel het handgeschreven nummer op het etiketje een ooit institutionele bibliotheek suggereert. Op de schutbladen zijn vroeg-negentiende-eeuwse aantekeningen te vinden. Deze lijken uit twee handschriften te bestaan (zie afbeelding), met daarin korte biografische informatie over Koerbagh, en zelfs, nog altijd, een waarschuwing tegen zijn veronderstelde goddeloosheid. Het exemplaar bevat een extra bijzonderheid: van de titelpagina zijn beide bekende staten aanwezig, de ene met zijn volle naam, de andere met daarnaast het montere pseudoniem ‘Vreederijk Waarmond’. De reden waarom Koerbagh beide titels liet drukken is vooralsnog een raadsel. Hoe dan ook, met een toenmalige partner lukte het mij om dit unieke exemplaar te verwerven. Lang duurde dit bibliofiele geluk echter niet: bij een scheiding verdween Een Bloemhof al snel uit mijn bibliotheek, net als uit mijn leven, om, naar ik vreesde, nooit meer op te duiken, laat staan ooit weer in mijn bezit te komen. 

Alle hoop had ik al opgegeven, toen een jonge boekenvriend ontdekte dat juist dit exemplaar weer in de verkoop kwam. Als vanzelfsprekend werd er veel geld voor gevraagd. Een andere vriend, niet bangelijk aangelegd, en blijkbaar meer in Koerbaghs wonderen geïnteresseerd dan de eigenaar ervan, besloot het onmiddellijk terug te kopen, voor ons samen, geïnspireerd door het beroemde boekmerk van de zestiende-eeuwse Franse verzamelaar Jean Grolier de Servières: ‘Dit behoort mij en mijn vrienden’. Wie kan zulke vrijgevigheid weerstaan? Het voelde zowel vreemd als vertrouwd, maar voor de tweede keer in mijn leven bezat ik dus hetzelfde exemplaar van Een Bloemhof van Adriaen Koerbagh.

Nu ik het boek weer in huis had, wilde ik de onderbiedster (degene die net niet won) op de toenmalige veiling te Amsterdam zo snel mogelijk over alles informeren. Gelukkig bleek ze over Koerbagh en zijn werk nog altijd even enthousiast te zijn. Juist iemand als zij, een ervaren boekhistorica en Spinozakenner, weet hoe uitzonderlijk het is dat exemplaren van dit soort verboden titels de eeuwen überhaupt doorstaan hebben. Binnenkort zal Een Bloemhof dan ook zorgvuldig bestudeerd, beschreven, en mogelijk zelfs officieel tentoongesteld worden, in het kader van het driehonderdvijftigste sterfjaar van Koerbagh. Na eerdere studies van historici als Israel, Leeuwenburgh, Van Heertum en Wielema (zie literatuurlijst), kan zijn ‘radicale’ spinozistische gedachtegoed dan hopelijk een groter publiek de verlichting geven die het met zoveel vrolijke onbevangenheid nog altijd uitstraalt.

Mijn eigen zoektocht is nu afgesloten. Met bovenstaande schets hoop ik iets van de wisselvalligheden van het leven, het onvoorspelbare lot van boeken, van mensen, en, vooral, de gulheid van een waarachtige vriend te hebben laten zien. Voor de laatste is dit stukje geschreven, als dank voor zijn genegenheid en enthousiasme. De wereld zou er mooier uitzien als er meer mensen op rondliepen zoals hij. En Terentianus Maurus had inderdaad gelijk. Koerbaghs zo vrijzinnige Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet staat nu weer hier, in mijn eigen bibliotheek, de plek waar hij, blijkbaar, al die tijd thuishoorde.

David Apollonius Coppoolse

(Met dank aan Alessandro Di Meo, Miguel Fernandez Voortman en Hannah Laurens)

Literatuur
Heertum, C. van: ‘Een stinkende ruiker’: Adriaan Koerbaghs Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet (1668), in Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman. Jaargang 37 nummer 1 zomer 2014, pp 57-62.
Horlings, A.: https://historiek.net/vrijdenker-koerbagh-vertrouwde-in-1668-tevergeefs-op-godsdienstvrijheid/42766/
Israel, J.: Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750. Oxford: Oxford University Press 2001.
Leeuwenburgh, B.: Het noodlot van een ketter. Adriaan Koerbagh 1633-1669. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2013.
Koerbagh, A. (pseud. ‘Vreederijk Waarmond’): Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet.  Amsterdam: [‘Gedrukt voor den Schrijver’], 1668.
Koerbagh, A.: A Light Shining in Dark Places, to Illuminate the Main Questions of Theology and Religion [ed. and transl. Michiel Wielema]. Leiden / Boston: Brill, 2011.
Koerbagh, A.: Een licht dat schijnt in duistere plaatsen. Een verheldering van de voornaamste kwesties van theologie and godsdienst. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2014.
Nadler, S.: A Book Forged in Hell. Spinoza’s Scandalous Treatise and the Birth of Secular Age. Princeton and Oxford: Princeton and Oxford Press, 2011.
Pearson, D.: Books as History. The Importance of books beyond their texts. Newcastle, Delaware / London: Oak Knoll Press, The British Library, 2008.
Afbeelding | Geplaatst op door | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Golownins lotgevallen bij de Japanners opnieuw tot leven gewekt

Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (1)

Voor Ayolt en Lide Brongers

Onlangs kreeg ik van een bevriend echtpaar twee bijzondere boeken cadeau. Het betreft de Nederlandse vertaling uit 1817-’18 van de memoires van Vasily Golownin, een Russische kapitein die twee jaar lang als gijzelaar werd vastgehouden in Japan. De oorspronkelijk in 1816 te Sint Petersburg gepubliceerde herinneringen worden gezien als een ontroerend monument voor de vriendschappelijkheid die hij bij de Japanners had ervaren, ondanks zijn soms vernederende gevangenschap. Ze bleken zelfs relatief  invloedrijk, want in de loop van de negentiende eeuw, en zeker tot het einde van de Edoperiode (1868), zouden ze voor een belangrijk deel de politieke gevoelens tussen Rusland en Japan bepalen. Tegenwoordig zijn originele exemplaren van de Nederlandse vertaling heel zeldzaam. Ik had dan ook niet durven hopen die ooit te kunnen vinden, laat staan cadeau te krijgen. Nu staat zo’n set dus bij mij thuis, in complete, prachtige, en onafgesneden staat, dat wil zeggen, op groter papier en in de oorspronkelijke gebloemde platten (omslagen) bewaard gebleven. Het gulle gebaar van mijn vrienden zou Golownin ongetwijfeld veel plezier hebben gedaan. Met deze bescheiden historische schets van zijn lotgevallen wil ik hen daarvoor bedanken, op een persoonlijke, maar hopelijk ook voor andere boekenliefhebbers interessante manier.

La Pérouse, Chart of the Discoveries made in 1787, in the Seas of China and Tartary by the Boussole and Astrolabe […] (1798), met in het zuiden de noordpunt van Honshu, in het midden (onvolledig) Hokkaido en Sachalin, rechts de Koerilen richting Kamtsjatka, en nog verder (niet meer zichtbaar) de Aleoeten, richting Alaska

De voorgeschiedenis van Golownins avonturen is onstuimig, stormachtig zelfs. In de winter van 1783, tijdens een nachtelijke hoosbui, raakt de Japanse scheepskapitein Daikokuya Kōdayū de macht kwijt over de Shinshô Maru, een eenvoudige open zeilboot waarmee hij met vijftien andere opvarenden rijst vervoert van Ise naar Edo (ook wel Yeddo, tegenwoordig Tokio), de hoofdstad van Japan. Na allerlei mislukte pogingen om weer aan land te komen halen ze eigenhandig de mast neer. Het inmiddels gebroken scheepsroer zal niet veel later verdwijnen in de golven. Voortgestuwd door de harde wind drijven ze steeds verder weg, de open oceaan op. Na bijna acht maanden overleefd te hebben op regenwater, sporadisch gevangen vis en de niet eerder overboord gegooide rijst, spoelen Kōdayū en zijn medepassagiers uiteindelijk aan op de kust van Amtsjitka, een kaal, kil en vrijwel onbewoond eiland in de Aleoeten, de reusachtige archipel die als een snoer van vulkanen richting Alaska wegdraait. Met behulp van enkele Russische pelsjagers proberen ze hier te overleven. Er volgen vier jaren van allerlei ontberingen, zoals kou, honger, en overnachtingen in onderaardse, metersdiepe holen. Als ze ten einde raad zijn, besluit Kōdayū om met een provisorisch gemaakte zeilboot het eiland te ontvluchten. Over de noordelijke Stille Oceaan belanden de negen overlevenden niet in Japan, zoals gehoopt, maar op Kamtsjatka, net als Amtsjitka een onherbergzame en grotendeels onbewoonde plek. Hier houden ze het twee jaar vol. Dan vertrekken de vijf overgebleven schipbreukelingen opnieuw, om over de Zee van Ochotsk en via het Siberische Jakoetsk in 1789 terecht te komen in Irkoetsk, pal tegen de grens met China. Op die uitheemse locatie was ooit een Japans taalschooltje gesticht. Daar ook lopen ze Erik Laxman tegen het lijf, een naar Rusland geëmigreerde Finse wetenschapper. Deze besluit hen onder zijn hoede te nemen.

Zoals gezegd, Japan bevindt zich dan middenin de Edoperiode, genoemd naar de stad waar de oppermachtige shogun resideert. Los van strikt gereguleerde handelscontacten met China en Holland (en officieuze met de zuidelijke Riukiu-archipel), heeft het shogunaat zich dan al anderhalve eeuw hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Het is Japanners niet alleen verboden naar het buitenland te gaan, ze mogen er ook niet uit terugkeren. Als natuurhistoricus is Laxman is dan ook zeer gefascineerd door de onverwacht in zijn schoot geworpen exoten. Hij wil ze gaan voorstellen aan het Russische hof, te Sint Petersburg, duizenden kilometers ten westen van Jakoetsk. Na opnieuw een maandenlange tocht, nu over de eindeloze Siberische vlakten, komt de groep in 1791 via Moskou in de Russische hoofdstad aan. Net als alle anderen die hem ontmoeten is keizerin Catharina II (‘De Grote’) onder de indruk van Kōdayū’s intelligentie en leergierigheid. Ze stuurt onmiddellijk een oekaze rond om op haar kosten de schipbreukelingen terug te brengen naar Japan, als blijk van goede wil, maar ook (of vooral) om via hen te proberen handelsbetrekkingen met het afgesloten keizerrijk aan te knopen. Na een tweede tocht over de Siberische vlakten, maar nu de andere kant op, komen Eric Laxman, zijn zoon Adam, Kōdayū en zijn landgenoten in 1792 via de Zee van Ochotsk weer aan bij Nemuro aan de kust van Ezo (Jesso), het huidige Hokkaido. Pas na veel overredingskracht lukt het Adam om de voormalige schipbreukelingen achter te laten bij de wantrouwige Japanse autoriteiten. Van de oorspronkelijke zestien keren er na bijna tien jaar slechts drie in hun vaderland terug. Eén overlijdt alsnog, kort na aankomst. De shogun is weliswaar persoonlijk geïnteresseerd in de lotgevallen van de wereldreizigers en laat hen intensief ondervragen (Catharina de Grote is de heldin van de dag), maar gebiedt ook dat Kōdayū de rest van zijn leven moet doorbrengen op het terrein van de kruidentuin bij het shogunale paleis te Edo, als straf voor zijn ‘illegale’ schipbreuk.

De jonge Laxman wordt beleefd bedankt voor zijn bemiddeling. Hij krijgt, vermoedelijk vooral om van hem af te komen, van de Japanse autoriteiten de indruk mee dat hij bij een eerstvolgend bezoek officieel ontvangen zou kunnen worden, alleen niet hier, op Ezo, maar Nagasaki, de ruim tweeduizend kilometer verderop gelegen handelsstad waar enkel Japanners zelf, Hollanders en Chinezen welkom zijn. Met die vage belofte keert hij terug naar Sint Petersburg. Daar is het keizerlijke hof echter te verwikkeld geraakt in alle politieke verwarringen vanuit Europa om van de veronderstelde uitnodiging gebruik te maken.

Golownin door de ogen van de Japanners gezien, in Roshia furyo-ki (‘Verslag van de Russische gevangenen’), manuscript, zonder datum (contemporain), in Lensen, Report from Hokkaido, 1954, pag. 29, en bibliografie

Pas veel later komt daar verandering in. Zeven jaar na Catharina’s overlijden, in 1803, vertrekken Johann Adam Krusenstern (naamgever van de beroemde viermaster Kruzenshtern) en Yuri Lisyansky op de allereerste Russische reis om de wereld. Ze doen ook Japan aan, in de hoop van Laxmans uitnodiging gebruik te kunnen maken. De officiële gezagvoerder van de Nadezhda en de Newa is baron Nikolaj Petrovitsj Rezanov. Nadat de handelsmissie in 1805 dankzij de stroperige onderhandelingstactieken van de Japanners in Nagasaki op een volkomen mislukking is uitgelopen, zoals te verwachten was, ontsteekt deze ongeduldige diplomaat in woede, vertrekt op hoge poten, maar laat zijn jonge zakenvrienden Nikolai Chwostoff en Gavriil Davydoff de vrije hand om bij de noordelijke ainoe (de oorspronkelijke inwoners van Japan) zich te buiten te gaan aan plunderingen, moorden, brandstichtingen en andere vernielingen. Als de autoriteiten in Edo dit ter ore komt, zijn ze ontsteld. Ze zinnen op wraak. Die komt er, zes jaar later, als de onverwachte held van dit verhaal, kapitein Golownin, met zijn schip Diana in Japan arriveert om daar in alle onschuld te willen gaan herbevoorraden. Al na enkele dagen wordt hij met een list door de Japanners gevangen genomen, gekneveld en hardhandig weggevoerd. Na de eerste schrik en een mislukte ontsnappingspoging beseft Golownin dat hij voorlopig niet vrij zal komen. Hij besluit zijn gijzelnemers beter te gaan leren kennen.

Tijdens de gevangenneming is de plaatsvervangend kapitein van de Diana, Pyotr Rikord, aan boord gebleven. In allerijl vaart hij nu weg, zijn gezagvoerder bij de Japanners achterlatend. Hij neemt zich voor zo snel mogelijk terug te keren. Als hij het jaar daarop weer in de buurt is, neemt hij een willekeurige Japanner gevangen, als menselijk losgeld voor de vrijlating van Golownin. Deze gijzelaar blijkt geen eenvoudige matroos, zoals gedacht, maar de hooggeboren Takatai-Kachi (Takadaya Kahei), een rijke, ontwikkelde en nieuwsgierige man, iemand die, net als Golownin, steeds meer respect voor zijn gijzelnemers krijgt. Die gevoelens worden al snel beantwoord. Takadaya, inmiddels vrienden met Rikord (ze slapen zelfs in dezelfde kajuit), zorgt ervoor dat er voorzichtig contact wordt gemaakt met de overgevoelige Japanse autoriteiten. Dankzij de diplomatie van Takadaya, de volhardendheid van Rikord, maar vooral dankzij het geduld, de welwillendheid en het inlevingsvermogen van de op de achtergrond opererende Golownin loopt alles uiteindelijk goed af, en worden tot ieders opluchting de gijzelaars in 1813 wederzijds vrijgelaten. De hele affaire zal de geschiedenis ingaan als ‘Het Golownin-incident’. Het onvermijdelijke afscheid nadert nu snel, en wordt door de nieuwe vrienden feestelijk gevierd met meertalige gelukswensen en ‘Leve Diana!’-uitroepen. Na zijn terugreis naar Sint Petersburg, over de inmiddels bekende Siberische vlakten, bergketens en rivieren, per koets, kar, boot, te paard, te voet, per honden- en rendierslee etc, publiceert Golownin zijn memoires, de aanleiding tot dit verhaal. Het blijken instant bestsellers. Al binnen enkele jaren verschijnen er, naast de Nederlandse, meerdere vertalingen, waaronder Franse, Engelse en Hoogduitse. Golownin wordt door Alexander I veelvoudig gedecoreerd voor zijn verdiensten voor het vaderland. Hij zal nog meerdere succesvolle Russische scheepsbouwprojecten opzetten en mentor worden van tientallen jonge zeesoldaten. Tijdens de cholera-epidemie van 1831 komt hij in Sint Petersburg te overlijden, een inmiddels gerespecteerd en geliefd marineman.

Tot zover deze korte historische schets. Hoe ontoereikend ook, ik hoop er het gulle gebaar van mijn vrienden enigszins mee terugbetaald te hebben. Wat zou het mooi zijn als Golownins Lotgevallen, te midden van ruim anderhalfduizend andere boeken over Europees-Japanse betrekkingen in de Edoperiode, hier nu snel thuisraken. Tenminste, totdat het echte leven hen vroeger of later onvermijdelijk weer mee zal voeren, naar nieuwe, ongekende avonturen.

David Apollonius Coppoolse

(Met veel dank aan Alessandro Di Meo en An Duits, voor hun kritische meelezen)
Literatuur:
Golownin, W.: Mijne lotgevallen in mijne gevangenschap bij de Japanners, gedurende de jaren 1812 en 1813. Benevens eenige aanmerkingen over het Japansche keizerrijk en het Japansche volk, en eenige bijdragen van den kapitein Rikord. Uit het Russisch volgens de Hoogduitse vertaling [van Carl Johann Schultz] door Steenbergen van Goor. Dordrecht: A. Blussé & Zoon, 1918 [-’18; twee delen; oorspronkelijk afkomstig uit de bibliotheek van de grootvader van de schenker].
Golownin, Captain R.N.: Memoirs of a Captivity in Japan 1811-1813 [intr. John McMaster]. Hong Kong [etc]: Oxford University Press, 1973 [reprint in drie delen].
Keen, D.: The Japanese Discovery of Europe, 1720-1830. Stanford, California: Stanford University Press, 1969 [herz. tweede druk, eerste druk 1952].
Krusenstern, A.J. von: Voyage Round the World in the Year 1803, 1804, 1805, & 1806. London: John Murray, 1813 [twee delen en atlas; reprint Amsterdam: Da Capo Press, 1968].
Lensen, G. A.: Report from Hokkaido. The Remains of Russian Culture in Northern Japan. Hakodate, Japan: The Municipal Library of Hakodate, 1954 [exemplaar met opdracht van de schrijver].
Ibid.: The Russian Push Towards Japan. Russo-Japanese Relations, 1697-1875. Princeton, New Jersey: Princeton University Press, 1959 [exemplaar met opdracht van de schrijver].
Otterloo, A. van: Japan, beschreven naar de nieuwste bronnen. Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1860.
Plummer, K.: The Shogun’s Reluctant Ambassadors. Portland: The Oregon Historical Society, 1991 (derde, herziene druk, eerste druk 1984].
Ramming, M.: Reisen schiffbrüchiger Japaner im 18. Jahrhundert. Berlin Lankwitz: Würfel Verlag, 1931.
Rikord: Captain Rikord’s Voyages to Japan during 1811-1813. [red. Lin Sho Doh, Japanese National Archives; CreateSpace Independent Publishing Platform [Bicentennial, Anniversary edition, April 12, 2012].
Sansom, G.B.: The Western World and Japan. A Study in the Interaction of European and Asiatic Cultures. New York: Alfred A. Knopf, 1962.
Steger, F.: De Nippon-vaarders of het wedergeopende Japan. In schetsen uit de bekendste oudere en nieuwere reizen. Leyden: A.W. Sijthoff, 1861.
Winkel, M.: Japan ziet Rusland. Een Japans schipbreukelingenverslag uit 1794. Leiden: Oosters Genootschap in Nederland, 1998.
Wolcott Brooks, Ch.: Japanese Wrecks Stranded and Picked up Adrift in the North Pacific Ocean. Fairfield, Washington: YE Galleon Press, 1964.
Geplaatst in Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

‘The object of great curiosity’

Iets over de wonderlijke ‘Pisonia’-boom van Berthe Hoola van Nooten.

‘There is in Java a tree or shrub; formerly enveloped in profound mystery and the object of great curiosity’ (Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java, Bruxelles 1863, tekst bij plaat [21], ‘Pisonia Sylvestris’)

Berthe Hoola van Nooten: ‘Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java’, eerste editie 1863 (-’64), Émile Tarlier, Bruxelles; collectie Antiquariaat Jan Meemelink, ‘s-Gravenhage

Begin januari 1863 verscheen bij de Brusselse uitgever Émile Tarlier de eerste aflevering van een groots opgezet platenboek over enkele van de mooiste bloemen en vruchten van Java, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java. Het beoogd publiek was blank, hoogopgeleid en welvarend, de prijs navenant: bij voorintekening kostte het complete boek in tien afleveringen maar liefst fl 60,-, ruim € 600,-. Wilde men het daarna aanschaffen, dan was men tien gulden duurder uit. Toch bleek de verkoop al snel een succes. Dat was vooral te danken aan de veertig kleurrijke illustraties, uitzonderlijk genoeg gemaakt door een vrouw, Berthe Hoola van Nooten. Deze in 1817 te Utrecht geboren onderwijzeres en amateurbotanica woonde destijds zelf op Java, eerst in de blanke wijk Weltevreden in Batavia, later in de zuidelijker gelegen voormalige lusthof Buitenzorg en uiteindelijk weer in Batavia, waar zij in 1892 ook zou komen te overlijden. Verantwoordelijk voor de lithografische reproducties in het boek was Guillaume Severeyns, Tarliers stadsgenoot en een van de beste botanische steendrukkers van zijn tijd. Helaas is geen enkele van Berthes originele tekeningen ooit boven water gekomen. Niemand weet dus meer hoe deze eruit zien (of -zagen), maar door de zorgvuldige manier waarop Severeyns duizenden andere reproducties vervaardigde zal hij ook dit op Java gemaakte werk natuurgetrouw hebben weergegeven. 

Anno 2019, ruim anderhalve eeuw later, zien de platen er nog altijd spectaculair uit, maar één ervan springt dubbel in het oog. Daarop worden twee plantensoorten tegelijkertijd afgebeeld, de crèmekleurige koolboom (een cultivar, Pisonia alba) en zijn stamvorm, Pisonia sylvestris (tegenwoordig P. grandis). De eerste dankt haar naam (op Java ook wel ‘kohl banda’) aan het feit dat de bladeren soms gekookt worden gegeten als surrogaat voor kool of sla. De andere valt met haar donkergroene blad misschien wat minder op, maar in folkloristisch en taxonomisch opzicht is het juist de meest fascinerende van de twee. Onder andere door het werk van Hoola van Nooten en dat van haar beroemde tijd- en eilandgenoot, de in Westfalen geboren natuuronderzoeker Franz Wilhelm Junghuhn (1809-’64), weten we iets meer over allerlei details daarvan.

Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java [Bruxelles, 1863-’64], plaat [21] (chromolithografie), ‘Pisonia Sylvestris [= P. grandis]. T[eijsmann]. et B[innendijk]. widjojo koesoema. [&] Pisonia Alba. Spink. [sic, moet zijn ‘Span.’, = Johan Baptist Spanoghe] kohl banda.’

Pisonia grandis, een stevige, struik- tot boomachtige plant (geen Nederlandse naam, in het Engels ‘Grand Devil’s Claw’), komt op meestal kleinere eilanden overal in het Maleise gebied zeer verspreid voor. Zeevogels die in kolonies broeden, zoals sternen en fregatvogels, maken bij hun nestbouw graag gebruik van de stevige takken, waardoor de bladeren en de grond daaronder vaak bedekt zijn met kostbare guano. Op Java wordt ze ook wel ‘widjojo koesoemo’ genoemd, ‘De alles overtreffende bloem’, een gezien haar bescheiden voorkomen wat wonderlijke naam die Hoola van Nooten als volgt verklaart:

In the javanese language the [Sanskriet] word widjojo is translated in the following manner: wi civilised, djojo courageous and lucky or fortunate and koesoema, means nobility, illustrious birth, high rank.

Deze etymologie slaat dus niet op de bloempjes zelf, maar op de bijzondere folklore daaromheen. Terwijl het blad van de koolboom overal op het platteland kon worden aangetroffen als goedkoop varkensvoer, werden de bloesems van de ‘widjojo koesoemo’ ooit vol eerbied gebruikt bij de officiële kroningsplechtigheden van de keizers van Solo, het huidige Surakarta. Destijds dacht men nog dat de plant uitzonderlijk zeldzaam was. In het eerste deel van zijn hoofdwerk, Java, zijne gedaante, zijne plantentooi en inwendige bouw (1850-’54), had Junghuhn al beschreven hoe de blijkbaar gescheiden groeiende vrouwelijke en mannelijke bloemen met veel moeite en met behulp van een in een wiebelige prauw geplaatste smalle ladder op twee in de Indische Oceaan liggende en vrijwel onbereikbare rotspunten (‘schedels’) op het neveneiland Noesakambangan aan de zuidkust van Java geplukt moesten zien te worden. Een uitsluitend voor die ene taak in dienst gehouden ‘inlander’ was daar verantwoordelijk voor. Als deze in dat huzarenstukje slaagde, wat bij ruwe zee sowieso onmogelijk was, werden de geurige rozewitte bloesemblaadjes met hun waaiervormige stengels (zie afbeeldingen) in wat vochtige aarde gestoken en voorzichtig op een kostbare zilveren schaal gelegd. Enkele zorgvuldig geselecteerde hoge afgezanten namen vervolgens alles mee, om na een feestelijke processie onder allerlei beschaduwende ‘verhemelten’ (baldakijnen) de nu dubbel geplukte maar nog frisse bloesems te kunnen aanbieden aan de schitterend uitgedoste, destijds nog in ‘eenen absolute heerschappij’ regerende vorst. Volgens Junghuhn mocht op straffe des doods niemand anders dan hij de als heilig vereerde ‘widjojo koesoemo’ in ontvangst nemen. Hoola van Nooten vermeldt nog dat: 

The heirs to the javanese throne therefore, felt sure of their father’s succession, as soon as the precious flower was in their possession.

Er zijn ook andere versies van het verhaal. In een daarvan is de ceremonie niet bedoeld voor de vorst, maar voor een van zijn vrouwen, meestal een jong meisje, dat, ongehinderd door allerlei politiek-correcte opwellingen, met het verorberen van de magische bloempjes geen serviele seksegenote zoals zijzelf maar juist een ooit net zo dominante man als hij ter wereld hoopte te brengen. Toch was al tijdens Berthes leven het ritueel in verval geraakt. Die teloorgang zou ook verklaren waarom geen enkele Europese tijdgenoot de sprookjesachtige gebruiken met eigen ogen gezien heeft. Alle verhalen erover, zelfs de meest uitgebreide van Junghuhn, komen uit tweede hand.

Westerse wetenschap kan net zo wonderlijk zijn als Oosterse folklore. De officiële Latijnse naam van het geslacht Pisonia, bijvoorbeeld, is gebaseerd op die van de zeventiende-eeuwse arts Willem Piso, bezorger van onder andere het botanische pionierswerk van Jacobus de Bondt, beter bekend als Bontius. Omdat Piso de originele tekst van zijn vroeggestorven collega (die jarenlang op Java had gewerkt) nogal slordig had geredigeerd leek het net alsof hijzelf verantwoordelijk was voor veel van het werk dat juist Bontius had gedaan. Wegens de gemene doorns van sommige soorten (vandaar ‘Grand Devil’s Claw’ voor P. grandis) noemde de grote Zweedse systematicus Carolus Linnaeus het geslacht Pisonia daarom naar hem, als een taxonomische steek onder water. De arme Piso zag op die manier zijn naam in 1753 postuum vereeuwigd, alleen niet als gerespecteerd botanicus, maar als onbetrouwbare letterdief.

Sydney Parkinson, Pisonia grandis, aquarel [ca 1770], Natural History Museum, London, The Endeavour Botanical Illustrations.

Pas in 1810 was Berthes Pisonia sylvestris voor het eerst officieel beschreven. Dat gebeurde door Robert Brown, de privé-bibliothecaris van Joseph Banks, op zijn beurt zo’n veertig jaar daarvoor James Cooks metgezel op diens eerste reis om de wereld. Omdat Browns typering (als Pisonia grandis) de vroegste in drukvorm is (ongepubliceerde namen, zoals op de tekening hiernaast, tellen in de taxonomie niet mee), zijn alle latere voor soortgelijke planten vervallen. De lijst daarvan is lang, zelfs voor een variabele soort. Om er enkele te noemen: Pisonia excelsa (1825), P. olitoria (1837), P. forsteriana (1842), P. morindifolia (1852), P. albaP. sylvestris (Hoola van Nooten, 1863), P. viscosa (1877), Calpidia excelsa (1913) – al deze namen  zijn ongeldig verklaard of simpelweg onopgelost gebleven. Verantwoordelijk voor dit taxonomische slagveld zijn de ingewikkelde evolutionaire verhoudingen van de Pisonia-soorten onderling. Ook Georg Rumpf (Rumphius, de beroemde zeventiende-eeuwse natuuronderzoeker op Ambon) had al een Pisonia-soort besproken (als ‘Olus album insularis’), maar zijn Latijnse namen zijn, hoewel postuum gepubliceerd, pre-Linneaans, en dus sowieso ongeldig. Het is zelfs niet uitgesloten dat de natuuronderzoekers Johann Reinhold Forster en zijn tienerzoon Georg (Cooks wetenschappelijke medewerkers op diens tweede wereldreis) bij hun beschrijving van de nauw verwante Ceodes [tegenwoordig Pisonia] umbellifera in de kleine donkere scheepskajuit van de Resolution in werkelijkheid een specimen van Pisonia grandis voor zich op tafel hadden liggen. Als destijds de twee planten inderdaad verwisseld zijn, zou alles wat er daarna over is gepubliceerd in taxonomisch opzicht op losse schroeven kunnen komen te staan. Onzekerheden als deze hebben ervoor gezorgd dat de systematiek van Pisonia met zijn tientallen soorten en honderden namen zelfs voor ervaren botanici een bijna onontwarbare kluwen is geworden.

‘Junghuhn’, frontispice (tegenover pag. 297) in Wichmann, ‘Franz Wilhelm Junghuhn’ in Petermanns Mitteilungen, deel 55 (1909)

Ook Junghuhn slaagde er niet in om de geheimzinnige plant van Noesakambangan als een Pisonia te identificeren. Tot zijn grote ergernis konden de in 1847 door een lokale informant stiekem buitgemaakte en voor nader onderzoek aan de Leidse hoogleraar botanie De Vriese opgestuurde exemplaren nergens meer teruggevonden worden. Een wetenschappelijke beschrijving, door wie dan ook, was daarmee uitgesloten. In haar florilegium vermeldt Hoola van Nooten echter dat de hortulanus van ’s Lands plantentuin te Buitenzorg, Johannes Elias Teijsmann, al in 1854 soortgelijke ‘magnifiek gekroonde bomen’ eveneens op het nabijgelegen Bali had ontdekt. Enkele specimina ervan zou hij meegenomen hebben naar Java, om ze daar te typeren als Pisonia sijlvestris (originele spelling). In zijn eigen verslag hierover beschrijft Teijsmann zijn verbazing toen hij erachter kwam dat de ooit als heilig vereerde talisman van de machtige keizers van Solo niets anders was dan een groene, overal voorkomende verwant van de doodgewone koolboom. Het raadsel rondom de ‘widjojo koesoema’ leek daarmee eindelijk opgelost. Overigens schijnt Teijsmann zich niet gerealiseerd te hebben dat Robert Brown al zo’n halve eeuw eerder onder een andere naam dezelfde plant had beschreven. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat Browns publicatie destijds ontbrak in de bibliotheek van ’s Lands Plantentuin, de enige plek in de tropen waar zo’n uitgebreide collectie natuurwetenschappelijke boeken publiekelijk toegankelijk was. Hoe dan ook, vanaf het moment dat duidelijk werd dat Teijsmanns typering uit 1855 niet de eerste was kwam ook deze te vervallen. Tegenwoordig worden de namen Pisonia sylvestris en Pisonia alba door de meeste botanici beschouwd als synoniemen van Pisonia grandis. Het geslacht Pisonia zelf behoort tot de Nyctaginaceae (bij Hoola van Nooten Nyctaginae), een kleine familie van veelal (sub)tropische en eveneens zeer verspreid voorkomende tweezaadlobbigen. 

Al deze informatie heeft Teijsmann vrijwel zeker gedeeld met Berthe. Niet alleen woonden beide tijdgenoten enkele jaren op slechts enkele honderden meters afstand van elkaar (hij op het terrein van ’s Lands Plantentuin, zij pal aan de overkant aan de Groote Postweg), het was ook in ‘zijn’ tuin dat ze in opdracht van het Indische gouvernement alle platen voor haar florilegium zou tekenen. Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat Teijsmann heeft meegeholpen bij het schrijven van de bijbehorende Frans/Engelse teksten, deze verraden namelijk een meer dan gemiddelde natuurhistorische kennis. Wie ook wat heeft gedaan, in het Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem van 1907 werd juist Hoola van Nootens Pisonia-plaat nog geroemd als een van de beste ervan, samen met de eerdere beschrijving door Junghuhn. Loftuitingen als deze laten zien dat Fleurs, fruits et feuillages het niveau van een simpel salontafelboek ver overstijgt, ook al beweerde Berthe zelf geen echte, wetenschappelijke flora te kunnen maken. Zoiets ingewikkelds leek haar meer iets voor mannen.

Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860 (collectie familie Barth)

Verrassend genoeg kan Junghuhn de eerste platen van haar werk nog in handen hebben gehad. Want juist in de korte periode (augustus 1863 – april ’64) dat hij en Berthe tegelijkertijd lid waren van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging te Batavia, kwamen daar de vroegste ‘livraisons’ van het florilegium vanuit Brussel aan. Zíjn publicaties heeft Berthe in elk geval goed gekend, want in haar bespreking van de Indiase plosso of palasa (Butea frondosa, tegenwoordig Butea monosperma, plaat achttien uit het florilegium) refereert ze daaraan. Het is zelfs mogelijk dat beide ‘totoks’ (blanke Indiërs) elkaar daadwerkelijk ontmoet hebben, tijdens een van de vergaderingen, of in de wandelgangen van het verenigingspand aan het Koningsplein. Hoe zo’n persoonlijk treffen eruit gezien kan hebben is natuurlijk gissen, maar zeker is dat twee zo totaal tegenovergestelde naturen, Berthe, de rechtlijnige christin, en Franz Wilhelm, de beruchte vrijdenker, naast botanie niet veel gemeenschappelijke gespreksstof gehad kunnen hebben zonder hun respectieve geloofsbrieven enigszins op de vlakte te houden. Van eventueel commentaar op haar werk lijkt van zijn kant helaas niets bekend. Hij is altijd veel beroemder geweest dan zij, vanzelfsprekend, maar Berthe is met haar Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone L’Île de Java de allereerste vrouw in de geschiedenis die een origineel Indisch plantenboek heeft laten publiceren. Nadat Junghuhn (de ‘De Humboldt van Java’) begin 1864 werd getroffen door dysenterie kwam hij al op 24 april van dat jaar te overlijden. Berthe zou in steeds grotere godsvrucht nog bijna dertig jaar langer leven. Ze kreeg zelfs twee nieuwe, verbeterde edities van haar botanische pionierswerk onder ogen. Dat was inclusief de eenentwintigste plaat daaruit, die van de gewone en tegelijkertijd zo wonderlijke Pisonia-boom.  

(Met, zoals altijd, veel dank aan Marcel van Dorst, An Duits en Marianne Offereins)
Hieronder de originele tekst bij Hoola van Nootens afbeelding van Pisonia sylvestris en Pisonia alba, plaat [21] uit haar florilegium (3de editie, ongedateerd, 1881); overigens vermeldt Hoola van Nooten Pisonia sylvestris als een variëteit van Pisonia alba, en niet andersom, zoals beschreven in onderhavig artikel.

(opent vergroot in apart venster)

Literatuur
Airy Shaw, H.K.: ‘On the Distribution of Pisonia grandis R. Br. (Nyctaginaceae), with Special Reference to Malaysia’,  Kew Bulletin Vol. 7, No. 1 pp 87-97. Springer Verlag for the Royal Botanic Garden, Kew, 1952.
[anon] ’Widjojo koesoemo’, Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem 1907 [pag. 134].
Blink, H.: Nederlandsch Oost- en West-Indië. Geographisch, ethnographisch en economisch beschreven. Leiden: Boekhandel en drukkerij E.J. Brill, 1905-’07 [Jacobus de Bondt (Bontius) pag. 187]. 
Brown, R.: Prodromus floræ NovæHollandiæ […]. Londini: Typis Richardi Taylor et Socii, 1810 [Pisonia grandis deel I pag. 422].
Cook, H.J.: ‘Global Economics’ in Schiebinger, L. en C. Swan (eds): Colonial Botany. Science, Commerce, and Politics in the Early Modern World. Philadephia: University of Pennsylvania Press, 2005 [Jacobus de Bondt (Bontius) pag. 106].
Forster, J.R. en G.: Characteres generum plantarum […]. Londen: White, Cadell & Elmsly, 1776 [eerste editie 1775; Pisonia [als Ceodes] umbellifera pag. 142 e.v. & plaat 71].
Gedenkboek Franz Junghuhn 1809-1909. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1910 [‘De Humboldt van Java’ pag. 23].
Hoola van Nooten, B.: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java. Bruxelles: Émile Tarlier, 1863 [-’64; tweede gecorrigeerde editie Severeyns 1866, derde geheel opnieuw gelithografeerde editie (met iets ingekorte titel) Muquardt (ongedateerd) 1881; Pisonia plaat [21]].
Junghuhn, Dr. Franz: Java, zijne gedaante, zijne plantentooi en inwendige bouw. ’s Gravenhage: C.W. Mieling, 1853-’54 [= tweede, gewijzigde druk; eerste druk als Java, deszelfs gedaante, bekleeding, en inwendige structuur, Amsterdam: P.N. van Kampen, 1850-’54] [‘Widjojo Koesoemo’ deel [1] pag. 365 e.v. en (voor Vriese) noot 7 pag. 659].
Linnaeus, C.: Species plantarum, exhibentes plantas rite cognitas […]. Holmiæ [Stockholm]: Impensis Laurentii Salvii, 1753 [eerste druk, twee delen; Pisonia pag. 1026].
Loos-Haaxman, J. de: Verlaat Rapport Indië. Drie eeuwen Westerse schilders, tekenaars, grafici, zilversmeden en kunstnijveren in Nederlands-Indië. ’s Gravenhage: Mouton & Co Uitgevers, 1968  [Hoola van Nooten pag. 44; over de professionele ‘verbetering’ van origineel tekenwerk in lithografie zie pag. 45; zie daarvoor ook Coppoolse, De Primeur. Berthe Hoola van Nooten publiceert haar Javaanse florilegium (webartikel) https://davidcoppoolse.com/2018/01/22/de-primeur-het-javaanse-florilegium-van-berthe-hoola-van-nooten-wordt-gepubliceerd/].
Mohammad, G.S.: Widjojo Koesoemo Between Tradition and Science, 1830-1939 (Master Thesis). Leiden: Leiden University, 2014.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-Indie deel XXVI zesde serie deel I 1864 [lidmaatschap Hoola van Nooten].
Nicolson, D.H. en F.R. Fosberg: The Forsters and the Botany of the Second Cook Expedition (1772-1775). Rugell, Liechtenstein: A.R.G. Gantner Verlag K.G., 2004 [Pisonia [als Ceodes] umbellifera pag. 541 e.v.].
Nissen, C.: Die Botanische Buchillustration. Ihre Geschichte und Bibliographie. Stuttgart: Hiersemann Verlags-Gesellschaft, 1951 [Severeyns pag. 233].
Pies, E.: Willem Piso (1611-1678). Begründer der kolonialen Medizin und Leibartz des Grafen Johann Moritz von Nassau-Siegen in Brasilien. Eine Biographie. Düsseldorf: interma-orb Verlagsgruppe, 1981 [Bontius pag. 33].
Pisonia albahttp://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-50097057  (als P. umbellifera)
Pisonia grandishttp://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-50097056
Pisonia sylvestris: http://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/kew-2552973
Pisonia umbellifera: http://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-22500321
Pramanick, D.D., G.G. Maiti en M.S. Mondal: ‘Taxonomic study of the genus Pisonia L. (Nyctaginaceae) in India’ in Annals of Plant Science 4.8 (2015) pp 1179-1184. 
Sirks, M.J.: Indisch Natuuronderzoek. Amsterdam: Amsterdamsche Boek- en Steendrukkerij v/h. Ellerman, Harms & Co., 1915 [o.a. Junghuhn pag. 141 e.v.].
Teijsmann, J.E.: ‘Iets over de Widjojo Koesoemo (Pisonia Sijlvestris Teijsm. Binnd.)’ in Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië uitgegeven door de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië Deel IX Nieuwe Serie Deel VI [pp 349-556], Batavia: Lange & Co., 1855.
Treub [voorwoord]: Catalogus der bibliotheek van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg. Batavia: Landsdrukkerij, 1887.
Wit, H.C.D. de: ‘A checklist to Rumphius’s Herbarium Amboinense’ in De Wit, Rumphius Memorial Volume. Baarn: Uitgeverij en drukkerij Hollandia, 1959 [Pisonia alba als ‘Olus album insularis’ pag. 446].
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

‘Oh, for a lovelier faith!’

Berthe Hoola van Nooten en haar kortstondige meisjesscholen op Java.

[…] Nadat Berthe op 12 april 18561 in Nederlands-Indië was aangekomen leken er voor haar gezin eindelijk betere tijden aan te breken. Dankzij een forse gouvernementele subsidie van fl 1500,- per maand2 (zo’n 15.000,-) slaagde ze erin al op 6 april van het volgende jaar 3 in Batavia een nieuwe meisjesschool te openen. Deze was, als vanzelfsprekend, bedoeld voor blanke meisjes, liefst ‘uit den beschaafden stand’.4 Bij de publiekelijk fel bekritiseerde5 officiële toestemming daarvoor verleend (d.d. 24 maart) kon Berthe haar ruim twintig jaar oude Wageningse ‘acte van toelating tot schoolhouderes in de Nederduitsche, Hoogduitsche, Fransche en Engelsche talen’ nog overleggen.6 Ze kreeg zelfs meer dan ze had gevraagd. Niet alleen mocht ze alle extra inkomsten voor zichzelf houden,7 de Hoofdcommissie van Onderwijs beloofde haar dat bij een geslaagde start het schoolcontract na twaalf maanden met vijf jaar verlengd zou worden.Ook Berthes gastheer, haar even succesvolle als agressieve (‘very violently indisposed’)9 halfbroer Vincent Jacob van Dolder, gaf zijn zegen aan het project, hoewel niet zonder luidruchtig commentaar op haar veronderstelde gebrek aan financiële capaciteiten.10 Eerdere plannen om te gaan wonen op een van zijn Javaanse suikerplantages kon Berthe in elk geval laten varen.11 Na alle onzekerheid over de toekomst was ze geëmotioneerd, opgelucht en dankbaar.12

Het pand waarin de school gevestigd werd, stond in de Gang Scott, een van de mooiste zijlanen van het centraal gelegen Koningsplein. Verscholen in het overweldigende groen (zie afbeelding) was daar ook de villa van Vincent Jacob te vinden. In de ruim aangelegde wijken eromheen resideerde de blanke Bataviase elite, vooralsnog in de watten gelegd door ontelbare autochtone bedienden, ‘baboes’ (Multatuli’s kindermeisjes) en huishoudhulpen. 

Woodbury & Page, Gang Scott, Batavia (albuminedruk), ca 1880 (de villa van Vincent Jacob stond rechts, op deze foto net niet te zien)

De school ging vlot van start. Vooral na verhuizing naar ‘another very large house’,13 iets verderop in de laan, groeide het aantal leerlingen snel. In dit nieuwe pand (tevens woonhuis) kreeg Berthe uiteindelijk bijna vijftig ‘Jonge Jufvrouwen’14 onder haar Nederlandse Hervormde vleugels. Dat succes kon nauwelijks onverwacht gekomen zijn, want in Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië, werd door het gouvernement al decennialang geen regulier meisjesonderwijs meer aangeboden.15 Maar ondanks die bevoorrechte positie schijnt Berthe eigenzinnig gemanoeuvreerd te hebben. Als gelovig christin (inderdaad, er bestaan ongelovige christenen) vertikte ze het bijvoorbeeld om het klassikaal Bijbellezen achterwege te laten (‘[…] with the help of God, I will never yield this point.’)16, iets wat de seculiere autoriteiten haar eerder toch uitdrukkelijk hadden gevraagd. Dat was onvoorzichtig gedacht van de subsidiante. In dezelfde buurt werkten namelijk meerdere vrouwelijke collega’s die al veel langer op een riante overheidstoelage als de hare aasden, met of zonder een flinke hoeveelheid ‘jalousie de métier’.17  Deze seksegenotes zouden nog sneller hun zin krijgen dan wellicht verwacht. Want ook al lijkt madame Hoola van Nooten née Van Dolder zich snel thuis gemaakt te hebben in de hogere kringen van Batavia ,18 op 1 januari 1859 raakte ze de royale subsidie voor haar ‘partikuliere meisjes- dag- en kostschool’ alweer kwijt,19 vierenhalf jaar eerder dan de bedoeling was geweest. De gehoopte Bijbelse zes vette jaren waren ineengeschrompeld tot een magere anderhalf en Berthe kon weer van voor af aan beginnen. Volgens haar was in juridische zin koning Willem III daar uiteindelijk verantwoordelijk voor,20 ironisch genoeg dezelfde man wiens naam later bovenaan de intekenlijst van haar Javaanse florilegium zou prijken.

Hoola van Nooten aan Dunlap, pp 14 & 15 van brief d.d. 21 september 1859 (laatst bekende brief van Berthe; © John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University; with special thanks to Simone Ballard, of the same university)

Ondanks het gebrek aan geld zette Berthe de school nog enkele maanden voort, tot minstens oktober van dat jaar. Daarna dreigden de kosten van vooral het inhuren van Europese leerkrachten definitief te hoog te worden.21 De aangeslagen ‘kostschoolderes’22  beweerde zelf dat het mislukken van haar school opzettelijk was gebeurd, inderdaad ‘in consequence of all sorts of opposition and intrigue’,23 maar vrijwel zeker had haar eigen protestantse ‘Prinzipienreiterei’ een net zo obstructieve rol gespeeld. Eindeloos zijn de klaagzangen over alle volgens haar even godenrijke als goddeloze eilandgenoten, of het nu ging om Javanen, Rooms-Katholieken, anderszins niet-evangelische christenen, Arabieren, Chinezen, Maleisiërs, Armeniërs, of, bovenal, ‘Mohammedanen’.24 Meestal werden die jeremiades gevolgd door (weliswaar wat weifelachtige) dankzeggingen aan haar eigen God, voor de troost en kracht die Hij haar ondanks alles zou weten te schenken. Maar ook Hij kon niet voorkomen dat op 18 september 1860 het pand in de Gang Scott publiekelijk werd geveild.25 Vincent Jacob, toch al sceptisch, zal alles met lede ogen hebben aangezien. Voor Berthe echter zal dat niet het zwaarste geweest zijn. Eerder had ze, waarschijnlijk door tijd- of geldnood gedwongen, haar twee tienerzonen Jacques Henri en Alphonse naar Merchiston Castle School laten sturen,26 een jongensinternaat onder Edinburgh, in het verre Schotland. Misschien was dat adres afkomstig van de veelbereisde Vincent Jacob, of verkregen via de internationale vrijmetselaarscontacten27 van haar in 1847 in New Orleans overleden echtgenoot. Hoe dan ook, voor een alleenstaande moeder als Berthe kan zo’n scheiding alleen maar hartverscheurend geweest zijn, ook al beloofde hun ‘suikeroom’ hen tijdens een van zijn Europese zakenreizen weer op te gaan halen. De toekomst van de twee jongens in het koude noorden was volkomen onzeker:

My brother, who is now in Europe, promised me to go and see them. What their future home and destiny will be, I can little see. Some how or other I can not see Java as their future home and am rather inclined to see their subsequent life will be spent in America. Java seems to be a very undesirable place, godless, teeming with lewdness and infidelity [zie bovenstaande afbeelding].28 

Wagner & Debes, Indien. Handbuch für Reisende, (Nederlandstalige) plattegrond Buitenzorg (Bogor) met paleis van de gouverneur-generaal en ’s Lands Plantentuin, Verlag Karl Baedeker, Leipzig 1914

Berthe miste hen, elke dag.29 Uiteindelijk kwam Alphonse op 23 oktober 1861 via Amsterdam dan toch terug in Batavia.30 Zijn oudere broer Jacques Henri zou zelfs nog later weer op Java aankomen. In de tussentijd (eind 1859) was Berthe met haar drie dochters naar Buitenzorg verhuisd, een kleine veertig ‘palen31 (zo’n zestig kilometer) ten zuiden van de hoofdstad. In deze voormalige blanke lusthof had ze binnen enkele maanden na aankomst opnieuw een meisjesinstituut geopend. De school, inmiddels haar zesde, was dit keer gevestigd in een eenvoudige woning aan de Groote Postweg, precies naast het gebouw van het Mijnwezen32 waarin ruim dertig jaar later de botanische bibliotheek van ‘s Lands Plantentuin gehuisvest zou worden.33 Vanuit haar voorraam keek Berthe precies uit op de westelijke zijingang van de destijds wereldberoemde hortus, aan de overkant van de straat. Daarachter, verscholen in het bos, lag het witgepleisterde paleis van de gouverneur-generaal, en verder naar het zuiden de gouvernementstuin zelf, weelderig begroeid met de mooiste bloemen, het overvloedigste fruit, het kleurrijkste groen. Haar oudste dochter Maria Philippina vond de Javaanse natuur zelfs nog indrukwekkender dan die van Brits Guyana, haar geboorteland.34 Maar hoe mooi de omgeving ook was, ze kon niet verhinderen dat de ‘opvoedings-Inrigting’35 voor jonge christelijke meisjes een grote mislukking werd. Midden 1860 moest het schooltje alweer sluiten. Voor de derde keer in haar leven vond Berthe zichzelf terug in een vreemd en exotisch land. ‘Oh, for a lovelier faith!’, had ze al eens in wanhoop geschreven.36 Wat nu te doen, als berooide weduwe? Hoe voor zichzelf en haar vijf kinderen te zorgen, in zelfs de meest nabije toekomst?

Met, als altijd, veel dank aan Marcel van Dorst, An Duits en Marianne Offereins
Noten en literatuur
♣ 1) Java-Bode 16 april 1856; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana (USA), Tulane University (LaRC)) brief d.d. 10 mei 1856; 2) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen, ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk [sic] der Nederlanden, voor den jare 1860 (1860) pag. 804; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap (zie hierboven), brief d.d. 10 maart 1857; 3) Java-Bode 1 april 1857; ♣ 4) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 804; ♣ 5) Voor de publiekelijke aanvallen op Berthes school zie bijvoorbeeld De Indische Schoolbode No. 7. Julij. A.1858 inclusief het vervolg daarop, ibid., No. 8 Augustus. 1858 en ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 804; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 6) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 805 (‘bij besluit der Hoofdcommissie van Onderwijs’); ♣ 7) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 7 september 1856 en ibid., brief d.d. 10 mei 1857; ♣ 8) Ibid., brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 9) Ibid.; ♣ 10) Ibid.; ♣ 11) Ibid., brief d.d. 7 september 1856; ♣ 12) Ibid., brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 13) Ibid.; dit nieuwe onderkomen was eigendom van de heer Eilbrechts, zie Java-Bode woensdag 1 April 1857; overigens werden destijds in Batavia nog geen huisnummers gebruikt, zie De Haan, Oud Batavia (1922) Deel 1 § 772; ♣ 14) Java-Bode 1 april 1857; ♣ 15) Brugmans, Geschiedenis van het onderwijs in Nederlands-Indië (1938) pp 108-113 en De Haan, Oud Batavia (1922) Deel 2 § 1415; voor de periode daarvòòr zie ook Taylor, Smeltkroes Batavia (1988) pag. 113 e.v.; ♣ 16) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 17) De Indische Schoolbode No. 8. Augustus 1858; ♣ 18) Zie bijvoorbeeld Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 7 september 1856; ♣ 19) Algemeen verslag van den staat van het schoolwezen in Nederlandsch-Indië (1859) pag. 19; ♣ 20) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 21) Ibid., brief d.d. 21 september 1859; ♣ 22) De Indische Schoolbode No. 8. Augustus 1858; ♣ 23) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 21 september 1859; ♣ 24) Ibid., brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 25) Java-Bode 12 september 1860; ♣ 26) Merchiston Castle School Register voor het jaar 1859 pp 35 en 38; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 21 september 1859; ♣ 27) Ibid., brief d.d. 11 november 1854; ♣ 28) Ibid., brief d.d. 21 september 1859; ♣ 29) Ibid., brief 9 december 1859; ♣ 30) Java-Bode 26 oktober 1861; ♣ 31) Huyssen van Kattendijke (Met prins Hendrik naar de Oost (2004) pag. 258) noemt een aantal van zesendertig palen, Van de Velde (Gezigten uit Neêrlands Indië (1844-’45) pag. 10) negenendertig; ♣ 32) Bataviaasch Handelsblad 3 oktober 1860; ♣ 33) Burck, ‘Het herbarium en museum’ in Treub, ‘s Lands Plantentuin te Buitenzorg (1892) pag. 221; ♣ 34) Maria Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 9 mei 1857; ♣ 35) Bataviaasch Handelsblad 3 oktober 1860; ♣ 36) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 januari 1855 
Geplaatst in botanie, Reizen | Een reactie plaatsen

Een onverwachte vondst.

‘[…] it is a story just naturally full of footnotes and asides.’ (Anderson, Plants, Man and Life pag. 16)

Amersfoort, april 2004, veertien jaar geleden. Het is een vroege, zonnige voorjaarsdag. Ik scharrel wat rond in antiquariaat ’t Ezelsoor. Het loopt tegen sluitingstijd, er wordt vriendelijk gevraagd het pand te verlaten. Nog even en ik sta weer buiten. Op het laatste moment trekt een op de grond liggende stapel oud papier mijn aandacht. De deur blijft open, op een kier. De boekverkoper kijkt op zijn horloge. Ik loop terug, kniel voorzichtig en bekijk de warhoop wat zorgvuldiger. Al bij de lichtste aanraking ervan dwarrelen wolken verpulverd papier de winkel in, glinsterend in het licht van de late, nog warme middagzon. Fragmenten verdroogd leder worden zichtbaar, stukken linnen, vergulde rugletters en snippers met inktzwarte kapitalen, verstrooid tussen de overblijfselen van iets dat lijkt op een oud boekwerk. Op een half gescheurd titelblad zijn nog een jaartal (1863) en wat Franse woorden te onderscheiden, zoals ‘Fleurs’, ‘feuillages’ en ‘Bruxelles’, Vlak daarnaast doemt een exotisch klinkende naam op, ‘Île de Java’, gevolgd door een Bijbelcitaat over de legendarische rijkdommen van koning Salomo, en ook de opvallende naam van een mij onbekende vrouw, ’Madame Berthe Hoola van Nooten’. Zorgvuldig zoek ik verder.

‘Poinciana Regia’ (= Delonix regia, vlam- of pauwenboom), plaat [37] uit Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java [Bruxelles, 1863-’64]

Dan, plotseling, vanuit het donker, komen tientallen afbeeldingen van uitheemse bloemen en vruchten tevoorschijn, kleurrijk, levensecht, sprankelend getekend, bijna tastbaar, gedrukt op zo te voelen steviger en dus beter bewaard gebleven losse vellen papier. Ik ben sprakeloos. De stoffige stapel op de vloer blijkt het restant van een originele negentiende-eeuwse foliant, een heuse papieren bloemenschat. Bananen, vlambomen, palmen, gemberbloesems, papaja’s, mango’s – al bladerend kom ik de ene na de andere tropische plantensoort tegen. Fantasieën van een paradijselijk eiland in koloniale tijden zweven voorbij, van woeste kusten, onherbergzame binnenlanden en adembenemende vergezichten, uitgestrekte oerbossen vol onontdekte botanische zeldzaamheden. Kan het boek daar vandaan komen? Ik schrik op. De antiquaar tikt me tegen de schouder, en daarmee uit mijn dagdromen. De winkel gaat sluiten. Ik besluit de onverwacht gevonden bibliofiele restanten zo snel mogelijk mee naar huis te nemen. Eenmaal buiten gekomen word ik steeds nieuwsgieriger. Wie is Berthe Hoola van Nooten? En wat voor prachtigs heb ik eigenlijk van haar in handen gekregen? Een lange ontdekkingsreis begint…

Literatuur
Anderson, E.: Plants, Man and Life. Berkeley / Los Angeles: University of California Press, 1967 [eerste druk 1952]
Hoola van Nooten, B.: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et pomone de L’Île de Java. Bruxelles: Émile Tarlier, 1863 [-’64]
(Antiquariaat ’t Ezelsoor bevindt zich in Amersfoort Achter de Arnhemse Poortwal op nummer 21)
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

De primeur.

Berthe Hoola van Nooten publiceert haar Javaanse florilegium.

To open the great book of nature […]’ (Hoola van Nooten, ‘Preface’ in Fleurs, fruits et feuillages)

Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages [etc], omslag eerste livraison eerste editie, Bruxelles 1863; © Bijzondere Collecties UvA

In 1863 was het eindelijk zover. Vanaf dat jaar liet Berthe een eigen Javaans plantenboek verschijnen. Ze is daarmee, voor zover bekend, de eerste vrouw in de geschiedenis. Volgens de gedrukte data op de losse omslagen van een bewaard gebleven oningebonden exemplaar1 kwam de eerste aflevering met vier platen van het florilegium in januari van dat jaar te Brussel uit. Nog vòòr het einde van 1863 werden de vijf daaropvolgende gepubliceerd, terwijl de laatste vier afleveringen pas in de loop van 1864 zouden verschijnen. Op de officiële titelpagina is deze informatie overigens niet terug te vinden. Het project van veertig grote kleurplaten moet, los van de lange duur, sowieso een kostbare gok zijn geweest. Toch bevatte het fonds van uitgever Émile Tarlier meerdere soortgelijke titels. De Belgische botanicus De Puydt (die in 1880 te Parijs een omvangrijk orchideeënboek zou laten verschijnen) publiceerde hier bijvoorbeeld zijn eveneens schitterend geïllustreerde plantenkashandleiding Traité theorique et pratique de la culture des plantes de serre froide – orangerie et serre tempérée des jardiniers (ca 1862). Volgens het titelblad van Berthes florilegium was Tarliers bedrijf gevestigd op nummer vijf in de Montagne de L’Oratoire (Oratoriënberg), in de toenmalige Faubourg de Louvain, tegenwoordig Saint-Josse-ten-Noode. De wijk  is nog altijd de kleinste maar drukst bewoonde buurt van Brussel. Wat verder naar het westen liggen de sierlijke, Sanssouci-achtige kassen van de in 1826 aangelegde Kruidtuin (Botanique), vol met plantensoorten die daar vanuit de hele wereld naartoe gezonden waren. Iets noordelijker, in de Rue de Liekerke, bevond zich de werkplaats van Tarliers belangrijkste lithograaf, Guillaume Severeyns, lid van de Académie royale de Belgique. Geboren in 1830 als Guillaume Albert Charles (abusievelijk ook wel Georges genoemd), was hij zelf de zoon van een bekende steendrukker, Guillaume Michel Corneille Severeyns (1804-’65).2 Al op vierentwintigjarige leeftijd had deze een lithografische studio opgericht. In het bedrijfspand in de Brusselse Rue de Schuddebeek waren uiteindelijk zo’n dertig steentekenaars in dienst. Vader en zoon werkten op zeker moment zo intensief samen dat het vrijwel onmogelijk is om hun identiek gesigneerde platen (‘G. Severeyns’) uit elkaar te kunnen houden, ook al schijnt Severeyns junior in zijn manuscripten ter onderscheiding ‘fils’ aan zijn naam toegevoegd te hebben.3 Duizenden platen moeten ze samen hebben gemaakt, en toch is er nauwelijks iets over hen bekend. Zelfs de sterfdatum van de jonge Guillaume is tot nu toe niet boven water gekomen.4

Ook in Batavia stonden steendrukpersen,5 zoals die van het Lithografische Établissement van het Topografische Bureau.6 Maar deze lijken vooral gebruikt te zijn voor cartografische overheidsopdrachten, of voor het maken van bijzondere tropische landschapsgezichten, zoals afbeeldingen van ‘vuurbergen’7 (vulkanen). ‘s Lands Plantentuin bezat zelfs een eigen drukkerijtje.8 Dat Berthes aquarellen dan ook niet in Batavia of Buitenzorg, maar in Brussel werden gedrukt, was te danken aan Guillaume Severeyns’ opvallende tekenkwaliteiten. Samen met zijn vader ging hij door voor misschien wel de beste botanische lithograaf van zijn tijd.9 Berthe heeft dan ook veel geluk gehad dat juist zij haar werk wilden reproduceren. Later zou Severeyns alle lithografische stenen overnemen van Émile Tarlier, om in 1866 Fleurs, fruits et feuillages onder zijn eigen naam en enigszins bewerkt opnieuw uit te kunnen geven. Het Duitse ‘Verschlimmbesserung’ is een verrukkelijk woord: naast alle daarbij op de steen gecorrigeerde oude tekstfouten maakte hij bijna net zoveel nieuwe.10 De veertig originele, met de hand geannoteerde en van een uitgebreid kleurennummer-systeem voorziene losse vellen van de eerste editie die daarvoor als monsters werden gebruikt bevinden zich nog altijd in het bezit van Berthes Nederlandse nazaten. Elk blad is door zowel Severeyns –père of fils– als zijn drukker Van Goethem geparafeerd en voorzien van precies dezelfde handgeschreven tekst en signaturen:

Vu et approuvé Comme type pour exécution conforme / Suivant Convention de Cejour, quinze Mai Mille / huit Cent Soixante Cinq. [M.?] Van Goethem / G. Severeijns’.

Hoola van Nooten, ‘Sterculia Nobilis’ (= Sterculia monosperma); door zowel lithograaf Severeyns als drukker Van Goethem geannoteerde en geparafeerde proefplaat (1865) van de eerste druk (1863-’64) van Fleurs, fruits et feuillages (plaat [11]), bedoeld voor de tweede editie van 1866; bezit familie Barth

De combinatie van genummerde kleurcodes daarentegen is voor elke plaat specifiek. Welke druktechnische aanwijzingen daarmee bedoeld worden lijkt niet meer te achterhalen, net zo min als via welke wegen alle losse bladen tenslotte bij Berthes familie in Amsterdam zijn terechtgekomen. Ondanks de enorme geografische omweg moeten deze na ‘gebruik’ toch zijn opgestuurd naar Batavia, om later door Berthes kinderen of kleinkinderen weer meegenomen te worden naar Nederland. Maar één ding is zeker. Het stuk voor stuk bekijken, controleren, annoteren, corrigeren en uiteindelijk dubbel goedkeuren van alle veertig chromolithografieën laat zien dat het uitgeven van Fleurs, fruits et feuillages ook voor deze tweede editie een prestigieus project was.11 Als er van de eerste editie zo’n driehonderd exemplaren verkocht waren à  fl 60/70,- , dan moet de totaalopbrengst daarvan al gauw fl 19.500,- (195.000,-) bedragen hebben, een enorme som. De opbrengst van de tweede editie à fl 85,- zal nog hoger geweest zijn, namelijk fl 25.500,-, dus zo’n 255.000,-. Wat uitgevers als Tarlier, Severeyns en later Muquardt daaraan financieel overgehouden konden hebben is eveneens niet bekend, maar voor een handarbeider was de rekensom snel gemaakt. Om één livraison à fl 7,- van Berthes Javaanse bloemenboek te kunnen betalen moest hij een volle week werken.

De door Berthe gemaakte tekeningen zijn tot nu toe niet getraceerd. Maar er is wel een goed beeld te krijgen van Severeyns’ capaciteiten als lithograaf door enkele uitzonderlijk bewaard gebleven andere aquarellen te vergelijken met de platen die hij daarnaar op steen heeft overgebracht. Dit geldt bijvoorbeeld de originele tekening en bijbehorende lithografie van Tecomanthe dendrophila, een tropische trompetboomachtige die in 1849 voor het eerst officieel beschreven was door de Leidse botanicus Blume, in diens vierdelige Rumphia.12 Overigens zal Berthe dit prachtig geïllustreerde werk goed gekend hebben, het stond in elk geval al sinds de publicatie ervan op de planken van de bibliotheek van ’s Lands Plantentuin.13 Uit een snelle vergelijking van de twee Tecomanthe-afbeeldingen  wordt meteen duidelijk dat Severeyns in staat was om zowel de grootste botanische structuren als de kleinste technische details van transparante aquarellen natuurgetrouw (en eventueel in spiegelbeeld) op steen te reproduceren, inclusief fraai verkleurde, aangevreten of afgestorven plantendelen.

Links: W.J. Gordon (zie Haks en Maris, Lexicon of Foreign Artists pag. 102), ongetiteld, ongedateerd, Tecomanthe dendrophila, aquarel, eerste helft negentiende eeuw; Naturalis Biodiversity Center illustratie 32018; rechts: ‘Dendrophila trifoliata‘ (= Tecomanthe dendrophila), handgekleurde lithografie van Severeyns in Blume, Rumphia. Tomus quartus (1849; plaat 190), Naturalis Biodiversity Center illustratie 111725

Als dit representatief is voor al zijn tekenkunst, dan moeten, omgekeerd bekeken, die van Berthe eveneens van een hoge kwaliteit zijn geweest. Uit deze vergelijking blijkt ook dat de uitvergrote bloemonderdelen aan de onderkant van de platen uit haar florilegium misschien niet door Berthe zelf waren vervaardigd, maar dat Severeyns die toevoegde, of liet toevoegen, wellicht door een professioneel botanicus. Anatomische details als deze lijken het verschil tussen Hoola van Nootens bloemenboek en een echte, wetenschappelijke flora wel heel erg klein te maken. In elk geval verdampten Tarliers eventuele verkoopzorgen al snel. De publicatie van Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java in 1863/’64 was een groot succes, artistiek en commercieel. Dat gold niet alleen het grote publiek in Nederlands Indië. Ook bekende botanici in Europa, zoals F.A.W. Miquel en C.A.J.A. Oudemans, waren onder de indruk. Volgens het voorwoord van de tweede editie uit 1866 zou gouverneur-generaal Sloet van de Beele daarnaast maar liefst fl 2000,- (zo’n 20.000,-) aan de eerste hebben bijgedragen. Dit royale gebaar, gemaakt namens de Indische regering en voldaan na afronding van het werk in 1864,14 was ongetwijfeld mede te danken aan Berthes opvallende sociale vaardigheden. De titelpagina van het florilegium was overigens minder verrassend. Deze bestond uit de typisch  negentiende-eeuwse mengelmoes van kleine, grote, dikke, dunne, nauwelijks gespatieerde romeinse karakters en industrieel ogende schreeflozen en schaduwschriften. Des te indrukwekkender waren de veertig daaropvolgende ‘kromolitografieën’15 van Berthe c.q. Severeyns. Na het mislukken van haar meisjesschool in Batavia hoopte de vrome weduwe hiermee misschien geen hemelse vruchten, maar dan toch wat broodnodige aardse pecunia te kunnen oogsten. [wordt vervolgd]

(met veel dank aan de familie Barth, Marcel van Dorst, An Duits, Marianne Offereins en Johan de Zoete)
Noten
♣ 1) Bijzondere Collecties UvA; ♣ 2) Flores-Villela, Bour en Adler, ‘Publication history of the Mission scientifique au Mexique [etc]’, Revista Mexicana de Biodiversidad, vol. 87, núm. 3, septiembre [2016] pp 1162-1167♣ 3) Ibid.; ♣ 4) Het schijnt dat in 1898 de ‘l’imprimerie Severyns’ (eerder gevestigd in de Rue de L’Union 10, maar later ‘au 181 rue de Progrès près de la gare du Nord à Bruxelles’) werd overgenomen door de bekende affichedrukker Goffart, zie Gasnier, Les affiches publicitaires d’alcool [2006] pag. 301; ♣ 5) De eerste was al in 1828 geïnstalleerd en stond in de Parapatandrukkerij, in de wijk met die naam, zuidoostelijk van het Koningsplein, zie De Haan, Oud Batavia Gedenkboek II [1922] pag. 286 noot 1; ♣ 6) De drukpersen van het Topografische bureau te Batavia (vallend onder de Genie) hadden al in de jaren ‘50 van de negentiende eeuw concurrentie gekregen van geïmporteerde persen en nieuwe ‘steenen’, zie bijvoorbeeld Verslag van het beheer en den staat der Nederlandsche bezittingen en kolonien in Oost- en West-Indië en ter kust van Guinea over 1853 [1858] pag. 40 – zie ook Merrillees, Batavia in Nineteenth Century Photographs [2010] pp 266 en 267; ♣ 7) Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië. Uitgegeven door de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië. Deel VII. Nieuwe Serie. Deel IV [1854] pp 478-479; ♣ 8) Haeckel, Uit Insulinde [1902] pag. 80; ♣ 9) Nissen, Die Botanische Buchillustration [1951] pag. 233; ♣ 10) Voor het contemporaine corrigeren van drukproeven zie bijvoorbeeld Van der Meulen, Boekhandel en bibliographie [1883] pag. 136 e.v.; ♣ 11) Een wellicht vergelijkbaar begrotelijk project betrof Buffa & Zonen’s topografische platenalbum Java (1865-’72) met vierentwintig lithografieën van Johan Greive naar schilderijen en tekeningen van Abraham Salm – dit werk (overigens net als Fleurs, fruits et feuillages op speciaal watermerkloos Bristol papier gedrukt) werd aangeboden voor fl 96,-, een bedrag dat eerder blijkbaar ook voor Buffa een ‘heavy investment’ had betekend, zie Bastin en Brommer, Nineteenth Century Prints and Illustrated Books [1979] pag. 44 e.v.; ♣ 12) Blume, Rumphia [1835-’48] Tomus quartus tab. 190 (als Dendrophila trifoliata); ♣ 13) Treub, Catalogus der bibliotheek van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg [1887] pp iv en 39; ♣ 14) Verslag van het beheer en den staat der Oost-Indische bezittingen over 1862. Geleidende Brief. No 1. Zitting 1864-1865. XCVIII. 29 Maart 1865. No. 3 [1865] pag. 122; ♣ 15) Ibid.
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , | 4 reacties