Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (5)

Letters, poëzie en perkament 

Voor Alessandro Di Meo

De Schelde

En deze is bleek en licht, bewust en breed van borst
en in haar leen’ge greep hutselt zij zon en vorst.
En die heeft uitgestald tusschen haar sombre zoomen
een tuin, waarin de maan kan sprankelen of droomen
[…].1

Ach, heerlijk, zulke poëzie, maar wie leest die tegenwoordig nog? Natuurlijk, wie schrijft, die blijft, en wat blijft, dat stiften die Dichter, maar voor alle aardse stervelingen die geen Hölderlin zijn, geldt vroeger of later hetzelfde, onverbiddelijke adagium: ‘Sic gloria transit mundi’, ‘Zo vergaat de roem van de wereld’. Het werk van iemand als Emile Verhaeren, bijvoorbeeld, maker van bovenstaande verzen, wordt nauwelijks meer gelezen. Men vindt het al snel te ouderwets, te larmoyant. Voor de Noordelijke Nederlanden is dat sowieso niet vreemd: na het onverwachte overlijden van de Vlaming in 1916 duurde het precies honderd jaar voordat er een fatsoenlijk vertaalde selectie uit zijn Franstalige poëzie werd gepubliceerd. Toch was ook Verhaeren ooit wereldberoemd. Onder zijn vele vrienden bevonden zich kunstenaars als Ensor, Rilke, Maeterlinck, Rodin, Stefan Zweig en Henry Van de Velde. Zijn poëzie werd in allerlei Europese talen uitgebracht, publiekelijk gedeclameerd, veelvuldig geïllustreerd en van moderne muziek voorzien. In 1911 greep hij net naast de Nobelprijs voor Literatuur (die ging naar een land- en taalgenoot, Maurice Maeterlinck). Nog veel later, in 1966, vond een bezorger van zijn gedichten dat deze getuigden van een ‘wilde, oerkrachtige originaliteit’, terwijl een andere liefhebber de ‘overweldigende zinnelijkheid’ en ‘exuberante levensgulzigheid’ ervan roemde. Van loftuitingen als deze kon Verhaeren in zijn jongere jaren alleen maar dromen. Tot zijn veertigste leed hij regelmatig aan verlammende depressies, of, zoals het destijds heette, neurasthenie, een gemoedsgesteldheid die Gerard Reve-liefhebbers ongetwijfeld nog kennen van De Cocks De kleine neurasthenicus uit 1922. Dat al te fijne gevoelen sijpelde, behalve in absint, het liefst door in zwarte, zwaarmoedige, inderdaad gedateerde, maar ook heerlijk zwelgende gedichten, gebloemleesd in bundels met titels als Les Soirs (1888), Les Débâcles (1888) en Flambeaux noirs (1891). Ze laten zien hoezeer Verhaeren geïnspireerd werd door de toenmalige ‘poètes maudits’, met rebellen zoals zijn vriend Mallarmé, en Verlaine en Rimbaud.

[…] Mijn vingers die me, op deze gure avond, schrijven                                                                En – alle tien – op mijn borstkas zullen verstijven,                                                                 Wanneer het door een stalen kist wordt stukgesmakt,                                                                  Dit walgelijk karkas dat nu al knakt.2

Later, toen hij de liefde van zijn leven tegenkwam en toch maar besloot gewoon te trouwen, ging het steeds beter met hem. Zijn zwartgalligheid verdween, allerlei levenslustige poëzie borrelde op. Hij werd ook steeds deugdzamer. Op het einde van zijn leven was hij van een anarchistisch angehauchte en soms opiumsnuivende neurasthenicus omhooggevallen naar een nuchter, alom gerespecteerd, veelvuldig gelauwerd, nationalistisch en openlijk koningsgezind Hofdichter. Een postuum ontworpen praalgraf vormt de gemarmerde bekroning van zijn roem, een niet ongebruikelijk lot van nogal wat voormalige ‘enfants terribles’.

[…] De liefde…O! zij worde’ uit-eindelijk
De een’ge zin in ’t eenigst helder schouwen
Voor ons, die dwaas …wier dronkene geluk                                                                                      Is dronken zijn van wederzijds vertrouwen.3

Toch vormt Verhaerens poëzie niet de reden tot het schrijven van dit artikel. De aanleiding daartoe is een heel andere, en heeft niet zozeer met de inhoud, maar met de vorm ervan te maken (een onderscheid dat een dichter als Nabokov overigens belachelijk zou hebben gevonden). Als de verzen van Verhaeren nu nog genoten worden, dan is dat vaak om hun uiterlijk, hun bibliofiele kwaliteiten, en van sommige edities kunnen die inderdaad spectaculair zijn. Het verhaal achter een van de mooiste daarvan begint in de stad Luik. Daar werd rond 1929 de Union liégeoise du Livre et de l’Estampe opgericht, een bibliofiel genootschap dat uit slechts vijfenzeventig (als vanzelfsprekend mannelijke) leden bestond. De voorzitter was Adrien de Mélotte de Lavaux, een cultureel geïnteresseerde bankier die zich wilde afzetten tegen de aloude, maar volgens hem veel te trage en ouderwetse Société des Bibliophiles liégeois. Al in het jaar daarop publiceerde de Union met behulp van de industrieel Alfred Dieudonné Ancion een bundel met achtendertig van de voor hen mooiste gedichten uit het werk van Verhaeren. De uitgave betrof geen gewone oplage, maar, noblesse oblige, een zeer beperkte, begin januari 1930 gepland in 81, eind december van dat jaar vermeerderd tot 83 exemplaren. Volgens het colofon werden er 76 in gewone vorm uitgegeven, dat wil zeggen, gebrocheerd, dus met een relatief kwetsbare ‘slappe kaft’. Eén daarvan werd gereserveerd voor de toenmalige moederorganisatie van de Union, de Luikse Société libre d’Émulation. Het is lastig te zeggen hoeveel exemplaren er anno 2019 nog over zijn. Los van onbekende aantallen in privé-verzamelingen, vermeldt de wereldomvattende WorldCat.org er nauwelijks tien. Naast deze toch al zeldzame ‘gewone’ en van 0 t/m 75 genummerde exemplaren, blijken er ook zeven ongenummerde te bestaan, specifiek op naam gesteld van de betreffende ‘collaborateurs et d’exposition’. En alsof dat niet uitzonderlijk genoeg is, moet er van deze zeven ooit minstens één in glanzend, crèmekleurig volperkament gebonden zijn, want juist zo’n exemplaar heb ik hier nu in mijn handen.Het exemplaar blijkt bedoeld voor Le Mercure de France, de Parijse uitgever van het gelijknamige literatuurtijdschrift. De eigenaar ervan, Alfred Vallette, was niet alleen een jeugdvriend van Verhaeren geweest, maar tevens de belangrijkste bezorger van diens werken. Deze jarenlange band met de dichter en zijn werk verklaart dan ook waarom Vallette zich in 1930 intensief bemoeide met de postume publicatie van diens Poèmes, met als dank dit door hemzelf daarom verzochte exemplaar. Hoewel uitgegeven in Luik, is het gedrukt in Haarlem. Dat klinkt onpraktisch, maar in die stad bevond zich destijds de firma Joh. Enschedé en Zonen, wereldvermaard om haar klassiek verzorgde drukwerk. Geschreven door Verhaeren, gedrukt door Enschedé, uitgegeven door de Luikse bibliofielen, maar wie heeft Poèmes dan ontworpen? Het colofon is weliswaar anoniem, de majestueuze vormgeving ervan draagt onmiskenbaar de naam van haar maker: Jan van Krimpen, destijds ‘huisontwerper’ van Enschedé. Deze in Gouda geboren Haarlemmer zou al snel daarna een van de beroemdste typografen van zijn tijd worden. De 1930-‘Verhaeren’, uitgekomen in december van dat jaar, is waarschijnlijk de laatste publicatie uit diens zelfbenoemde ‘Early period’, en tevens een van de mooiste voorbeelden van vroeg-twintigste-eeuwse ‘typographie pure’. Het gebruikte lettertype is Van Krimpens eigen Lutetia (oude versie). Dit klassieke ontwerp was in 1925 op verzoek van uitgever A.A.M. Stols ingezonden voor de wereldtentoonstelling te Parijs, vandaar de naam. Al eerder had Van Krimpen een in de Lutetia gezette tekst over Verhaeren vervaardigd. Dat betrof Paul Valéry’s Discours sur Émile Verhaeren, in 1928 op ‘Japans’ (een papiersoort) gedrukt in 320 exemplaren bij Stols te Maastricht. De tekst was geschreven voor de inauguratie van een buste van Verhaeren op Square André-Lefèvre, midden in het Parijse Quartier Latin. In 1929 verscheen nog het eveneens door Van Krimpen gezette openingswoord voor een Enschedé-tentoonstelling in het stadspaleis Ansembourg te Luik, Discours prononcé à la L’Inauguration de l’Exposition Joh. Enschedé en Zonen de Haarlem au Musée d’Ansembourg à Liège. De tekst was niet alleen geschreven, maar eerder ook uitgesproken door De Mélotte, de al genoemde oprichter van het Luikse bibliofielengenootschap. Kennelijk waren Van Krimpens sociale vaardigheden toen al berucht: op de opening van de tentoonstelling scheen hij zich wegens een door De Mélotte nogal ironisch verwoord ‘sentiment exageré de délicatesse’ verhinderd gevoeld te hebben zelf te komen praten. Ondanks dit soort kittelorig gedrag zullen Van Krimpens Luikse contacten ervoor gezorgd hebben dat hij in het jaar daarop bij Enschedé de prestigieuze Poèmes kon vormgeven.

[…] Hoe goed is ’t werk bij ’t raam, geheven,                                                                                     De schaduw van het bladerbeven                                                                                                       Ent wandelende zonnezwier                                                                                                           Op ’t vermiljoen papier.4

Iedereen die zo gelukkig is om een Poèmes-blad in het echte, stralende ‘zonnezwier’ te mogen houden, zal kunnen zien dat het papier ervan speciaal voor de uitgave is vervaardigd. Eén van de twee watermerken bevat namelijk het strak ontworpen logo van de Union liégeoise du Livre et de l’Estampe, U.L.L.E. (het andere geeft een gestileerde Jezus-kop weer). Het stevige, onafgesneden papier zelf is afkomstig van de beroemde Engelse firma J. Barcham Green. Daarnaast zijn de initialen van alle afzonderlijke gedichten zorgvuldig in druk gerubriceerd (in rood opgemaakt), zoals ooit in middeleeuwse manuscripten door kopiisten met de hand werd gedaan. Op de rug en het voorplat van de forse band (32 x 25 cm) is in zwarte inkt de titel gedrukt, iets wat bij een relatief hard en glad materiaal als perkament niet vaak voorkomt (het resultaat is dan ook geen onverdeeld succes). Alles bij elkaar moet de uitgave een prijzige aangelegenheid zijn geweest. Alleen al aan auteursrechten betaalde de Union ff 2400,- aan de weduwe van Verhaeren, zo’n anderhalfduizend euro. Maar echte bibliofielen laten zich niet kennen: als om de futiliteit van dat soort pecuniaire verplichtingen onverbloemd te laten, of zelfs te benadrukken, zijn twintig van de eerste en laatste pagina’s van de kostbare vellen Barcham Green-papier geheel onbedrukt gebleven. Een zee van maagdelijk wit is het resultaat. Ware bibliofilie kun je zelfs horen: bij het voorzichtig omslaan ervan ruisen en ritselen de ongerepte bladen… Volgens Jan van der Marck, de bekende, in 2010 overleden verzamelaar van typografische rariora, was de 1930-Poèmes dan ook een van de ‘favourite’ titels uit zijn toch al rijke collectie. Maar het kan nòg bibliofielerer, zoals Alice gezegd zou hebben: in het Noord-Hollands Archief te Haarlem wordt een exemplaar van Poèmes bewaard dat weliswaar ongenummerd is en dus tot de kleinste oplage behoort, maar toch in de eenvoudige papieren omslag is gestoken, wat betekent dat mijn eigen, ooit voor Le Mercure de France in perkament gebonden exemplaar daadwerkelijk uniek kan zijn.Uniek of niet, het blijft een wonder dat ik zo’n spectaculair boek in mijn handen mag houden. Dat geluk dank ik trouwens niet aan mijzelf. Eén van mijn vrienden, een jonge freelance postbezorger, wist kortgeleden juist dit exemplaar op te sporen, te verwerven, en vervolgens franco bij mij thuis af te leveren – een opmerkelijk staaltje postale dienstverlening. Dit artikel is dan ook in grote dankbaarheid aan hem opgedragen. Er wordt tegenwoordig nogal eens geklaagd dat er in de zèlf steeds schaarser wordende antiquariaten of op het alsmaar uitdijende en dus oneindig verdunnende internet niets moois meer te ontdekken zou zijn. Ach, het is gemakzuchtig geklets, en, ondanks het piepjonge internet, van alle tijden. Want als er, los van onbetaalbare vriendschap, anno 2019, zomaar, tussen alle drukke dagelijkse werkzaamheden door, voor een relatieve spotprijs zoiets zeldzaams als een originele, ooit in Haarlem op Engels handgeschept papier gedrukte, in Luik uitgegeven, naar Parijs meegenomen of daarheen opgestuurde en via allerlei obscure wegen tenslotte in de provinciestad Amersfoort terechtgekomen Van Krimpen-‘Verhaeren’ uit 1930 met glinsterend filigrein bedekte schutbladen (zie afbeelding) in perkamenten platten te vinden is, wat voor prachtigs wacht er dan verder nog op ontdekking in deze wereld, die, zoals de laatst overgebleven Verhaeren-lezers weten, altijd vol van schatten is, als men die maar durft te ontwaren…

[…] De hele wereld is de tuin van de Hesperiden                                                                      Waar men tussen getorste bomen, eeuwenoud,                                                                                Met driftige armen en met handen lucide                                                                                          De kracht, de kennis plukt, de wil, het goud.5

David Apollonius Coppoolse

(Met dank aan An Duits voor haar altijd zinnige kritiek en eindeloze geduld, aan Barteline Swilders voor haar nauwgezette taalkundige adviezen, aan Uitgeverij Lannoo voor haar toestemming de fraaie vertalingen van Koen Stassijns te mogen gebruiken, aan het Noord-Hollands Archief te Haarlem voor het ter beschikking stellen van de correspondentie tussen Vallette, De Mélotte en Messieurs Joh. Enschedé en Zonen, en aan de immer hulpvaardige Johan de Zoete, voormalig conservator van de Collectie Kon. Joh. Enschedé, voor het mij attent maken op deze briefwisseling.)
p.s. Bij het ‘ter perse’ gaan van dit artikel bleek dat Verhaeren, in elk geval in Vlaanderen, toch niet vergeten is: bij de Leuvense uitgeverij P verschenen kortgeleden maar liefst twee vertaalde dichtbundels van hem, Prille liefdes en Heerlijk lijf; inmiddels zijn bij deze onvolprezen poëzie-uitgever zes complete Verhaeren-titels in het Nederlands verkrijgbaar.
Noten:
♣ 1) ‘De Schelde’ (‘L’Escaut’): ‘Et celui-ci puissant, compact, pâle et vermeil, / Remue, en ses mains d’eau, du gel et du soleil; / Et celui-là étale, entre ses rives brunes, / Un jardin sombre et clair pour les jeux de la lune […].’, uit Les héros (1908), vert. Beversluis (1940; de geëxalteerdheid van deze vertalingen is wellicht te wijten aan het feit dat deze zo’n tien jaar eerder als teksten op de radio ten gehore waren gebracht); ♣ 2) ‘Mijn vingers’ (‘Mes doigts’): […] ‘Mes doigts, qui m’écrivez, ce soir de rauque hiver, / Quand vous serez noués – les dix – sur ma carcasse / Et que s’écrasera sous un cercueil de fer / Cette ordre carcasse, qui déjà casse.’, uit Les débâcles (1888), vert. Stassijns (2016); 3) ‘De lichte uren XXVII’ (‘Les heures claires XXVII’): […] ‘L’amour, oh ! qu’il nous soit la clairvoyance / Unique, et l’unique raison du cœur, / À nous, dont le plus fol bonheur / Est d’être fous de confiance.’, uit Les Heures Claires (1896), vert. Beversluis (1940); 4) ‘De middaguren IX’ (‘Les heures claires IX’): […] ‘l’ombre des feuilles vertes / Et le voyage du soleil / Sur le papier vermeil […].’, uit Les heures de l’après-midi (1905), deels vert. Beversluis (1940); 5) ‘Mijn ras’ (‘Ma Race’): […] ‘Le monde entier est ce jardin des Hespérides / Où vous cueillez, parmi de arbres tors, / Avec des bras fougeux, avec des mains torrides, / La force et le savoir, la volonté et l’or.’, uit Les forces tumulteuses (1902), vert. Stassijns (2016); het afgebeelde olieverfportret van Verhaeren is van de hand van zijn vriend Théo Van Rysselberghe en stamt uit 1921.
Literatuur:
[anon.] Adieu Æsthetica & mooie pagina’s! Jan van Krimpen en het ‘schoone boek’. Letterontwerper & boekverzorger 1892-1958. Amsterdam / Den Haag / Haarlem: Museum van het Boek / Uitgeverij De Buitenkant / Museum Enschedé, 1995.
Barnard, B.: Dichters van het Avondland. Amsterdam / Antwerpen: Uitgeverij Atlas, 2006.
(Bloomsbury) Distinguished Typography from the Library of Jan van der Marck. London: Bloomsbury Auctions, 2009.
Buijnsters, P.J.: Geschiedenis van antiquariaat en bibliofilie in België (1830-2012). Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2013.
Dijk, C. van: Alexandre A.M. Stols 1900-1973 Uitgever / Typograaf Een documentatie. Zutphen: Walburg Pers, 1992.
Dreyfus, J.: The Work of Jan van Krimpen. A Record in Honour of his Sixtieth Birthday. With a Foreword by Stanley Morison. Haarlem: Joh. Enschedé en Zonen / Utrecht: W. de Haan, 1952.
Friedrichs, John (Greenboathouse Press): ‘Preliminary Checklist. The Early Work of Jan van Krimpen. [laatste update 2011]’ (website: http://home.planet.nl/~johnf/home.html; overigens schijnt Friedrichs juist de 1930-Verhaeren niet te kennen).
Krimpen, J. van: On Designing and Devising Type. New York / Haarlem: The Typophiles / Tjeenk Willink & Zoon, 1957 [vertaald als Jan van Krimpen over het ontwerpen en bedenken van drukletters, Amsterdam: De Buitenkant, 1990].
Mélotte, M.A. de: Discours prononcé à la L’Inauguration de l’Exposition Joh. Enschedé en Zonen de Haarlem au Musée d’Ansembourg à Liège. Haarlem: Joh. Enschedé en Zonen, [12 mai] 1929 [300 exemplaren, gedrukt in de Lutetia].
Noord-Hollands Archief, Haarlem: correspondentie betreffende de 1930-Verhaeren uitgave tussen de Firma Enschedé, Baron Ancion en De Mélotte namens de Union liégeoise du Livre et de l’Estampe, en Vallette namens Le Mercure de France en Mme Verhaeren (archiefdoos E248/10, inv. nr HBA 11.207).
Stols, A.A.M.: Het schoone boek. Amsterdam: W.L. & J. Brusse’s Uitgeversmaatschappij  N.V.,1935 [Van Krimpens Verhaeren zie pag. 71].
Verhaeren, E.: Poèmes. Liège: Union liégeoise du Livre et de l’Estampe [gedrukt door Enschedé, Haarlem], 1930.
Verhaeren, E: Een bloemlezing uit zijn gedichten vertaald in Nederlandsche verzen door Martien Beversluis. ‘s-Gravenhage: Coöperatief Uitgevers-Bedrijf U.A., 1940.
Verhaeren, E.: Gedichten. Lier: De bladen voor de poëzie, 1966 [met de oude vertalingen van Beversluis].
Verhaeren, E.: Veerman [inleiding, keuze en vertaling Koen Stassijns]. Tielt: Lannoo, [2016].
Geplaatst in Bibliofilie, Boekwetenschap | Tags: , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (4)

Bibliofielen, bibliotheken en bibliomanen

Boeken verlichten het hart, spiegelen het lichaam, leren goede eigenschappen aan en verdrijven de foute, zijn een kroon voor verstandige mensen, reisgenoten onderweg en vrienden thuis, vrolijken je op als je ziek op bed ligt, en zijn de collega en raadgever voor bestuurders. Ze zijn een vat vol uitdrukkingen, een tuin vol vruchten, een veld vol bloemen, een schatkamer van souvenirs, een leven vol herinneringen. Als je ze roept, komen ze aangesneld, als je ze laat komen, haasten ze zich. Ze zijn altijd beschikbaar nooit ongehoorzaam. Als je ze iets vraagt, geven ze meteen antwoord, onthullen wat geheim is, werpen licht op wat duister is, maken duidelijk wat dubbelzinnig is, ontrafelen wat verward is. (Lucas Da Penna (Napels, ca 1325– ’90), in Daniel Georg Morhof, Polyhistor sive de notitia autorum et rerum […] (Lübeck 1688), lib. 1 kap. 3 (‘De Re Bibliothecaria’) pag. 27)

Voor Alessandro Di Meo

Bibliofielen zijn net mensen. Ze komen voor in alle soorten en maten, van voorzichtige novieten en onschuldig ogende liefhebbers tot schaamteloze boekenfanatici. Hun verzamelwoede kan allerlei onderwerpen treffen, maar als het om originele manuscripten gaat was Thomas Phillipps (1792-1872) de fanatiekste van allemaal. Deze Engelse landjonker, een figuur die zo uit een Dickens-roman weggelopen had kunnen zijn, bleek op het einde van zijn leven tussen de zestig- en honderdduizend handschriften bijeengebracht te hebben, met een schattingsmarge die typerend is voor de onvoorstelbare hoeveelheid ervan. Voor Sir Thomas was dat echter niet voldoende. Hij verzamelde ook ‘gewone’, dat wil zeggen, gedrukte, boeken, liefst en bloc gekocht, evenals historische gravures, schilderijen, tekeningen, schetsen, beschreven perkament, visitekaartjes, kranten, plantengidsen, papierfragmenten, historische handleidingen, brochures, losse bladen, vlugschriften, schoenencatalogi, advertenties en verder elk ander soort efemeer drukwerk dat hij maar kon vinden, alles volgepropt in de tientallen kamers, kelders en zolderruimtes die zijn twee opeenvolgende landhuizen rijk waren. De onderhandse verkopen en openbare veilingen die zijn erfgenamen organiseerden werden pas dertig jaar geleden afgesloten, meer dan een eeuw na zijn overlijden. Sir Thomas is dan ook berucht geworden om de uitspraak dat hij van elk boek op de wereld één exemplaar wilde bezitten. Om het in zijn eigen woorden te zeggen, geschreven aan de reisschrijver Robert Curzon, een van de weinigen die vriendschappelijk met hem opgeschoten schijnt te kunnen hebben: ‘I am buying Printed Books because I wish to have one Copy of every Book in the World!!!!! [cursivering, kapitalen en uitroeptekens van de baronet]’. Het zal niet verbazen dat hij voor respectievelijk zijn vader, echtgenotes, dochters, schoonzonen en schuldeisers een steeds grotere verschrikking werd. Voor zijn bibliotheek was die geobsedeerdheid natuurlijk juist een zegen.

Als geen ander realiseerde Sir Thomas zich dat manuscripten per definitie uniek zijn. Om in elk geval de teksten ervan veilig te stellen, probeerde hij zijn eigen handgeschreven schatten dan ook zo veelvuldig mogelijk te reproduceren. Dat mocht alleen niets kosten: op alle andere gebieden dan perkament stond hij bekend als een vaak meedogenloze vrek. In de massieve uitkijktoren op het landgoed van zijn huis te Middle Hill, Worcestershire, zette hij vanaf de jaren ’20 dan ook zo goedkoop mogelijke buurjongens aan het werk, om die in de koude, donkere en klamme omgeving de vaak broze en slecht leesbare manuscripten (veelal over genealogie, zijn lievelingsonderwerp) in allerlei soorten lithografische en destijds nieuwe anastatische druktechnieken te laten vermenigvuldigen. De werkplaats was daarmee een van de eerste ‘private presses’ in Engeland. Dat klinkt veelbelovend, maar de meeste jongens hielden het er niet lang uit. Voor hun verdiensten betaalde Sir Thomas inderdaad zo weinig mogelijk, sowieso te laat, en dan nog vaak pas onder juridische dwang. Het liefst betaalde hij helemaal niet, ondanks het feit dat hij van de arme jongens verlangde dat ze, onder andere, Engels, Grieks, Saksisch, Latijn, Frans, Duits, Perzisch, Arabisch en middeleeuwse Domesday-karakters konden zetten. Toch zijn er van de Medio-Montanis (ook wel Montana)-pers honderden kleine en grote uitgaven bekend, alle in minieme oplagen gedrukt, uiterst sober vormgegeven en voorzien van de goedkoopste, meest armzalige papieren omslagjes die de jongens tussen alle drukproeven en weggegooide rommel maar konden vinden (zie afbeeldingen, alle eigen collectie). Met horten en stoten zou de pers bijna een halve eeuw in gebruik blijven.

Sir Thomas produceerde zelf ook handschriften, namelijk brieven. Dat waren zeker niet allemaal onschuldige kattebelletjes. Als het hem uitkwam, kon hij aardig en zelfs gastvrij zijn (dat geldt zeker niet voor elke bibliofiel), maar in zijn geschreven teksten openbaarde zich regelmatig de maniakale kant van zijn passie voor boeken. Of die filippica’s nu waren gericht tegen museumdirecteuren, potentiële schoonouders, in financiële nood geraakte familieleden, medebibliofielen, wanhopige antiquaren of, vooral, aanhangers van het door hem verafschuwde paapse geloof, bij het lezen ervan borrelt al te vaak een plaatsvervangende schaamte op. Eigenlijk is het een wonder dat er van al die ongevraagde epistels überhaupt exemplaren bewaard zijn gebleven. Kortgeleden kwam er weer een boven water, op een boekenveiling in Engeland. Deze brief, dit keer een sympathieke, is gericht aan een zekere Thomas Bond:

                                                                                                        Middle Hill 15 Feb 1840

My dear Sir,

I have now found the references to the Amundaville Pedigree. They are MSS Lansdown 260 [‘/161’ in een andere hand in potlood erbij geschreven] MSS Harl 2044. I have another reference somewhere with the Marriage of one about the time of Hen[ry]. 1st but this I have not yet found. I hope to see you next week, as I intend to be in Town on Monday if possible. Believe me Yours truly Thos Phillipps                                                    Thos Bond Esqr                                                                    Fig. Tree […] Pedigree [?]

Het blijkt te gaan om enkele documenten over de familie Amundaville (Amundevell), een eeuwenoud geslacht, gerelateerd aan de beroemde Mandevilles. Beide zijn van Franse oorsprong. In de rechtermarge van de brief (in een ander handschrift dan dat van Sir Thomas) is een korte stamboom van de Amundevells getekend, wellicht opgesteld door een van de jongens, of door Bond zelf. Helaas is het niet gelukt te achterhalen wie deze ‘Esqr’ was. Ook in de uitputtende, vijfdelige Phillipps Studies van A.N.L. Munby wordt zijn (nogal generieke) naam nergens genoemd. Kennelijk ging het om een jonkheer uit de omgeving die Sir Thomas goed genoeg kende om te hopen hem later ‘in Town’ (Worcester?) te ontmoeten en die, net als hijzelf, in lokale genealogie was geïnteresseerd. Overigens is de identiteit van een veel latere eigenaar van de brief wel bekend. Dat betreft James Stevens-Cox, de in 1997 op zevenentachtigjarige leeftijd overleden ex-pruikenmaker, bijenhouder, muntenverzamelaar en trotse bezitter van minstens vijftigduizend boeken. Op de twee veilingen van de zeldzaamste daarvan werden vooral zestiende- en zeventiende-eeuwse werken aangeboden. Hoewel Victoriaanse verzameldrift dus niet zijn specialisme was, moet hij op de een of andere manier de brief van Thomas Phillipps uit de nalatenschap van de Bond-familie in zijn bezit hebben gekregen, wellicht uit fascinatie voor diens al bij leven beruchte bibliomanie. 

Zo nauwgezet als Stevens-Cox oude drukken verzamelde, zo chaotisch was het in de brief gebruikte privé-catalogussysteem van de baronet. De lijsten van de Middle Hill-manuscripten (volgens Munby wellicht ‘the rarest and most interesting example of this class of literature’) zijn sowieso niet alleen lastig te lezen, ze zijn ook hopeloos incompleet, iets wat de maker ervan ruiterlijk toegaf. Geen enkel handgeschreven of zelfs gedrukt exemplaar is gelijk aan een ander. De ene beschrijving is veel te kort, de andere veel te lang, een derde telt op één nummer tientallen goedkope pamfletjes, een vierde vermeldt zomaar een uniek en kostbaar middeleeuws getijdenboek. Achteraf bleken honderden manuscripten überhaupt verkeerd te zijn gelabeld. De laatste lijsten (inclusief vele, door elkaar heen lopende supplementen) vermelden ruim twintigduizend nummers, terwijl er toen al minstens tweemaal zoveel manuscripten waren. De in de brief genoemde ‘Lansdown 260 /161′ en ‘Harl 2044′ zijn dan ook niet zo gemakkelijk te identificeren. Bij het laatste nummer zou het volgens Sir Thomas gaan om een archiefstuk dat via een vrouwelijke nazaat afkomstig was uit de bibliotheek van de beroemde Georgiaanse verzamelaars Harley, vader en zoon. Al met al is het geen wonder dat de baronet, die de onafzienbare bibliotheek helemaal in zijn eentje beheerde, even moest zoeken naar de teksten waar Thomas Bond om vroeg.

Met de brief is nòg iets bijzonders aan de hand. Sterker, juist dat vormt de aanleiding tot het schrijven van dit artikel. Ik heb hem namelijk zelf in handen, hier, in Amersfoort, in mijn eigen bibliotheek, met mij als voorlopig laatste eigenaar ervan. Een jonge vriend was zo genereus hem mij te schenken. Op het moment dat de brief bij de genoemde veiling opdook, realiseerde deze zich zo’n unieke kans niet voorbij te kunnen laten gaan. Helemaal in de geest van Sir Thomas sloeg hij toe. Weliswaar dreigde er door zijn onbesuisde bod letterlijk wat minder brood op de planken te liggen, maar zoiets leek toch een geringe prijs voor het in huis krijgen van een origineel en tastbaar relict uit het leven van de eigenzinnige baronet zelf. De actie was een onverwacht succes. Mijn vriend won de veiling, hij leeft nog, tot zijn eigen verbazing, en de brief is inderdaad veilig bij mij aangekomen. Dit stukje is dan ook in grote dankbaarheid aan hem opgedragen. Zonder zijn vriendschap, enthousiasme en zelfopoffering zou het mij nooit gelukt zijn iets te schrijven waarmee ik, hopelijk, een bescheiden blik heb kunnen geven in het leven en werk van de onvergelijkelijke Thomas Phillipps. Meer dan duizend jaar voordat Da Penna bovenstaand motto noteerde, tekende een andere Italiaanse boekenliefhebber het al op: ‘Verba volant, scripta manent’, oftewel, ‘Woorden vervliegen, het geschrevene blijft’…

David Apollonius Coppoolse

(met dank aan Jan Bloemendal voor zijn fraaie Da Penna-vertaling)
p.s. Er wordt vaak beweerd dat Sir Thomas de grootste boekenverzamelaar ooit was, maar dat is onjuist. Iemand als Richard Heber (1773-1833), bijvoorbeeld, zijn iets oudere en, verstandig genoeg, altijd ongehuwd gebleven landgenoot, bezat niet, zoals Sir Thomas, ‘slechts’ 150.000 boeken en manuscripten in twee huizen, maar (volgens Simons, zie bibliografie) meer dan 200.000 daarvan in minstens zeven huizen, en die laatste niet achtereenvolgend, zoals bij de baronet, maar tegelijkertijd, in Londen (Westminster, Pimlico, Hodnet Hall), Gent, Brussel, Antwerpen en Frankfurt. In elk van die huizen bevonden zich bovendien vele nog onuitgepakte, vaak in bulk gekochte boekenpartijen. De zestien postume veilingen ervan namen vele maanden in beslag, en alleen al op de eerste daarvan (1836) wist Sir Thomas voor zijn Bibliotheca Phillippica meer dan vierhonderd handschriften te verwerven. Overigens werd de omvang van Hebers bibliotheken minstens geëvenaard door een andere landgenoot van hem, Thomas Rawlinson (1681-1725), en zelfs overtroffen door die van Antoine-Marie-Henri Boulard (1754-1826), een Parijse notaris die als onvervalste bibliomaan tegen de 400.000 (volgens Bogeng bijna een miljoen) boeken bezat, waarschijnlijk de grootste privé-boekenverzameling ooit. Op enkele van de zo’n driehonderd dagen durende veilingen van diens nalatenschap had Heber nog alle historische titels en bloc gekocht, slechts enkele jaren voor zijn eigen overlijden.
Literatuur:
Basbanes, N.A.: A Gentle Madness. Bibliophiles, Bibliomanes, and the Eternal Passion for Books. New York: Henry Holt and Company, 1995.
Bogeng, G.A.E. (Herausg.): Umriss einer Fachkunde für Büchersammler (Jahrbuch für Bücher-Kunde und -Liebhaberei. Beilage zum Taschenbuch des Bücherfreundes I-III). Berlin: Verlag von Max Harrwitz, 1909, ’10 & ’11.
(Christie’s) Bibliotheca Bibliographica Breslaueriana. The First portion [en latere Second, Third]: 150 Important Manuscripts, Associations Copies, Fine Bindings. Monday 21 March 2005. New York: Christie’s, 2005 (veilingcatalogus, met daarin het in dit artikel afgebeelde Thomas Phillipps-fotoportret).
Fontaine Verwey, H. De la: ‘Portretten van bibliophielen. Sir Thomas Phillipps.’, in (Gumbert, red.) Folium. Librorum vitae deditum 1951 I/4. (Beijers N.V.): Utrecht, 1951, pp 97-101.
Hunt, A.: ‘Bibliotheca Heberiana’, in Myers / Harris (eds): Antiquaries, Book Collectors and the Circles of Learning. Delaware / Winchester: St. Paul’s Bibliographies, 1996, pp 83-112.
Hunt, A.: ‘A Study in Bibliomania: Charles Henry Hartshorne and Richard Heber.’, in The Pleasures of Bibliophily. Fifty Years of The Book Collector. An Anthology. London / New Castle, The British Library / Oak Knoll Press, 2003 (orig. 1993), pp 250-283.
(Maggs Bros) Catalogue 1350. STC & Wing. Books printed in England 1500-1700. Ex Libris James Stevens Cox. Maggs Bross LTD: London, 2003.
(Maggs Bros) Catalogue 1439. STC. Books Printed in England 1540-1640. Ex Libris James Stevens Cox. Maggs Bros LTD: London, 2010.
Munby, A.N.L.: Phillipps Studies. London: Sotheby Parke-Bernet Publications, 1971 (twee delen; eerste druk in vijf delen, 1951-’60).
Munby, A.N.L.: Portrait of an Obsession. The life of Sir Thomas Phillipps, the world’s greatest book collector, adapted by Nicolas Barker from the five volumes of Phillipps Studies. New York: G.P. Putnam’s Sons, 1967.
Quaritch, B. (ed): Contributions Towards a Dictionary of English Book-Collectors  as also of Some Foreign Collectors [etc]. Nieuwkoop: B. de Graaf, 1969 (eerste editie, in artikelvorm verschenen, 1892-1921).
Ricci, S. De: English Collectors of Books and Manuscripts 1530-1930 and Their Marks of Ownership. London: The Holland Press, 1960 (eerste druk 1930).
Robinson, Ph.: ‘Phillipps 1986. The Chinese Puzzle (Collector’s Piece VI)’, in The Book Collector, Volume 25 no 2 Summers 1976, pp 170-194.
Robinson, Ph.: ‘Recollections of Moving a Library, or, How the Phillipps Collection was brought to London.’, in: The Pleasures of Bibliophily. Fifty Years of The Book Collector. An Anthology. London / New Castle, The British Library / Oak Knoll Press, 2003 (orig. 1983), pp 159-167.
Rosenblum, J.: ‘Sir Thomas Phillipps (2 July 1792 – 6 February 1872)’, in Baker / Womack (red.): Dictionary of Literary Biography Volume 184: Nineteenth-Century British Book-Collectors and Bibliographers. Detroit / Washington, D.C. / London: Bruccolo Clark Layman Gale Research, 1997, pp 338-353.
Simons, C. A.: ‘Richard Heber (5 January 1774 – 4 Ocotber 1833)’, in Baker / Womack (red.): Dictionary of Literary Biography Volume 184: Nineteenth-Century British Book-Collectors and Bibliographers. Detroit / Washington, D.C. / London: Bruccolo Clark Layman Gale Research, 1997 pp 219-226
Taylor, A.: Book Catalogues. Their Varieties and Uses. Second edition, revised by Wm. P. Barlow, Jr. Winchester: St Paul’s Bibliograhies, 1986 (eerste editie 1957).
Willms, J.: Bücherfreunde Büchernarren. Entwurf zur Archäologie einer Leidenschaft. Wiesbaden: Otto Harrassowitz, 1978.
Geplaatst in Bibliofilie, Boekwetenschap | Tags: , , , | 4 reacties

Een ongepubliceerd typoscript over de vroegste Spaanse ontdekkingsreizen in de Grote Oceaan

Gschaedlers Stille Zuidzee

De boekband hiernaast ziet er misschien niet zo spectaculair uit, met zijn wat grauwe, grijsbruine kleur, maar het binnenwerk is des te opmerkelijker. Op de hele wereld zijn daar slechts twee exemplaren van bekend. Het ene ligt ver weg, veilig opgeborgen bij de University of Melbourne Library in Australië, het andere, afgebeelde, bevindt zich in mijn eigen bezit. Het betreft een origineel typoscript uit 1946 van de in 1915 geboren historicus André Gschaedler. De verkorte titel van het werk, Spanish Voyages, is op het met een ruitmotief versierde voorplat (34,5 x 22,5 cm) in gouden kapitalen afgedrukt. Los bijgevoegd is een handgeschreven bedankbriefje van de schrijver aan een zekere Erica, de vrouw die niet slechts verantwoordelijk zou zijn voor het typewerk (zoals destijds gebruikelijk bij dat soort sekseverhoudingen), maar ook voor het zoeken, sorteren en bibliograferen van allerlei door hem verwerkte historische informatie. Ze wordt zelfs onmisbaar genoemd, een compliment waar we nog op terugkomen. Waar, wanneer en waarom is dit zeldzame werk gemaakt, en wie was dan niet de typist, maar dan toch de schrijver ervan, met zijn voor niet-Duitstaligen zo tongbrekende achternaam?

Louis André Gschaedler werd geboren in Kolmar (tegenwoordig Colmar), in de destijds nog/weer Duitse Elzas (vandaar de naam, wellicht ooit Gschädler, waarschijnlijk op z’n Frans uitgesproken, als Gschädlèr). Hij gaat een lang leven vol grote reizen tegemoet. Na een studie sociologie in het inmiddels weer bij Frankrijk horende Straatsburg en later Londen (University College) vertrekt hij maar Sydney, Australië, om daar als docent Franse taal en literatuur aan de slag te gaan. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog blijft hij er noodgedwongen wonen. Hij komt te werken bij de Australische informatiedienst, als hoofdvertaler Frans bij de radio-uitzendingen bedoeld voor Franse kolonialen in de zuidelijke Grote Oceaan. Hier zal hij niet alleen Erica (beter) hebben leren kennen, maar moet ook zijn interesse voor de Westerse ontdekkingsgeschiedenis van de Stille Zuidzee zijn ontstaan. In 1946 mondt dit uit in zijn beoogde proefschrift, Spanish Voyages to the South-West Pacific, 1519-1607, ons typoscript, voor de Universiteit van Melbourne. Een jaar later emigreert hij naar de Verenigde Staten. Daar gaat hij in de Hispanic Foundation van de Library of Congres aan de slag als onderzoeker, in 1949 resulterend in een Ph D. in geschiedenis voor de Universiteit van Columbia. In 1954 verschijnt zijn Mexico and the Pacific, 1540-1565: The Voyage of Villalobos and Legazpi and the Preparations Made for Them. Of Gschaedlers graad gebaseerd is op zijn eerdere studie voor de universiteit van Melbourne is niet helemaal duidelijk. In elk geval heeft hij dan al verschillende artikelen gepubliceerd in kranten en tijdschriften, onder andere over de eerdere oorlogshandelingen in zijn geboortestreek, de Elzas. Voor Gschaedlers nieuwe landgenoten moet zijn Frans-Duitse achternaam overigens wel een linguïstische uitdaging geweest zijn. Zij zullen die juist op z’n Amerikaans-Engels uitgesproken hebben, met een dikke ‘l’ en krullende ‘r’, een ware multiculturele opeenstapeling van klanken. Na verschillende docentschappen in Texas en de staat New York, wordt hij benoemd als leraar sociale wetenschappen aan de toenmalige Catonsville Community College in Baltimore. De Stille Zuidzee blijkt niet vergeten, integendeel. Er verschijnen titels van zijn hand als Documents on Spanish Navigation in the Mitchell Library, Sydney (1950) en A Renaissance Invention: The Name “America”: An Old Problem Seen under a New Light (1968). De populairste publicatie is waarschijnlijk zijn lang voorbereide Engelstalige biografie van Auguste Bartholdi (1966), de Franse ontwerper van het Amerikaanse Vrijheidsbeeld en zijn oud-stadgenoot in Kolmar. Gschaedler overleed, als niet onknappe blonde man toch altijd ongehuwd gebleven, in 1998 te Salem, West Virginia.

Het proefschrift uit 1946 is zijn vroegst bekende werk. Hierin wordt op 244 (recto) getypte pagina’s in twee delen en twaalf hoofdstukken (inclusief inleiding, bibliografie, index, vele supplementen en drie handmatig gefotokopieerde land-, of liever, zeekaarten) een overzicht gegeven van de vroegste Spaanse ontdekkingsreizen in de zuidwestelijke Stille Oceaan. In het eerste deel bespreekt Gschaedler de meer algemene aspecten daarvan, in het tweede deel de belangrijkste afzonderlijke reizen van Magellaan, Saavedra, Villalobos, Legazpi, Mendana, Quirós en De Torres. Zoals bekend, zorgden deze reizen er niet alleen voor dat de eindeloze watervlakte met haar honderden volkeren en duizenden eilanden werd opengelegd voor Europese handelsdoeleinden, maar ook dat zij ten prooi kon vallen aan immer op de loer liggende christelijke missionarissen. Dat pakte voor veel inheemse culturen rampzalig uit. Al binnen enkele jaren raakten deze verwesterd, gekerstend en verpreutst, als sommige al niet compleet van de aardbodem (en uit onze herinnering) verdwenen. Gschaedler gaat in hoofdstuk VI (‘Religion and the Voyages’) uitgebreid in op deze commerciële en religieuze kaalslag, waartegen overigens contemporaine critici als Bartolomé de las Casas al waarschuwden. Hij bekijkt alles, vanzelfsprekend, met de blik van de niet-inheemse, Europese blanke man die hij nu eenmaal was, waardoor zijn aanpak wellicht wat gedateerder lijkt dan wij onszelf in deze zogenoemde politiek-correcte tijden graag willen wijsmaken. De ene waarheid sluit de andere echter niet uit. Tijden veranderen, en wij veranderen met hen, links- of rechtsom. Terwijl nog maar kortgeleden veel hoogopgeleide blanken zich verplicht voelden om op te komen voor de minder bedeelde exotische medemens, is het tegenwoordig juist levensgevaarlijk om een koloniale geschiedenis te willen schrijven die niet de eigen, persoonlijk doorleefde is, hoe wetenschappelijk opgezet ook. Gschaedler werkt nog in pre-postkoloniale tijden, weegt desondanks alles zorgvuldig af en komt tot verhelderende, goedgeschreven conclusies. Spanish Voyages to the South-West Pacific wordt afgesloten met een omvangrijke primaire en secundaire bibliografie. Alle toenmalige standaardwerken op Pacifisch ontdekkingsgebied worden daarin niet alleen vermeld, maar vaak ook becommentarieerd, iets wat, hoe subjectief ook, altijd interessant is. Des te vreemder lijkt het dat de tekst nooit integraal is gepubliceerd. Blijkbaar is er in Australië niemand op het idee gekomen om het voor hen toch ‘unieke’ exemplaar daarvoor te gebruiken, al dan niet voorzien van een geactualiseerde inleiding. Wel verschenen er losse stukken uit, min of meer bewerkt, zoals in het tijdschrift The Americas van januari 1948 (‘Religious Aspects of the Spanish Voyages in the Pacific during the Sixteenth and the Early Part of the Seventeenth’, Vol. 4, No. 3, pp 302-315).

De datum van Gschaedlers opdracht aan Erica (‘May 1978’) is eveneens opvallend, deze is tenslotte ruim dertig jaar later dan het proefschrift zelf. Zijn ze elkaar wellicht weer tegengekomen, en heeft Gschaedler alsnog zijn oude schuld aan haar willen vereffenen? Hoe dan ook, ondanks zijn waardering voor ‘[her] own research on Portuguese exploration’, wordt Erica’s naam in de officiële tekst nergens genoemd. Als dit toevallig bewaard gebleven kattebelletje dus niet was ontdekt, had niemand ooit geweten wat deze ‘onmisbare’ vrouw voor het wetenschappelijke werk van Gschaedler allemaal had betekend. Mannelijke dankbaarheid heeft blijkbaar zo haar grenzen. Dat gezegd hebbende, het lijkt erop dat het typoscript uiteindelijk bij de nazaten van Erica terecht is beland. Zij hebben zich waarschijnlijk niet gerealiseerd wat voor bijzonders ze in handen hadden, want enkele jaren geleden werd het zonder ‘reserve price’ op een grote publieke veilingsite te koop aangeboden. Daar ontdekte ik het, en aan de afgeslagen prijs te zien als enige. Nu ligt dit op-één-na-unieke boekwerk niet in het verre Australië of Noord-Amerika, maar hier, in de provinciestad Amersfoort, Nederland, na waarschijnlijk meer over de wereldbol gereisd te hebben dan de schrijver dezes ooit heeft gedaan, of waarschijnlijk nog zal doen. Dit is de eerste keer dat enkele van zijn pagina’s het digitale daglicht zien. Boeken hebben, inderdaad, hun lotgevallen…

David Apollonius Coppoolse

(Met, als altijd, dank aan An Duits)

https://www.worldcat.org/title/spanish-voyages-to-the-south-west-pacific-1519-1607/oclc/225633322

Geplaatst in Reizen | Een reactie plaatsen

Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (3)

Berthe Hoola van Nooten in de klas

Voor Marcel van Dorst

‘Neither a borrower nor a lender be’. Voor echte bibliofielen kan dit citaat van Shakespeare (Polonius, Hamlet, 1ste akte, 3de scene) maar één ding betekenen: als boeken dan niet geleend mogen worden, laat staan uitgeleend, geef ze gewoon weg, voor niets, uit vriendschap. Dat klinkt mooi, maar het is natuurlijk maar de vraag of iedereen er zo over denkt. Mijn eigen vrienden lijken het gelukkig helemaal met Polonius eens te zijn. Hier, in mijn huis, bijvoorbeeld, stond al een exemplaar van Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et pomone de L’Île de Java, het botanische prachtwerk van de negentiende-eeuwse meisjesschool-houdster Berthe Hoola van Nooten, maar wie had ooit kunnen denken dat er van deze uitgave ook losse schoolplaten zouden opduiken, en dat ik vier daarvan eveneens in mijn bezit zou krijgen, dankzij dezelfde vriend die me het originele boek al had gegeven? Toch is dat nu gebeurd, en de platen liggen inmiddels veilig opgeborgen in een grote houten archiefkast (eveneens door hem geschonken) in mijn eigen bibliotheek, te midden van tientallen andere losse Hoola van Nooten-bladen. Waar komen deze schoolplaten vandaan, wanneer zijn ze gemaakt, en wat valt er verder over te vertellen? Aan mijn vriend, de gulle gever, is dit stukje opgedragen.

Hoola van Nooten (Utrecht 1817-Batavia 1892) is, voor zover bekend, met Fleurs, fruits et feuillages  de eerste vrouw in de geschiedenis die een origineel Indisch plantenboek heeft laten publiceren. Zij deed dat niet zozeer vanwege artistieke aspiraties, voor vrouwen destijds sowieso een heikele zaak, maar om na enkele mislukte meisjesscholen in het onderhoud van haarzelf en haar vijf kinderen te kunnen voorzien. De nu boven water gekomen platen zijn zeker niet speciaal gedrukt voor educatieve doeleinden. Ze blijken afkomstig uit de derde editie van het florilegium, een uitgave die op de titelpagina weliswaar ongedateerd is, maar volgens het Nieuwsblad voor den Boekhandel No. 92, vrijdag 11 november 1881, ‘vient de paraître’, dat wil zeggen, op die datum zojuist verschenen. Het kleurrijke ‘prachtwerk’ zal dan ook voor de naderende feestdagen bestemd zijn geweest. De maker van de gedrukte afbeeldingen was Pieter Depannemaeker, een veelzijdig en productief lithograaf uit Gent. Deze had de oorspronkelijke, door zijn landgenoot Guillaume Severeyns in 1863 naar Berthes voorbeeld op steen getekende en inmiddels versleten platen minutieus weten te kopiëren. Natuurlijk ontstonden er tussen de opeenvolgende edities alsnog subtiele verschillen, maar deze zijn inderdaad slechts met veel moeite, een vergrootglas en een ouderwetse liniaal te ontdekken. Ondanks de prijs (bij voorintekening in 1862 fl 60,-, ruim € 600,-) was de verkoop van elke editie (gemiddelde oplage zo’n 300 stuks) inderdaad een succes: in de jaren ’80 werd er in de Indische couranten al gevraagd naar eventueel overgebleven exemplaren. De laatste uitgever, Merzbach & Falk uit Brussel, kon die blijkbaar niet meer leveren.

Op de schoolplaten zijn vier op Java geliefde plantensoorten te zien: ‘Amherstia Nobilis’ (tegenwoordig Amherstia nobilis, plaat 2 uit het florilegium) uit Birma, ‘Saraca Declinata’ (Saraca thaipingensis, plaat 10) uit Thailand, de inheemse ‘Lagerstrœmia Regia’ (Lagerstroemia reginae, syn. L. speciosa, plaat 22) en de uit Midden-Amerika afkomstige ‘Anona Muricata’ (zuurzak, Annona muricata, plaat 39). Iedereen die zo gelukkig is het originele boek te mogen doorbladeren zal al snel kunnen zien dat deze minder zijn uitgekozen om hun wetenschappelijke relevantie dan om hun spectaculaire uiterlijk. De omvangrijke platen (chromolithografieën, steendrukken in kleur) zijn rondom afgesneden om ze op steviger, lilakleurige kartonnen vellen (55 x 37,5 cm) te kunnen plakken, omrand door zwartgeverfd linnen. De oorspronkelijke ondertitels, met Latijnse en soms ook inheemse plantennamen, zijn uitvergroot, losgeknipt en op de bladen bevestigd, terwijl de vier bijbehorende Franse teksten (alle edities van het boek bevatten ook Engelse) eveneens zijn uitgeknipt, en op de achterkant vastgelijmd. Een donkergeel lintje zorgt ervoor dat de platen opgehangen en zodoende op ooghoogte bestudeerd kunnen worden. De hele constructie lijkt minstens een eeuw oud te zijn.

Voor Berthes werk is er altijd veel bewondering geweest. Als vrouw kon ze dan geen wetenschappelijke opleiding hebben genoten, dankzij haar opvallende tekenkwaliteiten en, volgens zichzelf, Godgegeven inspiratie, slaagde ze er toch in om door echte – dat wil zeggen, mannelijke – botanici serieus genomen te worden. Daarnaast onderhield ze uitstekende contacten in de hoogste bestuurlijke kringen van het blanke Nederlands-Indië. De eerste editie van Fleurs, fruits et feuillages werd dan ook overal lovend besproken. Ze won er zelfs internationale prijzen mee, zo ontving ze in de zomer van 1883, tijdens de Internationale Koloniale en Uitvoerhandel Tentoonstelling te Amsterdam, een eervolle gouden medaille voor de twee exemplaren die daar te midden van een ‘overstelpend groot aantal inzendingen uit Oost- en West-Indië’ waren geëxposeerd. Het ene was door de organisatoren uit elkaar gehaald en als losse bladen opgehangen in veertig geelhouten lijsten. Het andere, eveneens compleet, maar nog ingebonden, kwam volgens de bijbehorende catalogus uit Berthes eigen bezit. De publicist Frederik Willem van Eeden, vader van de bekende schrijver, tevens medewerker aan de ambitieuze Flora Batava en een van Nederlands vroegste natuurbeschermers, was een van de bezoekers en volgens eigen zeggen vol bewondering voor Berthes ‘fraaie platen’. Ook prins Hendrik (‘De Zeevaarder’) bleek enthousiast over haar werk. Zowel hij als zijn oudste broer, koning Willem III, hadden zich in 1863 ingeschreven voor de eerste editie. De prins (overigens de enige Oranje die ooit Nederlands-Indië bezocht) kreeg het boek vlak voor zijn overlijden in 1879 opnieuw onder ogen, toen hij door een publiek tentoongesteld exemplaar in het Koloniaal Museum te Amsterdam bladerde. Volgens een aanwezige recensent zag hij voor zijn geestesoog prompt schitterend geïllustreerde toekomstige Indische flora’s verschijnen, als een voor Nederland roemrijke voortzetting op de gezaghebbende, maar volgens de prins ‘alweer verouderde’ (lees saaiere) werken als die van de Leidse botanist Miquel. Hendriks schoonzus, koningin Sophie, had de eerste editie van Fleurs, fruits et feuillages nog gedeeltelijk gefinancierd. Dat royale gebaar is misschien wel het meest tastbare bewijs van de toenmalige bewondering voor Berthes werk. Die roem ebde slechts langzaam weg. Tegen het einde van de eeuw liet een Bataviaas kunstcomité het boek nog voorleggen aan aspirerende natuurtekenaars, met daarbij het uitdrukkelijke verzoek om tropische gewassen uit te kiezen die daarin niet waren afgebeeld. 

De nu opgedoken schoolplaten passen helemaal in deze traditie van bewondering. Vermoedelijk zijn ze ooit met hetzelfde doel opgehangen als die tijdens de koloniale tentoonstelling van 1883 te Amsterdam, waarbij het niet is uitgesloten dat àlle veertig platen uit Fleurs, fruits et feuillages als zodanig zijn gebruikt. In dat geval moeten er nog zesendertig andere kartonnen bladen bestaan, ergens verborgen liggend in Indonesië, België of Nederland, wachtend op een gelukkige vinder. De huidige exemplaren zijn afkomstig uit een voormalige Leidse bibliotheek, gespecialiseerd in tropische en Javaanse geneeskunde. Het schijnt dat ze ooit zijn aangeschaft bij de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Het kan overigens bijna niet anders of Berthe heeft haar plantenplaten ook zelf als voorbeeld gebruikt. We weten namelijk uit haar ruim dertig bewaarde Engelstalige brieven dat ze op haar meisjesscholen te Batavia (1857-’58) en Buitenzorg (ca 1860) naast muziek, Engels, Frans, Duits, bijbellezen en naaiwerken, regelmatig tekenles gaf. Misschien waren de witgekalkte muren van haar klaslokalen wel volgehangen met haar kleurrijke eigen werk, zoals later met de schoolplaten in Europa gebeurd moet zijn. Zo’n overvloed zou ze zich gemakkelijk veroorloofd kunnen hebben: ondanks haar chronische geldgebrek bestond de nalatenschap (naast, volgens de inboedelinventaris,  ‘kleerkasten, wip- en gewone stoelen, tafels en waschtafels met en zonder marmeren bladen, spiegels, schilderijen enz enz’) uit maar liefst veertien exemplaren van Fleurs, fruits et feuillages, alle prachtig ingebonden. Waar deze terecht zijn gekomen is onbekend. In elk geval liggen de vier kartonnen schoolplaten nu hier, in Amersfoort, veilig opgeborgen tussen de duizenden andere prenten en vooral boeken die ik bij leven mag beheren. Met dit stukje wil ik mijn vriend bedanken voor zijn vrijgevigheid. Om met Polonius, mijn naamgenoot, te eindigen, in een fraaie vertaling die Berthe zelf nog had kunnen lezen (Abraham Seyne Kok, Haarlem 1860):

Wees steeds gemeenzaam, nimmer onbescheiden.
Klem met metalen banden aan uw ziel den vriend,
waarvan de proef den keuze billijkt.

David Apollonius Coppoolse

(Met dank aan Alessandro Di Meo, An Duits, en onze jonge vriend Miguel Fernandez Voortman, zonder wiens speurzin de schoolplaten van Berthe Hoola van Nooten ons zeker ontglipt zouden zijn)
[eerste editie] Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java peints d’après de nature. Ouvrage dédié à sa majesté la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier [volgens Nissen: Muquardt], Éditeur, Montagne de L’Oratoire, 5. 1863 [-’64]; met veertig (volgens Nissen achtendertig) ongenummerde, door Guillaume Severeyns gelithografeerde platen, in enkele details met de hand bijgekleurd, gedurende ruim een jaar uitgegeven in tien opeenvolgende ‘livraisons’ (afleveringen) van ieder vier platen, voorafgegaan door één (hierboven genoemde) gezamenlijke titelpagina (uitgegeven na het verschijnen van de derde aflevering?) en tien afzonderlijke titelpagina’s (aflevering I (januari) t/m VI: 1863, VII t/m X: 1864; verkoopprijs complete set ƒ70,-, voorintekenprijs ƒ60,-.
[tweede editie] Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Seconde [volgens voorwoord van G. Severeyns: ‘verbeterde’] édition. Bruxelles: Faubourg de Louvain, Rue de Liekerke 40. Publiée par G. Severeyns, dessinateur & chromolithographe de l’Académie Royale de Belgique, 1866; met eveneens veertig (volgens Stafleu & Cowan: (‘1880?’) ’39?) bijgewerkte platen; de gehele tekst is opnieuw gezet, taal- en/of schrijffouten zijn gecorrigeerd en andere opnieuw gemaakt; onder de Latijnse namen worden nu ook de inlandse vermeld; het boek werd door de uitgever in één keer compleet en op verzoek ‘fraai ingebonden’ geleverd, verkoopprijs (volgens Brinkman’s Cumulatieve Catalogus) ∫80,-.
[derde editie] Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs fruits et feuillages choisis de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Bruxelles: Librairie Européene C. Muquardt, même maison à Leipzig, publiée par Merzbach & Falk, Éditeurs, Libraires de la Cour et de S.A.R. Le Comte de Flandre. Troisième [en laatste] Édition; ongedateerd (‘Préface’ 1880), volgens Nieuwsblad voor den Boekhandel No. 92 (vrijdag 11 november 1881) ‘vient de paraître’ (zojuist verschenen) in een ‘beperkte’ oplage van driehonderd gewone exx à 175,- (Belgische) francs en tien speciale, genummerde exx op ‘Bristol’ à 350,- (Belgische) francs; alle veertig platen opnieuw getekend en in kleur gelithografeerd, door Pieter Depannemaeker (ook: De Pannemaeker) uit Ledeberg-lez-Gand (Gent); de drukker is de Brusselse ‘Imprimeur au Roi’ Weissenbruch; de door Nissen veronderstelde 1885-editie is nooit verschenen.
Geplaatst in botanie | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (2)

Koerbagh, vrijdenkerij, en de wisselvalligheden van het leven

Voor Steven van Diermen 

In de derde eeuw na Christus merkte de Afrikaanse dichter Terentianus Maurus het al op, ‘Pro captu lectoris habent sua fata libelli’, ‘Boeken hebben de lezers die ze verdienen’. Dit geldt zeker voor een boek dat ik een paar maanden geleden voor de tweede keer in mijn leven in mijn bezit kreeg. Het betreft Adriaen Koerbaghs Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet, ondanks de blijmoedige titel een van de beruchtste werken uit de aan dissidente literatuur toch al rijke zeventiende eeuw. Het is het enige woordenboek dat ooit in de Nederlanden verboden is geweest. Een trouwe vriend gaf het mij. Omdat ik al eerder met veel plezier een kort artikel had geschreven over twee andere bibliofiele geschenken (zie hieronder), wil ik nu iets soortgelijks doen voor de gulle gever van Een Bloemhof. Ik hoop ermee te kunnen laten zien hoe onvoorspelbaar het lot van boeken soms is, en hoe persoonlijke herinneringen daarmee verweven kunnen zijn, samen met liefde, verlies, en onverwachte vriendschappelijkheid. Niet altijd hebben boeken meteen de lezers die ze verdienen, zoals Maurus suggereerde, maar een enkele keer krijgen ze die toch, uiteindelijk.

Adriaen Koerbagh (1633-’69) was werkzaam als arts en jurist in Amsterdam, maar is bekend geworden vanwege zijn spinozistisch geïnspireerde vrijdenkersideeën. Deze werden door hem steeds openlijker beleden in twee publicaties, Een Bloemhof (1668) en Een ligt schijnende in duystere plaatsen, om te verligten de voornaamste saaken der Gods-geleertheyd en Gods-dienst (1669). De inhoud van de eerste bevatte opmerkingen die voor zijn tijd levensgevaarlijk waren, zoals ‘De Bijbel is ook maar een soort Reyntje de Vos of Uylenspieghel’. De filosofische en meer doorwrochte tekst van de tweede (volgens historicus Jonathan Israel een van de radicaalste van de vroege Verlichting) bleek voor de drukker ervan zelfs zo aanstootgevend, dat deze de persen stopte, ervandoor ging en de schout waarschuwde. Bijna alle exemplaren werden vervolgens vernietigd. Koerbagh zelf werd opgepakt en door de Amsterdamse autoriteiten veroordeeld tot het betalen van zesduizend gulden boete, een gevangenisstraf van tien jaar en een verbanning uit de hoofdstad voor eenzelfde periode. Dat viel nog mee, want eerder was geëist dat zijn rechterduim in het openbaar zou worden afgehakt, zijn vrijzinnige tong met een gloeiende priem doorstoken en al zijn boeken verbrand zouden worden. Hij stierf een jaar later, overigens zonder gemarteld te zijn, in het Rasphuis, de beruchte stadsgevangenis aan de Heiligeweg. Spinoza zelf schijnt bij het vernemen van zijn dood geroerd geweest te zijn.

Dit alles is des te tragischer, als men bedenkt dat Koerbagh iemand was die kennis juist graag wilde delen. Hij probeerde haar toegankelijk te maken, liefelijk, ‘sonder verdriet‘, zodat ze niet geheim kon worden gehouden in besloten clubjes van geleerden, machthebbers of kerkelijke gezagsdragers. Zijn eigen boeken schreef hij dan ook niet in het Latijn, een taal voor de elite, maar in het Nederlands, die van het volk. ‘De wijsheijd is het grootste wonder dat er ter waereld is’, merkt hij in Een Ligt op. Voor christenen was dit soort bescheidenheid echter pure godslastering. Eeuwenlang werd Koerbagh dan ook afgeschilderd als een duivelskind, een atheïstisch monster. Als zulke ‘religieuze’ gevoelens op de juiste manier worden begrepen, namelijk als het nietsontziende machtsinstrument dat ze in de praktijk vaak blijken te zijn, is het aantal van twee overgebleven exemplaren van Een Ligt schijnende in duystere plaatsen eigenlijk niet teleurstellend laag, maar juist wonderbaarlijk hoog. Van Een Bloemhof zijn er veel meer exemplaren bewaard gebleven, hoewel nog altijd zo weinig dat ze vrijwel nooit te koop worden aangeboden, voor welke prijs dan ook. De overlevingskans van oudere boeken is sowieso heel klein. Er wordt geschat, bijvoorbeeld, dat van de vele honderdduizenden boeken die in de Gouden Eeuw zijn gedrukt, hooguit een paar procent de daaropvolgende rampen, revoluties, oorlogen, branden, volksverhuizingen, overstromingen, diefstallen, godsdiensttwisten en opzettelijke vernielingen, maar ook persoonlijker zaken, zoals burenruzies, huwelijksperikelen en daaropvolgende vechtscheidingen heeft overleefd. Van sommige toch beroemde boeken zijn hele edities volkomen van de aardboden verdwenen, terwijl we toch zeker weten dat die ooit hebben bestaan, soms zelfs in duizenden exemplaren. Elk bewaard gebleven boek is inderdaad een wonder, een stille, maar sprekende getuige van het verleden.

Vanuit deze historische diepte dook midden 2012 tijdens een boekenveiling te Amsterdam plotseling het al genoemde exemplaar van Een Bloemhof op, prachtig bewaard gebleven in de oorspronkelijke lederen band met rijk in goud versierde rug. Waar het vandaan kwam, of wie het op de veiling aanbood, is onbekend, hoewel het handgeschreven nummer op het etiketje een ooit institutionele bibliotheek suggereert. Op de schutbladen zijn vroeg-negentiende-eeuwse aantekeningen te vinden. Deze lijken uit twee handschriften te bestaan (zie afbeelding), met daarin korte biografische informatie over Koerbagh, en zelfs, nog altijd, een waarschuwing tegen zijn veronderstelde goddeloosheid. Het exemplaar bevat een extra bijzonderheid: van de titelpagina zijn beide bekende staten aanwezig, de ene met zijn volle naam, de andere met daarnaast het montere pseudoniem ‘Vreederijk Waarmond’. De reden waarom Koerbagh beide titels liet drukken is vooralsnog een raadsel. Hoe dan ook, met een toenmalige partner lukte het mij om dit unieke exemplaar te verwerven. Lang duurde dit bibliofiele geluk echter niet: bij een scheiding verdween Een Bloemhof al snel uit mijn bibliotheek, net als uit mijn leven, om, naar ik vreesde, nooit meer op te duiken, laat staan ooit weer in mijn bezit te komen. 

Alle hoop had ik al opgegeven, toen een jonge boekenvriend ontdekte dat juist dit exemplaar weer in de verkoop kwam. Als vanzelfsprekend werd er veel geld voor gevraagd. Een andere vriend, niet bangelijk aangelegd, en blijkbaar meer in Koerbaghs wonderen gelovend dan de eigenaar ervan, besloot het onmiddellijk terug te kopen, voor ons samen, geïnspireerd door het beroemde boekmerk van de zestiende-eeuwse Franse verzamelaar Jean Grolier de Servières: ‘Dit behoort mij en mijn vrienden’. Wie kan zulke vrijgevigheid weerstaan? Het voelde zowel vreemd als vertrouwd, maar voor de tweede keer in mijn leven bezat ik dus hetzelfde exemplaar van Een Bloemhof van Adriaen Koerbagh.

Nu ik het boek weer in huis had, wilde ik de onderbiedster (degene die net niet won) op de toenmalige veiling te Amsterdam zo snel mogelijk over dit alles informeren. Gelukkig bleek ze over Koerbagh en zijn werk nog altijd even enthousiast te zijn. Juist iemand als zij, een ervaren boekhistorica en Spinozakenner, weet hoe uitzonderlijk het is dat exemplaren van dit soort verboden titels de eeuwen überhaupt doorstaan hebben. Binnenkort zal Een Bloemhof dan ook zorgvuldig bestudeerd, beschreven, en mogelijk zelfs officieel tentoongesteld worden, in het kader van het driehonderdvijftigste sterfjaar van Koerbagh. Na eerdere studies van historici als Israel, Leeuwenburgh, Van Heertum en Wielema (zie literatuurlijst), kan zijn ‘radicale’ spinozistische gedachtegoed dan hopelijk een groter publiek de verlichting geven die het met zoveel vrolijke onbevangenheid nog altijd uitstraalt.

Mijn eigen zoektocht is nu afgesloten. Met bovenstaande schets hoop ik iets van de wisselvalligheden van het leven, het onvoorspelbare lot van boeken, van mensen, en, vooral, de gulheid van een waarachtige vriend te hebben laten zien. Voor de laatste is dit stukje geschreven, als dank voor zijn genegenheid en enthousiasme. De wereld zou er mooier uitzien als er meer mensen op rondliepen zoals hij. En Terentianus Maurus had inderdaad gelijk. Koerbaghs zo vrijzinnige Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet staat nu weer hier, in mijn eigen bibliotheek, de plek waar hij, blijkbaar, al die tijd thuishoorde.

David Apollonius Coppoolse

(Met dank aan Alessandro Di Meo, Miguel Fernandez Voortman en Hannah Laurens)

Literatuur
Heertum, C. van: ‘Een stinkende ruiker’: Adriaan Koerbaghs Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet (1668), in Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman. Jaargang 37 nummer 1 zomer 2014, pp 57-62.
Horlings, A.: https://historiek.net/vrijdenker-koerbagh-vertrouwde-in-1668-tevergeefs-op-godsdienstvrijheid/42766/
Israel, J.: Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750. Oxford: Oxford University Press 2001.
Leeuwenburgh, B.: Het noodlot van een ketter. Adriaan Koerbagh 1633-1669. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2013.
Koerbagh, A. (pseud. ‘Vreederijk Waarmond’): Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd sonder verdriet.  Amsterdam: [‘Gedrukt voor den Schrijver’], 1668.
Koerbagh, A.: A Light Shining in Dark Places, to Illuminate the Main Questions of Theology and Religion [ed. and transl. Michiel Wielema]. Leiden / Boston: Brill, 2011.
Koerbagh, A.: Een licht dat schijnt in duistere plaatsen. Een verheldering van de voornaamste kwesties van theologie and godsdienst. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2014.
Nadler, S.: A Book Forged in Hell. Spinoza’s Scandalous Treatise and the Birth of Secular Age. Princeton and Oxford: Princeton and Oxford Press, 2011.
Pearson, D.: Books as History. The Importance of books beyond their texts. Newcastle, Delaware / London: Oak Knoll Press, The British Library, 2008.
Afbeelding | Geplaatst op door | Tags: , , , , , , | 1 reactie

Een onverwacht vriendschappelijk gebaar (1)

Golownins lotgevallen bij de Japanners tot nieuw leven gewekt

Voor Ayolt en Lide Brongers

Onlangs kreeg ik van een bevriend echtpaar twee bijzondere boeken cadeau. Het betreft de Nederlandse vertaling uit 1817-’18 van de memoires van Vasily Golownin, een Russische kapitein die twee jaar lang als gijzelaar werd vastgehouden in Japan. De oorspronkelijk in 1816 te Sint Petersburg gepubliceerde herinneringen worden gezien als een ontroerend monument voor de vriendschappelijkheid die Golownin bij de Japanners had ervaren, ondanks zijn soms vernederende gevangenschap. Ze bleken zelfs relatief invloedrijk, want in de loop van de negentiende eeuw, en zeker tot het einde van de Edoperiode (1868), zouden ze voor een belangrijk deel de politieke gevoelens tussen Rusland en Japan bepalen. Tegenwoordig zijn originele exemplaren van de Nederlandse vertaling zeer zeldzaam. Ik had dan ook niet durven hopen die ooit te kunnen vinden, laat staan cadeau te krijgen. Nu staat zo’n set dus bij mij thuis, in complete, prachtige, en onafgesneden staat, dat wil zeggen, op groter papier en in de oorspronkelijke gebloemde kartonnen platten bewaard gebleven. Het gulle gebaar van mijn vrienden zou de edelmoedige schrijver (zie verder) ongetwijfeld veel plezier hebben gedaan. Met deze bescheiden historische schets van zijn lotgevallen wil ik hen daarvoor bedanken, op een persoonlijke, maar hopelijk ook voor andere boekenliefhebbers interessante manier.

La Pérouse, Chart of the Discoveries made in 1787, in the Seas of China and Tartary by the Boussole and Astrolabe […] (1798), met in het zuiden de noordpunt van Honshu, in het midden (onvolledig) Hokkaido en Sachalin, rechts de Koerilen richting Kamtsjatka, en nog verder (niet meer zichtbaar) de Aleoeten, richting Alaska

De voorgeschiedenis van Golownins avonturen is onstuimig, stormachtig zelfs. In de winter van 1783, tijdens een nachtelijke hoosbui, raakt de Japanse scheepskapitein Daikokuya Kōdayū de macht kwijt over de Shinshô Maru, een eenvoudige open zeilboot waarmee hij met vijftien andere opvarenden rijst vervoert van Ise naar Edo (ook wel Yeddo, tegenwoordig Tokio), de hoofdstad van Japan. Na allerlei mislukte pogingen om weer aan land te komen halen ze eigenhandig de mast neer. Het inmiddels gebroken scheepsroer zal niet veel later verdwijnen in de golven. Voortgestuwd door de harde wind drijven ze steeds verder weg, de open oceaan op. Na bijna acht maanden overleefd te hebben op regenwater, sporadisch gevangen vis en de niet eerder overboord gegooide rijst, spoelen Kōdayū en zijn medepassagiers uiteindelijk aan op de kust van Amtsjitka, een kaal, kil en vrijwel onbewoond eiland in de Aleoeten, de reusachtige archipel die als een snoer van vulkanen richting Alaska wegdraait. Met behulp van enkele Russische pelsjagers proberen ze hier te overleven. Er volgen vier lange jaren van ontberingen, zoals kou, honger, en overnachtingen in onderaardse, metersdiepe holen. Als ze ten einde raad zijn, besluit Kōdayū om met een provisorisch gemaakte zeilboot het eiland te ontvluchten. Over de noordelijke Stille Oceaan belanden de negen overlevenden niet in Japan, zoals gehoopt, maar op Kamtsjatka, net als Amtsjitka een onherbergzame en grotendeels onbewoonde plek. Hier houden ze het slechts twee jaar vol. Dan vertrekken de vijf overgebleven schipbreukelingen opnieuw, om over de Zee van Ochotsk en via het Siberische Jakoetsk in 1789 terecht te komen in Irkoetsk, pal tegen de grens met China. Op die uitheemse locatie was ooit een Japans taalschooltje gesticht. Daar ook lopen ze Erik Laxman tegen het lijf, een naar Rusland geëmigreerde Finse wetenschapper. Deze besluit hen onder zijn hoede te nemen.

Zoals gezegd, Japan bevindt zich dan middenin de Edoperiode, genoemd naar de stad waar de oppermachtige shogun resideert. Los van strikt gereguleerde handelscontacten met China en Holland (en officieuze met de zuidelijke Riukiu-archipel), heeft het shogunaat zich dan al anderhalve eeuw hermetisch afgesloten van de rest van de wereld. Het is Japanners niet alleen verboden naar het buitenland te gaan, ze mogen er ook niet uit terugkeren. Als natuurhistoricus is Laxman is dan ook zeer gefascineerd door de onverwacht in zijn schoot geworpen exoten. Hij wil ze gaan voorstellen aan het Russische hof, te Sint Petersburg, duizenden kilometers ten westen van Jakoetsk. Na opnieuw een maandenlange tocht, nu over de eindeloze Siberische vlakten, komt de groep in 1791 via Moskou in de Russische hoofdstad aan. Net als alle anderen die hem ontmoeten is keizerin Catharina II (‘De Grote’) onder de indruk van Kōdayū’s intelligentie en leergierigheid. Ze stuurt onmiddellijk een oekaze rond om op haar kosten de schipbreukelingen terug te brengen naar Japan, als blijk van goede wil, maar ook (of vooral) om via hen te proberen handelsbetrekkingen met het afgesloten keizerrijk aan te knopen. Na een tweede tocht over de Siberische vlakten, maar nu de andere kant op, komen Eric Laxman, zijn zoon Adam, Kōdayū en zijn landgenoten in 1792 via de Zee van Ochotsk weer aan bij Nemuro aan de kust van Ezo (Jesso), het huidige Hokkaido. Pas na veel overredingskracht lukt het Adam om de voormalige schipbreukelingen achter te laten bij de wantrouwige Japanse autoriteiten. Van de oorspronkelijke zestien keren er na bijna tien jaar slechts drie in hun vaderland terug. Eén overlijdt alsnog, kort na aankomst. De shogun is weliswaar persoonlijk geïnteresseerd in de lotgevallen van de wereldreizigers en laat hen intensief ondervragen (Catharina de Grote is de heldin van de dag), maar gebiedt ook dat Kōdayū de rest van zijn leven moet doorbrengen op het terrein van de kruidentuin bij het shogunale paleis te Edo, als straf voor zijn ‘illegale’ schipbreuk.

De jonge Laxman wordt beleefd bedankt voor zijn bemiddeling. Hij krijgt, vermoedelijk vooral om van hem af te komen, van de Japanse autoriteiten de indruk mee dat hij bij een eerstvolgend bezoek officieel ontvangen zou kunnen worden, alleen niet hier, op Ezo, maar Nagasaki, de ruim tweeduizend kilometer verderop gelegen handelsstad waar enkel Japanners zelf, Hollanders en Chinezen welkom zijn. Met die vage belofte keert hij terug naar Sint Petersburg. Daar is het keizerlijke hof echter te verwikkeld geraakt in alle politieke verwarringen vanuit Europa om van de veronderstelde uitnodiging gebruik te maken.

Golownin door de ogen van de Japanners gezien, in Roshia furyo-ki (‘Verslag van de Russische gevangenen’), manuscript, zonder datum (contemporain), in Lensen, Report from Hokkaido, 1954, pag. 29, en bibliografie

Pas veel later komt daar verandering in. Zeven jaar na Catharina’s overlijden, in 1803, vertrekken Johann Adam Krusenstern (naamgever van de beroemde viermaster Kruzenshtern) en Yuri Lisyansky op de allereerste Russische reis om de wereld. Ze doen ook Japan aan, in de hoop van Laxmans ‘uitnodiging’ gebruik te kunnen maken. De officiële gezagvoerder van de Nadezhda en de Newa is baron Nikolaj Petrovitsj Rezanov. Nadat de handelsmissie in 1805 dankzij de stroperige onderhandelingstactieken van de Japanners in Nagasaki op een volkomen mislukking is uitgelopen, zoals te verwachten was, ontsteekt deze onervaren diplomaat in woede, vertrekt op hoge poten, maar laat zijn jonge zakenvrienden Nikolai Chwostoff en Gavriil Davydoff de vrije hand om bij de noordelijke ainoe (de oorspronkelijke inwoners van Japan) zich te buiten te gaan aan plunderingen, moorden, brandstichtingen en andere vernielingen. Als de autoriteiten in Edo dit ter ore komt, zijn ze ontsteld. Ze zinnen op wraak. Die komt er, zes jaar later, als de onverwachte held van dit verhaal, kapitein Golownin, met zijn schip Diana in Japan arriveert om daar in alle onschuld te willen gaan herbevoorraden. Al na enkele dagen wordt hij met een list door de Japanners gevangen genomen, gekneveld en hardhandig weggevoerd. Na de eerste schrik en een mislukte ontsnappingspoging beseft Golownin dat hij voorlopig niet vrij zal komen. Hij berust in zijn lot en besluit zijn gijzelnemers beter te gaan leren kennen.

Tijdens de gevangenneming is de plaatsvervangend kapitein van de Diana, Pyotr Rikord, aan boord gebleven. In allerijl vaart hij nu weg, zijn gezagvoerder bij de Japanners achterlatend. Hij neemt zich echter voor zo om snel mogelijk terug te keren. Als hij het jaar daarop weer in de buurt is, neemt hij een willekeurige Japanner gevangen, als menselijk losgeld voor de vrijlating van Golownin. Deze gijzelaar blijkt geen eenvoudige matroos, zoals gedacht, maar de hooggeboren Takatai-Kachi (Takadaya Kahei), een rijke, ontwikkelde en nieuwsgierige man, iemand die, net als Golownin, steeds meer respect voor zijn gijzelnemers krijgt. Die gevoelens worden al snel beantwoord. Takadaya, inmiddels vrienden met Rikord (ze slapen zelfs in dezelfde kajuit), zorgt ervoor dat er voorzichtig contact wordt gemaakt met de overgevoelige Japanse autoriteiten. Dankzij de diplomatie van Takadaya, de volhardendheid van Rikord, maar vooral dankzij het geduld, de welwillendheid en het inlevingsvermogen van de op de achtergrond opererende Golownin loopt alles uiteindelijk goed af, en worden tot ieders opluchting de gijzelaars in 1813 wederzijds vrijgelaten. De hele affaire zal de geschiedenis ingaan als ‘Het Golownin-incident’. Het onvermijdelijke afscheid nadert nu snel, en wordt door de nieuwe vrienden feestelijk gevierd met meertalige gelukswensen en ‘Leve Diana!’-uitroepen. Na zijn terugreis naar Sint Petersburg, over de inmiddels bekende Siberische vlakten, bergketens en rivieren, per koets, kar, boot, te paard, te voet, per honden- en rendierslee etc, publiceert Golownin zijn memoires, de aanleiding tot dit verhaal. Het blijken instant bestsellers. Al binnen enkele jaren verschijnen er, naast de Nederlandse, meerdere vertalingen, waaronder Franse, Engelse en Hoogduitse. Golownin wordt door Alexander I veelvoudig gedecoreerd voor zijn verdiensten voor het vaderland. Hij zal nog meerdere succesvolle Russische scheepsbouwprojecten opzetten en mentor worden van tientallen jonge zeesoldaten. Tijdens de cholera-epidemie van 1831 komt hij in Sint Petersburg te overlijden, een inmiddels gerespecteerd en geliefd marineman.

Tot zover deze korte historische schets. Hoe ontoereikend ook, ik hoop er het gulle gebaar van mijn vrienden enigszins mee terugbetaald te hebben. Wat zou het mooi zijn als Golownins Lotgevallen, te midden van ruim anderhalfduizend andere boeken over Europees-Japanse betrekkingen in de Edoperiode, hier nu snel thuisraken. Tenminste, totdat het echte leven hen vroeger of later onvermijdelijk weer mee zal voeren, naar nieuwe, ongekende avonturen.

David Apollonius Coppoolse

(Met veel dank aan Alessandro Di Meo en An Duits, voor hun kritische meelezen)
Literatuur:
Golownin, W.: Mijne lotgevallen in mijne gevangenschap bij de Japanners, gedurende de jaren 1812 en 1813. Benevens eenige aanmerkingen over het Japansche keizerrijk en het Japansche volk, en eenige bijdragen van den kapitein Rikord. Uit het Russisch volgens de Hoogduitse vertaling [van Carl Johann Schultz] door Steenbergen van Goor. Dordrecht: A. Blussé & Zoon, 1918 [-’18; twee delen; oorspronkelijk afkomstig uit de bibliotheek van de grootvader van de schenker].
Golownin, Captain R.N.: Memoirs of a Captivity in Japan 1811-1813 [intr. John McMaster]. Hong Kong [etc]: Oxford University Press, 1973 [reprint in drie delen].
Keen, D.: The Japanese Discovery of Europe, 1720-1830. Stanford, California: Stanford University Press, 1969 [herz. tweede druk, eerste druk 1952].
Krusenstern, A.J. von: Voyage Round the World in the Year 1803, 1804, 1805, & 1806. London: John Murray, 1813 [twee delen en atlas; reprint Amsterdam: Da Capo Press, 1968].
Lensen, G. A.: Report from Hokkaido. The Remains of Russian Culture in Northern Japan. Hakodate, Japan: The Municipal Library of Hakodate, 1954 [exemplaar met opdracht van de schrijver].
Ibid.: The Russian Push Towards Japan. Russo-Japanese Relations, 1697-1875. Princeton, New Jersey: Princeton University Press, 1959 [exemplaar met opdracht van de schrijver].
Otterloo, A. van: Japan, beschreven naar de nieuwste bronnen. Amsterdam: Gebroeders Kraay, 1860.
Plummer, K.: The Shogun’s Reluctant Ambassadors. Portland: The Oregon Historical Society, 1991 (derde, herziene druk, eerste druk 1984].
Ramming, M.: Reisen schiffbrüchiger Japaner im 18. Jahrhundert. Berlin Lankwitz: Würfel Verlag, 1931.
Rikord: Captain Rikord’s Voyages to Japan during 1811-1813. [red. Lin Sho Doh, Japanese National Archives; CreateSpace Independent Publishing Platform [Bicentennial, Anniversary edition, April 12, 2012].
Sansom, G.B.: The Western World and Japan. A Study in the Interaction of European and Asiatic Cultures. New York: Alfred A. Knopf, 1962.
Steger, F.: De Nippon-vaarders of het wedergeopende Japan. In schetsen uit de bekendste oudere en nieuwere reizen. Leyden: A.W. Sijthoff, 1861.
Winkel, M.: Japan ziet Rusland. Een Japans schipbreukelingenverslag uit 1794. Leiden: Oosters Genootschap in Nederland, 1998.
Wolcott Brooks, Ch.: Japanese Wrecks Stranded and Picked up Adrift in the North Pacific Ocean. Fairfield, Washington: YE Galleon Press, 1964.
Geplaatst in Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

‘The object of great curiosity’

Iets over de wonderlijke ‘Pisonia’-boom van Berthe Hoola van Nooten.

‘There is in Java a tree or shrub; formerly enveloped in profound mystery and the object of great curiosity’ (Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java, Bruxelles 1863, tekst bij plaat [21], ‘Pisonia Sylvestris’)

Berthe Hoola van Nooten: ‘Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java’, eerste editie 1863 (-’64), Émile Tarlier, Bruxelles; collectie Antiquariaat Jan Meemelink, ‘s-Gravenhage

Begin januari 1863 verscheen bij de Brusselse uitgever Émile Tarlier de eerste aflevering van een groots opgezet platenboek over enkele van de mooiste bloemen en vruchten van Java, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java. Het beoogd publiek was blank, hoogopgeleid en welvarend, de prijs navenant: bij voorintekening kostte het complete boek in tien afleveringen maar liefst fl 60,-, ruim € 600,-. Wilde men het daarna aanschaffen, dan was men tien gulden duurder uit. Toch bleek de verkoop al snel een succes. Dat was vooral te danken aan de veertig kleurrijke illustraties, uitzonderlijk genoeg gemaakt door een vrouw, Berthe Hoola van Nooten. Deze in 1817 te Utrecht geboren onderwijzeres en amateurbotanica woonde destijds zelf op Java, eerst in de blanke wijk Weltevreden in Batavia, later in de zuidelijker gelegen voormalige lusthof Buitenzorg en uiteindelijk weer in Batavia, waar zij in 1892 ook zou komen te overlijden. Verantwoordelijk voor de lithografische reproducties in het boek was Guillaume Severeyns, Tarliers stadsgenoot en een van de beste botanische steendrukkers van zijn tijd. Helaas is geen enkele van Berthes originele tekeningen ooit boven water gekomen. Niemand weet dus meer hoe deze eruit zien (of -zagen), maar door de zorgvuldige manier waarop Severeyns duizenden andere reproducties vervaardigde zal hij ook dit op Java gemaakte werk natuurgetrouw hebben weergegeven. 

Anno 2019, ruim anderhalve eeuw later, zien de platen er nog altijd spectaculair uit, maar één ervan springt dubbel in het oog. Daarop worden twee plantensoorten tegelijkertijd afgebeeld, de crèmekleurige koolboom (een cultivar, Pisonia alba) en zijn stamvorm, Pisonia sylvestris (tegenwoordig P. grandis). De eerste dankt haar naam (op Java ook wel ‘kohl banda’) aan het feit dat de bladeren soms gekookt worden gegeten als surrogaat voor kool of sla. De andere valt met haar donkergroene blad misschien wat minder op, maar in folkloristisch en taxonomisch opzicht is het juist de meest fascinerende van de twee. Onder andere door het werk van Hoola van Nooten en dat van haar beroemde tijd- en eilandgenoot, de in Westfalen geboren natuuronderzoeker Franz Wilhelm Junghuhn (1809-’64), weten we iets meer over allerlei details daarvan.

Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java [Bruxelles, 1863-’64], plaat [21] (chromolithografie), ‘Pisonia Sylvestris [= P. grandis]. T[eijsmann]. et B[innendijk]. widjojo koesoema. [&] Pisonia Alba. Spink. [sic, moet zijn ‘Span.’, = Johan Baptist Spanoghe] kohl banda.’

Pisonia grandis, een stevige, struik- tot boomachtige plant (geen Nederlandse naam, in het Engels ‘Grand Devil’s Claw’), komt op meestal kleinere eilanden overal in het Maleise gebied zeer verspreid voor. Zeevogels die in kolonies broeden, zoals sternen en fregatvogels, maken bij hun nestbouw graag gebruik van de stevige takken, waardoor de bladeren en de grond daaronder vaak bedekt zijn met kostbare guano. Op Java wordt ze ook wel ‘widjojo koesoemo’ genoemd, ‘De alles overtreffende bloem’, een gezien haar bescheiden voorkomen wat wonderlijke naam die Hoola van Nooten als volgt verklaart:

In the javanese language the [Sanskriet] word widjojo is translated in the following manner: wi civilised, djojo courageous and lucky or fortunate and koesoema, means nobility, illustrious birth, high rank.

Deze etymologie slaat dus niet op de bloempjes zelf, maar op de bijzondere folklore daaromheen. Terwijl het blad van de koolboom overal op het platteland kon worden aangetroffen als goedkoop varkensvoer, werden de bloesems van de ‘widjojo koesoemo’ ooit vol eerbied gebruikt bij de officiële kroningsplechtigheden van de keizers van Solo, het huidige Surakarta. Destijds leek de plant nog uitzonderlijk zeldzaam. In het eerste deel van zijn hoofdwerk, Java, zijne gedaante, zijne plantentooi en inwendige bouw (1850-’54), had Junghuhn al beschreven hoe de blijkbaar gescheiden groeiende vrouwelijke en mannelijke bloemen met veel moeite en met behulp van een in een wiebelige prauw geplaatste smalle ladder op twee in de Indische Oceaan liggende en vrijwel onbereikbare rotspunten (‘schedels’) op het neveneiland Noesakambangan aan de zuidkust van Java geplukt moesten zien te worden. Een uitsluitend voor die ene taak in dienst gehouden ‘inlander’ was daar verantwoordelijk voor. Als deze in dat huzarenstukje slaagde, wat bij ruwe zee sowieso onmogelijk was, werden de geurige rozewitte bloesemblaadjes met hun waaiervormige stengels (zie afbeeldingen) in wat vochtige aarde gestoken en voorzichtig op een kostbare zilveren schaal gelegd. Enkele zorgvuldig geselecteerde hoge afgezanten namen vervolgens alles mee, om na een feestelijke processie onder allerlei beschaduwende ‘verhemelten’ (baldakijnen) de nu dubbel geplukte maar nog frisse bloesems te kunnen aanbieden aan de schitterend uitgedoste, destijds nog in ‘eenen absolute heerschappij’ regerende vorst. Volgens Junghuhn mocht op straffe des doods niemand anders dan hij de als heilig vereerde ‘widjojo koesoemo’ in ontvangst nemen. Hoola van Nooten vermeldt nog dat: 

The heirs to the javanese throne therefore, felt sure of their father’s succession, as soon as the precious flower was in their possession.

Er bestaan ook andere versies van het verhaal. In een daarvan draait de ceremonie niet om de vorst, maar om een van zijn vrouwen, meestal een jong meisje, dat, ongehinderd door allerlei politiek-correcte #MeToo-oprispingen, met het verorberen van de magische bloempjes geen serviele seksegenote zoals zijzelf maar juist een ooit net zo dominante man als hij ter wereld hoopte te brengen. Ondanks dit soort diepliggende machtsstructuren was al tijdens Berthes leven het ritueel in verval geraakt. Die teloorgang zou ook verklaren waarom geen enkele Europese tijdgenoot de sprookjesachtige gebruiken met eigen ogen gezien heeft. Alle verslagen erover, zelfs de meest uitgebreide van Junghuhn, komen uit tweede of derde hand.

Westerse wetenschap kan net zo wonderlijk zijn als Oosterse folklore. De officiële Latijnse naam van het geslacht Pisonia, bijvoorbeeld, is gebaseerd op die van de zeventiende-eeuwse arts Willem Piso, bezorger van onder andere het botanische pionierswerk van Jacobus de Bondt, beter bekend als Bontius. Omdat Piso de originele tekst van zijn vroeggestorven collega (die jarenlang op Java had gewerkt) nogal slordig had geredigeerd leek het net alsof hijzelf verantwoordelijk was voor veel van het werk dat juist Bontius had gedaan. Wegens de gemene doorns van sommige soorten (vandaar ‘Grand Devil’s Claw’ voor P. grandis) noemde de grote Zweedse systematicus Carolus Linnaeus het geslacht Pisonia daarom naar hem, als een taxonomische steek onder water. De arme Piso zag op die manier zijn naam in 1753 postuum vereeuwigd, alleen niet als gerespecteerd botanicus, maar als onbetrouwbare letterdief.

Sydney Parkinson, Pisonia grandis, aquarel [ca 1770], Natural History Museum, London, The Endeavour Botanical Illustrations.

Pas in 1810 was Berthes Pisonia sylvestris voor het eerst officieel beschreven. Dat gebeurde door Robert Brown, de privé-bibliothecaris van Joseph Banks, op zijn beurt zo’n veertig jaar daarvoor James Cooks metgezel op diens eerste reis om de wereld. Omdat Browns typering (als Pisonia grandis) de vroegste in drukvorm is (ongepubliceerde namen, zoals op de tekening hiernaast, tellen in de taxonomie niet mee), zijn alle latere voor soortgelijke planten vervallen. De lijst daarvan is lang, zelfs voor een variabele soort. Om er enkele te noemen: Pisonia excelsa (1825), P. olitoria (1837), P. forsteriana (1842), P. morindifolia (1852), P. albaP. sylvestris (Hoola van Nooten, 1863), P. viscosa (1877), Calpidia excelsa (1913) – al deze namen  zijn ongeldig verklaard of simpelweg onopgelost gebleven. Verantwoordelijk voor dit taxonomische slagveld zijn de ingewikkelde evolutionaire verhoudingen van de Pisonia-soorten onderling. Ook Georg Rumpf (Rumphius, de beroemde zeventiende-eeuwse natuuronderzoeker op Ambon) had al een Pisonia-soort besproken (als ‘Olus album insularis’), maar zijn Latijnse namen zijn, hoewel postuum gepubliceerd, pre-Linneaans, en dus sowieso ongeldig. Het is zelfs niet uitgesloten dat de natuuronderzoekers Johann Reinhold Forster en zijn tienerzoon Georg (Cooks wetenschappelijke medewerkers op diens tweede wereldreis) bij hun beschrijving van de nauw verwante Ceodes [tegenwoordig Pisonia] umbellifera in de kleine donkere scheepskajuit van de Resolution in werkelijkheid een specimen van Pisonia grandis voor zich op tafel hadden liggen. Als destijds de twee planten inderdaad verwisseld zijn, zou alles wat er daarna over is gepubliceerd in taxonomisch opzicht op losse schroeven kunnen komen te staan. Onzekerheden als deze hebben ervoor gezorgd dat de systematiek van Pisonia met zijn tientallen soorten en honderden namen zelfs voor ervaren botanici een bijna onontwarbare kluwen is geworden.

‘Junghuhn’, frontispice (tegenover pag. 297) in Wichmann, ‘Franz Wilhelm Junghuhn’ in Petermanns Mitteilungen, deel 55 (1909)

Ook Junghuhn slaagde er niet in om de geheimzinnige plant van Noesakambangan als een Pisonia te identificeren. Tot zijn grote ergernis konden de in 1847 door een lokale informant stiekem buitgemaakte en voor nader onderzoek aan de Leidse hoogleraar botanie De Vriese opgestuurde exemplaren nergens meer teruggevonden worden. Een wetenschappelijke beschrijving, door wie dan ook, was daarmee uitgesloten. In haar florilegium vermeldt Hoola van Nooten echter dat de hortulanus van ’s Lands plantentuin te Buitenzorg, Johannes Elias Teijsmann, al in 1854 soortgelijke ‘magnifiek gekroonde bomen’ eveneens op het nabijgelegen Bali had ontdekt. Enkele specimina ervan zou hij meegenomen hebben naar Java, om ze daar te typeren als Pisonia sijlvestris (originele spelling). In zijn eigen verslag hierover beschrijft Teijsmann zijn verbazing toen hij erachter kwam dat de ooit als heilig vereerde talisman van de machtige keizers van Solo niets anders was dan een groene, overal voorkomende verwant van de doodgewone koolboom. Het raadsel rondom de ‘widjojo koesoema’ leek daarmee eindelijk opgelost. Overigens schijnt Teijsmann zich niet gerealiseerd te hebben dat Robert Brown al zo’n halve eeuw eerder onder een andere naam dezelfde plant had beschreven. Een verklaring daarvoor zou kunnen zijn dat Browns publicatie destijds ontbrak in de bibliotheek van ’s Lands Plantentuin, de enige plek in de tropen waar zo’n uitgebreide collectie natuurwetenschappelijke boeken publiekelijk toegankelijk was. Hoe dan ook, vanaf het moment dat duidelijk werd dat Teijsmanns typering uit 1855 niet de eerste was kwam ook deze te vervallen. Tegenwoordig worden de namen Pisonia sylvestris en Pisonia alba door de meeste botanici beschouwd als synoniemen van Pisonia grandis. Het geslacht Pisonia zelf behoort tot de Nyctaginaceae (bij Hoola van Nooten Nyctaginae), een kleine familie van veelal (sub)tropische en eveneens zeer verspreid voorkomende tweezaadlobbigen. 

Al deze informatie heeft Teijsmann vrijwel zeker gedeeld met Berthe. Niet alleen woonden beide tijdgenoten enkele jaren op slechts enkele honderden meters afstand van elkaar (hij op het terrein van ’s Lands Plantentuin, zij pal aan de overkant aan de Groote Postweg), het was ook in ‘zijn’ tuin dat ze in opdracht van het Indische gouvernement alle platen voor haar florilegium zou tekenen. Het is zelfs zeer waarschijnlijk dat Teijsmann heeft meegeholpen bij het schrijven van de bijbehorende Frans/Engelse teksten, deze verraden namelijk een meer dan gemiddelde natuurhistorische kennis. Wie ook wat heeft gedaan, in het Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem van 1907 werd juist Hoola van Nootens Pisonia-plaat nog geroemd als een van de beste ervan, samen met de eerdere beschrijving door Junghuhn. Loftuitingen als deze laten zien dat Fleurs, fruits et feuillages het niveau van een simpel salontafelboek ver overstijgt, ook al beweerde Berthe zelf geen echte, wetenschappelijke flora te kunnen maken. Zoiets ingewikkelds leek haar meer iets voor mannen.

Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860 (collectie familie Barth)

Verrassend genoeg kan Junghuhn de eerste platen van haar werk nog in handen hebben gehad. Want juist in de korte periode (augustus 1863 – april ’64) dat hij en Berthe tegelijkertijd lid waren van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging te Batavia, kwamen daar de vroegste ‘livraisons’ van het florilegium vanuit Brussel aan. Zíjn publicaties heeft Berthe in elk geval goed gekend, want in haar bespreking van de Indiase plosso of palasa (Butea frondosa, tegenwoordig Butea monosperma, plaat achttien uit het florilegium) refereert ze daaraan. Het is zelfs mogelijk dat beide ‘totoks’ (blanke Indiërs) elkaar daadwerkelijk ontmoet hebben, tijdens een van de vergaderingen, of in de wandelgangen van het verenigingspand aan het Koningsplein. Hoe zo’n persoonlijk treffen eruit gezien kan hebben is natuurlijk gissen, maar zeker is dat twee zo totaal tegenovergestelde naturen, Berthe, de rechtlijnige christin, en Franz Wilhelm, de beruchte vrijdenker, naast botanie niet veel gemeenschappelijke gespreksstof gehad kunnen hebben zonder hun respectieve geloofsbrieven enigszins op de vlakte te houden. Van eventueel commentaar op haar werk lijkt van zijn kant helaas niets bekend. Hij is altijd veel beroemder geweest dan zij, vanzelfsprekend, maar Berthe is met haar Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone L’Île de Java de allereerste vrouw in de geschiedenis die een origineel Indisch plantenboek heeft laten publiceren. Nadat Junghuhn (de ‘De Humboldt van Java’) begin 1864 werd getroffen door dysenterie kwam hij al op 24 april van dat jaar te overlijden. Berthe zou in steeds grotere godsvrucht nog bijna dertig jaar langer leven. Ze kreeg zelfs twee nieuwe, verbeterde edities van haar botanische pionierswerk onder ogen. Dat was inclusief de eenentwintigste plaat daaruit, die van de gewone en tegelijkertijd zo wonderlijke Pisonia-boom.  

(Met, zoals altijd, veel dank aan Marcel van Dorst, An Duits en Marianne Offereins)
Hieronder de originele tekst bij Hoola van Nootens afbeelding van Pisonia sylvestris en Pisonia alba, plaat [21] uit haar florilegium (3de editie, ongedateerd, 1881); overigens vermeldt Hoola van Nooten Pisonia sylvestris als een variëteit van Pisonia alba, en niet andersom, zoals beschreven in onderhavig artikel.

(opent vergroot in apart venster)

Literatuur
Airy Shaw, H.K.: ‘On the Distribution of Pisonia grandis R. Br. (Nyctaginaceae), with Special Reference to Malaysia’,  Kew Bulletin Vol. 7, No. 1 pp 87-97. Springer Verlag for the Royal Botanic Garden, Kew, 1952.
[anon] ’Widjojo koesoemo’, Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem 1907 [pag. 134].
Blink, H.: Nederlandsch Oost- en West-Indië. Geographisch, ethnographisch en economisch beschreven. Leiden: Boekhandel en drukkerij E.J. Brill, 1905-’07 [Jacobus de Bondt (Bontius) pag. 187]. 
Brown, R.: Prodromus floræ NovæHollandiæ […]. Londini: Typis Richardi Taylor et Socii, 1810 [Pisonia grandis deel I pag. 422].
Cook, H.J.: ‘Global Economics’ in Schiebinger, L. en C. Swan (eds): Colonial Botany. Science, Commerce, and Politics in the Early Modern World. Philadephia: University of Pennsylvania Press, 2005 [Jacobus de Bondt (Bontius) pag. 106].
Forster, J.R. en G.: Characteres generum plantarum […]. Londen: White, Cadell & Elmsly, 1776 [eerste editie 1775; Pisonia [als Ceodes] umbellifera pag. 142 e.v. & plaat 71].
Gedenkboek Franz Junghuhn 1809-1909. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1910 [‘De Humboldt van Java’ pag. 23].
Hoola van Nooten, B.: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java. Bruxelles: Émile Tarlier, 1863 [-’64; tweede gecorrigeerde editie Severeyns 1866, derde geheel opnieuw gelithografeerde editie (met iets ingekorte titel) Muquardt (ongedateerd) 1881; Pisonia plaat [21]].
Junghuhn, Dr. Franz: Java, zijne gedaante, zijne plantentooi en inwendige bouw. ’s Gravenhage: C.W. Mieling, 1853-’54 [= tweede, gewijzigde druk; eerste druk als Java, deszelfs gedaante, bekleeding, en inwendige structuur, Amsterdam: P.N. van Kampen, 1850-’54] [‘Widjojo Koesoemo’ deel [1] pag. 365 e.v. en (voor Vriese) noot 7 pag. 659].
Linnaeus, C.: Species plantarum, exhibentes plantas rite cognitas […]. Holmiæ [Stockholm]: Impensis Laurentii Salvii, 1753 [eerste druk, twee delen; Pisonia pag. 1026].
Loos-Haaxman, J. de: Verlaat Rapport Indië. Drie eeuwen Westerse schilders, tekenaars, grafici, zilversmeden en kunstnijveren in Nederlands-Indië. ’s Gravenhage: Mouton & Co Uitgevers, 1968  [Hoola van Nooten pag. 44; over de professionele ‘verbetering’ van origineel tekenwerk in lithografie zie pag. 45; zie daarvoor ook Coppoolse, De Primeur. Berthe Hoola van Nooten publiceert haar Javaanse florilegium (webartikel) https://davidcoppoolse.com/2018/01/22/de-primeur-het-javaanse-florilegium-van-berthe-hoola-van-nooten-wordt-gepubliceerd/].
Mohammad, G.S.: Widjojo Koesoemo Between Tradition and Science, 1830-1939 (Master Thesis). Leiden: Leiden University, 2014.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-Indie deel XXVI zesde serie deel I 1864 [lidmaatschap Hoola van Nooten].
Nicolson, D.H. en F.R. Fosberg: The Forsters and the Botany of the Second Cook Expedition (1772-1775). Rugell, Liechtenstein: A.R.G. Gantner Verlag K.G., 2004 [Pisonia [als Ceodes] umbellifera pag. 541 e.v.].
Nissen, C.: Die Botanische Buchillustration. Ihre Geschichte und Bibliographie. Stuttgart: Hiersemann Verlags-Gesellschaft, 1951 [Severeyns pag. 233].
Pies, E.: Willem Piso (1611-1678). Begründer der kolonialen Medizin und Leibartz des Grafen Johann Moritz von Nassau-Siegen in Brasilien. Eine Biographie. Düsseldorf: interma-orb Verlagsgruppe, 1981 [Bontius pag. 33].
Pisonia albahttp://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-50097057  (als P. umbellifera)
Pisonia grandishttp://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-50097056
Pisonia sylvestris: http://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/kew-2552973
Pisonia umbellifera: http://www.theplantlist.org/tpl1.1/record/tro-22500321
Pramanick, D.D., G.G. Maiti en M.S. Mondal: ‘Taxonomic study of the genus Pisonia L. (Nyctaginaceae) in India’ in Annals of Plant Science 4.8 (2015) pp 1179-1184. 
Sirks, M.J.: Indisch Natuuronderzoek. Amsterdam: Amsterdamsche Boek- en Steendrukkerij v/h. Ellerman, Harms & Co., 1915 [o.a. Junghuhn pag. 141 e.v.].
Teijsmann, J.E.: ‘Iets over de Widjojo Koesoemo (Pisonia Sijlvestris Teijsm. Binnd.)’ in Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië uitgegeven door de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië Deel IX Nieuwe Serie Deel VI [pp 349-556], Batavia: Lange & Co., 1855.
Treub [voorwoord]: Catalogus der bibliotheek van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg. Batavia: Landsdrukkerij, 1887.
Wit, H.C.D. de: ‘A checklist to Rumphius’s Herbarium Amboinense’ in De Wit, Rumphius Memorial Volume. Baarn: Uitgeverij en drukkerij Hollandia, 1959 [Pisonia alba als ‘Olus album insularis’ pag. 446].
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 3 reacties

‘Oh, for a lovelier faith!’

Berthe Hoola van Nooten en haar kortstondige meisjesscholen op Java.

[…] Nadat Berthe op 12 april 18561 in Nederlands-Indië was aangekomen leken er voor haar gezin eindelijk betere tijden aan te breken. Dankzij een gouvernementele subsidie van maar liefst fl 1500,- per maand2 (zo’n 15.000,-) slaagde ze erin al op 6 april van het jaar daarop 3 in Batavia een nieuwe meisjesschool te openen. Deze was, als vanzelfsprekend, bedoeld voor blanke meisjes, liefst ‘uit den beschaafden stand’.4 Bij de publiekelijk fel bekritiseerde5 officiële toestemming daarvoor verleend (d.d. 24 maart) kon Berthe haar ruim twintig jaar oude Wageningse ‘acte van toelating tot schoolhouderes in de Nederduitsche, Hoogduitsche, Fransche en Engelsche talen’ nog overleggen.6 Ze kreeg zelfs meer dan ze had gevraagd: niet alleen mocht ze alle extra inkomsten voor zichzelf houden,7 bij een geslaagde start beloofde de Hoofdcommissie van Onderwijs haar dat het schoolcontract na twaalf maanden met vijf jaar verlengd zou worden.Ook Berthes gastheer, haar even succesvolle als agressieve (‘very violently indisposed’)9 halfbroer Vincent Jacob van Dolder, gaf zijn zegen aan het project, overigens niet zonder luidruchtig commentaar op haar veronderstelde gebrek aan financiële capaciteiten.10 Eerdere plannen om te gaan wonen op een van zijn Javaanse suikerplantages kon Berthe in elk geval laten varen.11 Na alle onzekerheid over de toekomst was ze geëmotioneerd, opgelucht en dankbaar.12

Het pand waarin de school gevestigd werd, stond in de Gang Scott, een van de mooiste zijlanen van het centraal gelegen Koningsplein. Verscholen in het overweldigende groen (zie afbeelding) was daar ook de villa van Vincent Jacob te vinden. In de ruim aangelegde wijken eromheen resideerde de blanke Bataviase elite, vooralsnog in de watten gelegd door ontelbare autochtone bedienden, ‘baboes’ (Multatuli’s kindermeisjes) en huishoudhulpen. 

Woodbury & Page, Gang Scott, Batavia (albuminedruk), ca 1880 (de villa van Vincent Jacob stond rechts, op deze foto net niet te zien)

De school ging vlot van start. Vooral na verhuizing naar ‘another very large house’,13 iets verderop in de laan, groeide het aantal leerlingen snel. In dit nieuwe pand (tevens woonhuis) kreeg Berthe uiteindelijk bijna vijftig ‘Jonge Jufvrouwen’14 onder haar Nederlandse Hervormde vleugels. Dat succes kon nauwelijks onverwacht gekomen zijn. In Batavia, nota bene de hoofdstad van Nederlands-Indië, werd door het gouvernement namelijk al decennialang geen regulier meisjesonderwijs meer aangeboden.15 Maar ondanks die bevoorrechte positie schijnt Berthe eigenzinnig gemanoeuvreerd te hebben. Als gelovig christin (inderdaad, er bestaan ongelovige christenen) vertikte ze het bijvoorbeeld om het klassikaal Bijbellezen achterwege te laten (‘[…] with the help of God, I will never yield this point.’)16, iets wat de seculiere autoriteiten haar toch uitdrukkelijk hadden gevraagd. Dat was onvoorzichtig gedacht van de subsidiante. In dezelfde buurt werkten namelijk meerdere vrouwelijke collega’s die al veel langer op een riante overheidstoelage als de hare aasden, met of zonder een flinke hoeveelheid ‘jalousie de métier’.17  Deze seksegenotes zouden nog sneller hun zin krijgen dan wellicht verwacht. Want ook al lijkt madame Hoola van Nooten née Van Dolder zich snel thuis gemaakt te hebben in de hogere kringen van Batavia ,18 op 1 januari 1859 raakte ze de royale subsidie voor haar ‘partikuliere meisjes- dag- en kostschool’ alweer kwijt,19 vierenhalf jaar eerder dan de bedoeling was geweest. De gehoopte Bijbelse zes vette jaren waren ineengeschrompeld tot een magere anderhalf en Berthe kon weer van voor af aan beginnen. Volgens haar was in juridische zin koning Willem III daar uiteindelijk verantwoordelijk voor,20 ironisch genoeg dezelfde man wiens naam later bovenaan de intekenlijst van haar Javaanse florilegium zou prijken.

Hoola van Nooten aan Dunlap, pp 14 & 15 van brief d.d. 21 september 1859 (laatst bekende brief van Berthe; © John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University; with special thanks to Simone Ballard, of the same university)

Ondanks het gebrek aan geld zette Berthe de school nog enkele maanden voort, tot minstens oktober van dat jaar. Daarna dreigden de kosten van vooral het inhuren van Europese leerkrachten definitief te hoog te worden.21 De aangeslagen ‘kostschoolderes’22  beweerde zelf dat het mislukken van haar school opzettelijk was gebeurd, inderdaad ‘in consequence of all sorts of opposition and intrigue’,23 maar vrijwel zeker had haar eigen protestantse ‘Prinzipienreiterei’ een net zo obstructieve rol gespeeld. Eindeloos zijn de klaagzangen over alle volgens haar even godenrijke als goddeloze eilandgenoten, of het nu ging om Javanen, Rooms-Katholieken, anderszins niet-evangelische christenen, Arabieren, Chinezen, Maleisiërs, Armeniërs, of, bovenal, ‘Mohammedanen’.24 Meestal werden die jeremiades gevolgd door (weliswaar wat weifelachtige) dankzeggingen aan haar eigen God, voor de troost en kracht die Hij haar ondanks alles zou weten te schenken. Maar ook Hij kon niet voorkomen dat op 18 september 1860 het pand in de Gang Scott publiekelijk werd geveild.25 Vincent Jacob, toch al sceptisch, zal alles met lede ogen hebben aangezien. Voor Berthe echter zal dat niet het zwaarste geweest zijn. Eerder had ze, waarschijnlijk door tijd- of geldnood gedwongen, haar twee tienerzonen Jacques Henri en Alphonse naar Merchiston Castle School laten sturen,26 een jongensinternaat onder Edinburgh, in het verre Schotland. Misschien was dat adres afkomstig van de veelbereisde Vincent Jacob, of verkregen via de internationale vrijmetselaarscontacten27 van haar in 1847 in New Orleans overleden echtgenoot. Hoe dan ook, voor een alleenstaande moeder als Berthe kan zo’n scheiding alleen maar hartverscheurend geweest zijn, ook al beloofde hun ‘suikeroom’ hen tijdens een van zijn Europese zakenreizen weer op te gaan halen. De toekomst van de twee jongens in het koude noorden was volkomen onzeker:

My brother, who is now in Europe, promised me to go and see them. What their future home and destiny will be, I can little see. Some how or other I can not see Java as their future home and am rather inclined to see their subsequent life will be spent in America. Java seems to be a very undesirable place, godless, teeming with lewdness and infidelity [zie bovenstaande afbeelding].28 

Wagner & Debes, Indien. Handbuch für Reisende, (Nederlandstalige) plattegrond Buitenzorg (Bogor) met paleis van de gouverneur-generaal en ’s Lands Plantentuin, Verlag Karl Baedeker, Leipzig 1914

Berthe miste hen, elke dag.29 Uiteindelijk kwam Alphonse op 23 oktober 1861 via Amsterdam dan toch terug in Batavia.30 Zijn oudere broer Jacques Henri zou zelfs nog later weer op Java aankomen. In de tussentijd (eind 1859) was Berthe met haar drie dochters naar Buitenzorg verhuisd, een kleine veertig ‘palen31 (zo’n zestig kilometer) ten zuiden van de hoofdstad. In deze voormalige blanke lusthof had ze binnen enkele maanden na aankomst opnieuw een meisjesinstituut geopend. De school, inmiddels haar zesde, was dit keer gevestigd in een eenvoudige woning aan de Groote Postweg, precies naast het gebouw van het Mijnwezen32 waarin ruim dertig jaar later de botanische bibliotheek van ‘s Lands Plantentuin gehuisvest zou worden.33 Vanuit haar voorraam keek Berthe precies uit op de westelijke zijingang van de destijds wereldberoemde hortus, aan de overkant van de straat. Daarachter, verscholen in het bos, lag het witgepleisterde paleis van de gouverneur-generaal, en verder naar het zuiden de gouvernementstuin zelf, weelderig begroeid met de mooiste bloemen, het overvloedigste fruit, het kleurrijkste groen. Haar oudste dochter Maria Philippina vond de Javaanse natuur zelfs nog indrukwekkender dan die van Brits Guyana, haar geboorteland.34 Maar hoe mooi de omgeving ook was, ze kon niet verhinderen dat de ‘opvoedings-Inrigting’35 voor jonge christelijke meisjes een grote mislukking werd. Midden 1860 moest het schooltje alweer sluiten. Voor de derde keer in haar leven vond Berthe zichzelf terug in een vreemd en exotisch land. ‘Oh, for a lovelier faith!’, had ze al eens in wanhoop geschreven.36 Wat nu te doen, als berooide weduwe? Hoe voor zichzelf en haar vijf kinderen te zorgen, in zelfs de meest nabije toekomst…

Met, als altijd, veel dank aan Marcel van Dorst, An Duits en Marianne Offereins
Noten en literatuur
♣ 1) Java-Bode 16 april 1856; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana (USA), Tulane University (LaRC)) brief d.d. 10 mei 1856; 2) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen, ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk [sic] der Nederlanden, voor den jare 1860 (1860) pag. 804; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap (zie hierboven), brief d.d. 10 maart 1857; 3) Java-Bode 1 april 1857; ♣ 4) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 804; ♣ 5) Voor de publiekelijke aanvallen op Berthes school zie bijvoorbeeld De Indische Schoolbode No. 7. Julij. A.1858 inclusief het vervolg daarop, ibid., No. 8 Augustus. 1858 en ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 804; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 6) ‘Schoolnieuws’, Nieuwe bijdragen (zie hierboven) (1860) pag. 805 (‘bij besluit der Hoofdcommissie van Onderwijs’); ♣ 7) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 7 september 1856 en ibid., brief d.d. 10 mei 1857; ♣ 8) Ibid., brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 9) Ibid.; ♣ 10) Ibid.; ♣ 11) Ibid., brief d.d. 7 september 1856; ♣ 12) Ibid., brief d.d. 10 maart 1857; ♣ 13) Ibid.; dit nieuwe onderkomen was eigendom van de heer Eilbrechts, zie Java-Bode woensdag 1 April 1857; overigens werden destijds in Batavia nog geen huisnummers gebruikt, zie De Haan, Oud Batavia (1922) Deel 1 § 772; ♣ 14) Java-Bode 1 april 1857; ♣ 15) Brugmans, Geschiedenis van het onderwijs in Nederlands-Indië (1938) pp 108-113 en De Haan, Oud Batavia (1922) Deel 2 § 1415; voor de periode daarvòòr zie ook Taylor, Smeltkroes Batavia (1988) pag. 113 e.v.; ♣ 16) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 17) De Indische Schoolbode No. 8. Augustus 1858; ♣ 18) Zie bijvoorbeeld Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 7 september 1856; ♣ 19) Algemeen verslag van den staat van het schoolwezen in Nederlandsch-Indië (1859) pag. 19; ♣ 20) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 21) Ibid., brief d.d. 21 september 1859; ♣ 22) De Indische Schoolbode No. 8. Augustus 1858; ♣ 23) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 21 september 1859; ♣ 24) Ibid., brief d.d. 24 augustus 1857; ♣ 25) Java-Bode 12 september 1860; ♣ 26) Merchiston Castle School Register voor het jaar 1859 pp 35 en 38; zie ook Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 21 september 1859; ♣ 27) Ibid., brief d.d. 11 november 1854; ♣ 28) Ibid., brief d.d. 21 september 1859; ♣ 29) Ibid., brief 9 december 1859; ♣ 30) Java-Bode 26 oktober 1861; ♣ 31) Huyssen van Kattendijke (Met prins Hendrik naar de Oost (2004) pag. 258) noemt een aantal van zesendertig palen, Van de Velde (Gezigten uit Neêrlands Indië (1844-’45) pag. 10) negenendertig; ♣ 32) Bataviaasch Handelsblad 3 oktober 1860; ♣ 33) Burck, ‘Het herbarium en museum’ in Treub, ‘s Lands Plantentuin te Buitenzorg (1892) pag. 221; ♣ 34) Maria Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 9 mei 1857; ♣ 35) Bataviaasch Handelsblad 3 oktober 1860; ♣ 36) Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 24 januari 1855 
Geplaatst in botanie, Reizen | Een reactie plaatsen

Een onverwachte vondst.

‘[…] it is a story just naturally full of footnotes and asides.’ (Anderson, Plants, Man and Life pag. 16)

Amersfoort, april 2004, veertien jaar geleden. Het is een vroege, zonnige voorjaarsdag. Ik scharrel wat rond in antiquariaat ’t Ezelsoor. Het loopt tegen sluitingstijd, er wordt vriendelijk gevraagd het pand te verlaten. Nog even en ik sta weer buiten. Op het laatste moment trekt een op de grond liggende stapel oud papier mijn aandacht. De deur blijft open, op een kier. De boekverkoper kijkt op zijn horloge. Ik loop terug, kniel voorzichtig en bekijk de warhoop wat zorgvuldiger. Al bij de lichtste aanraking ervan dwarrelen wolken verpulverd papier de winkel in, glinsterend in het licht van de late, nog warme middagzon. Fragmenten verdroogd leder worden zichtbaar, stukken linnen, vergulde rugletters en snippers met inktzwarte kapitalen, verstrooid tussen de overblijfselen van iets dat lijkt op een oud boekwerk. Op een half gescheurd titelblad zijn nog een jaartal (1863) en wat Franse woorden te onderscheiden, zoals ‘Fleurs’, ‘feuillages’ en ‘Bruxelles’, Vlak daarnaast doemt een exotisch klinkende naam op, ‘Île de Java’, gevolgd door een Bijbelcitaat over de legendarische rijkdommen van koning Salomo, en ook de opvallende naam van een mij onbekende vrouw, ’Madame Berthe Hoola van Nooten’. Zorgvuldig zoek ik verder.

‘Poinciana Regia’ (= Delonix regia, vlam- of pauwenboom), plaat [37] uit Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java [Bruxelles, 1863-’64]

Dan, plotseling, vanuit het donker, komen tientallen afbeeldingen van uitheemse bloemen en vruchten tevoorschijn, kleurrijk, levensecht, sprankelend getekend, bijna tastbaar, gedrukt op zo te voelen steviger en dus beter bewaard gebleven losse vellen papier. Ik ben sprakeloos. De stoffige stapel op de vloer blijkt het restant van een originele negentiende-eeuwse foliant, een heuse papieren bloemenschat. Bananen, vlambomen, palmen, gemberbloesems, papaja’s, mango’s – al bladerend kom ik de ene na de andere tropische plantensoort tegen. Fantasieën van een paradijselijk eiland in koloniale tijden zweven voorbij, van woeste kusten, onherbergzame binnenlanden en adembenemende vergezichten, uitgestrekte oerbossen vol onontdekte botanische zeldzaamheden. Kan het boek daar vandaan komen? Ik schrik op. De antiquaar tikt me tegen de schouder, en daarmee uit mijn dagdromen. De winkel gaat sluiten. Ik besluit de onverwacht gevonden bibliofiele restanten zo snel mogelijk mee naar huis te nemen. Eenmaal buiten gekomen word ik steeds nieuwsgieriger. Wie is Berthe Hoola van Nooten? En wat voor prachtigs heb ik eigenlijk van haar in handen gekregen? Een lange ontdekkingsreis begint…

David Apollonius Coppoolse

Literatuur
Anderson, E.: Plants, Man and Life. Berkeley / Los Angeles: University of California Press, 1967 [eerste druk 1952]
Hoola van Nooten, B.: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et pomone de L’Île de Java. Bruxelles: Émile Tarlier, 1863 [-’64]
(Antiquariaat ’t Ezelsoor bevindt zich in Amersfoort Achter de Arnhemse Poortwal op nummer 21)
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , , | 4 reacties

De primeur.

Berthe Hoola van Nooten publiceert haar Javaanse florilegium.

To open the great book of nature […]’ (Hoola van Nooten, ‘Preface’ in Fleurs, fruits et feuillages)

Hoola van Nooten, Fleurs, fruits et feuillages [etc], omslag eerste livraison eerste editie, Bruxelles 1863; © Bijzondere Collecties UvA

In 1863 was het eindelijk zover. Vanaf dat jaar liet Berthe een eigen Javaans plantenboek verschijnen. Ze is daarmee, voor zover bekend, de eerste vrouw in de geschiedenis. Volgens de gedrukte data op de losse omslagen van een bewaard gebleven oningebonden exemplaar1 kwam de eerste aflevering met vier platen van het florilegium in januari van dat jaar te Brussel uit. Nog vòòr het einde van 1863 werden de vijf daaropvolgende gepubliceerd, terwijl de laatste vier afleveringen pas in de loop van 1864 zouden verschijnen. Op de officiële titelpagina is deze informatie overigens niet terug te vinden. Het project van veertig grote kleurplaten moet, los van de lange duur, sowieso een kostbare gok zijn geweest. Toch bevatte het fonds van uitgever Émile Tarlier meerdere soortgelijke titels. De Belgische botanicus De Puydt (die in 1880 te Parijs een omvangrijk orchideeënboek zou laten verschijnen) publiceerde hier bijvoorbeeld zijn eveneens schitterend geïllustreerde plantenkashandleiding Traité theorique et pratique de la culture des plantes de serre froide – orangerie et serre tempérée des jardiniers (ca 1862). Volgens het titelblad van Berthes florilegium was Tarliers bedrijf gevestigd op nummer vijf in de Montagne de L’Oratoire (Oratoriënberg), in de toenmalige Faubourg de Louvain, tegenwoordig Saint-Josse-ten-Noode. De wijk  is nog altijd de kleinste maar drukst bewoonde buurt van Brussel. Wat verder naar het westen liggen de sierlijke, Sanssouci-achtige kassen van de in 1826 aangelegde Kruidtuin (Botanique), vol met plantensoorten die daar vanuit de hele wereld naartoe gezonden waren. Iets noordelijker, in de Rue de Liekerke, bevond zich de werkplaats van Tarliers belangrijkste lithograaf, Guillaume Severeyns, lid van de Académie royale de Belgique. Geboren in 1830 als Guillaume Albert Charles (abusievelijk ook wel Georges genoemd), was hij zelf de zoon van een bekende steendrukker, Guillaume Michel Corneille Severeyns (1804-’65).2 Al op vierentwintigjarige leeftijd had deze een lithografische studio opgericht. In het bedrijfspand in de Brusselse Rue de Schuddebeek waren uiteindelijk zo’n dertig steentekenaars in dienst. Vader en zoon werkten op zeker moment zo intensief samen dat het vrijwel onmogelijk is om hun identiek gesigneerde platen (‘G. Severeyns’) uit elkaar te kunnen houden, ook al schijnt Severeyns junior in zijn manuscripten ter onderscheiding ‘fils’ aan zijn naam toegevoegd te hebben.3 Duizenden platen moeten ze samen hebben gemaakt, en toch is er nauwelijks iets over hen bekend. Zelfs de sterfdatum van de jonge Guillaume is tot nu toe niet boven water gekomen.4

Ook in Batavia stonden steendrukpersen,5 zoals die van het Lithografische Établissement van het Topografische Bureau.6 Maar deze lijken vooral gebruikt te zijn voor cartografische overheidsopdrachten, of voor het maken van bijzondere tropische landschapsgezichten, zoals afbeeldingen van ‘vuurbergen’7 (vulkanen). ‘s Lands Plantentuin bezat zelfs een eigen drukkerijtje.8 Dat Berthes aquarellen dan ook niet in Batavia of Buitenzorg, maar in Brussel werden gedrukt, was te danken aan Guillaume Severeyns’ opvallende tekenkwaliteiten. Samen met zijn vader ging hij door voor misschien wel de beste botanische lithograaf van zijn tijd.9 Berthe heeft dan ook veel geluk gehad dat juist zij haar werk wilden reproduceren. Later zou Severeyns alle lithografische stenen overnemen van Émile Tarlier, om in 1866 Fleurs, fruits et feuillages onder zijn eigen naam en enigszins bewerkt opnieuw uit te kunnen geven. Het Duitse ‘Verschlimmbesserung’ is een verrukkelijk woord: naast alle daarbij op de steen gecorrigeerde oude tekstfouten maakte hij bijna net zoveel nieuwe.10 De veertig originele, met de hand geannoteerde en van een uitgebreid kleurennummer-systeem voorziene losse vellen van de eerste editie die daarvoor als monsters werden gebruikt bevinden zich nog altijd in het bezit van Berthes Nederlandse nazaten. Elk blad is door zowel Severeyns –père of fils– als zijn drukker Van Goethem geparafeerd en voorzien van precies dezelfde handgeschreven tekst en signaturen:

Vu et approuvé Comme type pour exécution conforme / Suivant Convention de Cejour, quinze Mai Mille / huit Cent Soixante Cinq. [M.?] Van Goethem / G. Severeijns’.

Hoola van Nooten, ‘Sterculia Nobilis’ (= Sterculia monosperma); door zowel lithograaf Severeyns als drukker Van Goethem geannoteerde en geparafeerde proefplaat (1865) van de eerste druk (1863-’64) van Fleurs, fruits et feuillages (plaat [11]), bedoeld voor de tweede editie van 1866; bezit familie Barth

De combinatie van genummerde kleurcodes daarentegen is voor elke plaat specifiek. Welke druktechnische aanwijzingen daarmee bedoeld worden lijkt niet meer te achterhalen, net zo min als via welke wegen alle losse bladen tenslotte bij Berthes familie in Amsterdam zijn terechtgekomen. Ondanks de enorme geografische omweg moeten deze na ‘gebruik’ toch zijn opgestuurd naar Batavia, om later door Berthes kinderen of kleinkinderen weer meegenomen te worden naar Nederland. Maar één ding is zeker. Het stuk voor stuk bekijken, controleren, annoteren, corrigeren en uiteindelijk dubbel goedkeuren van alle veertig chromolithografieën laat zien dat het uitgeven van Fleurs, fruits et feuillages ook voor deze tweede editie een prestigieus project was.11 Als er van de eerste editie zo’n driehonderd exemplaren verkocht waren à  fl 60/70,- , dan moet de totaalopbrengst daarvan al gauw fl 19.500,- (195.000,-) bedragen hebben, een enorme som. De opbrengst van de tweede editie à fl 85,- zal nog hoger geweest zijn, namelijk fl 25.500,-, dus zo’n 255.000,-. Wat uitgevers als Tarlier, Severeyns en later Muquardt daaraan financieel overgehouden konden hebben is eveneens niet bekend, maar voor een handarbeider was de rekensom snel gemaakt. Om één livraison à fl 7,- van Berthes Javaanse bloemenboek te kunnen betalen moest hij een volle week werken.

De door Berthe gemaakte tekeningen zijn tot nu toe niet getraceerd. Maar er is wel een goed beeld te krijgen van Severeyns’ capaciteiten als lithograaf door enkele uitzonderlijk bewaard gebleven andere aquarellen te vergelijken met de platen die hij daarnaar op steen heeft overgebracht. Dit geldt bijvoorbeeld de originele tekening en bijbehorende lithografie van Tecomanthe dendrophila, een tropische trompetboomachtige die in 1849 voor het eerst officieel beschreven was door de Leidse botanicus Blume, in diens vierdelige Rumphia.12 Overigens zal Berthe dit prachtig geïllustreerde werk goed gekend hebben, het stond in elk geval al sinds de publicatie ervan op de planken van de bibliotheek van ’s Lands Plantentuin.13 Uit een snelle vergelijking van de twee Tecomanthe-afbeeldingen  wordt meteen duidelijk dat Severeyns in staat was om zowel de grootste botanische structuren als de kleinste technische details van transparante aquarellen natuurgetrouw (en eventueel in spiegelbeeld) op steen te reproduceren, inclusief fraai verkleurde, aangevreten of afgestorven plantendelen.

Links: W.J. Gordon (zie Haks en Maris, Lexicon of Foreign Artists pag. 102), ongetiteld, ongedateerd, Tecomanthe dendrophila, aquarel, eerste helft negentiende eeuw; Naturalis Biodiversity Center illustratie 32018; rechts: ‘Dendrophila trifoliata‘ (= Tecomanthe dendrophila), handgekleurde lithografie van Severeyns in Blume, Rumphia. Tomus quartus (1849; plaat 190), Naturalis Biodiversity Center illustratie 111725

Als dit representatief is voor al zijn tekenkunst, dan moeten, omgekeerd bekeken, die van Berthe eveneens van een hoge kwaliteit zijn geweest. Uit deze vergelijking blijkt ook dat de uitvergrote bloemonderdelen aan de onderkant van de platen uit haar florilegium misschien niet door Berthe zelf waren vervaardigd, maar dat Severeyns die toevoegde, of liet toevoegen, wellicht door een professioneel botanicus. Dit soort anatomische details lijken het verschil tussen Hoola van Nootens bloemenboek en een echte, wetenschappelijke flora wel heel erg klein te maken. In elk geval verdampten Tarliers eventuele verkoopzorgen al snel. De publicatie van Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java in 1863/’64 was een groot succes, artistiek en commercieel. Dat gold niet alleen het grote publiek in Nederlands Indië. Ook bekende botanici in Europa, zoals F.A.W. Miquel en C.A.J.A. Oudemans, waren onder de indruk. Volgens het voorwoord van de tweede editie uit 1866 zou gouverneur-generaal Sloet van de Beele daarnaast maar liefst fl 2000,- (zo’n 20.000,-) aan de eerste hebben bijgedragen. Dit royale gebaar, gemaakt namens de Indische regering en voldaan na afronding van het werk in 1864,14 was ongetwijfeld mede te danken aan Berthes opvallende sociale vaardigheden. De titelpagina van het florilegium was overigens minder verrassend. Deze bestond uit de typisch  negentiende-eeuwse mengelmoes van kleine, grote, dikke, dunne, nauwelijks gespatieerde romeinse karakters en industrieel ogende schreeflozen en schaduwschriften. Des te indrukwekkender waren de veertig daaropvolgende ‘kromolitografieën’15 van Berthe c.q. Severeyns. Na het mislukken van haar meisjesschool in Batavia hoopte de vrome weduwe hiermee misschien geen hemelse vruchten, maar dan toch wat broodnodige aardse pecunia te kunnen oogsten. [wordt vervolgd]

(met veel dank aan de familie Barth, Marcel van Dorst, An Duits, Marianne Offereins en Johan de Zoete)
Noten
♣ 1) Bijzondere Collecties UvA; ♣ 2) Flores-Villela, Bour en Adler, ‘Publication history of the Mission scientifique au Mexique [etc]’, Revista Mexicana de Biodiversidad, vol. 87, núm. 3, septiembre [2016] pp 1162-1167♣ 3) Ibid.; ♣ 4) Het schijnt dat in 1898 de ‘l’imprimerie Severyns’ (eerder gevestigd in de Rue de L’Union 10, maar later ‘au 181 rue de Progrès près de la gare du Nord à Bruxelles’) werd overgenomen door de bekende affichedrukker Goffart, zie Gasnier, Les affiches publicitaires d’alcool [2006] pag. 301; ♣ 5) De eerste was al in 1828 geïnstalleerd en stond in de Parapatandrukkerij, in de wijk met die naam, zuidoostelijk van het Koningsplein, zie De Haan, Oud Batavia Gedenkboek II [1922] pag. 286 noot 1; ♣ 6) De drukpersen van het Topografische bureau te Batavia (vallend onder de Genie) hadden al in de jaren ‘50 van de negentiende eeuw concurrentie gekregen van geïmporteerde persen en nieuwe ‘steenen’, zie bijvoorbeeld Verslag van het beheer en den staat der Nederlandsche bezittingen en kolonien in Oost- en West-Indië en ter kust van Guinea over 1853 [1858] pag. 40 – zie ook Merrillees, Batavia in Nineteenth Century Photographs [2010] pp 266 en 267; ♣ 7) Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indië. Uitgegeven door de Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch Indië. Deel VII. Nieuwe Serie. Deel IV [1854] pp 478-479; ♣ 8) Haeckel, Uit Insulinde [1902] pag. 80; ♣ 9) Nissen, Die Botanische Buchillustration [1951] pag. 233; ♣ 10) Voor het contemporaine corrigeren van drukproeven zie bijvoorbeeld Van der Meulen, Boekhandel en bibliographie [1883] pag. 136 e.v.; ♣ 11) Een wellicht vergelijkbaar begrotelijk project betrof Buffa & Zonen’s topografische platenalbum Java (1865-’72) met vierentwintig lithografieën van Johan Greive naar schilderijen en tekeningen van Abraham Salm – dit werk (overigens net als Fleurs, fruits et feuillages op speciaal watermerkloos Bristol papier gedrukt) werd aangeboden voor fl 96,-, een bedrag dat eerder blijkbaar ook voor Buffa een ‘heavy investment’ had betekend, zie Bastin en Brommer, Nineteenth Century Prints and Illustrated Books [1979] pag. 44 e.v.; ♣ 12) Blume, Rumphia [1835-’48] Tomus quartus tab. 190 (als Dendrophila trifoliata); ♣ 13) Treub, Catalogus der bibliotheek van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg [1887] pp iv en 39; ♣ 14) Verslag van het beheer en den staat der Oost-Indische bezittingen over 1862. Geleidende Brief. No 1. Zitting 1864-1865. XCVIII. 29 Maart 1865. No. 3 [1865] pag. 122; ♣ 15) Ibid.
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , | 4 reacties

Bedrieglijke schoonheid. Enkele terzijdes bij de touwbloem van Berthe Hoola van Nooten

I then saw Java’s true and living charms’ (Maria van Nooten (de oudste dochter van Berthe) aan Dunlap, brief d.d. 9 mei 1857)

[…] Al snel na aankomst op Java kwam Berthe in de hogere kringen van Batavia terecht. Ze moet zelfs goed contact hebben gehad met de toenmalige gouverneur-generaal, baron Sloet van de Beele (in functie 1861-’66). Hij was het tenslotte die in 1863 namens het Indische gouvernement de eerste editie van haar Fleurs, fruits et feuillages zo royaal zou subsidiëren. Zijn werkpaleis te Buitenzorg (Bogor) stond schuin tegenover het pand waarin later haar vijfde meisjesschool gevestigd zou worden, aan de overkant van de Groote Postweg. Deze ruim duizend kilometer lange verkeersader over Java liep met twee scherpe bochten pal langs het gouvernementele paleis. De naastgelegen plantentuin, dezelfde plek waar Berthe haar veertig plantensoorten ‘d’après nature’ zou tekenen, werd op die manier in het noorden begrensd door het paleispark, in het westen door de drukke Postweg, in het oosten door de smalle, snelstromende Tjiliwoeng (Ciliwung) en in het zuiden door de dichtbevolkte en door Europeanen gewoonlijk gemeden Chinese wijk, de ‘Kampong China’. Op heldere dagen kon men in de verte de glinsterende contouren ontwaren van de nog actieve vulkanen Gedeh en Salak, de ‘blauwe bergen’ van de allereerste Hollandse handelsreizigers.

Tot de opening van de eerste spoorlijn in 1873 waren de ruim veertig ‘palen’ (zo’n zestig kilometer) tussen Buitenzorg en Batavia alleen te voet, te paard of per koets af te leggen, een urenlange rit. Toch gebeurde dat, zelfs voortdurend, want in de hoofdstad bevond zich het handelscentrum, in het zuiden zetelde de koloniale regering en resideerde de landvoogd. Bovendien lag het relatief muskietenarme Buitenzorg dicht tegen de berghellingen van de Preanger aan. Overvloedige moessonregens en de daarop binnenstromende frissere lucht konden daardoor in elk geval ‘s nachts voor wat verkoeling zorgen. Volgens de Duitse evolutionist Ernst Haeckel was de plek een van de mooiste op aarde, volgens zijn landgenoot Franz Junghuhn in elk geval de natste. Dagelijks terugkerende, met felle donderslagen gepaard gaande stortbuien deden de gezwollen lucht boven ‘s Lands Plantentuin soms trillen. Ze konden zo heftig zijn dat ze vergezeld gingen van heuse, ijzige hagelvlagen. De bodem, de bergen, de nog werkende vulkanen, het broeierige klimaat, de lucht, de vochtigheid, de ‘plasregens’, het schitterende uitzicht, alles droeg ertoe bij om van de plantentuin te Buitenzorg, veel meer nog dan de Gang Scott in Batavia, een levende broeikas, een Javaanse Hof van Eden te maken. Geen plant was zo exotisch of ze kon hier tot bloei komen.

Hoola van Nooten, ‘Strophanthus Dichotomus’ (= S. caudatus), plaat 25 uit Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java, Bruxelles, 1863-’64

Dit geldt ook de zogenoemde touwbloem, door Hoola van Nooten op de vijfentwintigste plaat van haar florilegium afgebeeld. De tot twaalf meter hoge hout- en liaanachtige plant (tegenwoordig Strophanthus caudatus) komt voor van Zuid-China en Maleisië tot op Java en Nieuw-Guinea. Volgens een contemporaine catalogus (1866) had Berthe een levend exemplaar ervan kunnen aantreffen bij de hoofdingang van ’s Lands Plantentuin, precies in de linkerbocht van Groote Postweg. Later schijnt de plant verplaatst te zijn, want een overzicht uit 1923 vermeldt dat ze in de buurt van de Tjiliwoeng groeide, aan de andere kant van de hortus. In het florilegium merkte Berthe op dat ‘Indian ladies’ hun sluike kapsels doorvlochten met de zijdezachte, bont wit/paars gekleurde en tot een halve meter lang kronkelende touwbloemslingers. Het elastische en struisveerachtige vruchtpluis (zie afbeelding) zou eveneens ‘extremely pretty’ zijn. Indische schonen kenden deze ‘exquisite beauty’ al veel langer. Dat had zijn prijs, want vrouwelijke gevoeligheden als deze zijn altijd al ten koste gegaan van kwetsbare natuurproducten, hoewel dat offer de waarde van de feminiene opwinding uiteraard juist verhoogde, als het die al niet veroorzaakte. Exotische orchideeën, kroonduiven, zilverreigers, sprookjesachtige paradijsvogels, alles wat glinsterde, zeldzaam of buitenissig was moest het daarbij ontgelden. Vrouwelijke ijdelheden kende Berthe zelf maar al te goed. Veel eerder, op een Texaans huwelijksbal, had ze als jonge weduwe eens haar opwachting gemaakt in een zwartsatijnen avondjurk die weliswaar al vier jaar oud was, maar haar, beweerde ze, alle bijbelse vermaningen over pronkzucht terzijde schuivend, nog zo beeldig stond dat ze elke veel kapitaalkrachtigere seksegenote er ter plekke de loef mee afstak. 

Ansichtkaart (jaren ’40) van gouvernementspaleis te Buitenzorg vanuit ’s Lands Plantentuin

De schoonheid van de touwbloem is overigens bedrieglijk: de plant bevat een krachtig gif (strophantine) dat vroeger door Maleise ‘inboorlingen’ voor dodelijke pijlpunten werd gebruikt. Hoewel de originele aquarel verloren lijkt gegaan, werd deze ooit door de Brusselse meesterlithograaf Guillaume Severeyns in ‘kostelijke’ kleuren en natuurgetrouw op watermerkloos velijnpapier gereproduceerd, om zo, samen met alle andere gedrukte platen, tekstbladen en titelpagina, alsnog vereeuwigd te worden in Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Ile de Java, het botanische prachtwerk van een in meerdere opzichten ongekende negentiende-eeuwse vrouw. 

(de gedrukte tekst zal alle bibliografische verwijzingen bevatten)
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , | 5 reacties

12 oktober 1817

Vandaag is het precies tweehonderd jaar geleden dat de Utrechtse amateurbotanica Berthe Hoola van Nooten werd geboren. Ze is de maakster van een van de mooiste Indische florilegia uit de negentiende eeuw, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java. Uit een te verschijnen studie over haar leven en werk wordt hier alvast een hoofdstuk gepubliceerd. Het is 1855. Berthe is eerder vanuit Suriname in New Orleans terechtgekomen. In 1847 heeft ze daar haar echtgenoot aan de gele koorts verloren en sindsdien ze staat er in het verre, vreemde Amerika met haar vijf jonge kinderen helemaal alleen voor. Onvoorzien zal ze de grootste reis van haar leven gaan maken.

Op weg naar Java

This summer has been very dark to me.’ (Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 20 oktober 1854)

[…] Na de dood van haar man moet Berthe wanhopig zijn geweest. ‘All human joys have been taken away from me’, schreef ze later bitter. Toch leek ze ongebroken. Ze blijkt zelfs nog Nederland bezocht te hebben, tussen de tweede meisjesschool te New Orleans en de derde te Plaquemine in. Nadat ze haar oudste dochters Maria Philippina en Julia Bertha had achtergelaten bij hun tantes in Wageningen kwam ze vermoedelijk in haar eentje terug naar Amerika. Al haar eerdere meisjesinstituten waren daar geëindigd in financiële mislukkingen. Omdat geldgebrek steeds nijpender werd nodigde haar halfbroer Vincent Jacob van Dolder het hele gezin uit om op Java te komen wonen, waar hij zojuist op een belangrijke en vooral lucratieve koloniale post was benoemd. Ook Helena, Berthes huishoudhulp was welkom, een knappe Creoolse ex-slavinnendochter waarop hij tijdens een eerder bezoek aan New Orleans smoorverliefd was geworden. Vincent Jacob beloofde voor iedereen de overtocht te betalen. Die extra hulp werd al snel onmisbaar, want de veiling van Berthes huisraad en de verkoop van haar financiële aandeel in de school zouden vrijwel niets opbrengen. Zijn woorden moeten als manna uit de hemel gevallen zijn:

Yesterday’s mail has brought me letters from home & one from my brother from Java wherein he informs me, that he has lately been appointed to one of the chief offices of the Colony – with a considerable salary – and that otherwise being very successful in his business – this circumstance enables him to assure the entire charge of my children’s education and to provide for them entirely – so that he proposes to me to join him in East-India – offering me a home of my own and a quiet, comfortable life for the balance of my days.

Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860 (collectie familie Barth)

Berthe voelde zich verward, maar ook opgelucht en dankbaar. Ze accepteerde zijn aanbod. Bij een gehaaid zakenman als Vincent Jacob is het trouwens niet ondenkbaar dat die herenigingsdrang eerder de mooie Helena gegolden zal hebben dan haar bazin, zijn vrome halfzus. Hoe dan ook, enkele maanden later zou Berthe de Verenigde Staten achter zich laten, samen met haar jongste dochter Henriëtte en twee zoontjes Jacques Henri en Alphonse. Ze deed dat volgens eigen zeggen met spijt in het hart en, buiten het contante passagiersgeld van $110, een vrijwel lege portemonnee. ‘After eight years of struggle and toil I shall leave America, without even fifty dollars that I can call my own’, schreef ze gedesillusioneerd. Daarnaast voelde ze zich flink bedrukt door het besef dat ze diverse school- en huishoudrekeningen onbetaald had achtergelaten. Dat haar schuldgevoel hierover bepaald niet onterecht was is te lezen in The Galveston News van dinsdag 8 november 1855. Daarin wordt vermeld dat drie bekende winkeliers uit Galveston een zekere mevrouw ‘B.H. van Nooten’ bij de ‘Justice of Peace’ (kantonrechter) hebben aangeklaagd wegens het niet betalen van $ 55,22 voor geleverde ‘goods, wares and merchandise’. Op dat moment was de weduwe echter al gevlogen, richting Europa.

Vlak voor haar inscheping lukte het nog wel om een portretfoto van zichzelf te laten maken. Dat was een daguerreotypie, de nieuwe, uit Frankrijk overgewaaide en ook in de Verenigde Staten razendsnel populair geworden reproduceertechniek. In de rijke havenstad Boston wemelde het destijds van de studio’s waar men zich met behulp van verzilverde koperen platen, zoutoplossingen en levensgevaarlijke jodium- en kwikdampen in glashelder miniatuur kon laten vereeuwigen. Elke foto was uniek, ook die van Berthe. Ze stuurde het portret op als aandenken aan de kort daarvoor weduwnaar geworden Dunlap. Hij deed hetzelfde met dat van hem, in omgekeerde richting. Tussendoor bekende Berthe dat ze zich, ‘with a heart craving for affection’, meerdere nieuwe liefdesbetuigingen had laten welgevallen, van ‘other lips then yours [Dunlap]’. Ze weigerde echter de naam van de tweede vrijer te onthullen, vanwege een ‘secret of terrible consent’. Wat was dat ‘verschrikkelijke’ geheim? En wie was die andere man, een publiek iemand misschien, een door eigen toedoen in verleiding gebrachte kerkgenoot, of iemand die eenvoudigweg al bezet was? Dunlap moet er diep door zijn geraakt. Toch lijkt hijzelf degene te zijn geweest die, om wat voor redenen dan ook, niet was ingegaan op haar eerdere avances. Na de door haarzelf vroegtijdig beëindigde affaire besloot Berthe nooit meer te trouwen, met welke huwelijkszuchtige dan ook. ‘I do hope I shall once visit these shores’ schreef ze nog aan Dunlap, maar de twee zouden elkaar na hun afscheid in dit aardse leven niet meer terugzien. Hij bleef alleen achter, weemoedig en gedeprimeerd. ‘We shall meet again, if not here, then in a better world.’ zijn aan hem haar laatste, nog in het Texaanse Galveston haastig neergekrabbelde woorden.

Tweede en derde pagina brief Hoola van Nooten aan Dunlap Batavia 9 december 1856; collectie ‘Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59’ (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University)

Na anderhalve maand gelogeerd te hebben in een ‘delightful, beautiful mansion’ van de bevriende familie Eaton, vertrok Berthe met haar driekwart gezin vanuit de haven van Boston richting Europa. Op de bijna zestig meter lange pakketboot Chatsworth was ze volgens eigen zeggen de enige ‘lady-passenger’. Quasi-ongeïnteresseerd sigaren rokende mannen ergerden haar. Overdag werd ze vaak beziggehouden door de drie kinderen, maar ‘s nachts, alleen in haar kajuit, de donkere, rusteloze watermassa bodemloos onder haar, sloeg de eenzaamheid toe. ‘Oh, how I then long for you’ schreef ze Dunlap. ‘I can say in all truth, that of all the friends I have left in America, you have been uppermost in my thoughts […].’ Over een stormachtige noordelijke Atlantische Oceaan (waarbij Berthe soms voor haar leven vreesde en verschillende keer zelfs Zijn hulp moest aanroepen) kwam het gezin via Liverpool (22 oktober, inclusief aanvaring met een groot vrachtschip) en Londen (per trein) ‘per steamship’ tenslotte aan in Rotterdam. Opnieuw over het spoor ging het daarna snel door naar Wageningen, waar Berthe op 28 oktober haar twee oudste dochters na een jarenlange scheiding eindelijk weer in de armen kon sluiten. Ruim vier weken later vertrok de nu zeskoppige familie op de Resident van Son vanuit Rotterdam richting Kinderdijk, Hellevoetsluis en, als laatste Europese stad, Brouwershaven. Wind en mistbanken dwongen echter het stoomschip daar ruim een week op definitief vertrek naar Indië te wachten. Maar de wind ging liggen, de mist trok op, en de reis werd voortgezet. Via een nog altijd gure Noordzee, de Canarische en Kaapverdische eilanden, over de zuidelijke Atlantische Oceaan, het inmiddels Engelse Kaapstad, de Indische Oceaan, de nauwe Straat Malakka, het door Raffles pas zevenendertig jaar daarvoor gestichte ‘Singapoera’ (dat ze als poste restante-adres had opgegeven aan Dunlap), de Zuid-Chinese Zee en tenslotte de ondiepe, troebele Javazee, landde Berthe na bijna zes maanden, op 12 april 1856, met haar vijf kinderen veilig op de reede van Batavia. Met de Resident van Son verging het overigens minder goed. De tweedeks bark zou al haar verre Indiëreizen overleven, maar in 1862 tijdens een voorjaarsstorm op de Zuid-Engelse klippen lopen, kapot slaan, en versplinterd worden door de golven van Het Kanaal.

Kaart Batavia en de omliggende landen, aquarel, ongedateerd, 1800-1850 (Nationaal Archief)

De halve-wereldreis was op de Bataviase reede nog niet voorbij. Berthe en haar gezin moesten vanaf de ruim twee kilometer buitengaats gelegen aanlegplaats via het kaarsrechte Havenkanaal (‘very Dutch and straight’) verder afgezet worden bij de Kleine Boom, het eenvoudige en nogal haveloze douanegebouwtje op het Javaanse vasteland, ook wel kantoor der recherche of inklaringskantoor genoemd. Dat overzetten was een hele bedoening. Omdat er bij stormachtig weer zelfs doden konden vallen, werd het werk meestal niet geklaard door dure Europese matrozen, maar door goedkope lokale roeiers die in honderden prauwen (‘tambangangs’) voortdurend in de haven ronddobberden. In alle windrichtingen keek de fris gearriveerde weduwe uit op glibberige, uitgestrekte en door ‘verderfelijke uitwasemingen’ geplaagde moddervelden en brakwaterplassen. Verlaten visvijvers vol muskietenlarven vulden de kale vlakte. De woonwijk rondom het vroegere Casteel (de ‘benedenstad’) was het oudste gedeelte van Batavia, de blanke residentie die ooit ‘die magtige Koninginne van ‘t Oosten’ werd genoemd. Die tijd bestond niet meer. Met het gestage teloorgaan van de VOC was de onvermijdelijke aftakeling ingezet. Geteisterd door malaria had de hoofdstad zelfs de steeds passender bijnaam ‘Kerkhof der Europeanen’ gekregen. Iemand als Alfred Russel Wallace, Darwins evolutionistische penvriend, vond dat Java zich het mooiste tropische eiland ter wereld mocht noemen, maar de eerste kennismaking met Indië moet voor elke reiziger een flinke schok zijn geweest. Tientallen jaren eerder had een Nederlandse adelborst de omgeving al beschreven als een ‘smerige en walgelijke buurt’, een gevaarlijke plek om zo snel mogelijk achter zich te laten, en nog veel later, tegen het einde van de eeuw, deed het eindeloze havenkanaal vol ‘trübschmutziges Wasser’ de Duitse botanicus Haberlandt van afkeer bijna terugdeinzen. In dit broeierige havengebied vol pakhuizen en afgeladen toko’s leefden destijds ‘slechts’ niet-blanke slaven, Arabieren, honderden Portugese afstammelingen, duizenden ‘onzindelijke’ Chinezen, tienduizenden Indiërs en miljoenen muskieten, alle, buiten strikt noodzakelijke kantooruren, zorgvuldig gemeden door hun Hollandse landgenoten. Berthe zou de zuidelijker gelegen ‘bovenstad’ geregeld, maar het eiland nooit meer verlaten. [wordt vervolgd...

Woodbury & Page, fotografie, ongetiteld (circa 1865), haven van Batavia, zicht richting noordoosten op het Havenkanaal en (rechts) het douanekantoor de Kleine Boom

 

 

 

 

 

 

 

 

(de gedrukte tekst zal alle bibliografische verwijzingen bevatten)
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

Berthe Hoola van Nooten gekiekt. Een originele Woodbury & Page-carte de visite herontdekt en enige andere wetenswaardigheden rondom een voormalig buffelsveld.

‘Oh, for a lovelier faith!’
(Berthe Hoola van Nooten, Galveston, aan John Dunlap, New Orleans, 24 januari 1855)

Om en nabij het Koningsplein

Gang Scott ca 1880

afb. 1) Woodbury & Page: Gang Scott, fotografie,  ca 1880.

Batavia, juni 1857. De Nederlandse magistratenweduwe Berthe Hoola van Nooten née Van Dolder (1817-’92) woont in de Gang Scott, een van de meest schilderachtige lanen van de toenmalige hoofdstad van Nederlands-Indië. Berthe heeft in haar leven flink wat tegenslagen gehad maar lijkt nu eindelijk rust te krijgen. Ze mag, ‘surrounded by every luxury of an eastern life’1, logeren in het ‘splendid house’ van haar halfbroer, de koloniaal bestuurder en zakenman in suiker Vincent Jacob van Dolder (1815-’76). Het is juist dit blanke milieu dat in de jaren erna honderden keren gefotografeerd zal worden door Walter Bentley Woodbury (1834-’85) en James Page (1833-’65), twee jonge Engelse avonturiers die vrijwel tegelijkertijd met Berthe vanuit Australië op Java waren aangekomen. Op onverwachte en tot nu toe ongepubliceerde manieren zullen de vier nieuwe ‘totoks’ (Europese Indiërs) met elkaar te maken krijgen.

2) Koningsplein, 'Kadastrale overzichtskaart der afdeeling Batavia, 1874-6', Algemeen Rijksarchief Den Haag (uitsnede; pijlen met bijbehorende teksten toegevoegd)

afb. 2) Koningsplein, ‘Kadastrale overzichtskaart der afdeeling Batavia, 1874-6’, Algemeen Rijksarchief Den Haag (uitsnede; pijlen met bijbehorende teksten toegevoegd; op het Europese kerkhof Tanah Abang lag Berthe begraven).

Iets verder naar het oosten, verscholen in het groen, op de hoek van de Gang Scott (tegenwoordig Jalan Budi Kemuliaan) en het destijds fashionable Koningsplein, staat de villa die ooit eigendom was van een zekere Robert Scott. Deze net als Berthes broer zeer succesvolle zakenman, volgens een nakomeling een achterneef van Sir Walter ‘Ivanhoe’ Scott, was onder meer werkzaam geweest als waarnemend havenmeester in Semarang voordat hij na het Engelse tussenbestuur op Java in 1820 in Batavia neerstreek. Aan de toen nog open vlakte ten zuiden van het Koningsplein (waarvan een gedeelte ook wel Buffelsveld, of liefdevol Buffeltje werd genoemd2) had hij zijn huis laten bouwen, in de eigenhandig aangelegde en naar hem vernoemde laan. Precies in dat monumentale hoekpand had de weduwe Van Nooten op 6 april 1857 een particuliere meisjesschool geopend.3 Het was de vierde in haar leven.

Een nieuwe school

Berthes eerdere instituten, ‘Female Seminary’ of ‘Academy for Young Ladies’ genoemd, had ze opgericht of geleid in achtereenvolgens het Noord-Amerikaanse New Orleans (samen met haar man Dirk, tot zijn onverwachte overlijden aldaar op 13 september 1847), het nietige Plaquemine (iets hogerop aan de Mississippi) en het Texaanse havenstadje Galveston, aan de Golf van Mexico. Nu, in Batavia, aan de andere kant van de wereld, doet ze een nieuwe poging. Hoewel de hoofdstad van Nederlands-Indië in het midden van de negentiende eeuw duizenden Europese bewoners telt, wordt er door het gouvernement al decennialang geen adequaat meisjesonderwijs meer aangeboden.4, 5 De fris gearriveerde mevrouw Van Nooten hoopt dan ook dat haar nieuwe school in een gezonde en vooral lucratieve pedagogische behoefte zal voorzien.6

Berthe is niet alleen weduwe, maar ook een alleenstaande moeder van vijf kinderen. Ondanks een royale schoolsubsidie van omgerekend zo’n € 15.000,- per maand7 moet ze hard werken voor de kost. Ze runt haar instituut dan ook als een moderne, multitaskende schooljuf. Naast alle huishoudelijke verplichtingen en administratieve rompslomp geeft ze zelf les in onder andere geschiedenis, Frans, Engels, tekenen, schilderen, pianospelen, zingen, naaiwerk en, last but not least, bijbellezen.8 Ze wordt daarbij,  naast drie uit Nederland overgekomen ‘geëxamineerde secondantes’, geholpen door haar oudste dochters Maria Philippina en Julia Bertha. Op moeilijke momenten weten zij haar vaak op te vrolijken.9 Berthes twee zoontjes zitten noodgedwongen op Merchiston Castle School, een jongensinternaat vlak onder Edinburg, in het verre en koude Schotland. Hun moeder mist hen, elke dag.10

De locatie op de hoek van de Gang Scott voldoet blijkbaar niet, want Berthe verplaatst haar meisjesinstituut al snel naar een ander pand, iets verderop in de laan, eigendom van een zekere heer Eilbrechts.11 Op dat laatste adres, net als alle andere toen nog zonder huisnummer,12 brengt Berthe (uiteindelijk) maar liefst achtenveertig leerlingen onder haar Nederlands Hervormde vleugels. Toch blijkt dit ook niet voldoende om het voortbestaan van de school te garanderen. Na allerlei publiekelijk uitgevochten intriges en subsidieproblemen met de Hoofdcommissie van Onderwijs te Batavia moet ze op 1 januari 1859 haar zo felbevochten onderwijsinstelling alweer sluiten.13

Een paradijselijke hof

Pal aan de overkant in de Gang Scott kijkt Berthe uit op de gloednieuwe, in classicistische stijl ontworpen ‘Armeniaansche’ of St Johannes Kerk (afb. 3). Dit gebouw zal juist in 1857 ingewijd worden, nadat in 1854 de eerste steen ervan was gelegd door de kort daarvoor opgerichte Bataviase firma E. Chaulan, Deeleman & Co.14

1) Jacobus Anthonie Meessen, ongetiteld, albuminedruk, ca september 1867, de Armeense Kerk op de hoek van de Gang Scott (voorlangs de kerk rechts naar het westen weglopend), het Koningsplein (achter de fotograaf) en de hoek van de tuin van het huis van Berthes meisjesinstituut (rechts).

afb. 3) Jacobus Anthonie Meessen, ongetiteld, albuminedruk, ca september 1867, de Armeense Kerk op de hoek van de Gang Scott (voorlangs de kerk rechts weglopend, richting Tanah Abang in het westen), het Koningsplein (achter de fotograaf) en de hoek van de tuin van het huis van Berthes voormalige meisjesinstituut (rechts).

In het het noorden van Batavia, voorbij de ‘Benedenstad’, aan de ondiepe Javazee, bevindt zich de modderige en stinkende haven, omgord door talloze pakhuizen en volgepakte toko’s. Maar in de wijk waar Berthe woont, de ‘Bovenstad’, in het zuiden, is het ‘rustig, stil en koel’.15 In dit milieu geniet de blanke elite van ruim aangelegde, parkachtige tuinen en royale huizen, daarbij verwend door ontelbare autochtone bedienden. Hier bevindt zich ook de meisjesschool van madame Van Nooten, een instituut bedoeld voor jonge, christelijke, ‘beschaafde’ élèves. Tenminste, zo lang het duurt. Want al snel na de sluiting van haar school zal Berthe uit deze Indische Hof van Eden verdreven worden, niet vanwege verboden vruchten, maar door mooie principes en lelijk geldgebrek.

Een vroeg portretje

4) Olland & Zn Batavia: fotografie Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860, in handschrift op achterkant (waarschijnlijk van Julius Paul Barth): "Berthe Hoola van Nooten – van Dolder, grootmoeder van Elly van Marle, die haar verzorgde als „Maatji” tot haar 6e jaar in Indië, omdat haar dochter Bertha van Marle – Hoola bij de geboorte van Elly gestorven was (overgrootmoeder van J.P. Barh en B.M. Hupka-Barth)" (© collectie familie Barth).

afb. 4) Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860, in handschrift op achterkant (waarschijnlijk van Julius Paul Barth): “Berthe Hoola van Nooten – van Dolder [.] grootmoeder v. Elly van Marle, die haar verzorgde als „Maatji” tot haar 6e jaar in Indië, omdat haar dochter Bertha v. Marle – Hoola v. Nooten, bij de geboorte van Elly gestorven was [.] overgrootmoeder van J.P. Barth en B.M. Hupka-Barth.” (© collectie familie Barth).

Vooralsnog telt Berthe de zegeningen van haar bijbelse vette jaren. In deze tijd laat ze een portretfoto maken door de Bataviase firma W.J. Olland & Zoon Java (hier voor het eerst afgebeeld). Uit een van de brieven aan haar Texaanse vriend John G. Dunlap weten we dat ze al eerder een foto voor zichzelf had besteld. Die foto, een daguerreotypie, had ze hem als aandenken gestuurd bij haar vertrek in de winter van 1855 uit Boston (via Engeland en Nederland) naar Java.16 Op de nieuwe, eveneens ongekleurde foto (‘copien zÿn op aanvraag te verkrÿgen’17) draagt ze een hooggesloten lijfje en een rok van zo te zien wat donkerder zijde, ondersteund door een crinoline en een ongetwijfeld met baleinen versterkt korset. Deze constructie zorgt ervoor dat haar boezem discreet maar effectief omhoog wordt gestuwd. Het haar lijkt in een losse wrong gedragen en in het kuiltje van haar hals hangt een ovalen medaillon, met misschien een camee of een portretje. Op deze foto maakt ze een weliswaar modieuze, maar ondanks (of juist dankzij, dat soort zaken lag ook toen al gevoelig) haar opgewerkte buste beslist geen onzedelijke indruk. In het warme klimaat van Nederlands-Indië droegen Europeanen graag luchtige Chinese zijde, ook al liepen sommigen privé liever in ruimvallende, inlandse kleding rond. Wie de foto van Berthe aandachtiger bekijkt zal niet verbaasd zijn dat de ongeveer vijfenveertigjarige, blonde, goedverzorgde en deugdzaam poserende weduwe meerdere mannelijke aanbidders van zich af heeft moeten slaan.18

Een lommerrijke laan

Rechts van de Armeense Kerk, dus links vanuit Berthes huis gezien, staat een witgekalkte villa met een voor de Nederlandse literatuur bescheiden, maar bijzondere geschiedenis (afb. 5). In dit pand brengt namelijk de romancier Louis Couperus enkele van zijn jongensjaren door, verwend door tientallen inlandse personeelsleden.19, 20 Op de hieronder afgebeelde foto’s van Woodbury & Page is goed te zien hoe de omgeving overwoekerd werd door tropische groen.

5) Woodbury & Page, ‘Een waringinboom op een huiserf in Gang Scott (Batavia) met op de achtergrond de Armeense kerk’, uit: ‘Indrukken van Indonesië, Jawa (Java)’, circa 1870, op registratiekaart geplakte fotografie; genomen op de hoek van het Koningsplein (rechtsachter de fotograaf) en de Gang Scott (rechts, in de verte weglopend richting Tanah Abang in het westen), met pal achter de fotograaf de Gang Holle, op de voorgond het huis waarin volgens Rob Nieuwenhuys de jonge Louis Couperus heeft gewoond, in het midden de rechterzijkant van de voorgevel van de Armeense Kerk en helemaal rechts op de foto (net niet zichtbaar) ) de tuin van het voormalige huis van Robert Scott waar in 1857-‘58 Berthes meisjesschool in gevestigd is; de foto moet gemaakt zijn vanuit de tuin van het huis van Mrs Bain, de ‘landlady’ van Woodbury en Page in 1857.

afb. 5) Woodbury & Page (?), ‘Een waringinboom op een huiserf in Gang Scott (Batavia) met op de achtergrond de Armeense kerk’, uit: Indrukken van Indonesië, Jawa (Java), circa 1870, op registratiekaart geplakte fotografie; genomen op de hoek van het Koningsplein (rechtsachter de fotograaf) en de Gang Scott (rechts, in de verte weglopend richting Tanah Abang in het westen), met pal achter de fotograaf de Gang Holle, op de voorgrond het huis waarin volgens Hein Buitenweg in zijn Zo kenden wij Batavia de jonge Louis Couperus heeft gewoond (maar die in zijn Baren en oudgasten op pag. 147 juist het hoekpand in de noordelijker gelegen Gang Secretarie in die hoedanigheid noemt), in het midden de rechterzijkant van de voorgevel van de Armeense Kerk en helemaal rechts op de foto (net niet zichtbaar) ) de tuin van het voormalige huis van Robert Scott waar in 1857-‘58 Berthes meisjesschool in gevestigd is; de foto moet gemaakt zijn vanuit de voortuin van het huis van Mrs Bain, de ‘landlady’ van Woodbury en Page na hun aankomst op Java in 1857.

De jonge Couperus is niet de enige voor wie dit onvergetelijk is. Zijn collega Arthur van Schendel en later de dichter Leo Vroman hebben eveneens in dit laantje gewoond, onder het verkoelende bladerdak van hoog oprijzende vlam-, klapper-, banyan-, tamarinde-, kanari- en waringinbomen. Dit herinnerde Vroman zich, tientallen jaren daarna:

Poinsettia regia

afb. 6) Madame Berthe Hoola van Nooten: Fleurs, fruits [etc] de L’île de Java [etc], ongenummerde plaat ‘Poinciana Regia’ [= Delonix regia, vlamboom of pauwenbloem], chromolithografie.

Er was grind en er waren hoge bomen, en struiken met paarse en rode bloemen.21

Van Schendel verwoordt het in zijn Jeugdherinneringen als volgt, beknopt, betoverend:

Wij liepen over gras onder donkere bomen, het Koningsplein. Wij woonden in de Gang Scott.22,

terwijl Hella Haasse op het einde van haar leven (in een aan Rob Nieuwenhuys gewijde tekst in de Indische Letteren) zich nog levendig de ‘mooie grote woningen’ rondom het Koningsplein en in de Gang Scott en Gang Holle uit haar jeugd voor de geest kon halen.23

Ook de Franse graaf en wereldreiziger Ludovic de Beauvoir (1846-1929) is enthousiast over de Indische hoofdstad. Hij blijkt wel over rijkelijk meer flux de paroles te beschikken dan de nuchtere Hollanders. Zijn beschrijving van Batavia, dat wil zeggen, het Europese quartier, de wijk waar Berthe woont, klinkt als volgt:

Oh! De feeërieke tuin, het paradijselijke groen! Werkelijk, in Batavia zijn geen straten, er zijn slechts majestueuze lanen, overhuifd door de mooiste bomen met de weelderigste kruinen die brede en eindeloze wandelpaden overkoepelen, zoals men die in Europa slechts in de decors van de Opéra ziet [vert. ondergetekende].24

. Le Comte de Beauvoir: Voyage autour du Monde. Paris: E. Plon et Cie, 1867

afb. 7) Le Comte de Beauvoir: Voyage autour du Monde [Java]. Paris: E. Plon et Cie, 1867, frontispice, houtgravure.

In november 1866 moet de comte ook de Gang Scott in de ‘ville neuve’ (de Bovenstad, dus in het zuiden) hebben bezocht. In elk geval gebruikt hij een afbeelding in houtgravure van het laantje als frontispice van zijn reisverslag (afb. 7). De prent is gebaseerd op een originele albuminedruk die Walter Woodbury en James Page circa mei 1863 gemaakt hadden. (afb. 8). Waarschijnlijk heeft De Beauvoir deze plaat ter plekke van het Engelse duo gekocht en meegenomen naar Parijs, waar in het jaar daarop de eerste twee delen (Java en Australie) van zijn bestsellende reisdagboek verschenen. Ook Berthe moet veel met de twee fotografen te maken hebben gehad.

6) Woodbury & Page, ‘Gang Scott in Weltevreden te Batavia [richting Tanah Abang in het westen]‘, uit: ‘Vues de Java Photographies par Woodbury & Page Batavia’, albuminedruk, tot nu toe gedateerd als ‘circa 1875′ maar vanwege het hieronder genoemde en getoonde reisverslag van Comte de Beauvoir niet laten genomen dan 1867 (links verscholen in het groen de Armeense Kerk, rechts een stukje van de tuin van het huis waar Berthe haar meisjesinstituut had).

afb. 8) Woodbury & Page, ‘Gang Scott in Weltevreden te Batavia [richting Tanah Abang in het westen]‘, uit: ‘Vues de Java Photographies par Woodbury & Page Batavia’, albuminedruk, tot nu toe soms gedateerd als ‘circa 1875′ maar waarvan de originele foto vanwege het hierboven besproken en getoonde reisverslag van Comte de Beauvoir niet later genomen kan zijn dan 1867; links verscholen in het groen de Armeense Kerk, rechts het bruggetje naar de tuin van Berthes voormalige meisjesinstituut.

Bijzondere buren

Tijd is relatief, zeker in het negentiende-eeuwse Nederlands-Indië. Als Berthe oostwaarts wil wandelen, vanaf de Armeense Kerk in de Gang Scott langs de zuidkant van het Koningsplein (dat zo uitgestrekt is dat er nog maar twintig jaar eerder een heus jachtverbod op los rondlopende wilde dieren was uitgevaardigd25), de deftige Gang Holle, officieel ‘Sterreweg’ genoemd,26 aan de rechterhand houdend, in de richting van het statige gebouw van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging (het wetenschappelijk instituut waar ze in 1863 lid van zal worden27) en de daarachter liggende wijk Parapattan (‘viersprong’), met in de nabije verte de in 1828 gebouwde, bescheiden en anno 2018 nog altijd in het frisgroen verscholen, witgekalkte ‘kleine, doch nette Engelsche Kerk’28 (die ze volgens eigen zeggen liever bezoekt dan de tien jaar jongere Willemskerk van haar eigen Nederlands Hervormde gemeente, aan de oostkant van het plein29), dan doemt rechts al meteen de prachtige villa van een zekere Mrs Bain op. Deze alleenstaande dame, telg uit een Schots geslacht dat al minstens een eeuw in Batavia gevestigd is, stelt vanaf 5 juni 1857 een gedeelte van haar huis ter beschikking aan Walter en James, inclusief hun atelier.30  Het is juist dit adres dat verklaart waarom er van de afgelegen zuidwestelijke hoek van het Koningsplein zoveel verschillende Woodbury & Page-foto’s bekend zijn. De albuminedruk van het naastgelegen huis van de jonge Louis Couperus (afb. 5) moet ruim tien jaar later gemaakt zijn vanuit haar voortuin, links in de richting van de Gang Scott. Voordat Walter en James in Batavia waren gearriveerd hadden ze in het Australische Melbourne geprobeerd goud te delven, om, na weinig succes daarmee, in dezelfde stad een eenvoudige fotostudio op te zetten.31 Maar pas in de high society van Batavia worden beiden beroemd, en, hoewel kortstondig, flink gefortuneerd, onder de naam Photographisch Atelier van Woodbury & Page, kortweg als de Firma Woodbury & Page.

Albert en Henry James Woodbury

afb. 9) Albert en Henry James Woodbury, carte de visite, Batavia ca 1865, albuminedruk.

Dankzij de vele foto’s die zij (en later ook Henry James en Albert, respectievelijk Walter Woodbury’s jongere en jongste broer) hebben gemaakt van Batavia en haar bevolking, weten we relatief goed hoe de blanke Indische samenleving er in contemporaine ogen uitzag (of liever, behoorde te zien).32 Vanaf het begin van de jaren ’60 vervolmaken ze de zogeheten Woodburytype, een gelatineuze, korrelloze en gloedvolle afdruktechniek die mede is uitgevonden door hun landgenoot Joseph Wilson Swan. Volgens velen is dit het mooiste fotografische procedé ooit ontwikkeld, ‘a pinnacle of photographic achievement’.33 In de decennia daarna zouden zelfs vips als Charles Darwin en koningin Victoria zich laten vereeuwigen met behulp van deze reproduceermethode, die uitgerekend hier, aan het voormalige Bataviase Buffelsveld, het daglicht zag. Zoals gezegd, nauwelijks twee maanden voordat de tengere, bijna ontroerend jonge Woodbury (afb. 9) zal aankomen op de inmiddels tot ‘Koningsplein’ gepromoveerde kale grasvlakte, was Berthe haar meisjesschool gestart in het hoekpand van de Gang Scott, aan de overkant van het huis van Mrs Bain. Het toeval wil dat dus de Engelse Woodbury en Page met hun Schotse landlady en de Hollandse Berthe met haar welvarende halfbroer, gastheer en ‘suikeroom’ Vincent Jacob bijna een half jaar lang schuin tegenover elkaar wonen en werken. Het kan dan ook niet anders of ze hebben elkaar in de tijd regelmatig gezien en gesproken.

Een kostbaar kiekje

Vincent Jacob van 8) Walter Bentley Woodbury, fa. Woodbury & Page, Java: ‘Vincent Jacob van Dolder’, carte de visite, fotografie, met de hand gedateerd '1862', Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie

afb. 10) Vincent Jacob van Dolder door Walter Bentley Woodbury, fa. Woodbury & Page, Java: ‘Vincent Jacob van Dolder’, carte de visite, fotografie, met de hand gedateerd ‘1862’, Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie

Vincent Jacob van Dolder is een gehaaid en succesvol zakenman. In 1862 kan hij het zich dan ook veroorloven om Woodbury en Page (waarvan de eerste inmiddels was verhuisd naar een eigen, prestigieuze locatie in de Gang Secretarie aan de  noordkant van het Koningsplein)34 een portretfoto te laten maken voor zijn carte de visite (afb. 10). Deze kaartjes worden hartstochtelijk verzameld, maar als hobby is dat bepaald geen sinecure. Alleen de blanke Bataviase elite kan zich dit visuele nieuwigheidje veroorloven. Volgens een contemporaine krantenadvertentie moeten geïnteresseerden maar liefst f 20,- per foto-afdruk neerleggen, dat is omgerekend zo’n € 200,-.35 Weliswaar wordt deze prijs binnen enkele jaren door de snel opkomende concurrentie gedecimeerd, maar Berthe had zich zulke bedragen sowieso nooit kunnen veroorloven. Ze was nog maar enkele jaren daarvoor volkomen berooid uit Noord-Amerika overgekomen36 en enige tijd aangewezen geweest op de gunsten van haar half geliefde, maar door zijn onbeschaamde levenswandel ook half gehate stiefbroer.

Een indringende blik

Toch is er nu, volkomen onverwacht, bij Berthes afstammelingen in Nederland een originele Woodbury & Page-carte de visite van haar opgedoken. Dit lijkt inderdaad een wonder, een verschijnsel dat de fel anti-paapse Berthe overigens niet als zodanig had weten te waarderen. Het haarscherpe fotoportretje (12,5-15 cm, afb. 11) is ongekleurd, ongetiteld en ongedateerd.

11) Woodbury & Page Photographers Java, carte de visite, fotografie, ongetiteld, ongedateerd, met de hand bijgeschreven ‘Bartha H.P. van Dolder (1.6 [= hoofdstuknummer in familie-album familie Barth])’, omstreeks 1880, © collectie familie Barth.

afb. 11) Woodbury & Page Photographers Java, carte de visite, fotografie, ongetiteld, ongedateerd, met de hand bijgeschreven ‘Bartha H.P. van Dolder (1.6 [= hoofdstuknummer in familiealbum familie Barth])’, omstreeks 1880, © collectie familie Barth.

Als de door familie-archivaris Julius Paul Barth (1910-‘94) geschreven datum (‘1878’) op de achterkant van het visitekaartje juist is, zou de foto gemaakt kunnen zijn naar aanleiding van Berthes eenenzestigste verjaardag op 12 oktober van dat jaar.37 Ook dit portret wordt hier voor het eerst afgebeeld. Berthe (door Julius Paul ‘Bartha’ genoemd, haar doopnaam), draagt nu, heel modern, niet langer een prangend korset zoals dat onder haar kleding was te ontwaren op de Olland-foto van zo’n twintig jaar eerder, maar een ruimvallend en comfortabel manteltje, dat is afgezet met een fraai zogenoemd passement, handgeborduurd met florale motieven. Rond de hals beschermt de wat losse ruche van de chemise het kostbare bovenkleed. Op de foto oogt Berthe frêle, bijna meisjesachtig.

11) Madame Hoola van Nooten: 'Fleurs, fruits [etc] de l’Île de Java [etc]'', plaat 'Nephelium Lappaceum' [ramboetan], chromolithografie.

afb. 12) Madame Hoola van Nooten: Fleurs, fruits [etc] de l’Île de Java [etc], ongenummerde plaat ‘Nephelium Lappaceum Jack.’ [= Nephelium lappaceum Correa, ramboetan], chromolithografie.

Wie haar wat scheefhoekige blik durft te pareren zal merken dat deze steeds helderder lijkt te worden, opmerkzamer, en zelfs indringender. Is dat slechts illusie, omdat we, terugblikkend, weten hoeveel dierbaars ze in haar leven heeft moeten loslaten, en hoe ze alle verliezen toch te boven is gekomen? Toch zijn er ook bewijzen van haar volharding. Slechts enkele jaren voordat deze foto door de firma Woodbury & Page genomen werd, krijgt Berthe persoonlijk bezoek van Marianne North. Deze rijke, onafhankelijke Engelse wereldreizigster schrijft in haar postuum uitgegeven memoires dat ze weliswaar geschokt is door de armoedige staat waarin ‘madame Van Nooten’ verkeert, maar dat Berthe ‘interesting and most enthousiastic’ is, en onvermoeibaar vertelt over haar botanische werk (afb. 12).38 De delicaat ogende gastvrouw is heel wat veerkrachtiger dan men op het eerste gezicht zou kunnen denken.

Trouble in Paradise

'Magdalena. Evangelisch Jaarboekje. 1876.'

afb. 13) Magdalena. Evangelisch Jaarboekje. 1876.

Twintig jaar eerder, in de blanke paradijshof van Weltevreden, blijkt intussen niet alles pais en vree. Berthe krijgt bonje met haar dominante halfbroer en zijn eigenzinnige maîtresse.39 Na hoogoplopende ruzies vertrekt ze begin 1860 uit de Gang Scott en verhuist naar Buitenzorg (Bogor), zo’n zestig kilometer ten zuiden van Batavia, richting de koelere bergen van het Javaanse binnenland. Vanaf het einde van dat jaar zal ze aan de Groote Postweg opnieuw een eenvoudige ‘opvoedings-Inrigting’ starten ‘voor [twaalf] meisjes van den beschaafden stand’,40 voor de zesde en laatste keer in haar leven. Pal aan de overkant van de straat ligt westelijke ingang van de wereldberoemde plantentuin, de plek waar ze inspiratie zal opdoen voor haar monumentale Java-boek. Alhoewel ze het voorwoord al in juli 1862 schrijft, zal dit werk in tien afleveringen pas in de loop van 1863-’64 te Brussel verschijnen.

In 1873 verkast Berthe opnieuw, ditmaal definitief, naar het gehucht Selipi, in het landelijke gebied ten zuidwesten van Batavia. Haar tweede dochter Julia Bertha, die net als Maria Philippina zo’n grote steun was geweest op de meisjesschool in de Gang Scott, zal al in 1874 op jonge leeftijd komen te overlijden. Dit is voor Berthe (minstens zo gekweld als getroost door haar godsgeloof) aanleiding om een aangrijpende zedenschets en bijpassend stichtelijk treurgedicht te schrijven. Beide worden in 1876 onder het pseudoniem ‘B.’ te ‘Java’ gepubliceerd in het Evangelisch Jaarboekje Magdalena (afb. 13).41 De baten van deze protestantse almanak kwamen overigens ten goede aan de Vereeniging het Asyl Steenbeek te Amsterdam, een tehuis dat was opgezet ter ‘opbeuring’ van ‘boetvaardige’ en tot ‘christelijke inkeer’ gekomen ‘gevallen vrouwen’,42 dat wil zeggen, ex-prostituees, zoals, volgens kwade roomse tongen, Jezus’ eigen echtgenote, Maria Magdalena, moet zijn geweest.

10) Woodbury & Page, “Boek- en bureauhandel G. Kolff & Co. [...] aan de Pasar Pisang te Batavia”, albuminedruk, circa 1865-’72; in deze bekende Bataviase boekwinkel zal ook Berthes grote Java-boek verkocht zijn.

afb. 14) Woodbury & Page, “Boek- en bureauhandel G. Kolff & Co. […] aan de Pasar Pisang te Batavia”, albuminedruk, circa 1865-’72; in deze bekende Bataviase boekwinkel zal ook Berthes florilegium verkocht zijn.

Epiloog

Heiligen of hoeren, christenen of ketters, voor God is iedereen gelijk, hoewel sommigen gelijker blijken dan anderen. Ondanks haar literaire aspiraties zou Berthe net als vrijwel elke andere aardse ziel binnen enkele generaties volkomen vergeten zijn, ware het niet dat ze verantwoordelijk is voor een van de mooiste Indische florilegia van de negentiende eeuw, het anno 2018 nog altijd even spectaculaire als peperdure Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java.43 Samen met de hier voor het eerst gepubliceerde originele Woodbury & Page-foto heeft ze daarmee alsnog het eeuwige leven verworven waar ze zo naar verlangde, hoewel op een andere manier dan ze zich waarschijnlijk had voorgesteld.

Java Bode 1863, met een advertentie van Woodbury & Page boven een annonce van de tweede druk van Berthes Java-boek (verkoopprijs fl 85,- of ca € 850,-).

afb. 15) Java Bode 1866, met een advertentie van Woodbury & Page boven een annonce van de tweede druk van Berthes Java-boek (verkoopprijs fl 85,- of ca € 850,-).

Ook Woodbury’s aardse bestaan zal niet verlopen zoals hij stellig nog dacht toen hij als jong, gezond en succesvol society-fotograaf aan het vorstelijke Koningsplein te Batavia resideerde. Na terugkeer in Europa blijkt hij ongeneeslijk ziek te zijn. Tijdens een korte vakantie met twee van zijn dochters in de Engelse badplaats Margate overlijdt de inmiddels berooid, versleten en wanhopig geraakte uitvinder van de wereldwijd geliefde woodburytype in 1885 aan een zelf-toegediende overdosis van het verslavende kalmeringsmiddel laudanum.44 Zo vergaat de roem van de wereld, en nog heel wat meer. Walters voormalige overbuurvrouw Berthe zou het zover nooit laten komen. In de Préface draagt ze haar Javaanse bloemenboek niet alleen op aan Sophie, de onbestorven Koningin der Nederlanden, maar vooral ook aan haar andere seksegenotes, haar lotgenotes, bondgenotes, aan alle zorgzame, nederige, maar ook manmoedige, krachtige en volhardende vrouwen van deze wereld.

David Apollonius Coppoolse

Met veel dank aan Jonathan Barth die met zijn enthousiasme het mogelijk maakte om de zich in familiebezit bevindende carte de visite van zijn voormoeder Berthe Hoola van Nooten hier te bespreken en af te beelden, aan Marcel van Dorst dankzij wiens niet-aflatende speurtalent en onwankelbare vriendschap Berthe stukje bij beetje tot leven kan komen, aan de onvermoeibaar kritische en inspirerende An Duits die tevens de mode-aspecten van de hier afgebeelde Berthe-portretten voor haar rekening nam en aan Alle Diderik de Jonge die als altijd consciëntieus commentaar leverde, waarbij vanzelfsprekend alle eventueel gemaakte fouten en tekortkomingen geheel voor rekening van de auteur zijn.
Noten
1) Hoola van Nooten aan Dunlap 10 mei 1856. 2) De Haan Oud Batavia Deel 1 § 769. 3) Java-Bode 1857 woensdag 18 februarij. 4) Brugmans Geschiedenis onderwijs pp 108-113. 5) De Haan Oud Batavia Deel 2 § 1415. 6) Hoola van Nooten aan Dunlap 7 september 1856. 7) Algemeen Verslag pag. 19. 8) Hoola van Nooten aan Dunlap 10 januari 1855. 9) Hoola van Nooten aan Dunlap 24 augustus 1857. 10) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 december 1859. 11) Java-bode 1857 woensdag 1 April. 12) De Haan Oud Batavia Deel 1 § 772. 13) Algemeen Verslag pag. 19. 14) Merrillees Batavia pag. 164. 15) Nieuwenhuys Komen en blijven pag. 26. 16) Hoola van Nooten aan Dunlap 31 augustus 1855. 17) drukkersmerk op achterzijde besproken portretfoto. 18) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 december 1859. 19) Couperus Oostwaarts pag. 126. 20) Buitenweg Tempo doeloe pag. 110. 21) Vroman ‘Warm, rood, nat en lief’ pag. 52. 22) Van Schendel Jeugdherinneringen pag. 13. 23) Haasse ‘Beelden’ pag. 154. 24) De Beauvoir Java pag. 4. 25) De Haan Oud Batavia Deel 1 § 772. 26) ibid. 27Natuurkundig Tijdschrift pag. 659. 28) Van de Velde Gezigten uit Neêrlands Indië pag. 6. 29) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 juni 1855. 30) Merrillees Batavia pag. 168. 31) Wachlin Woodbury & Page pp 9-10. 32) ibid. ‘blurb’. 33) Oliver History pag. XV en ibid. ‘blurb’. 34) Wachlin Woodbury & Page pag. 17. 35) Java Bode 1857 zaturdag 18 julij. 36) Hoola van Nooten aan Dunlap 24 augustus 1857. 37) Barth familiearchief. 38) North Recollections Vol. I pag. 260. 39) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 december 1859. 40) Bataviaasch Handelsblad 1860. 41) Magdalena pp 160-166. 42) Calisch Liefdadigheid pag. 439. 43) Hoola van Nooten Fleurs et fruits. 44) Wachlin Woodbury & Page pag. 25.
Literatuur:
Algemeen verslag van den staat van het schoolwezen in Nederlandsch-Indië. a. voor Europeanen en inlandsche christenen opgemaakt door de Hoofd-commissie van onderwijs. b. voor inlanders, opgemaakt ter Algemeene Secretatie. Afgesloten onder Ultimo 1858. Batavia: Lange & Co, 1859.
“B. [te] Java.” [= Berthe Hoola van Nooten]: ‘Vreugde en droefheid’ in: Magdalena Evangelisch Jaarboekje uitgegeven ten voordeele van het Asyl Steenbeek [etc]. 24ste Jaargang. Amsterdam: W.H. Kirberger, 1876.
Barth familiearchief, Amsterdam [ongepubliceerd].
Bataviaasch Handelsblad. Aº. 1860. No. 79. Woensdag 3 October. Derde Jaargang.
Beauvoir, le Comte de: Java, Siam, Canton. Voyage autour du Monde. Paris: E. Plon et Cie, 1867.
Breton de Nijs, E. [= Rob Nieuwenhuys]: Batavia koningin van het oosten. ‘s-Gravenhage: Thomas & Eras Uitgevers, 1976.
Brugmans, I.J.: Geschiedenis van het onderwijs in Nederlandsch-Indië. Groningen – Batavia: Wolters’ Uitgevers-maatschappij, 1938.
Buitenweg, H.: De laatste tempo doeloe. Katwijk: Servire, 1964.
Calisch, N.S.: Liefdadigheid te Amsterdam. Overzicht van al hetgeen er in Amsterdam wordt verricht, ter bevordering van de stoffelijke, zedelijke en godsdienstige belangen, voornamelijk der minvermogenden en behoeftigen. Amsterdam: M. Schooneveld en Zoon, 1851.
Couperus, L.: Oostwaarts. Den Haag: Leopold, 1924.
Gevers Deynoot, W.T.: Herinneringen eener reis naar Nederlandsch Indië in 1862. ‘s-Gravenhage: Nijhoff, 1864.
[Haan, H. de]: Oud Batavia Gedenkboek. Uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen naar aanleiding van het driehonderdjarig bestaan der stad in 1919. Batavia: G. Kolff & Co, 1922 (twee tekstdelen en een Platen Album).
Haasse, Hella S.: ‘Beelden die me begeleiden. Hella S. Haasse over de fotoboeken van Rob Nieuwenhuys. [red.] Peter van Zonneveld’. Indische Letteren Jaargang 15. Alphen aan den Rijn: Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde,  2000.
Hohé, Madelief & Ileen Montijn: Romantische mode. Zwolle: Waanders, 2014.
Hoola van Nooten aan John Dunlap 10 januari 1855 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
Hoola van Nooten aan John Dunlap 9 juni 1855 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
Hoola van Nooten aan John Dunlap 31 augustus 1855 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
Hoola van Nooten aan John Dunlap 10 mei 1856 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
Hoola van Nooten aan John Dunlap 7 september 1856 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
Hoola van Nooten aan John Dunlap 9 december 1856 (originele brief): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC) (gepubliceerd op https://davidcoppoolse.com/2014/10/28/my-dear-friend-een-javaanse-hartekreet-ontcijferd/ ).
Hoola van Nooten aan John Dunlap 24 augustus 1857 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
Hoola van Nooten, Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par madame Berthe Hoola van NootenOuvrage dédié à sa majesté [sic] la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier, Montagne de L’Oratoir, 5, 1863 [-’64] (2de editie Severeyns 1866, 3de editie Merzbach & Falk [1881]).
Java-Bode. Nieuws- Handels- en Advertentie-blad voor Nederlandsch-Indië. Ao. 1857. Woensdag 18 Februarij. No. 14.
Java-Bode. Nieuws- Handels- en Advertentie-blad voor Nederlandsch-Indië. Ao. 1857. Woensdag 1 April. No. 26.
Java-Bode. Nieuws- Handels- en Advertentie-blad voor Nederlandsch-Indië. Ao. 1857. Zaturdag 18 julij. No. 57.
Magdalena. Evangelisch Jaarboekje uitgegeven ten voordeele van het Asyl Steenbeek onder redactie van J.A. Schuurman Johsz. en L.R. Beynen. 24ste Jaargang 1876. Amsterdam: W.H. Kirberger, [1876].
Merrillees, Scott: Batavia in Nineteenth Century Photographs. Singapore: EDM Editions Didier Millet, 2010.
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indie uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-Indie deel XXVI zesde serie deel I. Batavia: H.M. van Dorp, & ’s Gravenhage: Martinus Nyhoff, 1864.
Nienwenhuys, Rob: Baren en oudgasten. Tempo Doeloe- een verzonken wereld. Fotografische documenten uit het oude Indië 1870-1920. Amsterdam: Querido, 1981.
Nieuwenhuys, Rob: Komen en blijven. Tempo doeloe – een verzonken wereld. Fotografische documenten uit het oude Indië 1870-1920. Amsterdam: Querido, 1982.
North, Marianne: Recollections of a Happy Life. London: MacMillan, 1893 [postuum gepubliceerd in 2 delen, in 1894 verscheen een derde deel als Further Recollections].
Oliver, Barrett: A History of the Woodburytype. Nevada City, California: Carl Mautz Publishers, 2006.
Schendel, Arthur van: Jeugdherinneringen. Een document. Amsterdam: Meulenhoff, 1989.
Toekan Potret. 100 jaar fotografie in Nederlands Indië 1839-1939. Amsterdam: Fragment Uitgeverij & Rotterdam: Museum voor Volkenkunde, 1989.
Velde, C.W.M. van de: Gezigten op Neêrlands Indië naar de natuur geteekend en beschreven. Amsterdam: Frans Buffa en Zonen, [1844-’45].
Vroman, Leo: ‘Warm, rood, nat en lief.’ Het levensverhaal van de dichter, schrijver, wetenschapper en tekenaar. Amsterdam: Uitgeverij Contact, 1994.
Wachlin, Steven: Woodbury & Page. Photographers Java. Leiden: KITLV Press, 1994.
[Zoete, Johan de, red.] De techniek van de Nederlandse boekillustratie in de 19de eeuw. Kerstnummer Grafisch Nederland 1995. Amstelveen: Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen / Grafische Cultuurstichting KVGO, 1995.
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Een tsarenzoon, een bliksembezoek en twee kostbare geschenken. Berthe Hoola van Nooten ontmoet prins Alexis Alexandrovitch van Rusland.

Een waargebeurd sprookje

K.F. Busscher: ‘Plan van Batavia en de Omliggende Landen’, ongedateerd (1800-’50), tekening, Nationaal Archief.

Ooit, heel lang geleden, waren er een jonge rijke Russische prins en een oude arme Nederlandse weduwe. Ze leerden elkaar kennen op Java, destijds Nederlands-Indië, tijdens een korte officiële plechtigheid waarbij niet alleen enkele beleefdheden maar ook twee kostbare geschenken werden uitgewisseld. De onwaarschijnlijke ontmoeting klinkt als een sprookje, maar blijkt op twee historische bronnen te berusten: een summier bericht in het negentiende-eeuwse Bataviase Nieuwsblad voor den Boekhandel1 en een anonieme, meer dan honderd jaar oude familievertelling.2 Voor serieus historisch onderzoek lijkt dit nauwelijks voldoende, zeker niet omdat de twee hoofdpersonen elkaar daarna nooit meer hebben gezien, gesproken of geschreven. Toch is het rendez-vous tussen de prins en de weduwe interessant genoeg om nader te bekijken, want er blijken allerlei opmerkelijke en tot nu toe ongepubliceerde lokale verwikkelingen mee vervlochten. Om deze te kunnen ontrafelen en het Javaanse sprookje anno 2019 nieuw leven in te blazen moeten we terug naar de tweede helft van de negentiende eeuw, naar Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië die ooit, in glorieuzere VOC-tijden, ‘Die magtige Koninginne van ’t Oosten’3 werd genoemd.

Onrust in de kolonie

Moritz Calisch: ‘Berthe Hoola van Nooten’, ongedateerd, olieverf op doek, collectie Tropenmuseum Amsterdam.

De weduwe uit het sprookje, Berthe Hoola van Nooten, wordt op 12 oktober 1817 in Utrecht geboren als Bartha Hendrica Philippina van Dolder. Een veelbewogen en kosmopolitisch leven ligt dan voor haar. In de jaren ’20 woont ze in Wageningen, in de jaren ’30 emigreert ze naar Suriname, in de jaren ’40 werkt ze als onderwijzeres op verschillende plaatsen in Texas en Louisiana, VS, en in de jaren ’50 komt ze via Boston, Liverpool en Rotterdam in Batavia, Nederlands-Indië terecht. Omdat ze financieel aan de grond is geraakt (in Amerika laat ze slechts schulden achter) heeft haar halfbroer, de koloniaal bestuurder en zakenman in suiker Vincent Jacob van Dolder, haar trans-Atlantische overtocht betaald. Na eerst bij hem in de chique Gang Scott gelogeerd te hebben, verhuist ze in 1860 naar het zuidelijker gelegen Buitenzorg, om daar korte tijd een eenvoudig meisjesinstituut te leiden.

Begin augustus 1872 gonst het in de Indische couranten van de geruchten. Zijne Koninklijke Hoogheid Alexis Alexandrovitch (1850-1908), de derde, ooit vierde, zoon van tsaar Alexander II van Rusland, is voor zijn vader op diplomatieke wereldreis. Eerder, in Noord-Amerika, is hij als populaire gast ontvangen (zijn feestelijke bezoek aan New Orleans schijnt het plaatselijke carnaval -Mardi Gras, oftewel ‘Vette Dinsdag’- zelfs een definitieve boost te hebben gegeven). Nadat hij de Zuid-Afrikaanse Kaap heeft aangedaan (destijds in Engelse handen), stoomt hij nu op naar het verre keizerrijk Japan. Onderweg schijnt hij Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië, te willen bezichtigen.

'Grand Duke Alexis', New York 1871, fotografie.

‘Grand Duke Alexis’, New York 1871, fotografie.

Niemand weet wanneer de tsarenzoon van de Kaap is vertrokken, laat staan wanneer hij op Java zal aankomen.De gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, de statusgevoelige James Loudon, moet nota bene van het door hem verfoeide journaille vernemen dat het schip van de grootvorst inderdaad onderweg is naar Batavia. Verder blijkt hij slecht geïnformeerd: volgens hem komt Alexis niet vanaf de Afrikaanse Kaap, maar uit de tegenovergestelde richting, vanuit Hong Kong, op Java afstevenen.6 Al deze Indische Irrungen, Wirrungen zorgen in de kleine blanke gemeenschap van Batavia voor flink wat onrust. Ook Berthe zal de berichten met spanning hebben gevolgd. Ze heeft namelijk van de autoriteiten de eervolle opdracht gekregen om een exemplaar van haar rijk geïllustreerde florilegium over de Javaanse bloemen- en plantenwereld, Fleurs fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java, de grootvorst als geschenk aan te bieden.

Een pijnlijke situatie

Plotseling is het dan zover. Op maandag 19 augustus 1872 komt de onderweg 23 jaar geworden Alexis7 met het schroeffregat Swetlana (Светлана) op de reede van Batavia aan.8

Alexander Karlovich Beggrov (1841-1914): ‘На палубе фрегата «Светлана» [‘Aan dek van het fregat “Svetlana”‘, in de haven van Sint Petersburg ter voorbereiding van de wereldreis van 1871-’72]’, olieverf op doek, 1884, collectie The Central Naval Museum, Sint Petersburg, Rusland.

Het is een prachtige namiddag. De ondiepe Javazee, de nabije haven en het spiegelgladde water, het op de reede liggende prinselijke schroeffregat Swetlana (‘stralend’), de Kleine Boom, de vele steigers, bruggen, loodsen, toko’s, het overdadige groen, de daartussen nog hoger opschietende kokospalmen, de vlakke stad ‘met hare witte en roode huizen’, de nog actieve vulkanen Gedeh en Salak (de ‘blauwe bergen’ van de Hollandse pioniers) in de verafgelegen Preanger regentschappen, alles zal geglinsterd hebben in de onbewolkte, zinderende tropenlucht.9 De voormalige oorlogsbodem staat onder commando van de in het Grootvorstendom Finland geboren Russische kapitein Oscar von Kræmer. Diens bemanning moet nog bijkomen van de enthousiaste ontvangst door de Engelsen in Kaapstad, enkele weken eerder. Daar was hun een grandioos bal masqué bereid waarbij meer dan achthonderd gasten aanwezig waren, uitgedost in de meest exotische vermommingen.10 De Nederlanders blijken heel wat slechter voorbereid te zijn op het hoge bezoek. Weliswaar staat er op de kade van Batavia een provisorisch samengesteld eskadron van de cavalerie klaar en wordt er vanaf het schip van de wacht saluutvuur afgeschoten (dat heel toepasselijk ‘poekoel boem!’ wordt genoemd en zo oorverdovend klinkt dat er in de stad verschillende ruiten gesprongen zouden zijn11), maar intussen is James Loudon, die in het zestig kilometer zuidelijker gelegen Buitenzorg zijn werkpaleis heeft, in geen velden of wegen te bekennen. Daardoor kunnen de grootvorst en het hoogstaande gezelschap niet debarkeren zonder in een ordinair huurrijtuig te moeten stappen.12 De situatie is ongemakkelijk, pijnlijk. Wenkbrauwen worden gefronst.13

Een dagje incognito

Alexey Ivanovich Korzukhin (1835-1894): ‘Портрет великого князя Алексея Александрович [Grootprins Alexis Alexandrovitch]’, olieverf op doek, 1889, collectie Nationaal Historisch Museum, Moskou.

In allerijl waarschuwt men de autoriteiten. Later op de avond arriveert eindelijk Johannes Isaak de Rochemont, de persoonlijke adjudant van Loudon.14 Hij heeft een haastig geschreven uitnodiging van zijn superieur bij zich. Deze stelt zijn paleis met onmiddellijke ingang ter beschikking aan de tsarenzoon en, enigszins zuinigjes, aan twee van diens scheepsgenoten.15 Alexis dankt hem hartelijk, maar vraagt om nog één dag langer aan boord te mogen blijven. De gouverneur-generaal (die ’s avonds ook in Batavia is aangekomen16) denkt daar het zijne van, zo blijkt uit zijn privé-dagboek.17 Hij vermoedt dat Alexis die dag wil gebruiken om in het gezelschap van zijn Russische vrienden Batavia te bezoeken, incognito, en zonder al teveel verplichtende gastheren. Anderhalve eeuw eerder deed Alexis’ verre voorvader tsaar Peter de Grote hetzelfde, door zich in vermomming onder het volk te begeven om ‘anoniem’ de scheepswerven van Zaandam te kunnen bezoeken. De ruim twee meter lange tsaar Peter had daarmee in het vroeg-achttiende-eeuwse Holland waarschijnlijk net zoveel succes als zijn ‘vorstelijke’18, hoogblonde en evenzeer ‘uit de kluiten gewassen’19 nazaat Alexis in het laat-negentiende-eeuwse Indië.

Een prins van het volk

De officiële landingsplaats van Batavia is de Kleine Boom, ook wel Kantoor der Recherche genoemd. Daar worden in de negentiende eeuw reizigers vanaf de (buitengaatse) reede met kleine boten afgezet bij het douanekantoor.

Batavia, De Boom

Woodbury & Page: ongetiteld (haven van Batavia, zicht richting noordoosten op Haven Kanaal en (rechts) De Kleine Boom), fotografie, circa 1864-’65.

Vanaf de Swetlana ziet grootvorst Alexis op die plek in de prille woensdagochtend eindelijk de gouverneur-generaal opdoemen, met in diens kielzog de Raden van Indië en enkele commandanten van de land- en zeemacht.20 Na allerlei korte officiële plichtplegingen in de stad vertrekt het hele gezelschap om negen uur alweer in omgekeerde richting, terug naar het paleis in Buitenzorg. Daar wordt iedereen ontvangen door Louise, de echtgenote van Loudon, vergezeld van verschillende plaatselijke gezagsdragers. ’s Middags om vijf uur wordt een bezoek gebracht aan ’s Lands Plantentuin (waar Berthe bijna tien jaar eerder de originele tekeningen voor alle veertig chromolithografieën van haar florilegium had gemaakt21) en toert men in een rijtuig ‘ontspannen’22 door de prachtige omgeving.

Perelaer: 'Het kamerlid van Berkenstein in Nederlandsch-Indie.' Leiden: Sijthoff, 1888

M.T.H. Perelaer: ongetiteld (’s Lands Plantentuin, Bogor), lithografie (tekening Jhr. J.C. Rappard), uit: Het kamerlid van Berkenstein in Nederlandsch-Indie. Leiden: A.W. Sijthoff, 1888.

’s Avonds wordt er in het paleis (waarvan het park grenst aan de botanische tuinen) een spectaculair diner gegeven. Grootvorst Alexis, een volgens Loudon bijzonder innemende jongeman die sprekend lijkt op de toenmalige prins Willem van Oranje, rookt en drinkt als een ketter en schijnt zich ondanks de drukkende hitte uitstekend te vermaken. De vaderlijk bezorgde Loudon vraagt zich af of de prins er niet beter aan zou doen om wat minder koud Engels bier en wat meer warme thee te drinken, maar houdt dit wijselijk voor zich.23 Alexis blijft die nacht slapen (we mogen aannemen als een blok) in een van de gastenvertrekken van het paleis. De volgende dag vertrekt hij samen met de gouverneur-generaal in alle vroegte alweer naar Batavia, om daar in de relatieve koelte van de ochtend allerlei ‘voorname inrigtingen’24 te bezoeken.

Twee kostbare geschenken

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Musa Coccinea’ [= Musa coccinea], lithografie (G. Severeyns), plaat [33] uit: Fleurs, fruits et feuillages choisis de l’Île de Java peints d’après de nature. Bruxelles: Muquardt [1881; derde editie].

Het is waarschijnlijk deze donderdag (22 augustus 1872) dat ‘madame Hoola van Nooten’25 wordt voorgesteld aan grootvorst Alexis. Misschien gebeurt dat in het gebouw van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging, tenslotte één van de Bataviase ‘voorname inrigtingen’. Berthe was in 1863 lid geworden van dit wetenschappelijke genootschap, vlak na het verschijnen (in Brussel) van de eerste livraisons van haar hierboven genoemde Java-boek.26 Tien jaar later was deze inmiddels uitverkochte publicatie nog altijd heel gezocht. Dat blijkt onder andere uit de Java-Bode van donderdag 7 maart 1872. Daarin wordt namelijk uitdrukkelijk vermeld dat een exemplaar van Berthes ‘prachtwerk’ aanwezig is op een vendutie-avond, georganiseerd door het bekende handelshuis H.M. Van Dorp & Co.27 De gelukkige koper (of liever koopster, als het aan de schrijfster had gelegen28) is niet de enige die enthousiast geweest zal zijn. Toen in 1866 de tweede editie uitkwam, werd in het voorwoord daarvan vermeld dat de in 1863 [-’64] verschenen eerste editie met maar liefst fl 2000,- (± € 20.000,-) was ondersteund door baron Sloet van de Beele, de toenmalige gouverneur-generaal.29 Daarnaast had Berthe in 1869 op verzoek van de Bataviase onderwijscommissie ook een taalboekje Nederlands-Maleis gepubliceerd (Aurora of de Morgenstond der kennis. Mengelingen op zedekundig en wetenschappelijk gebied.), in 550 exemplaren.30 Dit was één van de eerste in zijn soort31 en werd veel gebruikt op scholen, ondanks het feit dat Berthe het ongevraagd (en kwalijker, ongewenst) in de vorm van een christelijk traktaat had geschreven. Dat laatste was tegen het zere been van de seculiere onderwijsautoriteiten in het verre Nederland.32 Berthes onstuitbare drang tot evangeliseren heeft haar altijd veel problemen opgeleverd,33 maar blijkbaar zijn alle ambtelijke plooien nu weer gladgestreken. Ze mag als Bataviase bekendheid een exemplaar van haar botanische prachtwerk aanbieden aan de jonge prins.

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Musa coccinea’ uit ‘Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par madame Berthe Hoola van Nooten. Ouvrage dédié à sa majesté la reine de Hollande’. Bruxelles: Émile Tarlier, 1863 [-'64].

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Amherstia Nobilis’ [= Amherstia nobilis], lithografie (G. Severeyns), plaat [2] uit Fleurs, fruits et feuillages choisis de l’Île de Java peints d’après de nature. Bruxelles: Muquardt [1881; derde editie].

Dit zal ongetwijfeld een speciaal ingebonden de luxe-uitgave geweest zijn. Want we weten dat er in elk geval van de latere editie (in driehonderdtien exemplaren, ongedateerd, voorwoord uit 1880, uitgekomen in 1881)34 tien stuks zijn gedrukt op ‘Bristol’, speciaal, smetteloos wit papier, bestemd voor bijzondere gelegenheden.35 De Russische hoogheid is dan ook geroerd, zoals dat heet. Hij schenkt Berthe een ‘vleiende dankbetuiging’.36 Daarnaast ontvangt ze een fraaie armband,37 een sieraad dat volgens een van haar twintigste-eeuwse nazaten zelfs is ingelegd met kostbare diamanten.38 Dit is alles wat we weten over het korte, maar waargebeurde Javaanse sprookje. Het is overigens niet denkbeeldig dat prins Alexis er melding van maakt in zijn dagboeken uit die tijd, deze zijn echter nooit gepubliceerd.39 ’s Middags om vier uur verplaatst het hoge gezelschap zich opnieuw, dit keer naar het Koningsplein, ooit het Buffelsveld, tegenwoordig Medan Merdeka geheten. Op dit immense plein wordt een spiegel- (of militair schijn-) gevecht gehouden, met aansluitend een grote receptie en een bal dansant in het nabijgelegen gouvernementshotel Rijswijk. In die laatste residentie zal de grootvorst ook overnachten.40

Vuurwerk in de nacht

Svetlana op volle zee

Alexander Karlovich Beggrov (1841-1914): Винтовой фрегат «Светлана» [het schroeffregat Svetlana]’, 1878, olieverf op doek.

Dan is het prinselijke bliksembezoek alweer bijna voorbij. Vrijdagochtend keert Alexis samen met de gouverneur-generaal via de Kleine Boom terug naar de buitengaats liggende Swetlana. Daar nuttigen ze een scheepsontbijt,41 waarna iedereen ‘hartelijk’42 afscheid neemt van elkaar. Tegelijk met alle andere bagage zal dan ook Berthes bloemenboek aan boord zijn gebracht. Later op de avond geeft Alexis op zijn schip een officieel afscheidsdiner, dat feestelijk wordt begeleid door een perfect getimed43 en wederom oorverdovend saluutvuur van de dekbatterij op het vlakbij gelegen wachtschip (de eerder genoemde klachten over springend glaswerk hebben blijkbaar weinig zoden aan de dijk gezet). Als Loudon na afloop van alle feestelijkheden definitief van boord gaat en overstapt op een van de bootjes die hem weer bij het douanekantoor zullen afzetten, laat de in het duister achterblijvende en enthousiast met zijn hoed zwaaiende Russische prins44 het fregat verlichten met Bengaals vuur,45 dat zacht suizend, roodgloeiend en toverachtig opgevlamd zal hebben in de inmiddels pikdonker geworden tropennacht.

Drie bibliotheken

Zalacca edulis

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Zalacca Edulis’ [= Salacca zalacca], lithografie (G. Severeyns), plaat [38] uit: Fleurs, fruits et feuillages choisis de l’Île de Java peints d’après de nature. Bruxelles: Muquardt [1881; derde editie].

Niets is eeuwig. Alles vergaat. De wereld is een tranendal en de slechts dood schenkt verlossing. Voor ongelovigen is er nauwelijks hoop, maar voor een gelovig christin als Berthe is dit alles juist heerlijk nieuws, immers, het aardse sterven verkondigt de hemelse wederopstanding. Zonder deze goddelijke wetenschap zou ze volgens eigen zeggen zelfs verloren zijn geweest.46 Want ondanks het commerciële en artistieke succes van haar botanische werk, ondanks haar aanstekelijke enthousiasme47 en ondanks de uitgelezen contacten in de hoogste kringen van Batavia werd ze haar leven lang gekweld door depressies, onenigheden met zowel imaginaire heidenen als veronderstelde geloofsgenoten, eeuwigdurende geldzorgen en venijnige familievetes. Dit alles blijkt uit vijfendertig grotendeels ongepubliceerde brieven aan haar Noord-Amerikaanse aanbidder J.G. Dunlap48 en ook uit op schrift gestelde herinneringen van anderen die haar hebben gekend, zoals de Engelse amateurbotanica en wereldreizigster Marianne North.49 Na de eervolle ontmoeting met prins Alexis keert Berthe huiswaarts, richting Buitenzorg. Het jaar daarop (1873) zal ze opnieuw verkassen, terug naar Batavia, naar Pekambangan in de wijk Selipie (Slipi), een destijds landelijk gebied ten zuidwesten van de Indische hoofdstad. Ze heeft daar een bescheiden terrein gekocht met stukken tuin, zaai- en grasland, een stenen woonhuis, enkele houten bijgebouwen en een primitieve paardenstal50 en zal daar blijven wonen tot haar overlijden in 1892. Berthes geloof zal haar verboden hebben om trots te zijn, maar dankbaarheid is toegestaan, als een gift, een gave van God:

Sergei Lvovich Levitsky: ongetiteld (Groothertog Alexis), fotografie, circa 1870.

Haar Fleurs fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java ligt nu te pronken nu in drie royale bibliotheken, die van haar patrones koningin Sophie der Nederlanden (een enigszins gehavend exemplaar van het Java-boek is nog altijd te vinden in het Koninklijk Huisarchief te Den Haag51), die van haar bewonderaarster keizerin Eugénie van Frankrijk en nu ook in die van prins Alexis Alexandrovitch van Rusland. De jonge, kettingrokende en op sterke drank beluste Russische prins zal zich na zijn thuiskomst enthousiast storten op het verzamelen van zeldzaam zilver en aantrekkelijke actrices,52 zodat men zich kan afvragen of hij veel tijd over heeft gehad (of willen hebben) om Berthes botanische meesterwerk meer dan oppervlakkig door te bladeren.

Met veel dank aan de Bibliotheek van het Koninklijk Natuurkundig Gezelschap ‘Natura Artis Magistra’, Bijzondere Collecties UvA, Simon Burgers, Marcel van Dorst, An Duits, Alle Diderik de Jonge, Mark Loderichs, Scott Merrillees, het Tropenmuseum en Bernadette Weusten.
(De publieksversie van dit artikel wordt gepubliceerd in het april 2015-nummer van het Indisch maandblad Moesson.)
Noten
1) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 85. 2) Hupka-Barth. 3) Valentyn. 4) Nederland’s patriciaat. 5) De Locomotief. 6) Loudon. 7) De Locomotief. 8) idem. 9) Kræmer. 10) Nieuwe Amsterdamsche Courant. 11) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. Woensdag 21 Augustus 1872. 12) De Locomotief. 13) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 14) De Locomotief. 15) idem. 16) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 17) Loudon. 18) idem. 19) idem. 20) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 21) Hoola van Nooten 1863 (Préface). 22) Loudon. 23) idem. 24) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 25) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 85. 26) Natuurkundig Tijdschrift. 27) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels en Advertentie-Blad voor Nederl.-Indië. Ao. 1872. No. 57. 28) Hoola van Nooten 1863 (‘Préface’). 29) Hoola van Nooten 1866 (‘préface’). 30) Koloniaal verslag van 1871 (8.16). 31) Groeneboer. 32) ‘Maandelijksch overzigt’. 33) Hoola van Nooten aan Dunlap. 34) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 92. 35) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 92. 36) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 85. 37) idem. 38) Hupka-Barth. 39) Wikipedia Duke Alexei Alexandrovich of Russia. 40) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 41) idem. 42) Loudon. 43) idem. 44) idem. 45) idem. 46) Hoola van Nooten aan Dunlap. 47) North. 48) Hoola van Nooten aan Dunlap. 49) North. 50) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederlandsch Oost-Indië. Ao. 1894. No. 213. 51) Koninklijk Huisarchief. 52) Wikipedia Duke Alexei Alexandrovich of Russia.
Bibliografie
Breton de Nijs, E. [Rob Nieuwenhuys]: Batavia. Koningin van het oosten. ‘s-Gravenhage: Thomas & Eras, 1976.
De Locomotief. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad. XXIste Jaargang. Zaterdag 24 Augustus [onrust in de kolonie, aankomst Alexis in Batavia].
Groeneboer, Kees: Weg tot het Westen, het Nederlands voor Indië 1600-1950, een taalpolitieke geschiedenis. Leiden: KITLV Uitgeverij, 1993.
[Haan, Frederik de:] OUD BATAVIA GEDENKBOEK uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen naar aanleiding van het driehonderdjarig bestaan der stad in 1919. Batavia: G. Kolff & Co, 1922 (2 tekstdelen en 1 Platen album).
[Hoola van Nooten, Berthe:] Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University [USA] (LaRC, auteursrechten aldaar) [35 ongepubliceerde brieven, 1844-’57, complete scans en transcripties in collectie auteur].
Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par madame Berthe Hoola van Nooten. Ouvrage dédié à sa majesté [sic] la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier, Montagne de L’Oratoir, 5, 1863 [-’64]. [voorintekenprijs: fl 60,-, verkoopprijs: fl 70,-].
Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs, Fruits et Feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Seconde édition. Bruxelles: Faubourg de Louvain [tegenwoordig Saint-Josse-ten-Noode], Rue de Liekerke 40. Publiée par G. Severeyns, dessinateur & chromolithographe de l’Académie Royale de Belgique, 1866 [verkoopprijs: fl 80,-].
Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs Fruits et Feuillages Choisis de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Troisième édition. Bruxelles: Librairie Européene C. Muquardt, même maison à Leipzig, publiée par Merzbach & Falk, Éditeurs, Libraires de la Cour et de S.A.R. Le Comte de Flandre, [1881] [verkoopprijs normale editie (300 exx): 175,- (Belgische) francs, gelimiteerde editie op ‘bristol’ (10 exx): 350,- (Belgische) francs].
[Hupka-Barth, Betsy Marianne (Beppie)]: ‘Poging tot necrologie [van Berthe Hoola van Nooten]’. Anoniem, ongedateerd, ongepubliceerd, op website Collectie Tropenmuseum, opgetekend door een medewerker (die in elk geval in 2012 al was overleden) van het Tropenmuseum, waarschijnlijk in de jaren ’80 van de XXste eeuw, uit de mond van Hupka-Barth (1908-2004, volgens ‘eigen’ zeggen een kleindochter van Berthe Hoola van Nooten, maar in werkelijkheid haar achterkleindochter)  (persoonlijke communicatie van toenmalige conservator Koos van Brakel, Tropenmuseum, augustus 2012).
JAVA-BODE. Nieuws-, Handels en Advertentie-Blad voor Nederl.-Indië. Ao. 1872. No. 57. Mail-nummer. Donderdag 7 Maart. Een-en-Twintigste Jaargang [vendutie Fleurs & fruits].
JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. Woensdag 21 Augustus 1872 [Alexis in Batavia en kanongebulder].
JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederlandsch Oost-Indië. Ao. 1894. No. 213. Zaterdag 15 September Drie-en-Veertigste Jaargang [met daarin vermeld de originele Hypotheekacte dd. 13 Maart 1873, No. 48, te Batavia verleden].
Koloniaal verslag van 1871 (8.16). Lijst van lees- en leerboeken [oplage Aurora of de morgenstond der kennis].
Koninklijk Huisarchief, Den Haag (persoonlijke mededeling Harm Robaard, bibliothecaris Koninklijk Huisarchief, 22.08.2012).
[Kræmer, Oscar von] (anoniem): ‘Oscar von Kræmers togter og verdensomsejlinger’, op: http://www.lemvigmuseum.dk/ (01.01.2014).
[Loudon, James] Henk Boels, Janny de Jong, C.A. Tamse: Eer en fortuin. Leven in Nederland en Indië 1824-1900. Autobiografie van gouverneur-generaal James Loudon. Amsterdam: De Bataafsche Leeuw, 2003.
‘Maandelijksch overzigt der Indische letterkunde’, in: Tijdschrift voor Neerland’s Indië, Jaargang 23, 1861 (1ste deel No. 5).
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indie uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-Indie deel XXVI zesde serie deel I. Batavia: H.M. van Dorp, & ’s Gravenhage: Martinus Nyhoff, 1864.
Nederland’s patriciaat 53ste Jaargang 1967 [Hoola van Nooten].
Nieuwe Amsterdamsche Courant. Algemeen Handelsblad. No. 12821. Ao. 1872. Zondag 24 Augustus [Alexis in Kaapstad].
NIEUWSBLAD voor den BOEKHANDEL. No. 85. Negen-en-dertigste Jaargang. Dinsdag 22 October 1872 [Berthe ontmoet Alexis].
NIEUWSBLAD voor den BOEKHANDEL. No. 92. Acht-en-Veertigste Jaargang. Vrijdag 11 November 1881. [3de editie Fleurs & Fruits gaat verschijnen].
North, Marianne: Recollections of a Happy Life. London: MacMillan, 1893 [postuum gepubliceerd in 2 delen, in 1894 verscheen een derde deel als Further Recollections].
Valentyn, François: Oud en Nieuw Oost-Indien [etc.]. Dordrecht &  Amsterdam: Joannes van Braam & Gerard onder de Linden, 1724-’26.
http://en.wikipedia.org/wiki/Grand_Duke_Alexei_Alexandrovich_of_Russia (20.04.2014)
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , | 4 reacties

‘My dear Friend’. Een Javaanse hartekreet ontcijferd.

You know how much I need affection to be happy, and where shall I find it now.

(Voor Maria Sturm 1932-2014)

1ste bladzijde brief 9 december 1856 (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Tulane University, hierna LaRC)

1ste bladzijde brief 9 december 1856 (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Tulane University, hierna LaRC; with special thanks to Simone Ballard, of the same university)

[1ste bladzijde] Batavia, Dec. 9. 56.

Arme lezer! De hiernaast afgebeelde brief lijkt meer van een kinderhand dan die van een volwassene. Hij is afkomstig van de in Utrecht geboren onderwijzeres Berthe Hoola van Nooten née Van Dolder (1817-’92), en vanaf Java gericht aan haar Noord-Amerikaanse hartsvriend John G. Dunlap (1804-’82). De flinterdunne vellen papier zijn met een scherpgesneden ganzenveer veelvoudig volgekrabbeld, niet alleen, zoals gebruikelijk, horizontaal, van linksboven naar rechtsonder, maar eveneens, op dezelfde kant, verticaal, van rechtsboven naar linksonder, met daar doorheen schemerend de even dubbel en dwars slingerende krullen en lussen van de versozijde. Postpapier is kostbaar, dat is duidelijk. De woordenbrij lijkt dan onontwarbaar, onder haar ruwe oppervlak ligt een bevallig en zelfs goed leesbaar Engelstalig handschrift verscholen. Wie is de schrijfster van deze brief, de zuinige madame Van Nooten, hoe is zij op Java terechtgekomen, en welke ontboezemingen stuurt ze haar ‘dear friend’ in het verre New Orleans?

Mr. Dunlap My dear friend, I did not write you by last mail on acct [account] of my temporary absence from Batavia.

Het is 9 december 1856. Berthe woont in de Gang Scott, een kleine, maar chique en weelderig begroeide laan in Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië (tegenwoordig Jakarta, Indonesië). Ze stort haar hart uit bij haar trouwste vriend, haar vurigste aanbidder, haar hardnekkigste huwelijksaanzoeker.

I have been rather seriously indisposed for more than two months […]

In eerdere brieven (o.a. uit Louisiana) heeft Berthe geklaagd over de vele tegenslagen in haar leven: het verlies van haar man die in New Orleans aan de gele koorts was bezweken, haar niet aflatende armoede, haar schulden, haar zwakke gezondheid, haar mislukte meisjesinstituten, de bemoeizucht van haar halfbroer Vincent Jacob van Dolder (die haar overhaalde om naar Batavia te komen), haar worstelingen met de kerkelijke autoriteiten, de drukkende atmosfeer van het tropische klimaat op Java, de hemeltergende goddeloosheid van zowel de ‘inlanders’ als de Europeanen, haar hoofdpijnen, buikklachten, maagkrampen, oogproblemen, depressies, keelontstekingen – er lijkt geen einde te komen aan de lijst van kwellingen. Soms werd het haar teveel. Toen Berthe nog in Galveston, Texas woonde en een keer de wanhoop nabij was overwoog ze serieus dit aardse leven achter zich te laten, om in een ander bestaan haar Verlosser heerlijk tegemoet te kunnen snellen. Toch was ze daarvan teruggeschrokken, misschien omdat die gedachte haar niet helemaal christelijk leek, misschien ook uit angst om haar vijf jonge en toen al vaderloze kinderen als volle wezen achter te laten. Nu, in Batavia en opnieuw ten einde raad, consulteert Berthe een arts. Die blijkt nuchter. Hij adviseert haar om er even tussenuit te gaan.

[…] and the Dr. advised me a short sojourn in the mountains.

Marianne North: "Tree Fern in the Preanger Mountains, Java", Painting 704. Olie op doek, afgebeeld: boomvarens. (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/704.html )

Marianne North: “Tree Fern in the Preanger Mountains, Java”, Painting 704. Olie op doek, afgebeeld: boomvarens. (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/704.html )

Ten zuiden van het relatief koel gelegen Buitenzorg (Bogor), in het hart van Java, liggen de bergen van de Preanger, waarvan de toppen met helder weer zelfs vanaf de Bataviase kust in de blauwige verten te zien zijn. De Engelse wereldreizigster Marianne North (1830-’90), schilderes, Darwin-correspondente, zelfverkozen vrijgezel, enthousiast huwelijkshaatster (‘an abhorrible institution’, ‘a terrible experiment’) en, net als Berthe, amateurbotanica, zal in 1876 dit ongerepte berggebied intrekken, op zoek naar bijzondere en zeldzame planten. Onderweg heeft zij, op suggestie van de Indische gouverneur-generaal, een bezoek gebracht aan haar collega ‘Madame van Nooten’, in 1863 bekend geworden met een rijk geïllustreerd boek over de Javaanse flora. Bij Marianne’s bezoek woont Berthe al lang niet meer in de modieuze Gang Scott, maar in een eenvoudig boerenhuis te Selipie, een landelijk gebied ten zuidwesten van Batavia. Miss North is kritisch, maar enthousiast. Ze zal ter plekke een exemplaar van Berthes prachtwerk kopen, dat laten opsturen naar London, in de Preanger twee schilderijen van het landschap maken en later op Borneo enkele exotische vruchten in olieverf schetsen, waaronder Citrus decumana (hieronder als afgewerkt schilderij afgebeeld). Deze pomelo-achtige citrusvrucht had Berthe zelf ook getekend, en laten lithograferen, voor haar spectaculaire Java-boek (zie afbeelding onderaan dit artikel).

Marianne North: "Flowers and Fruit of the Pomelo, a branch of Hennah, and Flying Lizard, Sarawak". Painting 552, Borneo, Sarawak. Afgebeeld: henna Lawsonia inermis, pomelo Citrus decumana, gewoon vliegend draakje Draco viridis. Adopted by Mrs Anne Iddiso. (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/552.html )

Marianne North: “Flowers and Fruit of the Pomelo, a branch of Hennah, and Flying Lizard, Sarawak”. Painting 552, Borneo, Sarawak. Afgebeeld: henna Lawsonia inermis, pomelo Citrus decumana, gewoon vliegend draakje Draco viridis. Adopted by Mrs Anne Iddiso. (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/552.html )

Nu, in 1856, volgt de overspannen weduwe het advies van haar arts op. Samen met haar oudste dochter en halfbroer reist ze zuidwaarts, eveneens richting de Preanger. Ze huurt een paard, trekt twee weken lang de ruige bergen in, scheert langs steile ravijnen en ziet wild stromende rivieren zich door peilloos diepe bergkloven persen. Het gezamenlijke uitstapje is een groot succes. Berthe geniet van de natuur en voelt hernieuwde levenskrachten in zich opborrelen.

I enjoyed the trips in all of the beautiful scenery which is truly grand. I delighted in the exercise on horseback up the heights & down the depths – along the deep ravines where the mountain currents sweep wildly along – and it has invigorated my mind to behold these glorious things of nature.

Maar dit geluk is van korte duur.

But as to my health – I know not what to say – For you my true & faithful friend I have no secrets and I will therefore [2de bladzijde] not hide from you, that I have greatly suffered in mind & body since I am here. In the deep & earnest confidence I have in you I will entrust you with the causes of my principal sorrows.

2de en2de en 3de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

2de en 3de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

Berthes halfbroer blijkt het in zijn hoofd gehaald te hebben om met de slavinnendochter Helena Cruickshank te willen trouwen, een ex-slavin die hij vier jaar eerder in New Orleans heeft ontmoet. Er is echter een probleem. Hij is al getrouwd, sinds 1839, met de in Nederland achtergebleven Albertine Charlotte Stulen. Deze weigert om te scheiden, tenminste, dat schrijft Berthe, maar uit officiële verslagen van de scheidingsaanvraag blijkt dat Albertine wel degelijk het huwelijk heeft willen ontbinden. Het grootste struikelblok lijkt daarom eerder te zijn dat volgens de toenmalige wet beide echtelieden bij hun scheiding in persona aanwezig moeten zijn. Aangezien op dat moment de huwelijkse afstand zo’n dertienduizend kilometer bedraagt lijkt dit niet een snel, gemakkelijk of goedkoop op te lossen probleem. Ondanks deze juridische obstakels doemt in Berthes gedachten het schrikbeeld op dat de volgens haar ‘onbeschaamde’ halfbloed Helena haar officiële (half)schoonzus wordt. In een latere brief aan Dunlap schrijft ze dat in huize Van Dolder de ruzies hoog oplopen.

You know that Helena has given me trouble now let me tell you that the main reason of my refusing to take her was my fear founded on her own insolent remarks – and on Mr E (my brother’s friend) […]

(dit betreft een zekere heer Eaton, uit Boston Common, de dure parkwijk in het oude centrum van de Noord-Amerikaanse havenstad, bij wie Berthe ‘met veel genoegen’ had gelogeerd toen ze onderweg was naar Europa.)

[…] warnings to me regarding her connection with my brother .

Walter Bentley Woodbury, fa. Woodbury & Page, Java: ‘Vincent Jacob van Dolder’, carte de visite, fotografie, met de hand gedateerd 1862) Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie

Walter Bentley Woodbury, fa. Woodbury & Page, Java: ‘Vincent Jacob van Dolder’, carte de visite, fotografie, met de hand gedateerd 1862) Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie

Berthe probeert op allerlei manieren het aanstaande huwelijk te voorkomen. Ze gedraagt zich daarbij zo dwars als kliefhout, dreigt met vertrekken, maar alles zonder resultaat. Ze is bang dat Helena niet zal terugschrikken voor drastischer acties. Helena’s moeder, de slavin Laurencina Cruickshank, ging, om haar meester (en biologische vader) onder druk te zetten, zelfs zover dat ze zou hebben geprobeerd diens Surinaamse plantage (toepasselijk genaamd Paradise) in vuur en vlam te zetten. Maar alle tegenstand is tevergeefs. Berthe moet het onderspit delven, en ze weet het. Bitter verlaat ze de kapitale villa van haar halfbroer in de Gang Scott. Vincent Jacob zal in 1860 scheiden van Albertine, in 1868 trouwen met de triomferende Helena, om uiteindelijk in 1876 na allerlei even frauduleuze als lucratieve Indische verzekeringszaken als rijk man te sterven op landgoed De Beele bij Voorst, te Zutphen, een buiten dat eerder eigendom was van baron Sloet van de Beele, de man die als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië (1861-’66) sponsor zou worden van de eerste editie (1863 [-’64]) van Berthes grote Java-boek.

M.T.H. Perelaer: ongetiteld (uitzicht op de Pangerango vanuit de plantentuin in Buitenzorg), lithografie (tekening Jhr. J.C. Rappard), uit: Het kamerlid van Berkenstein in Nederlandsch-Indie. Leiden: A.W. Sijthoff, 1888.

M.T.H. Perelaer: ongetiteld (uitzicht op de Pangerango vanuit de plantentuin in Buitenzorg), lithografie (tekening Jhr. J.C. Rappard), uit: Het kamerlid van Berkenstein in Nederlandsch-Indie. Leiden: A.W. Sijthoff, 1888.

Maar dat ligt allemaal nog in de verre toekomst. Nu, begin december 1856, heeft Berthe weinig tijd te verliezen:

I cannot enter into details – Time forbids suffice it to say – that my brother being separated from his [wife] having vainly sued for a divorce which the lady has refused […] is so […] that he cannot marry – […].

Vincent Jacob overweegt om ongewild ongehuwd, want ongescheiden, te gaan samenwonen, een overigens niet ongebruikelijke, laat staan onwenselijke, situatie voor veel Europese mannen in Batavia.

[…] and his intention to live à la manière du pays.

Voor de christelijke Berthe is dit een onverteerbare situatie.

He took a fancy to Helena. He saw her in Louisiana four [years] ago. I think she [is] [3de bladzijde] [clever] etc. etc. was very angry with me for not bringing her, and has immediately sent for her [...] and that she is now on her way. My brother has plainly acknowledged to me his intentions towards her – Whereupon I have of course told him that I never would stay with him while she was there. You may imagine that Helena with her revengeful nature hates me for refusing to take her along, for she knew it was to prevent her seeing my brother.

4de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

4de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

Berthe vreest voor haar eigen leven als Helena haar zin niet krijgt:

She will greatly triumph over me now – and if I remained with my brother & she was kept out of the way (as he proposed to me) she would make no scrupple[s] of making an end of me [even] to the fashion of her native land even as her mother, who set fire to the plantation of her father [James of zijn broer Robert Cruickshank] from similar reasons. Since I know that Helena is coming, I have suffered such mental anxiety as words can not describe – add to this [4de bladzijde] the excitement of many unpleasant discussions with my brother on this subject – and you will not be surprised thast I have been ill.

De (in chronologische volgorde) slavinnendochter, bediende, maîtresse, moeder, wettige echtgenote, weduwe en erfgename Helena van Dolder-Cruickshank zal het verworven kapitaal er in tien jaar doorheen weten te jagen. Ze verhuist naar Zutphen, raakt later in Amsterdam aan lager wal, wordt insolvent verklaard, emigreert naar Nederlands-Indië, trekt bij haar zoon in en komt uiteindelijk in 1911 als rumdrinkende rolstoelrijdster te overlijden in één van de gebouwen van diens suikerfabriek Pandji in Sitoebondo, op Java, net zo berooid als de verleidelijke Hellen Goodwill die ze ooit was op de Surinaamse plantage Paradise. Overigens zal de slavernij in Nederlands-Indië pas op 1 januari 1860 afgeschaft worden, nauwelijks vijf maanden voor de verschijning van Multatuli’s geruchtmakende koloniale aanklacht Max Havelaar en ruim drie jaar na Berthes hartekreet aan Dunlap.Arnica foto

Los van deze familieverwikkelingen speelt ook het drukkende tropische klimaat Berthe flink parten. Ze zweert al jaren bij allerlei homeopathische geneesmiddeltjes (zoals ‘Arnica’, het Nederlandse valkruid of wolverlei, Arnica montana) maar deze helpen nu nauwelijk meer:

'Arnica' Elizabeth Blackwell

‘Arnica’ Elizabeth Blackwell

The [climate] is also adding its debilitating influence to moral [causes], I have been attacked with bowel complaints – the most dangerous of all diseases, here, I am not allowed any food but rice & arrowroot […]

In de late jaren ’80 zal haar zoon Alphonse vanuit haar woonplaats Selipie (en waarschijnlijk zelfs vanuit haar huis, want volgens een van Berthes twintigste-eeuwse nazaten woont hij dan bij zijn moeder) een handeltje opzetten in de medicinale Arrowroot, oftewel pijlwortel, Maranta arundinacea.

[…] so you may imagine how sick & feeble I am getting. Still there is improvement since a few days and I try hard to keep up my courage.

Louise von Panhuys: 'Maranta arundinacea L.' [als 'Arrow-Root'], pijlwortel, 'Aquarellen van Suriname' (1811-1824) Johann Wolfgang Goethe-Universität Frankfurt am Main, Deutschland.

Louise von Panhuys: ‘Maranta arundinacea L.’ [als ‘Arrow-Root’], pijlwortel, ‘Aquarellen van Suriname’ (1811-1824) Johann Wolfgang Goethe-Universität Frankfurt am Main, Deutschland.

Berthe probeert wanhopig het hoofd boven water te houden. Ze heeft al een paar maanden na aankomst in Nederland-Indië bij de onderwijsautoriteiten in Batavia (en in laatste, beslissende instantie, Nederland) een subsidie aangevraagd om een meisjesinstituut op te richten, bedoeld voor jonge dochters van de blanke Bataviase burgerij. Dat had ze in New Orleans (samen met haar man) ook gedaan, met kortstondig succes. Omdat berichten uit het verre Nederland eindeloos op zich laten wachten is de spanning te snijden. Haar (financiële) toekomst blijft daardoor onzeker.

The uncertainty as to the decision of the government, which is still kept up, also added to nervous excitement – .

In het voorjaar daarop zal ze, nadat ze de hoop al heeft opgegeven, plotseling toch antwoord krijgen uit Nederland. Dat blijkt gunstig. Ze ontvangt een geldbedrag van maar liefst fl 1500,- (± € 15.000,-) per maand. Berthe is dolgelukkig. Ze kan nu, voor de vierde keer in haar leven, een school voor ‘beschaafde meisjes’ gaan opzetten. Maar ondanks een veelbelovende start en ondanks de officiële belofte dat bij gebleken succes de ‘subsidie’ voor zeker zes jaar gecontinueerd zal worden, gaat Berthes meisjesinstituut na nog geen twee jaar alweer ter ziele. Het blijkt dat de gulle geldschieters in het vaderland niet zijn gediend van haar pedagogiek, die in hun ogen veel te christelijk is. Berthe, die zich Nederlands Hervormd noemt, alhoewel ze liever de Engelse Kerk bezoekt, wil niet alleen dagelijks in de klas de bijbel (laten) lezen, ze verafschuwt ook het veronderstelde heidendom om haar heen en wil bovendien de ‘verderfelijke’ invloed van het papisme op Java een halt toeroepen. Ze prefereert religieuze standvastigheid boven wereldse rijkdom (toen, net als nu, een blijkbaar aanstootgevende voorkeur). Deze christelijke Prinzipienreiterei is één van de twee redenen dat haar meisjesschool op 1 januari 1859 alweer zal sluiten. Een ander verwijt is dat haar instituut te elitair zou zijn, iets wat met veel ophef in de Indische pers wordt besproken. Nu, in december 1856, en vooralsnog schoolloos, vraagt ze zich af hoe ze in hemelsnaam haar eigen kinderen moet onderhouden, tenminste, voor zover die daadwerkelijk bij haar zijn, in Batavia.

And most of all perhaps a never ceasing [pain] hid in my bossom caused by the estrangement of my eldest children.

Berthes beide zonen, de veertienjarige Vincent Jacques Henri en de twaalfjarige Alphonse Charles, zitten op dat moment op het (nog altijd bestaande) Schotse jongensinternaat Merchiston Castle School, vlakbij Edinburgh. Haar twee jongste dochters had ze eerder vanuit Amerika naar haar ongetrouwde zussen in Wageningen gestuurd, maar deze zijn later met haar meegekomen naar Java. Dit alles was betaald door hun rijke halfoom Vincent Jacob. Deze heeft namelijk in eerdere brieven aan Berthe beloofd de kosten voor de opvoeding van haar kinderen voor zijn rekening te nemen, tenminste, als zijzelf meekomt naar Nederlands-Indië. Waarschijnlijk hoopt hij zodoende zijn voordeel te kunnen doen met Berthes sociale vaardigheden in de hogere kringen van Batavia. Bij een zakenman als hij is natuurlijk ook niet ondenkbaar dat de reis van zijn devote halfzus en haar kinderen als excuus wordt gebruikt om het onwettelijke samenzijn met de mooie maîtresse Helena te legitimeren.

5de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

5de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

Intussen blijft Dunlap in het verre Louisiana Berthes meest nabije vriend:

Of these most bitter days in my life I have never spoken to any one.

Ze schrijft over een verlies dat hij blijkbaar heeft geleden.

But what you have communicated to me of your [loss] & your […] […] […] [5de bladzijde] to you also on this subject.

Dit moet de dood van Dunlaps echtgenote Beatrice betroffen hebben, twee jaar daarvoor. Uit eerdere brieven weten we dat hij toen hoopte eindelijk Berthe te kunnen trouwen. Ze twijfelde echter over zijn aanzoek, om wat voor redenen dan ook. In dezelfde tijd, nog relatief jong en zich bewust van haar eigen aantrekkelijkheid, was ze kort verloofd geweest (inclusief bijpassende kostbare ring) met weer een andere aanbidder, wiens identiteit ze niet onthult vanwege een even intrigerend als door haar onverklaard ‘verschrikkelijk geheim’. Wat bedoelde Berthe hiermee? Wie was deze andere vrijer? Was hij misschien al getrouwd? We zullen het nooit meer achterhalen, maar in elk geval had Berthe uiteindelijk ook diens avances weten te weerstaan. Na deze affaire (waarbij ze liefdesverzekeringen ontving van ‘other lips then yours [Dunlap]’) schreef Berth haar New Orleanse penvriend dat ze vastbesloten was om nooit meer te zullen trouwen, met welke huwelijkszuchtige dan ook.

Haar eigen kinderen zijn een constante bron van zorg. Ze mist de jongens elke dag:

[…] from the very first I have felt chilled & cheated in my feelings for love for these children that have been so long away from me. they seem to look at me with a sort of distrust and to regard me alone as if a stranger. They are dutiful but that for which my heart had yearned & fondly hoped for through many weary years of our separation so painful to me, to which I submitted for their sake only – that cheering love – that childish trust so gratifying to a parent – are wanting. It is a daily torture of bitter grief to me. You know how much I need affection to be happy, and where shall I find it [6de bladzijde] now. At the time that I most [need] submit to have my loves leave me for school – […]

 6de 6de & 7de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

6de & 7de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

Zelfs het gezelschap van haar dochters kan het gemis van haar geliefde Alphonse en Henri niet goedmaken:

[…] I find no compensation for their absence in my daughters –

Daar komt bij dat Vincent Jacob zijn halfzus Berthe in eerste instantie ronduit had verboden om een nieuwe meisjesschool op te zetten. Hij twijfelde aan haar zakelijke inzichten, ook al wist hij dat ze met dit plan juist haar schulden (onder andere aan hemzelf) wilde afbetalen.

Two things make it impossible for me to remain with my brother. The coming of Helena & his intentions towards her, and the stern duty that bids me work for the payment of my debts.

Intussen werpen de contacten in de hogere kringen van Batavia inderdaad hun vruchten af, zo niet voor haar halfbroer, dan toch voor haarzelf:

I have yet one hope and that is that it may please the supreme ruler of the hearts of men to induce the governor general of this island […]

(dit betreft gouverneur-generaal Pahud, in functie 1855-’61)

 […] to be favourable to my request He seems to be so disposed – and [I] […] [certainly] [shall not] […]

[Door inktvraat is een deel van de originele brief hier helaas weggevallen; we kunnen pas weer iets ontcijferen als Berthe schrijft dat ze ook haar Noord-Amerikaanse vrienden erg mist:]

[7de bladzijde] I long [exceedingly] [… …] do you not wish by every mail beyond expression at the silence of all my American friends, except yourself – but chiefly at that of Mr Richardson – I never should have thought it possible for him to forget me so soon I have been too much & too truly attached to him not to feel his neglects keenly. Who is there but you alone – – Should you see Mr Richardson tell him what I say – I have no secrets for him – but self respect forbids my writing to him – since my two last letters were left unanswered. He did not even call  for the letter he knew I had left for him at Mrs. Eaton and which she wrote me was still in her possession – if you know of any news regarding any old acquaintance of mine, let me know.

8ste bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

8ste bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

Ze sluit af met een vraag naar blijkbaar recente ontwikkelingen in Amerika:

I long to [8ste bladzijde] hear the results of the late political struggle in my dear adopted country.

Nu wordt ook duidelijk waarom het briefpapier dubbel en dwars beschreven is:

Perhaps you will find it difficult to read this, but I had to write thus for fear of making my letter too voluminous.

Een voorlopig laatste groet:

And now farewell my own dear friend. I shall not cease to think of you with unchanging regards and gratitude for all your friendship to me. It is sad to think how long I must now wait before I can have your answer. Still you must be sure to write per retour of mail.

Een laatste zegen:

Farewell dear Mr Dunlap God bless you – Henriëtta & my boys send their love & I am always Yrs affectionally & truefull [B.]

Marianne North: 'The Preanger Mountains', Painting 803, oil on canvas, ca 1876, adopted by Dr & Mrs F Ames-Lewis (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/803.html )

Marianne North: ‘The Preanger Mountains’, Painting 803, oil on canvas, ca 1876, adopted by Dr & Mrs F Ames-Lewis (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/803.html )

In een postscript verzoekt ze hem om weer wat valkruid op te sturen, het homeopathische huismiddeltje waar ze nog steeds veel baat van zegt te hebben.

Could you send me a dose more of the Arnica It would oblige help me if you could forward them to Mr. Eaton. He will send them further. But you will have to write him []

Adres van een brief (10 januari 1855) van Berthe uit GaAdres van een brief (10 januari 1855) van Berthe uit Galveston, Texas aan Dunlap in New Orleans, Louisiana (© LaRC, Tulane University)

Adres van een brief (10 januari 1855) van Berthe uit Galveston, Texas aan Dunlap in New Orleans, Louisiana (© LaRC, Tulane University )

Beiden hebben elkaar in dit aardse leven nooit meer ontmoet.

De brief is klaar en kan verzonden worden. Dat was anno 1856 minder eenvoudig dan het nu wellicht lijkt. Volgens de historicus De Haan waren er in Batavia in 1861 zelfs helemaal nog ‘geene brievenbussen, geene postzegels, geene postwissels’. De eerste plek waar men (ongefrankeerde) post kon achterlaten was op de bovenverdieping van het Stadhuis (tegenwoordig Jakarta History Museum), aan het toenmalige Stadhuisplein, in 1828. De eerste brievenbussen, zeven in totaal, werden pas in 1863 geplaatst en de eerste Indische postzegels werden pas op 1 april 1864 gebruikt. Berthes flinterdunne brief zal vanuit Batavia met de zogenoemde pakketvaart vervoerd zijn, waarschijnlijk per overlandmail, dat wil zeggen, niet naar het zuiden, door de Straat van Soenda en langs de Afrikaanse Kaap, maar richting het noorden, door de Zuid-Chinese Zee naar het Engelse Singapore (dat Berthe eerder als poste restante-adres van Vincent Jacob had opgegeven), door de nauwe Straat van Malakka, langs de zuidpunt van Ceylon over de Indische Oceaan richting Arabië, verder naar Aden en door de Rode Zee, over de snikhete landengte bij het Egyptische Suez (ooit op dromedarissen, later met paarden, vanaf 1869 per boot door het nieuwe kanaal), via Alexandrië over de oostelijke Middellandse Zee naar Marseille of Triëst, dwars door Centraal-Europa richting Nederland en daarna per zeil- of stoomboot via Liverpool of Southampton met een grote boog over de Atlantische Oceaan naar Noord-Amerika, om uiteindelijk (via New York of Boston) terecht te komen in het zuidelijke New Orleans, Louisiana, om na deze halve wereldreis blijkbaar heelhuids neer te dwarrelen op het bureau van de trouwe Dunlap, die op dit antwoord van Berthe bijna een half jaar heeft heeft moeten wachten. Voor haar geldt hetzelfde, in omgekeerde zin.

Madame Berthe Hoola van Nooten: 'Citrus decumana', lithografie (G. Severeyns), uit: 'Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java peints d’après de nature', 1863 [-'64].

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Citrus Decumana’ [= Citrus maxima?], lithografie De Pannemaeker, plaat [3] uit: Fleurs, fruits et feuillages choisis de L’Île de Java peints d’après de nature. Bruxelles: Muquardt [1881; derde editie].

In deze onzekere tijden besluit Berthe om opnieuw te verhuizen, dit keer naar Buitenzorg (Bogor), zo’n zestig kilometer ten zuiden van Batavia. Ze opent daar een meisjesschool, voor de vijfde keer in haar leven. Hier is ze aan alle kanten omringd door de tropische natuur Het is waarschijnlijk ook in deze omgeving dat ze op het idee is gekomen om een spectaculair salontafelboek over de Javaanse flora te publiceren, geïllustreerd met kleurenlithografieën gebaseerd op haar eigen aquarellen. De opbrengst daarvan hoopt ze kunnen te gebruiken om haar gezin te onderhouden, iets wat ze niet alleen zonder gêne maar zelfs met nadruk vermeldt in haar ‘Préface’. Het in Brussel gedrukte en uitgegeven Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java (drie edities, totale oplage waarschijnlijk niet veel minder dan duizend exemplaren) zal inderdaad een commercieel succes worden. Maar ook hiervan plukt Berthe weinig financiële vruchten, ondanks het feit dat na haar overlijden maar liefst veertien de luxe-exemplaren van dit prachtwerk in haar huis aanwezig blijken te zijn. De weduwe mag dan berooid zijn, ze blijft onvervaard. Als een waarachtig christen werpt ze de Heere haar armoede niet voor de voeten, ze is er Hem juist dankbaar voor. Berthe zal op 12 april 1892 dan eindelijk haar Verlosser ontmoeten, in het huis van haar schoonzoon Friedrich Gustav Carl Degent te Tanah Abang, armer in aardse bezittingen dan ze ooit had gevreesd (haar nalatenschap bedraagt na aftrek van alle schulden precies fl 45,80), maar rijker aan herinneringen dan ze wellicht ooit had durven dromen.

Charles Theodoor Deeleman: Gezigt op de Noordzijde van het kerkhof te Batavia, lithografie, uit: Bataviaasch Album. Verzameling van een tiental gezigten van de hoofdstad van Nederlandsch Indie. Opgedragen aan Zijne Exellentie den Minister van Staat J.J. Rochussen. Batavia: G. Kolff & Co, circa 1859 (op deze begraafplaats te Tanah Abang lag Berthe Hoola van Nooten begraven).

Charles Theodoor Deeleman: Gezigt op de Noordzijde van het kerkhof te Batavia, lithografie, uit: Bataviaasch Album. Verzameling van een tiental gezigten van de hoofdstad van Nederlandsch Indie. Opgedragen aan Zijne Exellentie den Minister van Staat J.J. Rochussen. Batavia: G. Kolff & Co, circa 1859 (op deze begraafplaats te Tanah Abang lag Berthe Hoola van Nooten begraven).

To open the great book of nature; to endeavour to represent, if but faintly, by our feeble art, that glorious colouring, those treasures of hidden beauties so freely spread around us, by our munificent Creator – (here, especially, in this beautiful island of Java, privileged in this respect, where vegetation is so magnificent) – is it not this which meets the cravings of our hearts, which cannot fail to give us our proper nourishment by feeding our souls with silence, prayer and love?
(Préface, Fleurs, fruits et feuillages choisis de flore et de la pomone de L’Île de de Java)
(Onleesbare gedeelten in de tekst van de brief zelf, bijvoorbeeld vanwege inktvraat of weggevallen stukken papier, zijn aangegeven met […].) Met veel dank aan / thanks to Herbert Adam, Simone Ballard (Research Intern Nolalocavores, Herbarium Assistant Tulane University), Sean C. Benjamin (Public Services Librarian, Louisiana Research Collection, Howard-Tilton Memorial Library, Tulane University), Youki Crump (Marianne North Gallery, Kew Royal Botanic Gardens), Steven P. Darwin (Department of Ecology and Evolutionary Biology, Tulane University, New Orleans), Marcel van Dorst, An Duits, Leon C. Miller (Head Louisiana Research Collection, Tulane University) en Bruce Boyd Raeburn (Director Special Collections and Curator, Hogan Jazz Archive, Tulane University).
ganzenveer

 

 

Bibliografie
Adam, Herbert: De herkomst van de Adams. Adam from Paradise. http://www.deindischeadams.nl
Buitenweg, Hein: Soos en samenleving in tempo doeloe. Den Haag: Servire, 1965.
Diessen, Drs. J.R. van & Prof. Dr. F.J. Ormeling [etc]: Grote Atlas van Nederlands Oost-Indië [etc]. Zierikzee / Utrecht / Meppem: Uitgeverij Asia Maior / Atlas Maior / Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap / MaxZ, 2003.
[Haan, Frederik de:] Oud Batavia gedenkboek uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen naar aanleiding van het driehonderdjarig bestaan der stad in 1919. Batavia: G. Kolff & Co, 1922 (twee tekstdelen en een Platen Album).
[Hoola van NootenN 1845-’59:] Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59 (onderhavige brief 9 december 1856), John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (afkorting LaRC) [35 originele brieven, Galveston 1845 – Batavia ’59; complete scans en de transcripties ervan in collectie auteur]. http://tulane.edu/
Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par madame Berthe Hoola van NootenOuvrage dédié à sa majesté [sic] la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier, Montagne de L’Oratoir, 5, 1863 [-’64] (2de editie 1866, 3de editie [1881]).
[Hupka-Barth, Betsy Marianne (Beppie):] ‘Poging tot necrologie [van Berthe Hoola van Nooten]‘. Anoniem, ongedateerd, ongepubliceerd, op website Collectie Tropenmuseum, opgetekend uit de mond van Hupka-Barth door een medewerker (die in elk geval in 2012 al was overleden) van het Tropenmuseum, waarschijnlijk in de jaren ’80 van de XXste eeuw (persoonlijke communicatie van toenmalige conservator Koos van Brakel, Tropenmuseum, augustus 2012). Hupka-Barth (1908-2004) was volgens ‘eigen’ zeggen een kleindochter van Berthe Hoola van Nooten, maar is in werkelijkheid haar achterkleindochter. Hupka-Barths ouders waren namelijk de Indische Controleur J.P.J. Barth en Anne Eliza née van Marle. De laatste was een dochter van Augustus Johannes van Marle en Julia Bertha née Hoola van Nooten. Julia Bertha was de vroeggestorven (1874) dochter van Berthe. De jonge Anne Eliza groeide daarom tot 1883 op bij haar grootmoeder Berthe, wat de vergissing van Hupka-Barth verklaart. Deze laatste (die was genoemd naar de jongere zus van Berthe en zelf kinderloos zou blijven) was in februari 1945 in Amsterdam door Ds Buskes clandestien getrouwd met de Duitse musicus Felix Hupka (1896-1966), leraar van onder andere Bernard Haitink en Cristina Deutekom. http://tropenmuseum.nl/
Merrillees, Scott: Batavia in Nineteenth Century Photographs. Singapore: Editions Didier Millet, 2010.
Nederland’s patriciaat 53ste Jaargang 1967 (Hoola van Nooten).
North, Marianne: Recollections of a Happy Life. London: MacMillan, 1893 (2 delen, met een later verschenen derde deel).
[North, Marianne:]  Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/index.html
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 7 reacties

Grasmaand in Tokio ofte liever Yedo: de nederige VOC-dienaar Charles Ralph Boxer eert zijn vriend Jean Charles Pabst, koninklijk afgezant in Japan

Vanwege de  honderden publicaties over de meest uiteenlopende onderwerpen die hij op zijn naam heeft staan, wordt Charles Ralph Boxer (1904-2000) ook wel ‘a one-man historical army’ genoemd. Hij was niet alleen militair, historicus, docent en chroniqueur van de Europese koloniale tijd in China, Portugal en Brazilië, maar beheerste ook zo’n negen talen, waaronder Japans, Spaans, Portugees en 17de-eeuws Nederlands. Dat laatste kunnen weinig levende Nederlanders hem nazeggen. In de jaren ’30 van de vorige eeuw was hij een bewonderaar en later ook persoonlijke vriend van Jean Charles Pabst (1873-1942). Deze toenmalige Nederlandse consul in Japan was een gepassioneerd liefhebber van zeldzame boeken en exotische antiquiteiten. De jonge Boxer werd al snel aangestoken door de bibliofiele verzameldrift van zijn mentor. Na de Tweede Wereldoorlog bouwde hij zelf een grote boekencollectie op, met daarin veel originele en zeldzame publicaties over de ontdekkingsgeschiedenis van Portugal, Brazilië, China en Japan. In 1930 bezorgt Boxer een uitgebreide Engelstalige editie van het dagboek uit 1639 van de Nederlandse zeeheld Maarten Harpertszoon Tromp. In 1930, als hij in Tokyo woont, geeft hij een exemplaar van dit boek aan zijn vriend Pabst. Hij voorziet dat van een persoonlijke opdracht die in archaïserend Nederlands is gesteld, compleet met quasi-officiële aanhef, titels en eerbetuigingen in de ambtelijke VOC-stijl uit de 17de eeuw.

Geboden door den schrijver aan den Edele, Manhafte, voorzienige, welwijze ende zeer discrete Heer Generaal J.C. Pabst (Zijnde nu Gezant van de Koninckrijck der Nederlanden bij den Hof van de doorluchtige Keizer van Japan, en aldus de waardige opvolger van de kloecken opperhoofden te Deshima (1641-1858,) als blijk van zijn bijzonder groot affectie en estime. Tokio, (ofte liever Yedo), den 26en van Grasmaand [= april], 1930 (was geteeckent) C.R. Boxer (roorock [= roodjas]) (zie bldz. 198 noot (3)).             Met Yedo (ook wel Yeddo, Edo) refereert Boxer aan de voormalige naam van Tokyo. In 1868 werd tijdens de zogenoemde Meiji-restauratie de laatste Tokugawa-shogun afgezet. De tot dan toe op de achtergrond gehouden keizer verhuisde vanuit de westelijke hoofdstad Myako (daarna Kyoto geheten) naar het leegstaande paleis van de shogun in Edo, sindsdien Tokyo (‘Oostelijke hoofdstad’) genoemd. Al deze historische wederwaardigheden konden rekenen op de warme belangstelling van Boxer, die vast wel eens gedacht heeft op de verkeerde plaats in de verkeerde tijd geboren te zijn.

Blijkbaar hield Boxer van archaïserende taalgrapjes, want enkele jaren later deed hij iets soortgelijks als voor zijn vriend Pabst. Hij reisde toen samen met hem rond in het toenmalige Nederlands-Indië, met in hun bezit een zelfverzonnen, handgeschreven document dat was opgesteld door enkele Nederlandse vrienden in dezelfde plechtstatige VOC-stijl. De vrienden waren de historici J.C.M. Warnsinck, J.W. van Nouhuys, S.P. L’Honoré Naber, W. Voorbeytel Cannenburg, A. Engelbrecht, R. Bijlsma en de uitgever en antiquaar Wouter Nijhoff. Deze laatste had het unieke document laten vervaardigen. In de ‘gewichtige’ tekst wordt de Indische autoriteiten verzocht medewerking te verlenen aan de enthousiaste ‘dienaren’ Boxer en Pabst, en hun te assisteren bij allerlei belangrijke werkzaamheden voor de Loffelijke Compagnie (zoals de VOC toen werd genoemd). In 1930 plakt Boxer zijn eigen fraaie blauwlederen exlibris (afgebeeld bovenaan dit artikel) op het eerste schutblad van zijn Tromp-boek. Als Pabst dit cadeau krijgt plakt hij er ook zijn eigen papieren exlibris in, één bladzijde verder, op de zogenaamde Franse pagina (hiernaast afgebeeld). Het is dit bijzondere dubbele-provenance-exemplaar dat in 2010 op de najaarsveiling van Bubb Kuyper in Haarlem werd aangekocht voor de bibliotheek van het Magazijn van Natuurlijke Historie. Daar staat het nu te midden van zo’n 1500 [inmiddels ruim 1750] andere titels over de roemruchte Europees-Japanse betrekkingen in de Edo-periode.

Bibliografie:
Alden, Dauril: Charles R. Boxer. An Uncommon Life. Soldier Historian Teacher Collector Traveller. [Lisboa:] Fundaçao Oriente, 2001.
Boxer, Charles Ralph: The Journal of Maarten Harpertszoon Tromp Anno 1639. Cambridge: University Press, 1930.
Lequin, Frank ‘In memoriam Charles Ralph Boxer F.B.A. 8 March 1904-27 April 2000’, in Bijdragen voor de Taal-, Land- en Volkenkunde […] Vol. 156.4, Leiden 2000.
Koehn, Alfred: Japansche bloemensymboliek. Amsterdam: Scheltema & Holkema’s Boekhandel en Uitg. Mij. N.V., 1937 (gedrukt in China door de Imprimerie des Lazaristes, Peiping).
Geplaatst in Reizen | Tags: , , , , | 2 reacties

De ‘Hand van Boeddha’. Berthe Hoola van Nooten en haar Javaanse vingercitroen

[…] To open the great book of nature; to endeavour to represent, if but faintly, by our feeble art, that glorious colouring, those treasures of hidden beauties so freely spread around us, by our munificent Creator – (here, especially, in this beautiful island of Java, privileged in this respect, where vegetation is so magnificent) – is it not this which meets the cravings of our hearts, which cannot fail to give us our proper nourishment by feeding our souls with silence, prayer and love […]. (uit ‘Préface (1862) van fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java, Bruxelles, 1863 [-’64])

In 1863-’64 liet Berthe Hoola van Nooten (geboren te Utrecht op 12 oktober 1817 als Bartha Hendrica Philippina van Dolder) een botanisch boekwerk publiceren met daarin veertig kleurenplaten van bloemen, fruit en planten van het tropische eiland Java: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java.1 De spectaculaire afbeeldingen waren gebaseerd op originele tekeningen van de amateurbotanica zelf. Nadat Berthe in onder andere het Guyaanse Demerary (waar haar man in 1811 was geboren), Paramaribo en New Orleans had gewoond, was ze als armlastige weduwe in Batavia in Nederlands-Indië terechtgekomen, waar ze korte tijd een meisjesschool leidde en ook schilder- en tekenlessen gaf. Met de opbrengst van haar Java-boek hoopte ze haar vijf kinderen te kunnen blijven onderhouden. Volgens het voorwoord (gedateerd juli 1862) is de publicatie opgedragen aan alle ‘nederige’ vrouwen van de wereld, een bescheidenheid die typerend lijkt voor de benarde positie van talentvolle seksegenotes in die tijd. Daarnaast liet Berthe een zelfgeschreven Franstalig lofdicht op Koningin Sophie der Nederlanden opnemen. Deze onbestorven weduwe van Willem III (‘Koning Gorilla’) en beschermvrouwe van de kunsten en wetenschappen had de kostbare publicatie met financiële steun mogelijk gemaakt. Om het zakelijke risico ondanks die royale gift toch enigszins te spreiden, besloot de Brusselse uitgever Émile Tarlier het indrukwekkende boek (43,5 x 57 centimeter) in tien losse afleveringen te publiceren. De eerste daarvan verscheen in januari 1863. Elke ‘livraison’ bevatte een aparte titelpagina en vier met de hand bijgekleurde chromolithografieën die zijn getekend door de Brusselse lithograaf Guillaume (Georges) Severeyns. De platen werden begeleid door een populair geschreven maar wetenschappelijk onderlegde Engels/Franse tekst met daarin beknopte en treffend geschreven informatie over de afgebeelde planten. Berthes boek werd door het grote publiek enthousiast ontvangen en ook gezaghebbende botanici als F.A.W. Miquel en C.A.J.A. Oudemans waren vol lof over het werk.2, 3 Oudemans (die zelf vijf jaren op Java had gewoond) noemde het boek een ‘kostelijke gave van edele vrouwenhand’. Koningin Sophie schonk Berthe Hoola van Nooten het jaar daarop uit dank een oorkonde, een bedrag van fl 1000,-4 en en later nog een ‘prachtige gouden armband’.5 Zelfs Keizerin Eugénie (de echtgenote van Napoléon III) was verguld met het boek: ze stuurde Berthe enkele ‘prachtige cadeaux’, waaronder een medaillon die versierd was met een buste van haarzelf en een persoonlijke inscriptie. Wilde men in Nederland een compleet exemplaar van het boek  kopen, dan kon men terecht bij de gevolmachtigde boekhandelaar J. Noordendorp in de Pijpenstraat in Amsterdam, voor fl 70,-.6 Bij voorintekening was men echter goedkoper uit, de uitgave kostte dan per livraison slechts fl 6,-. Dat was nog altijd veel geld: omgerekend zou dat € 60,- zijn, en voor het hele boek zelfs € 600,-. Het is onwaarschijnlijk dat Berthe zonder de koninklijke steun in eerste instantie ook maar één exemplaar voor zichzelf had kunnen kopen, want ze werd haar hele leven geplaagd door geldzorgen: ‘many trials, many troubles’ schrijft ze in één van haar tot nu toe ongepubliceerde brieven vanuit Java.

Bibliografische bijzonderheden

Het florilegium zou tweemaal herdrukt worden.7 De eerste editie was gesponsord met  fl 2000,- door baron Sloet van de Beele, gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Deze woonde, net als Berthe eerder, in het lommerrijke Buitenzorg (het Indische ‘Sans Soucis’), zo’n zestig kilometer ten zuiden van Batavia, tegenwoordig Jakarta. In de tweede editie werd de complete tekst opnieuw gezet. Inheemse namen werden toegevoegd, platen nog gloedvoller afgedrukt, rode kleuren handmatig ingetekend en vele botanische details subtiel bijgewerkt. Zetfouten werden gecorrigeerd en andere onvermijdelijk opnieuw gemaakt. Bij de derde, laatste en ongedateerde editie (met een voorwoord uit mei 1880 maar volgens het Nieuwsblad voor den Boekhandel van november 1881 ‘zojuist’ verschenen) werd de titel ingekort, de tekst voor de derde keer gezet, en werden alle platen opnieuw gechromolithografeerd door de beroemde Gentse tekenaar, schilder en steendrukker Pieter Depannemaeker. Een duidelijk voorbeeld van die verschillen in opeenvolgende edities zijn de onderschriften bij de afbeeldingen van de vingercitroen. In de eerste editie wordt daarbij vermeld: ‘Hort. & Bog.’, wat wil zeggen: ‘Hortus & Bogoriensis’, oftewel ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg (tegenwoordig Bogor Botanical Gardens, Kebun Raya, gesticht in Berthes geboortejaar 1817). Het blijkbaar misbegrepen en overbodige &-teken tussen ‘Hort.’ en ‘Bog.’ is voor de tweede editie van de originele steenplaat weggeschuurd, daarmee een kenmerkend loze spatie achterlatend. In de geheel opnieuw lithografeerde (en door ‘Weissenbruch, Imprimeur’ gedrukte) derde editie is deze spatie zèlf verdwenen, evenals de naam van de originele uitgever Émile Tarlier (zie illustraties hierboven). In de eerste catalogus van de boekencollectie van ’s Lands Plantentuin (1887) wordt vermeld dat maar liefst twee edities van Berthes Java-werk in de bibliotheek aanwezig zijn.8 Maar ondanks het artistieke en commerciële succes van haar magnum opus lukt het Berthe nauwelijks om het hoofd boven water te houden: ze overlijdt uiteindelijk in het huis van haar schoonzoon op 12 april 1892 te Batavia op vierenzeventigjarige leeftijd in nog altijd behoeftige omstandigheden. Na aftrek van alle schulden blijft er van haar nalatenschap in 1899 precies fl 45,80 (een kleine € 500,-) over.9

De ‘Hand van Boeddha’ in ’s Lands Plantentuin

De vingercitroen is één van de opvallendste vruchten uit het florilegium. Hoola van Nooten noemt deze ‘Citrus Sarcodactylis’ (‘vleesvingerige citroen’) en vermeldt vanaf de tweede editie ook de inheemse naam: ‘Djerook Tangan’. Vanwege de sierlijk open- of dichtgevouwen uitstulpingen die lijken op goudkleurige vingers, wordt hij in Azië al eeuwenlang de ‘Hand van Boeddha’ genoemd. Dat klinkt poëtisch, en dat is het ook, maar deze ‘vingers’ zijn in feite een groeiafwijking die meestal wordt veroorzaakt door parasiterende mijten of mutagene schimmels die het jonge vruchtvlees aantasten.10 De vrucht is zodoende een ziekelijke variëteit van de cedercitroen of cederappel (Citrus medica, familie Rutaceae) en werd lang beschouwd als een echte variëteit, soort of ondersoort. Hij groeit aan de Aziatische sukadeboom, is net als de nauw verwante gewone citroen zuur van smaak, en wordt alleen gekookt en gesuikerd gegeten. Vanwege de (bij wrijving vrijkomende) verrukkelijk frisse geur van de schil (en bladeren) wordt hij in China en Japan ook al eeuwenlang gebruikt om stoffen en kleding mee te aromatiseren.11 Hoola van Nootens publicatie wordt door taxonomen beschouwd als de eerste geldende beschrijving van deze exotische vrucht. Berthe heeft haar ‘vingervormige citroen’ getekend in de tuinen van Buitenzorg (grenzend aan het paleis van de gouverneur-generaal), volgens haar familie onder een speciaal voor haar gebouwde glazen koepel.12 Ondanks het indrukwekkende botanische werk wordt nog aan het einde van de twintigste eeuw opgemerkt dat ‘the origins of Berthe Hoola van Nooten remain buried in obscurity to this day’.13 Hoe is het gekomen dat deze bijzondere Nederlandse vrouw, die tegenwoordig inderdaad vrijwel vergeten is maar aan wie we het imposante Java-boek te danken hebben, de eerste officiële beschrijfster is geworden van de even beroemde als geliefde ‘Hand van Boeddha’, ook wel Citrus medica sarcodactylis of vingercitroen genoemd?

En ik zeg U, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet bekleed is geweest gelijk een van deze. (Mattheüs 6:29; motto van Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java)

Hiervoor moeten we duizenden jaren terug in de tijd. De ‘Hand van Boeddha’ is vanzelfsprekend al veel langer bekend dan Berthes beschrijving ervan uit 1863. Vanaf de oostelijke flanken van de Himalaya of misschien zelfs vanuit het nog verder gelegen China14 moet de stamvorm (de cederappel of -citroen) al vroeg in het Westen terecht zijn gekomen. Dat is bekend, omdat Alexander de Grote tijdens zijn veldtocht naar India in de vijfde eeuw voor Christus door het land van de Meden en de Perzen trok (vandaar de soortnaam medica: die heeft dus niets met ‘medicinaal’ te maken) en toen de vrucht al onder ogen kreeg.15 Opvallend genoeg zouden de nu bij ons veel bekendere gewone citroen (Citrus limon) en sinaasappel (Citrus sinensis) pas veel later, respectievelijk tijdens de Kruistochten en in de Late Middeleeuwen, in Europa geïntroduceerd worden.16 Men neemt overigens aan dat ons woord ‘citroen’ via het Latijnse ‘citra’ afkomstig is van het Oudgriekse ‘cedrina’ (genoemd naar de beroemde ceders van het bijbelse Libanon), dat ‘welriekend’ betekent.17 Die heerlijke geur heeft er voor gezorgd dat de cedercitroen (deze Nederlandse naam is dus eigenlijk een botanische tautologie) ook wel odorata of fragrans of ‘muskuscitroen’ werd genoemd.18 De enigmatische en als heilig vereerde ‘etrog’ (‘verboden vrucht’) van het joodse Loofhuttenfeest is waarschijnlijk ook de Aziatische cedercitroen geweest.19 Na de Grieken leerden de oude Romeinen dit zure broertje van onze zoete ‘China-appel’ kennen, en zij schijnen de woorden ‘Medisch’ (uit Medië) en ‘medicinaal’ door elkaar gebruikt te hebben.20 Theophrastus, Vergilius, Plutarchus, Plinius, Dioscorides: al deze Klassieke Griekse en Romeinse schrijvers berichten uitgebreid over deze toen in Europa nog zeldzame citrusvrucht, die (wat de etymologie nog verwarrender maakt) ook wel bekend stond als de Perzische of Paradijsappel.

Barokke vingercitroenenpracht

Meer dan anderhalf duizend jaar later, tijdens de Italiaanse Barok, kwam de vingervormige cedercitroen juist om die reden in de mode. In verzamelaarskringen zag men hem als een zeldzame speling van de natuur, een begerenswaardige botanische rariteit.21 Eén van de mooiste botanische platenboeken uit de zeventiende eeuw is Giovanni Battista Ferrari’s Hesperides (1646), waarin tientallen afwijkend gevormde citrusvruchten worden afgebeeld, waaronder enkele sarcodactyli.22 Als voorbeeld voor de gravures dienden fijnzinnige aquarellen die door vrienden van de Romeinse Accademia dei Lincei (met leden als Galileo Galilei en de Nederlander Johannes van Heeck of Heckius) waren gemaakt.23 Ferrari tekent in zijn boek een passend aforisme op over de vingercitroen: Nimirum in auro etiam foeditas ac deformitas placet (‘vanzelfsprekend, in goud kunnen zelfs lelijkheid en misvormdheid mooi zijn’). In de tuinen van de Villa Borghese in Rome kan men anno 2018 nog altijd ‘vleesvingerige citroenen’ bewonderen.

Vingercitroenen in de Lage Landen 

Ook in de Nederlanden was ‘De Hand van Boeddha’ al vroeg bekend: in de eind-zeventiende-eeuwse Moninckx Atlas (een botanisch manuscript met honderden afbeeldingen van exotische planten) is onmiskenbaar een aantal vingercitroenen afgebeeld. De betreffende tekening (die tussen 1686 en 1706 gemaakt moet zijn) is overigens niet gepubliceerd in één van de vier boeken over exotische planten die de Amsterdamse botanici Jan en Caspar Commelin in dezelfde tijd hebben uitgegeven naar platen uit de Moninckx Atlas, en zal dus relatief onbekend zijn gebleven.24  Vlak daarvoor (1676) had Jan Commelin (de oom van Caspar) zelf een boek over citrusvruchten gepubliceerd dat grotendeels was gebaseerd op het werk van Ferrari: het rijk geïllustreerde Nederlantze Hesperides. Een andere botanicus die vertrouwd was met de vingercitroen (en deze zelf ook kweekte) was de Groningse professor Abraham Munting (1626-’83). In zijn postuum (1696) verschenen Naauwkeurige Beschryving der Aardgewassen, Waar in de veelerley Aart en bijzondere Eigenschappen der Boomen, Heesters, Kruyden, Bloemen, Met haare Vrugten, Zaden, Wortelen en Bollen [etc.] beeldt hij de citroen af als een veelvingerige misgeboorte. Het barokke onderschrift verraadt die monstrueuze aard: ‘Malus Citria Cornuta’, de oneetbare, gehoornde citroen.25

Maria Sibylla Merian en haar Surinaamse cedercitroen

Caspar Commelin zou enkele jaren later betrokken raken bij een nog veel bekendere publicatie. De avontuurlijke Maria Sibylla Merian (1647-1717) verbleef in de jaren 1699-1700 met haar dochter in Paramaribo, in het toenmalige Nederlands-Guyana, net als bijna anderhalve eeuw later Berthe met haar man Dirk Hoola van Nooten. Ondanks het moordende klimaat verzamelde, kweekte en tekende de onverschrokken Maria Sibylla Merian in de omgeving van Paramaribo de kleurrijkste vlinders en andere tropische insecten, om die tekeningen uiteindelijk te graveren, zelf af te drukken en in 1705 in eigen beheer uit te geven in haar Metamorphosis Insectorum Surinamensis ofte de verandering der Surinaamsche insecten.26 Caspar Commelin (die inmiddels botanicus was geworden in de Hortus in Amsterdam) verzorgde de Latijnse botanische nomenclatuur hiervan. Merians insectenboek is één van de mooiste publicaties die ooit over de Surinaamse natuur zijn verschenen. Op plaat 28 (afbeelding hiernaast) daarvan beeldt ze niet alleen een bontgekleurde en vervaarlijk ogende Surinaamse harlekijnboktor (Acrocinus longimanus) af, maar ook een goudkleurige ‘Groote en dikke Citroen’ oftewel een cedercitroen of cederappel, de stamvorm (Citrus medica) van de al vroeg in Suriname geïmporteerde Aziatische vingercitroen van Berthe Hoola van Nooten.27 De grootvader van Berthes man, de Montesquieu-vertaler Dirk Hoola van Nooten senior (1747-1808) had, net als veel andere notabelen, het prachtwerk van Maria Sibylla Merian in zijn grote bibliotheek (ruim drieduizend titels) in Schoonhoven staan.28

Een botanische Toren van Babel

De naamgeving van het geslacht Citrus, met zijn tientallen soorten en honderden variëteiten van citroenen, limoenen, pompelmoenen, sinaasappels en mandarijnen, moet voor de leek altijd een linguïstische nachtmerrie zijn geweest. De Engelse ‘lemon’, bijvoorbeeld, is onze citroen (Latijns Citrus limon), onze limoen is de Engelse ‘lime’ (Citrus aurantifolia), de Engelse ‘citron’ is onze cedercitroen of -appel (Citrus medica),29 terwijl de laatste vroeger in heel Frankrijk ‘limon’ heette, behalve in Parijs, waar hij juist weer ‘citron’ werd genoemd.30  Al eeuwenlang pogen taxonomen een einde te maken aan deze botanische Toren van Babel. Toen in 1914 de Amerikaan Walter Swingle een gezaghebbende revisie doorvoerde van de Citrus-soorten die de Engelse botanist Ernst Henry Wilson (1876-1930) in China had verzameld, besloot hij om Hoola van Nootens tekst en plaat uit 1863 als voorbeeld te nemen voor zijn beschrijving van de vingercitroen.31 Dit deed hij, ondanks het feit dat er al veel vroegere vermeldingen en afbeeldingen van sarcodactylis bekend waren, zoals die van Giovanni Battista Ferrari in Rome en die van de Moninckx Atlas in Amsterdam. Berthe beschreef haar vingercitroen in taxonomische zin als een echte soort, maar Swingle zag dat anders: hij ‘devalueerde’ haar Citrus Sarcodactylis tot een ondersoort (var. sarcodactylis, een zogeheten combinatio nova) van de gewone cederappel of sukade (Citrus medica), die in 1753 voor het eerst beschreven was door de Zweedse systematicus  Linnaeus (1707-78) in diens Species Plantarum.32 Overigens beschouwde Linnaeus in diezelfde baanbrekende publicatie de (relatief nieuwe) gewone citroen ook slechts als een variëteit (var. limon) van de aloude Medische of Perzische appel die Alexander de Grote al onder ogen had gekregen. Het zou uiteindelijk een landgenoot worden van Berthe Hoola van Nooten die de van oorsprong Chinese citroen zijn definitieve Latijnse naam gaf: in 1768 publiceerde de Nederlandse botanicus Nicolaas Laurens Burman (1733-’93)33 zijn Flora indica, waarin hij Linnaeus’ ‘ondersoort’ (dat begrip bestond toen nog niet) juist weer opwaardeerde tot de echte soort zoals wij die nu nog kennen: Citrus limon oftewel de (gewone) citroen.34

Overige taxonomische overwegingen en definitieve toeschrijving

Normaal gesproken wordt bij de eerste wetenschappelijke beschrijving van planten (of dieren) een fysiek exemplaar gebruikt, een zogenaamd holotype, dat zorgvuldig wordt bewaard om verder onderzoek mogelijk te maken. Maar van Hoola van Nootens sarcodactylis bestaat geen type-exemplaar (meer). Men zal dat dan ook tevergeefs zoeken in het beroemde Linnean Herbarium in Londen.35 Walter Swingle moest daarom voor zijn beschrijving genoegen nemen met de afbeelding en bijbehorende tekst uit haar Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java. Berthes Citrus-plaat is daarmee het zogenaamde iconotype van sarcodactylis geworden. De Duitse arts en botanicus Karl Friedrich von Gärtner (1772-1850) publiceerde in zijn Supplementum carpologiae [etc] (1805-’07) eveneens een beschrijving en afbeelding van de vingercitroen (als ‘digitiformes’)36, maar de door hem voorgestelde naam beschouwde Swingle slechts als een synoniem van Citrus medica. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat Gärtner de vingercitroen in zijn tekst Sarcodactilis helicteroides noemt, maar op de bijbehorende afbeelding (plaat 185, figuur 1) Sarcodactylis helicterioides, waardoor Swingle had moeten kiezen welke van deze twee spellingvarianten de juiste was. Bovendien beschreef Gärtner zijn vingercitroen (evenals Berthe) als een aparte soort, terwijl Swingle hem (zoals hierboven vermeld) slechts als een ondersoort van de cedercitroen beschouwt. Hoola van Nootens sarcodactylis-plaat en bijbehorende tweetalige tekst uit haar Java-boek waren blijkbaar een beter startpunt voor een ondubbelzinnige, dus wetenschappelijke beschrijving. Al deze historische en taxonomische verwikkelingen zijn helder samengevat terug te vinden in de volledige Latijnse naam van Berthes vleesvingerige citroen of ‘Hand van Boeddha’: Citrus medica Linnaeus 1753 var. sarcodactylis (Hoola van Nooten 1863) Swingle 1914.

Onverwacht bezoek uit Engeland

Berthe is niet rijk geworden van haar werk. De Engelse botanica en wereldreizigster Marianne North (1830-’90) brengt in 1876 een bezoek aan ‘Madame van Nooten’ in Batavia, en vermeldt in haar in 1893 door haar zuster uitgegeven memoires de schrijnende omstandigheden waarin Berthe verkeert. Marianne North (als penvriendin bewonderd door onder andere Charles Darwin37) maakt een intrigerende opmerking over deze bijzondere ontmoeting: ze zegt namelijk dat Berthe ondanks haar armoede heel enthousiast is en aanstekelijk vertelt over haar botanische werk. Berthe bewaarde in haar huis minstens veertien prachtig ingebonden exemplaren van haar eigen Java-boek,38 waardoor Marianne kon besluiten er ter plekke een te kopen. Dit ondanks de curieuze opmerking van Marianne dat de keuze en kwaliteit van de platen haar tegenvallen, en dat volgens haar de flamboyante Poinciana regia (=Delonix regia, vlamboom of pauwenbloem) per ongeluk ondersteboven is getekend (zie afbeelding), net als overigens zijzelf eerder had gedaan. Deze spectaculaire plant bloeide overigens nog maar kort in ’s Lands Plantentuin: pas in 1848 was hij vanuit Singapore geïmporteerd door de toenmalige hortulanus Johannes Elias Teysmann.39 Omdat het Java-boek te groot blijkt om mee te nemen op haar verdere reizen, laat Marianne North het vooruit sturen naar de bibliotheek van de beroemde plantenkassen in Kew bij Londen (waar ze later haar eigen schilderijengalerij zal stichten). Berthes boek zal echter tijdens een schipbreuk voorgoed verdwijnen in de golven van de Indische oceaan.40

Een vrouwenleven ontsluierd?

Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de L’Île de Java is bij liefhebbers nog net zo gezocht als honderdvijftig jaar geleden,41, 42 maar over het intrigerende en tragische leven van Berthe Hoola van Nooten is nog altijd weinig bekend.43, 44, 45 Binnenkort zullen de schrijvers van dit artikel meer publiceren over Berthes leven en werkzaamheden in Utrecht en Wageningen, het Guyaanse Nickerie, Demerary en Paramaribo, het Noord-Amerikaanse New Orleans, Galveston en Plaquemine en het Indische Selipi, Buitenzorg en Batavia, onder meer op basis van bewaard gebleven persoonlijke correspondentie aan één van haar vrienden in Noord-Amerika. Deze fascinerende negentiende-eeuwse Maria Sibylla Merian en eerste officiële beschrijver van de opvallende vingercitroen of ‘Hand van Boeddha’ verdient meer aandacht dan ze tot nu toe heeft gekregen.

C’est assez, c’est tout ce que je voulait obtenir, plus que n’osais espérer. (uit het voorwoord van Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java)
David Coppoolse & Marcel van Dorst
Noten:
1: Hoola van Nooten 1863; 2: Miquel; 3: Oudemans; 4: Hupka-Barth; 5: [anon. 1]; 6: boekhandelsetiket 1ste livraison; 7: Nissen; 8: Treub 1887; 9: [anon. 2]; 10: Freedberg 1997; 11: Swingle 1967; 12: Hupka-Barth; 13: Hoola van Nooten 1993; 14: Swingle 1967; 15: Theophrastus; 16: Webber; 17: Swingle; 18: Webber; 19: Ibid.; 20: Valmont de Bomare; 21: Freedberg 1997; 22: Ferrari; 23: Freedberg 2002; 24: Wijnands; 25: Munting; 26: Merian 1705; 27: Merian 1982; 28: Davids; 29: Webber; 30: Valmont de Bomare; 31: Swingle 1914a; 32: Linnaei; 33: Stafleu; 34: Burmanni; 35: Swingle 1967; 36: Gärtner; 37: Raby; 38: [anon. 3]; 39: Rijnberg; 40: North; 41: Tomasi; 42: Sitwell; 43: Haks & Maris; 44: De Loos-Haaxman; 45: Hoola van Nooten 1993.
Literatuur:
[anon. 1] ‘Binnenland. Residentie-nieuws’ in: DAGBLAD van ZUIDHOLLAND en ’s GRAVENHAGE No. 140. Donderdag 16 Junij 1864.
[anon. 2] ‘Uit de Staatscourant’ in: Algemeen Handelsblad van 3 mei 1899 – Ochtendblad.  [anon. 3] ‘Vendutiebericht’ in: JAVA-BODE. A. 1894 No. 262 Dinsdag 13 November Drie-en-Veertigste Jaargang.
Bailey, F.M. (ed.): Standard Cyclopedia of Horticulture [6 delen]. New York: The Macmillan Co., 1914-’17.
Burmanni, Nicolai Laurentii: Flora Indica cui accedit series zoophytorum Indicorum, nec non prodromus florae Capensis. Lugduni Batavorumm, Amstelaedami: Apud Cornelium Haek, 1768.
Davids, Karel: ‘Tussen Smith en Schoonhoven. De verloren wereld van Dirk Hoola van Nooten (1747-1808)’ in: Engelen, Boonstra & Janssens (red.): Levenslopen in transformatie. Nijmegen: Valkhof Pers, 2011.
Engelen, Boonstra & Jannssens (red.): Levenslopen in transformatie. Liber Amicorum bij het afscheid van prof. dr. Paul M.M. Klep. Nijmegen: Valkhof Pers, 2011.
Ferrari, Giovanni Battista: Hesperides sive De Malorum Aureorum Cultura et Usu Libri Quattuor. Roma: Hermanni Scheus, 1646.
Freedberg, David and Enrico Baldini: The Paper Museum of Cassiano dal Pozzo. Catalogue Raisonné Series B Natural History part I: Citrus Fruit. London: Harvey Miller Publishers, 1997.
Freedberg, David: The Eye of the Lynx. Galileo, His Friends, and the Beginnings of Modern Natural History. Chicago and London: The University of Chicago Press, 2002.
Gärtner, Karl Friedrich von: Supplementum carpologiae seu continuati operis Josephi Gaertner de fructibus et seminibus plantarum voluminis tertii centuria prima0. Bibliopolae Lipsiensis [Leipzig]: Sumtibus Carol. Frid. Enoch Richter, 1805-’07.
Haks, Leo & Maris, Guus: Lexicon of Foreign Artists who Visualized Indonesia (1600-1950). Utrecht: Gert Jan Bestebreurtje, 1995.
Haskell, Francis (intr.): The Paper Museum of Cassiano dal Pozzo. (Quaderni Puteani 4) Milano: Olivetti, 1993.
Hodgson, Robert Willard: ‘Horticultural Varieties of Citrus’ in: Reuther, Webber, Batchelor [etc] (eds.): The Citrus Industry. Volume I. History, World Distribution, Botany, and Varieties. [Berkeley, Los Angeles:] University of California, Division of Agricultural Sciences, [1ste editie 1943] 1967.
Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java peints d’après de nature. Ouvrage dédié à sa majesté la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier [volgens Nissen: Muquardt], Éditeur, Montagne de L’Oratoire, 5. 1863 [-’64]. [=1ste editie, met 40 (volgens Nissen 38) ongenummerde, door Guillaume Severeyns gelithografeerde platen, in enkele details met de hand bijgekleurd, uitgegeven in tien ‘livraisons’ (afleveringen) van ieder vier platen, voorafgegaan door één (hierboven genoemde) gezamenlijke titelpagina (uitgegeven na het verschijnen van de 3de aflevering?) en tien afzonderlijke titelpagina’s (aflevering I (januari) t/m VI: 1863, VII t/m X: 1864; verkoopprijs complete set ƒ70,-, voorintekenprijs ƒ60,-.]
Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Seconde [volgens voorwoord van G. Severeyns: ‘verbeterde’] édition. Bruxelles: Faubourg de Louvain, Rue de Liekerke 40. Publiée par G. Severeyns, dessinateur & chromolithographe de l’Académie Royale de Belgique, 1866. [met eveneens 40 (volgens Stafleu & Cowan: (‘1880?’) ’39?) bijgewerkte platen; de gehele tekst is opnieuw gezet, taal- en/of schrijffouten zijn gecorrigeerd en andere onvermijdelijk opnieuw gemaakt, onder de Latijnse worden nu ook de inlandse namen vermeld; het boek wordt door de uitgever op verzoek ‘fraai ingebonden’ geleverd, verkoopprijs (volgens Brinkman’s Cumulatieve Catalogus) ∫80,-.]
Hoola van Nooten, Madame Berthe: Fleurs Fruits et Feuillages Choisis de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Bruxelles: Librairie Européene C. Muquardt, même maison à Leipzig, publiée par Merzbach & Falk, Éditeurs, Libraires de la Cour et de S.A.R. Le Comte de Flandre. Troisième [en laatste] Édition. [ongedateerd, voorwoord 1880; volgens Nieuwsblad voor den Boekhandel No. 92 (vrijdag 11 november 1881) ‘vient de paraître’ (zojuist verschenen) in een ‘beperkte’ oplage van 300 gewone exx à 175,- (Belgische) francs en 10 speciale, genummerde exx op ‘Bristol’ à 350,- (Belgische) francs; alle 40 platen zijn opnieuw in kleur gelithografeerd, door Pieter Depannemaeker (ook: De Pannemaeker) uit Ledeberg-lez-Gand (Gent); de drukker is de Brusselse ‘Imprimeur au Roi’ Weissenbruch (zie drukkersvignet hiernaast); de door Nissen veronderstelde 1885-editie is nooit verschenen.]
Hoola van Nooten, Berthe: Flowers, Fruit & Foliage of the Tropics. Singapore: Sun Tree Publishing, 1993 (‘privately printed’) (verkleinde facsimile van alle platen en teksten, met inleiding en ingekort origineel voorwoord).
[Hupka-Barth, Betsy Marianne (Beppie):] ‘Poging tot necrologie [van Berthe Hoola van Nooten]’. Anoniem, ongedateerd, ongepubliceerd, op website Collectie Tropenmuseum, uit de mond van Hupka-Barth (1908-2004, volgens ‘eigen’ zeggen een kleindochter van Berthe Hoola van Nooten; in februari 1945 (clandestien) getrouwd met de Duitse musicus Felix Hupka, 1896-1966) opgetekend door een anonieme medewerker (die in elk geval in 2012 al overleden was) van het Tropenmuseum, waarschijnlijk in de jaren ’80 van de XXste eeuw (persoonlijke communicatie van toenmalige conservator Koos van Brakel, Tropenmuseum, augustus 2012).
Laszlo, Pierre: Citrus. A History. Chicago and London: The University of Chicago Press, 2007.
Linnaei, Caroli: Carolus: Species Plantarum [etc]. Holmiae: Impensis Laurentii Salvii, 1753.
Loos-Haaxman, J. de: Verlaat Rapport Indië. Drie eeuwen westerse schilders, tekenaars, grafici, zilversmeden en kunstnijverheid in Nederlands-Indië. ‘s-Gravenhage: Mouton & Co Uitgevers, 1968.
Mcburney, Henrietta: Cassiano Dal Pozzo’s Paper Museum. Drawings from the Royal Collection.Edinburgh: National Galleries of Scotland, 1997.
Merian, Maria Sibylla: Metamorphosis Insectorum Surinamensis ofte Verandering der Surinaamsche Insecten [etc]. Amsterdam, ‘Voor den Auteur [etc.]  als ook voor Gerard Valck [etc]’, 1705.
MerianN, Maria Sibylla: Metamorphosis Insectorum Surinamensis [etc.].  Kommentar zur Faksimile-Ausgabe [etc., tweetalig, Duits/Engels] Elisabeth Rücker & William T. Stearn, based on original watercolours in the Royal Library, Windsor Castle. London: Pion Press, 1982 (plaatdeel en tekstdeel, laatste gebaseerd op de Latijnse 1705-uitgave).
Miquel, F.A.W.: ‘Fleurs, Fruits et Feuillages choisis de la Flore et Pomone de l’Île de Java’, peints d’après nature pas Madame Berthe Hoola van Nooten. Bruxelles, 1863-1864, 1-4 livraison [4 platen per ‘livraison’, dus tot dan toe 16 in totaal]. Gr. folio.’ Recensie in: De Gids. Jaargang 28, 1864 (artikel VII).
Munting, Abraham: Naauwkeurige Beschryving der Aardgewassen, Waar in de veelerley Aart en bijzondere Eigenschappen der Boomen, Heesters, Kruyden, Bloemen, Met haare Vrugten, Zaden, Wortelen en Bollen [etc.]. Leyden: Pieter vander Aa & Utrecht: François Halma, 1696.
NIEUWSBLAD VOOR DEN BOEKHANDEL No. 92. Acht-en-Veertigste Jaargang. Vrijdag 11 November 1881 [betreft derde druk Fleurs, Fruits et Feuillages].
Nissen, Claus: Die Botanische Buchillustration: Ihre Geschichte und Bibliographie. Stuttgart: Hiersemann Verlags Gesellschaft m.b.H., 1951.
 North, Marianne: Recollections of a Happy Life. London: MacMillan, 1893 (2 delen).
Oudemans, Prof. Dr. C.A.J.A.: ‘Kostelijke gave van edele vrouwenhand ‘, in: De Tijdspiegel. Arnhem: D.A. Thieme, 1866.
Raby, Peter: Bright Paradise. Victorian Scientific Travellers. London: Chatto & Windus, 1996.
Reuther, Walter, Herbert John Webber, Leon Dexter Batchelor [etc] (eds.): The Citrus Industry. Volume I. History, World Distribution, Botany, and Varieties. [Berkeley, Los Angeles]: University of California, Division of Agricultural Sciences, [1ste editie: 1943] 1967.
Rijnberg, Theo F.: ’s Lands Plantentuin, Buitenzorg 1817-1992. Kebun Raya Indonesia Bogor. [Enschede]: Johanna Oskamp, 1992.
Sargent, C. [ed]: Plantae Wilsonianae: An Enumeration of the woody plants collected in western China for the Arnold Arboretum of Harvard University during the years 1907-1910 by E. Wilson. Cambridge: The Arnold Arboretum, 1913 [-’17] (3 delen).
Schmidt-Loske, Katharina: Die Tierwelt der Maria Sibylla Merian (1647-1717). Arten, Beschreibungen und Illustrationen. Marburg-Lahn: Basilisken-Presse, 2007.
Sirks, M.J.: Indisch Natuuronderzoek. Amsterdam: Amsterdamsche Boek- en Steendrukkerij v/h. Ellerman, Harms & Co., 1915.
Sitwell, Sacheverell and Wilfrid BluntT: Great Flower Books 1700-1900. A Bibliographical Record of Two Centuries of Finely-Illustrated Flower Books. (2de editie) New York: Atlantic Monthly Press, 1990.
Stafleu, Frans A.: Linnaeus and the Linnaeans. The Spreading of their ideas in systematic botany, 1735-1789. Utrecht: A. Oosthoek’s Uitgeversmaatschappij N.V., 1971.
Stafleu, Frans A., Richard S. Cowan: Taxonomic Literature. A Selective Guide to Botanical Publications and Collections with Dates, Commentaries and Types. (6 delen) Utrecht: Bohn, Scheltema & Van Holkema, 1976-’88.
Swingle, Walter T. (a): ‘Rutaceae – Citrus 141. Citrus L. ‘ in: Sargent, C. [ed.]: Plantae Wilsonianae: An Enumeration of the woody plants collected in western China for the Arnold Arboretum of Harvard University during the years 1907-1910 by E. Wilson. Cambridge: The Arnold Arboretum, 1913 [-’17; Citrus in deel II, 1914].
Swingle, Walter T. (b): ‘Citrus and related genera’ in: Bailey, F.M.: Standard Cyclopedia of Horticulture [deel II]. New York: The Macmillan Co., 1914-’17 (6 delen) (= deel I in 3-delige heruitgave uit 1928).
Swingle, Walter T. and (rev.) Philip C. Reese: ‘The Botany of Citrus and Its Wild Relatives’ in: Reuther, Webber, Batchelor (etc) (eds.): The Citrus Industry. Volume I. History, World Distribution, Botany, and Varieties. [Berkeley, Los Angeles:] University of California, Division of Agricultural Sciences, [1ste editie 1943] 1967.
Tenschert, Heribert: Botanik & Zoologie. Illustrierte Bücher und farbige Tafelwerke von 1485 bis 1885. Katalog XXXIX & XXXV. Antiquariat Bibermühle: Heribert Tenschert, 1995-’96.
Theophrastus: Enquiry into Plants. New York:  Loeb Classical Library, 1999 (2 delen).
Tongiori Tomasi, Lucia: An Oak Spring Flora: Flower Illustration from the Fifteenth Century to the Present Time: A Selection of the Rare Books, Manuscripts, and Works of Art in the Collection of Rachel Lambert Mellon. Upperville & New Haven, Conn.: Oak Spring Garden Library, 1997.
Treub, M. (& W. Burck en F. Westerman): Catalogus der Bibliotheek van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg. Batavia: Landsdrukkerij, 1887.
Treub, M. [Vorwort]:  Der Botanische Garten “’s Lands Plantentuin” zu Buitenzorg auf Java. Festschrift zur Feier seines 75Jährigen Bestehens (1817-1892 [sic: geboorte- en sterfjaar van Berthe Hoola van Nooten]). Leipzig: Verlag von Wilhelm Engelmann, 1893 [bij W. Burcks beschrijving van de tuin en haar planten wordt de vingercitroen Citrus grandis var. Sarcodactylis genoemd].
Valmont de Bomare, M.: Dictionnaire Raisonné Universelle D’Histoire Naturelle [etc]. Nouvelle Edition, Revue et Augmentée [6 delen]. Paris: Lacombe, 1767.
Webber, Herbert John: ‘History and Development of the Citrus Industry’ in: Reuther, Walter, Webber, Batchelor [etc] (eds.): The Citrus Industry. Volume I. History, World Distribution, Botany, and Varieties. [Berkeley, Los Angeles:] University of California, Division of Agricultural Sciences, [1ste editie 1943] 1967.
Weinmann, Johann: Phytantoza Iconographia [Regensburg 1734-’45]
Wijnands, D.O.: The Botany of the Commelins. A taxonomical, nomenclatural and historical account of the plants depicted in the Moninckx Atlas and in the four books by Jan and Caspar Commelin on the plants in the Hortus Medicus Amstelodamensis 1682-1710. Rotterdam: Balkema, 1983.
Wit, prof. Dr. H.C.D. de en Prof. Dr. K.B. Boedijn: De wereld der planten in kleuren. Hogere planten deel II. Den Haag: Gaade, 1965.
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Het Seksuele Systeem: Erasmus Darwin vertaalt Carolus Linnaeus

Je bent ontstaan uit een schuimende droppel van verfoeilijke wellust. (Carl von Linné: Nemesis Divina)

Erasmus Darwin (1731-1802) is lange tijd niet alleen veel veel beroemder, maar ook veel beruchter geweest dan zijn kleinzoon Charles.De Wit Die reputatie dankte hij aan zijn vertalingen van enkele boeken van de Zweedse plantensystematicus Carolus Linnaeus (1707-’78). Diens teksten bleken namelijk vaak erotisch, soms zelfs bijna pornografisch van aard te zijn. Het hierin geponeerde en in de uiterlijke vorm nog altijd geldende natuursysteem was gebaseerd op de veronderstelde seksuele kenmerken van planten, zoals (in eerste instantie) mannelijke en (in tweede instantie) vrouwelijke voortplantingsorganen. Veel van Linnaeus’ tijdgenoten beweerden geschokt te zijn: niet omdat dat deze botanische systematiek zo onverbloemd seksistisch was, dat werd normaal gevonden, maar vanwege het feit dat die überhaupt seksueel was.Fara, Shteir Toch kon men zichzelf troosten: Linnaeus schreef zijn werken in het Latijn, dus ‘onschuldige’ kinderen en ‘overgevoelige’ (maar vooral onopgeleide) vrouwen konden dat toch niet lezen, laat staan begrijpen (of erger, in de praktijk brengen). Linnaeus deed dit alles doelbewust. Als ‘diepgelovig’ christen verbood hij bijvoorbeeld zijn eigen dochters om Frans te leren: ze zouden daardoor toch maar van het veel belangrijkere huishoudelijke werk afgeleid kunnen worden.Fara De vrijdenker Erasmus Darwin nam daar geen genoegen mee: hij bewonderde Linnaeus zeer, maar was juist een groot voorstander van gelijke rechten voor vrouwen en mannen.Smith Als trotse vader van twee buitenechtelijke (of, zoals dat zo onthullend heet, ‘natuurlijke’) dochters was hij vastbesloten om het verondersteld zwakke geslacht op een eerlijke en volwassen manier in te lichten over de opwindende seksuele geheimen van de natuur.Browne Zijn lezers bleken niet alleen geschokt te zijn, maar ook verrukt, en talrijk.Uglow

In eerste instantie ging hij nauwgezet aan de slag. In de laatste jaren van de achttiende eeuw was Darwin lid van de Botanical Society te Lichfield,Uglow een gezelschap dat nauwelijks selecter kon zijn, het bestond uit slechts twee andere leden: de dichter (later Sir) Brooke Boothby en de dominee William Jackson. Uit bewondering voor de enkele jaren daarvoor overleden Linnaeus besloten de drie natuurliefhebbers één van diens belangrijkste Latijnse werken te vertalen naar het Engels. Het ging daarbij om de botanische gedeelten (Systema vegetabilium) van het gezaghebbende Systema Naturae. De eerste druk van laatstgenoemd werk was al in 1735 in Leiden verschenen, maar Darwin baseerde zijn vertaling op de dertiende en laatste editie (Göttingen/Gotha, 1774), een uitgave die was bezorgd door de Duitse Linnaeus-leerling van Schots-Zweedse afkomst Johann Andreas Murray.Soulsby 573 Alle elf bijgevoegde platen waren afkomstig uit Linnaeus’ Philosophia Botanica (1751). Stafleu De tekst werd aangevuld met Supplementum Plantarum (1782) van Carl Linnaeus junior, die overigens tegen de zin van veel collega’s zijn vader was opgevolgd als professor in de botanie aan de universiteit van Uppsala. De revolutionair Benjamin Franklin (een van Darwins meest briljante vrienden) schijnt een uniek exemplaar van deze laatste editie bezeten te hebben, met handgekleurde gravures.Soulsby 573 Hoewel de eerste linneaanse flora van Engeland al in 1754 was verschenen (nota bene in Zweden, als Flora Anglica, geschreven door Linnaeus, maar als dissertatie gepubliceerd door zijn student Isaac Olaf Grufberg) Stearn is de vertaling van Darwin uit 1783 belangrijk. Hierin worden namelijk minstens vijftig nog altijd gangbare Engelse plantennamen voor het eerst gebruikt.Smith Tientallen wetenschappers en vrienden werden door Darwin aangeschreven om aanvullende botanische informatie te geven.Uglow Zijn belangrijkste correspondenten waren Samuel Johnson, (schrijver van de Encyclopaedia Brittannica, zelf geboren in Lichfield) en Joseph Banks, voorzitter van de Royal Society en tien jaar eerder de belangrijkste medereiziger op de eerste wereldreis van James Cook.Carter Sir Joseph stelde zijn rijke herbarium en uitgebreide botanische bibliotheek aan het Londense Soho Square ter beschikking aan Darwin, die uit dankbaarheid zijn (anoniem verschenen) vertaling aan hem opdroeg.Uglow De 897 bladzijden van A System of Vegetables bevatten bijna anderhalfduizend nieuwe Engelse (en Schotse) plantennamen. Van de uitgave bestaat een bijzonder exemplaar in vier delen met op de titelpagina het jaartal 1782, maar dat is waarschijnlijk een proefdruk, en dus uniek.Soulsby 580 De eerste echte editie verscheen in twee (door de koper zelf in te binden) delen in 1783.Soulsby 580a Erasmus Darwin hield zich in de jaren daarna steeds enthousiaster bezig met het verspreiden van Linnaeus’ botanische gedachtegoed en seksuele systematiek..King-Hele

Hij begon steeds uitgebreidere, vrijmoediger en weelderiger poëemen te publiceren, zoals The Loves of Plants (1789), The Botanic Garden (1791), Zoönomia (1794), Phytologia (1800) en The Temple of Nature (1803), alle met opvallend sterke seksuele en evolutionaire tendensen.Ritterbush Het grote publiek smulde ervan. Erasmus Darwin kreeg de smaak te pakken en ging een stapje verder. Hij raakte ervan overtuigd dat de aarde niet slechts enkele honderden generaties oud is (zoals de bijbel ons, nog altijd, verzekert) maar misschien al miljoenen, of zelfs tientallen, honderden miljoenen jaren. Zulke revolutionair ideeën waren destijds ongehoord, en met zoveel christenen om zich heen zelfs levensgevaarlijk. Deze onbevreesde nieuwsgierigheid naar de geheimen van de natuur gaf Erasmus door aan zijn even weldoorvoede (tegenwoordig zou men zeggen zwaar obese) zoon Robert Darwin, wiens eigen zoon Charles op zijn beurt in 1859 alle voorgangers sinds Aristoteles zou overvleugelen met het belangrijkste natuurhistorische boek dat ooit is verschenen: On the Origin of Species. In dit werk poogde Charles op een moderne en materialistische (lees: niet-religieuze of anderszins spirituele) manier het geheim der geheimen te verklaren, dat wil zeggen, de oorsprong der soorten. Voor het eerst in de geschiedenis werd een alomvattende wetenschappelijke verklaring gegeven voor de stortvloed aan losse biologische feiten die sinds de Oudheid waren verzameld. En alhoewel Charles Darwin pas langzamerhand de revolutionaire speculaties van zijn grootvader serieus zou nemen, moest hij in zijn autobiografie erkennen dat hij nooit tot zijn eigen evolutionaire ideeën had kunnen komen, als hij niet van huis uit met de diens onbevangen vrijzinnigheid vertrouwd was geweest.Barber, Darwin, Eiseley

Alle botanische afbeeldingen in dit artikel betreffen Linnaea borealis, de ‘Linnaeus van het Noorden’, oftewel het Linnaeusklokje. Johan Gronovius, de Nederlandse vriend en beschermheer van Linnaeus, heeft deze naam geklonken. Linnaeus beschouwde dit als een grote eer: hij vond zichzelf net zo bescheiden en onbeduidend (sic) als dit laaggroeiende plantje.Blunt De altijd met planten experimenterende Linnaeus probeerde hiervan thee te zetten, maar volgens zijn zoon Carl bleek deze niet te drinken.Fara
Met dank aan Alessandro Di Meo, Marcel van Dorst en Bernadette Weusten
literatuur
Barber, Lynn: The Heyday of Natural History. 1820-1870. Garden City, New York: Doubleday, 1980.
Blunt, Wilfrid: The Complete Naturalist. A Life of Linnaeus [1971]. London: Francis Lincoln, 2001 (intr. William S. Stearn).
Browne, Janet: Charles Darwin. Voyaging. Volume I of a Biography. New York: Alfred A. Knopf, 1995.
Carter, Harold B.: Sir Joseph Banks 1743-1820. London: British Museum (Natural History), 1988.
Darwin, Charles: The Life of Erasmus Darwin. First unabridged edition. Edited by Desmond King-Hele. Cambridge: University Press, 2003.
Eiseley, Loren: Darwin’s Century. Evolution and the Men Who Discovered It. Garden City, New York: Doubleday Anchor Books, 1958.
Fara, Patricia: Sex, Botany & Empire. The Story of Carl Linnaeus and Joseph Banks. New York: Columbia University Press, 2003.
Frängsmyr, Tore (ed.): Linnaeus. The Man and His Work. Berkeley & Los Angeles: University of California Press 1983.
George, Sam: ”Not strictly Proper for a Female Pen’: Eighteenth-Century Poetry and the Sexuality of Botany’ [proof], in: Comparative Critical Studies 2,2, pp. 67-91 (BCLA 2005).
King-Hele, Desmond: Erasmus Darwin 1731-1802. London: Macmillan & Co LTD, 1963.
Koerner, Lisbet: Linnaeus. Nature and Nation. Cambridge, Massachusetts, and London, England: Harvard University Press, 1999.
Linné, Carl von: Nemesis Divina. Bezorgd en vertaald door Trudi de Vlaming-van Santen en Michael John Petry, inleiding J.M.M. de Valk. Kampen: Kok Agora, 1996.
Linn[a]eus [senior & junior]: A System of Vegetables According to their Classes Orders Genera Species [etc., 2 delen, vertaald door Erasmus Darwin]. Lichfield: John Jackson for Leigh and Sotheby, London, Covent Garden, 1783.
Nelson, E.C. & D.M. Porter (eds): Darwin in the Archives. Edinburgh: The Society for the History of Natural History, 2009.
Ritterbush, Philip C.: Overtures to Biology. The Speculations of Eighteenth-Century Naturalists. New Haven & London: Yale University Press, 1964.
Seward, Anne: Memoirs of the Life of Dr Darwin: Chiefly During his Residence at Lichfield, With Anecdotes of His Friends and Criticisms on His Writings by Anna Seward. London: J. Johnson, 1804.
Smith, C.U.M. and Robert ARNOTT (ed.): The Genius of Erasmus Darwin. Aldershot: Ashgate, 2005.
Soulsby, B.H.: A Catalogue of the Works of Linnaeus [etc], second edition. London: The Trustees of the British Museum, 1933.
Shteir, Ann. B.: Cultivating Women, Cultivating Science. Flora’s Daughters and Botany in England 1760 to 1860. Baltimore and London: The Johns Hopkins University Press, 1996.
Stafleu, Frans A.: Linnaeus and the Linnaeans. The Spreading of Their Ideas in Systematic Botany, 1735-1789. Utrecht: Oosthoek’s Uitgeversmaatschappij N.V., 1971.
Stearn, William T. (ed.): John Ray Synopsis Methodica Stirpium Brittanicum Editio Tertia 1724 / Carl Linnaeus Flora Anglica 1754 & 1759. London: The Ray Society, 1973.
Uglow, Jenny: The Lunar Men. Five Friends Whose Curiosity Changed the World. New York: Farrar, Straus and Giroux, 2002.
Wit, H.C.D. de: Ontwikkelingsgeschiedenis van de biologie. Deel 2B. Wageningen: Pudoc, 1989.

Geplaatst in botanie, Evolutie, Vrijdenkerij | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

De wonderbaarlijke klipdas: hoe Spanje aan haar naam en de Bijbel aan zijn konijnen kwam

Loof den Heer, mijn ziel. Here, mijn God, Gij zijt zeer groot, Gij hebt u met majesteit en luister bekleed. […] De bomen des Heren worden verzadigd, de cederen van den Libanon, die Hij heeft geplaatst, waar de vogels nestelen. Des ooievaars huis zijn de cypressen, de hoge bergen zijn voor de steenbokken, de rotsen een schuilplaats voor de hazen en konijnen. (Psalmen 104:16-18)

Bovenstaande beroemde, drieduizend jaar oude verzen worden toegeschreven aan de bijbelse Koning David. De glorie van God wordt erin bezongen, aan de hand van al Zijn heerlijke schepselen. Toch moeten zowel David als God hier iets over het hoofd hebben gezien, er leefden namelijk helemaal geen hazen of konijnen in het Oudtestamentische Israël. Hoe zijn deze bekende langoren (Latijnse naam Lagomorpha, géén familie van de knaagdieren) dan toch in de Psalmen terechtgekomen? De geschiedenis van Koning Davids ‘konijnen’, al eeuwenlang symbolen van vruchtbaarheid en wellust, belooft even verrassend als fascinerend te zijn.

Rond duizend jaar vòòr de geboorte van Davids beroemdste nazaat, Jezus van Nazareth, kwam in het gebied dat wij tegenwoordig Palestina, Libanon en Syrië noemen, een merkwaardig dier voor. Het leek een kruising tussen een forse marmot en een stevig konijn, met in de bek twee opvallende, vooruitstekende slagtandjes. Omdat dit dier de eigen lichaamstemperatuur slecht kan regelen warmt het zich op in de ochtendzon, terwijl het zich in de hitte van de dag juist verborgen houdt in donkere, koele rotsspleten. Door zijn merkwaardige anatomie heeft men lange tijd gedacht dat het familie was van de neushoorn, maar inmiddels weet men dat juist de zeekoe en de olifant zijn meest nabije verwanten  zijn. Hoe onwaarschijnlijk dat ook klinkt, zelfs Davids huidige geloofsgenoten (los van de meest verstokte orthodoxen) ‘geloven’ inmiddels in deze evolutionaire verwantschap. Tegenwoordig noemt men deze vreemde rotsbewoner ‘rotsspringer’ of ‘klipdas’, naar het Afrikaanse ‘rots’- of ‘klipdassie’. Hij komt in vier soorten voor van het Midden-Oosten tot in zuidelijk Afrika. De officiële naam van zijn familie is Procaviidae (‘voor-cavia’), en van de bijbehorende orde Hyracoidea (‘reuzenspitsmuizen’), afgeleid van het Griekse hurax. De naam van het geslacht, Hyrax, is in 1869 gemunt door Thomas Henry Huxley, de grote vriend en medestander van Charles Darwin. Andere Afrikaanse volksnamen zijn ‘slaper’ en ‘beermuis’. De klipdas werd vroeger in het Nederlands ook wel ‘bastaard mormeldier’ (‘namaak-marmot’) genoemd, de Engelsen noemen hem tegenwoordig ‘hyrax’, de Duitsers ‘Schliefer’ (‘slaper’), de Fransen ‘le daman d’Israël(naar het oud-Romeinse ‘gamman’), de oude Abessijnen  (tegenwoordig de Amhara, Ethiopië) ‘ashkoko’ (de ‘langharige’) en de Syrische Arabieren (tenminste, volgens de 19de-eeuwse Engelse zoöloog Robert Shaw) ‘ghannem beni Israel’ (‘het lam van de kinderen van Israel’). Al deze exotisch klinkende volksnamen laten zien dat men dit holbewonende neefje van de olifant altijd als heel bijzonder heeft beschouwd.

De klipdas en de Psalmen hebben beide te maken met één van de mogelijke etymologieën van het woord ‘Spanje’. De Phoeniciërs (die in dezelfde streken leefden als Koning David) noemden de klipdas shaphan: dat is oud-Hebreeuws voor ‘de-in-het-verborgen-levende’. Het was hun namelijk ook al opgevallen dat het dier zich overdag schuilhield in donkere, koele rotsspleten. Toen de avontuurlijke Phoeniciërs al zeilend de overkant van de Middellandse Zee bereikten en het land ontdekten dat wij tegenwoordig het Iberisch schiereiland noemen, zagen zij daar een merkwaardig dier rondhuppelen, dat nergens anders ter wereld voorkwam: het konijn (een woord dat toen nog niet bestond). Dat ‘konijn’ deed hen deden denken aan hun eigen shaphan, en zij noemden het nieuw ontdekte land dan ook I-shaphan: ‘het-land-van-de-in-het-verborgen-levende’, dat wil dus zeggen ‘het land van de klipdas’. Rond de tijd van de geboorte van Jezus van Nazareth (dus lang nadat de Phoenicische cultuur ten onder was gegaan) kwamen de minstens zo reislustige Romeinen aan op het Iberische schiereiland. Zij namen (waarschijnlijk via de Carthagenen) de Phoenicische naam voor het gebied over: Ishaphan. Dat woord verbasterde tot Hispania en werd later verkort tot Espagna, Spain of Spanje. In vele varianten raakten deze namen vervolgens over de gehele wereld verspreid.

Maar hoe is het Europese woord ‘konijn’ in de Bijbel terechtgekomen? Daarvoor moeten we weer anderhalf millennium in de geschiedenis terugreizen, in dit geval dus vooruit, naar het jaar 1500. Het Europese christendom dreigde door de Reformatie in tweeën te scheuren. Toen Maarten Luther in Wittenberg aan zijn baanbrekende bijbelvertaling werkte, kwam hij in oude teksten het Phoenicisch-Hebreeuwse woord shaphan tegen, zonder te weten welk dier daarmee bedoeld werd. Hij had waarschijnlijk nog nooit van een klipdas gehoord, laat staan er een met eigen ogen gezien. Kon het een Franse daman zijn, een gewone hamster, of wellicht de toen zojuist ontdekte exotische cavia? Uiteindelijk koos hij een naam waarvan hij dacht dat zijn eenvoudige publiek die wel zou begrijpen: ‘konijn’. Dat is de naam van hetzelfde inheemse dier dat de Phoeniciërs waren tegengekomen op het Iberische schiereiland. Rest nog te vermelden dat het woord ‘konijn’ waarschijnlijk een Baskische oorsprong heeft. Als ‘untxi’ zou dit dan via het Latijnse ‘cuniculus’ en het oud-Frans ‘conin’ als ‘kaninchen’ en ‘konijn’ in de Noord-Europese talen terecht zijn gekomen, om uiteindelijk via Luther met terugwerkende kracht in de Psalmen van Koning David verzeild te raken.

Eeuwenlang hebben er dus abusievelijk konijnen rondgehuppeld in de bijbel. Tegenwoordig helpen christenen God een handje: in de nieuwere bijbelvertalingen zijn alle ‘konijnen’ verdwenen, en klauteren er weer klipdassen rond in de donkere spleten van de Heilige Schrift. Overigens kan men in Israël naast klipdassen tegenwoordig ook èchte konijnen tegenkomen: de oude Romeinen hebben deze ooit geïmporteerd vanuit hun Spaanse koloniën. Zodoende is door bijna onnavolgbare historische, evolutionaire en linguïstische wendingen de Phoenicische rotsspringer of klipdas uit het oude Palestina, de shaphan oftewel ‘de-in-het-verborgen-levende’, het onwaarschijnlijke neefje van de neushoorn, de olifant en de zeekoe, via de Griekse reuzenspitsmuis, het Spaanse konijn en Luthers beruchte vertaalfout in de Psalmen van de Oudtestamentische Koning David terechtgekomen, om daar uiteindelijk (als het spreekwoordelijke konijn uit de hoge hoed) weer op wonderbaarlijke manier uit te verdwijnen.


Literatuur

(anon.) The Pictorial Museum of Animated Nature. London, Charles Knight (2 delen, 1860’s)

Anthon, Charles: A System of Ancient and Mediaeval Geography. New York: Harper & Brothers, 1850.

Gotch, A.F.: Latin Names Explained. A Guide to the Scientific Classification of Reptiles, Birds & Mammals. London: Blanford Press, 1995

Grzimek, Bernhard: Het leven der dieren, deel XII Zoogdieren 3. Utrecht/Antwerpen: Uitgeverij Het Spectrum, 1973.

Gervais, M. Paul: Histoire naturelle des mammifères 2. Paris: L. Curmer, 1855.

Hahn, Herbert: Von Baum-, Busch- und Klippschliefern. Wittenberg Lutherstadt: A. Ziemsen Verlag, 1959 (Zum Ehren Charles Darwins, anläßlich der 100jährigen Wiederkehr des Erstveröffentlichungstages seiner Arbeit “Die Entsthehung der Arten”).

Macdonald, David (ed.): The Encyclopaedia of Mammals: 2. London: Guild Publishing, 1984.

Schouten van der Velden, Adriaan: Dieren uit de Bijbel. Een inventarisatie en beschrijving. Nijkerk: Callenbach, 1992.

Geplaatst in Evolutie, Reizen, Zoologie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Shunga: Japanse porno, christenen en lentekriebels

Seks in de tempel, het bad, de tuin, of in de kinderkamer, seks met honden, ezels, apen, koeien, olifanten, octopussen of stekelroggen, seks met priesters, shoguns en samoerai, poep-, plas- of okselseks, seks met opa’s, oma’s, kleinkinderen, goedkope geisha’s of dure lustjongetjes, seks met kunstvagina’s of dubbele kunstpenissen, softe vanilleseks met vaginale plezierballetjes of brute gangbangseks, achterstevoren- of onderstebovenseks: niets menselijks was de gewone Japanner in de Edo-periode (1602-1868) vreemd.

Japan is geen christelijk land. Slechts één procent van de bevolking hangt deze geïmporteerde, zogenaamd monotheïstische religie aan. Dat heeft het keizerrijk te danken aan de beruchte shoguns (‘generaals’), die het land eeuwenlang in een ijzeren greep hielden. Deze vaak atheïstische alleenheersers gooiden vanaf het begin van de 17de eeuw alle Europese missionarissen systematisch het land uit, of hingen hen, bijvoorbeeld, ondersteboven in mestputten totdat zij gestikt waren in hun eigen uitbraaksels. Toen christenen ondanks (of liever, dankzij) die gruwelen toch naar Japan bleven komen, werden zij met honderden tegelijk vermoord. Ondanks nieuwe stromen enthousiaste martelaren bleek de strategie van de meedogenloze shoguns uiteindelijk effectief. Rond het midden van de zeventiende eeuw was er (officieel) geen enkele christen meer in het hele Japanse keizerrijk te vinden. De Hollanders ontkenden wijselijk van hetzelfde geloof te zijn als dat van hun zakelijke concurrenten, de katholieke Portugezen en Spanjaarden. Dat had weinig met theologie te maken. De winsten die uit het exotische eilandenrijk werden gehaald waren namelijk zo exorbitant dat al te openlijk evangeliseren bijzonder nadelig voor de negotie zou zijn. Juist vanwege die opstelling hadden de Hollanders als enige Europeanen toestemming om Japan binnen te komen. De door de wol geverfde shoguns geloofden overigens niets van wat hun over het christelijk geloof geprobeerd werd wijs te maken. Zij dwongen de Hollanders alle verderfelijke bijbels aan boord te houden, in een verzegelde kist, zodat geen enkele Japanner met de in hun ogen agressieve namaak-religie besmet zou kunnen worden. De Hollanders (in Japanse ogen slechts ongewassen, stinkende ‘roodharige barbaren’) werden om die manier van zakendoen overal in Europa beschimpt. Men vond dat de hypocriete protestanten zichzelf in het bijzonder en het christendom in het algemeen vernederden door religieuze principes te verkwanselen voor ordinaire pecunia. De vrijzinnige Japanners op hun beurt waren weer geschokt door de opvallende preutsheid van de openlijk homofobe christenen. Als het de Europeanen gelukt zou zijn om heel Japan te kerstenen was het land waarschijnlijk de Filipijnen achterna gegaan. De inheemse cultuur van dat nabijgelegen eilandenrijk is vernietigd door katholieke zeloten die, simpel gezegd, over meer vuurwapens beschikten dan de inheemse bevolking. In het machtige Japan hadden de shoguns juist meer geweren (ook al hadden zij die ooit weten te verkrijgen van de Europeanen), en kon een originele, door christenen verafschuwde pornografie blijven bestaan, en zelfs tot grote bloei komen. Dankzij de lange en rijke eigen geschiedenis, de relatief afgesloten cultuur in de Edo-periode, de verwende burgerij van de grote steden en de vele geniale kunstenaars die zich niet te goed voelden om seksualiteit onverbloemd uit te beelden ontstond de typisch Japanse erotische of pornografische prentkunst die shunga (‘voorjaarsbeelden’ of ‘lentekriebels’) wordt genoemd.

Seks is voor christenen altijd een glibberig terrein geweest, zowel op het heteroseksuele, homoseksuele als pedoseksuele vlak. Waarschijnlijk is dit te danken aan het feit dat seks als primaire, darwinistische natuurkracht haaks staat op alle zogenaamd goddelijke aanspraken op universele alleenheerschappij. Japanners aanbaden meerdere (natuur)goden tegelijkertijd, en deden daarom misschien minder moeilijk over hun zogenoemd hogere of lagere lusten (een hiërarchisch onderscheid dat sowieso niet in de vrije natuur maar slechts in de hoofden van christenen voorkomt). Alles was mogelijk, alles werd gepraktiseerd. Er zijn Japanse keizers geweest die zo gehecht waren aan het vorstelijke stoeien met hun lustjongetjes, dat zij door hun eigen hofdignitarissen gedwongen moesten worden om te trouwen, met een vrouw. Overigens lieten veel christelijke Hollanders zich op het eilandje Dejima bij Nagasaki regelmatig duur verwennen door Japanse prostituees, die zij tussendoor ook nog eens misbruikten om kostbare goederen naar hun eigen pakhuizen te smokkelen. Ook Japanners gaven zich vanzelfsprekend over aan allerlei seksuele uitspattingen, maar zij deden dat blijkbaar schaamtelozer, onbevangener, met meer plezier, en minder schuldgevoel.

Rond 1800 was Utamaro Kitagawa (ca 1753-1806) in het genre van de shunga de belangrijkste kunstenaar. Deze hartstochtelijke liefhebber van mooie meisjes in de hoerenwijk Yoshiwara in Edo (het huidige Tokyo) stuwde de kunst van de erotische houtgravure tot nauwelijks geëvenaarde hoogten op. Het woord shunga wordt ook wel vertaald als ‘kussenplaatjes’ of ‘lachbeelden’, waarbij het Japanse woord voor ‘lachen’ ook als ‘masturberen’ opgevat kan worden. Alle seksuele anatomie op de prenten van Utamaro is tot buitengewone proporties opgeblazen, wat de Japanse shunga onderscheidt van de veel realistischer, en daardoor huiselijker ogende Chinese erotische prentkunst. De 19de-eeuwse Franse japanofiel Edmond de Goncourt schreef in zijn dagboeken dat Utamaro zelfs als ‘de Michelangelo van de penis’ beschouwd kon worden. Deze even gewaagde als originele opmerking zal iedereen die Utamaro’s schitterende shunga heeft gezien onmiddellijk willen beamen. De enige die wat brute erotische artisticiteit betreft in zijn buurt komt is de 85-jarige Pablo Picasso, die bijna twee eeuwen later zijn meest vrijgevochten, spectaculaire en pornografische olieverfschilderijen produceert. Maar deze grootste kunstenaar van de 20ste eeuw was dan ook een groot bewonderaar van zijn Japanse voorganger.

Eén van de vele andere originele Japanse kunstuitingen is de netsuke of gordelknoop, bij een groter publiek bekend geworden door de historische roman van Edmund de Waal: The Hare With Amber Eyes (vertaald als De haas met de amberkleurige ogen). In dit boek wordt het verhaal verteld van een kostbare netsuke-verzameling in de familie van de schrijver. Japanners zouden niet zo’n bijzonder volk zijn, als zij vervolgens niet op het vruchtbare idee van de shunga-netsuke waren gekomen: een gordelknoop bestaande uit pornografische figuren. Hiernaast afgebeeld ziet u een voorbeeld van deze verrukkelijke miniatuurkunst. Deze bestaat uit twee delen: een vrolijk kijkende, onmiskenbaar opgewonden man en een gelukzalig glimlachende, gretig afwachtende maar bepaald niet slaafse vrouw, gezamenlijk op de meest natuurlijke manier in- en uitschuifbaar. Netsukes werden vaak uit ivoor vervaardigd, maar deze gesigneerde, dubbele shunga-netsuke is uit sensueel, bijna geil glanzend beukenhout gesneden. Na de Meiji-restauratie in 1868 mochten christenen voor het eerst in tweeënhalve eeuw Japan weer binnenkomen. Eén van de eerste dingen die deze (nu eens onbeschaamde) zeloten hun al te welwillende gastheren probeerden te verbieden was de openlijke seksuele cultuur die zij overal in hun gastland meenden te ontwaren. Vaak slaagden zij daarin. Het eeuwenoude gemengd-baden, bijvoorbeeld,  werd waar mogelijk zo snel mogelijk afgeschaft. Maar de hier afgebeelde, fijnzinnige dubbele shunga-netsuke is aan die hypocriete christelijke kaalslag glansrijk ontsnapt. Het is een bescheiden ode aan de grootse, kunstzinnige, geëmancipeerde en onbeschaamde erotiek van de Japanse volkscultuur in de Edo-periode.

Literatuur
Boxer, C. R.: The Christian Century in Japan 1549-1650. Berkeley and Los Angeles: University of California Press, 1967.
Calza, Gian Carlo: Poem of the Pillow and Other Stories by Utamaro, Hokusai, Kuniyoshi and Other Artists of the Floating World. New York, Phaidon, 2010.
Evans, Tom and Mary Anne: Shunga. The Art of Love in Japan. New York, Paddington Press, [1975].
FagioliI, Marco: Shunga. Ars Amandi in Japan. Tübingen-Berlin: Ernst Wasmuth Verlag, 1998.
Forman, Werner: Japanese Netsuke. London: Spring Book, 1960.
Goncourt, Edmond de: Utamaro. New York: Parkstone, 2008.
Hereu / Serra (foreword / preface): Secret Images. Picasso and the Japanese Erotic Print. London: Thames and Hudson, 2010.
Klompmakers, Inge: Japanese Erotic Prints. Shunga by Harunobu & Koryûsai. Leiden & Boston: Hotei Publishing, 2008.
Krauss, Friedrich S.: Japanisches Geschlechtsleben. Abhandlungen und Erhebungen über das Geschlechtsleben des Japanischen Volkes. Hanau: Verlag Karl Schustek, 1965. 1965.
LongstreetT, Stephen and Ethel: Yoshiwara: City of the Senses. New York: David McKay Company, 1970.
Marhenke, Dorit, Ekkehard May (Texten): Shunga. Erotic Art in Japan. Heidelberg, Edition Braus, 1995.
Pflugfelder, Gregory M.: Cartographies of Desire. Male-Male Sexuality in Japanese Discourse, 1600-1950. Berkely. Los Angeles. London: University of California Press, 1999.
Saikaku, Ihara: The Great Mirror of Male Love. (transl. Schalow) Stanford, California: Stanford University Press, 1990.
Screech, Timon: Sex and the Floating World. Erotic Images in Japan 1700-1820. Honolulu: University of Hawai’i Press, 1999.
Hunga. Japanese Erotic Art. (foreword Shirakura Yoshihiko). Tokyo: Pie Books, [2008].
Tresmin-Trémouliéres: Yoshiwara. Die Liebesstadt der Japaner. (Übersetzung Bruno Sklarek) Berlin: Louis Marcus Verlagsbuchhandlung, [1920].
Uhlenbeck, Chris & Margarita Winkel: Japanese Erotic Fantasies. Sexual Imagery of the Edo Period. Amsterdam: Hotei Publishing, 2005.
Utamaro, Kitagawa: Kopfkissenbuch. Berlin (DDR): Berliner Verlag, 1989
Vos, Frits: ‘Forgotten Foibles – Love and the Dutch at Dejima (1641-1854)’ in: Lydia Brüll und Ulrich Kemper (Herausg.): Asien. Tradition und Fortschritt. Festschrift für Horst Hammitzsch zu seinem 60. Geburtstag. Wiesbaden: Otto Harrasowitz, 1971.
Waal, Edmund de: The Hare With Amber Eyes. The Illustrated Edition. London: Chatto & Windus, 2011.
Williams, Harold S.: Shades of the Past or Indiscreet Tales of  Japan. Tokyo, Japan & Rutland, Vermont: Charles E. Tuttle Company, [1959].
Geplaatst in Reizen, Vrijdenkerij | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen