Berthe Hoola van Nooten gekiekt. Een originele Woodbury & Page-carte de visite herontdekt en enige andere wetenswaardigheden rondom een voormalig buffelsveld.

‘Oh, for a lovelier faith!’
(Berthe Hoola van Nooten, Galveston, aan John Dunlap, New Orleans, 24 januari 1855)

Om en nabij het Koningsplein

Gang Scott ca 1880

afb. 1) Woodbury & Page: Gang Scott ca 1880.

Batavia, juni 1857. De Nederlandse magistratenweduwe Berthe Hoola van Nooten née Van Dolder (1817-’92) woont in de Gang Scott (tegenwoordig Jalan Budi Kemuliaan), een van de oudste, meest chique en schilderachtige lanen van de toenmalige hoofdstad van Nederlands-Indië. Berthe heeft in haar woelige leven flink wat tegenslagen te verduren gekregen maar lijkt nu eindelijk geluk te hebben. Zij mag logeren in het ‘splendid house’ van haar succesvolle halfbroer en zakenman in suiker Vincent Jacob van Dolder (1815-’76), ‘surrounded by every luxury of an eastern life’.1 Dit is het welgestelde blanke Indische milieu dat later honderden keren gefotografeerd zal worden door Walter Bentley Woodbury (1834-’85) en James Page (1833-’65), twee jonge, destijds nog onbekende Engelse fotografen die zojuist op Java zijn aangekomen. In de daaropvolgende maanden en jaren zal het ambitieuze viertal op verschillende en tot nu toe onontrafelde manieren met elkaar te maken krijgen.

2) Koningsplein, 'Kadastrale overzichtskaart der afdeeling Batavia, 1874-6', Algemeen Rijksarchief Den Haag (uitsnede; pijlen met bijbehorende teksten toegevoegd)

afb. 2) Koningsplein, ‘Kadastrale overzichtskaart der afdeeling Batavia, 1874-6’, Algemeen Rijksarchief Den Haag (uitsnede; pijlen met bijbehorende teksten toegevoegd; op het Europese kerkhof Tanah Abang lag Berthe begraven).

Iets verder naar het oosten, op de hoek van de Gang Scott met het fashionable Koningsplein, staat de in het groen verscholen villa die ooit eigendom was van een zekere Robert Scott. Deze achterneef van de beroemde Sir Walter ‘Ivanhoe’ Scott was onder andere werkzaam geweest als waarnemend havenmeester in Semarang voordat hij na het Engelse tussenbestuur op Java als succesvol zakenman in 1820 te Batavia neerstreek. Aan de toen nog open vlakte ten zuiden van het Koningsplein (waarvan een gedeelte ook wel Buffelsveld of liefdevol Buffeltje werd genoemd2) had hij zijn monumentale huis laten bouwen, in de eigenhandig aangelegde en daarom naar hem vernoemde laan. Precies in dat hoekpand had de weduwe Van Nooten op 6 april 1857 een particuliere meisjesschool geopend,3 de vierde in haar leven.

Een nieuwe school

Berthes drie eerdere instituten, ‘Female Seminary’ of ‘Academy for Young Ladies’ genoemd, had zij geleid in achtereenvolgens het Noord-Amerikaanse New Orleans (samen met haar man Dirk, tot zijn overlijden aldaar op 13 september 1847), het nietige Plaquemine (in Parish Iberville, iets hogerop aan de Mississippi, eveneens in Louisiana) en het Texaanse havenstadje Galveston, aan de Golf van Mexico. Nu, in Batavia, aan de andere kant van de wereld, doet zij een nieuwe poging. Alhoewel de hoofdstad van Nederlands-Indië in het midden van de negentiende eeuw duizenden Europese bewoners telt, wordt er door het gouvernement al decennialang geen adequaat meisjesonderwijs meer aangeboden.4, 5 De fris gearriveerde mevrouw Van Nooten hoopt dan ook dat haar nieuwe school in een gezonde en vooral lucratieve pedagogische behoefte zal voorzien.6

Berthe is niet alleen weduwe maar ook een alleenstaande moeder van vijf kinderen. Zij moet ondanks een royale schoolsubsidie van omgerekend zo’n € 15.000,- per maand7 hard werken voor de kost en runt haar instituut dan ook als een moderne, multitaskende schooljuf. Dat betekent dat zij naast alle huishoudelijke verplichtingen en administratieve rompslomp zelf lesgeeft in onder andere geschiedenis, Frans, Engels, tekenen, schilderen, pianospelen, zingen, naaiwerk en, last but not least, bijbellezen.8 Zij wordt daarbij niet alleen geholpen door drie uit Nederland overgekomen ‘geëxamineerde secondantes’ maar ook door haar oudste dochters Maria Philippina en Julia Bertha. Dezen weten haar op moeilijke momenten vaak op te vrolijken.9 Berthes twee zoontjes zitten noodgedwongen op Merchiston Castle School, een uit bruine baksteen opgetrokken jongensinternaat vlak onder Edinburg, in het verre en koude Schotland. Hun drukbezette moeder mist hen, elke dag.10

Intussen lijkt de locatie op de hoek van de Gang Scott niet te voldoen, want Berthe verplaatst haar meisjesinstituut al snel naar een ander pand verderop in de laan, eigendom van een zekere heer Eilbrechts.11 Op dat laatste adres, net als alle andere in de wijk toen nog zonder huisnummer,12 brengt Berthe (uiteindelijk) maar liefst achtenveertig leerlingen onder haar Nederlands Hervormde vleugels. Dit aantal blijkt echter niet voldoende om het voortbestaan van de school te garanderen. Want na allerlei intriges en publiekelijk uitgevochten subsidieproblemen met de Hoofdcommissie van Onderwijs te Batavia moet zij op 1 januari 1859 haar felbevochten onderwijsinstelling alweer sluiten.13

Een paradijselijke hof

Pal aan de overkant in de Gang Scott kijkt Berthe uit op de gloednieuwe, in classicistische stijl ontworpen ‘Armeniaansche’ of St Johannes Kerk (afb. 3). Dit gebouw zal in 1857 ingewijd worden, nadat in 1854 de eerste steen ervan was gelegd door de kort daarvoor opgerichte Bataviase firma E. Chaulan, Deeleman & Co.14

1) Jacobus Anthonie Meessen, ongetiteld, albuminedruk, ca september 1867, de Armeense Kerk op de hoek van de Gang Scott (voorlangs de kerk rechts naar het westen weglopend), het Koningsplein (achter de fotograaf) en de hoek van de tuin van het huis van Berthes meisjesinstituut (rechts).

afb. 3) Jacobus Anthonie Meessen, ongetiteld, albuminedruk, ca september 1867, de Armeense Kerk op de hoek van de Gang Scott (voorlangs de kerk rechts weglopend, richting Tanah Abang in het westen), het Koningsplein (achter de fotograaf) en de hoek van de tuin van het huis van Berthes voormalige meisjesinstituut (rechts).

Enigszins verwarrend ligt de Benedenstad van Batavia in het noorden maar de Bovenstad juist in het zuiden. Ver voorbij het centraal gelegen Molenvliet, aan de ondiepe Javazee, bevindt zich de modderige en stinkende haven, omgord door talloze pakhuizen en volgepakte toko’s. Dat oudste gedeelte van de hoofdstad van Nederlands-Indië is sinds de glorieuze VOC-tijd vervallen geraakt en wordt bezocht door honderden Arabieren, duizenden Chinezen, tienduizenden Indiërs en ontelbare malariamuggen, alle, buiten noodzakelijke kantooruren, zorgvuldig gemeden door hun Europese stadsgenoten. Maar hier, waar Berthe woont, in de Bovenstad, dus in het zuiden, is het ‘rustig, stil en koel’.15 Dit is de wijk waar de allochtone elite resideert, omringd door ruim aangelegde, parkachtige tuinen en ontelbare autochtone bedienden. In deze blanke enclave, waarvan het oostelijke gedeelte toepasselijk Weltevreden wordt genoemd, draait de trendy portretfotostudio van Woodbury en Page overuren en geeft madame Van Nooten onder meer bijbelles aan haar jonge, liefst ‘beschaafde’ élèves. Tenminste, zo lang het duurt. Want al snel na de sluiting van haar school zal Berthe uit deze Indische Hof van Eden verdreven worden, niet door het eten van verboden vruchten, maar wegens mooie principes en lelijk geldgebrek.

Een vroeg portretje

4) Olland & Zn Batavia: fotografie Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860, in handschrift op achterkant (waarschijnlijk van Julius Paul Barth): "Berthe Hoola van Nooten – van Dolder, grootmoeder van Elly van Marle, die haar verzorgde als „Maatji” tot haar 6e jaar in Indië, omdat haar dochter Bertha van Marle – Hoola bij de geboorte van Elly gestorven was (overgrootmoeder van J.P. Barh en B.M. Hupka-Barth)" (© collectie familie Barth).

afb. 4) Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860, in handschrift op achterkant (waarschijnlijk van Julius Paul Barth): “Berthe Hoola van Nooten – van Dolder [.] grootmoeder v. Elly van Marle, die haar verzorgde als „Maatji” tot haar 6e jaar in Indië, omdat haar dochter Bertha v. Marle – Hoola v. Nooten, bij de geboorte van Elly gestorven was [.] overgrootmoeder van J.P. Barth en B.M. Hupka-Barth.” (© collectie familie Barth).

Vooralsnog telt Berthe de zegeningen van haar bijbelse vette jaren. In deze tijd laat zij een portretfoto maken (hier voor het eerst afgebeeld) door de Bataviase firma W.J. Olland & Zoon Java. Uit een van de brieven aan haar Texaanse vriend John G. Dunlap weten we dat zij al eerder een foto van zichzelf had laten maken. Die zogenoemde daguerreotypie had zij hem als aandenken gestuurd bij haar vertrek in de winter van 1855 uit Boston (via Engeland en Nederland) naar Java.16 Op de nieuwe, eveneens ongekleurde foto (‘copien zÿn op aanvraag te verkrÿgen’17) draagt zij een hooggesloten lijfje en een rok van vermoedelijk donkere zijde, ondersteund door een crinoline en een ongetwijfeld met baleinen versterkt korset. Deze constructie zorgt ervoor dat haar boezem discreet maar effectief omhoog wordt gestuwd. Het haar lijkt in een losse wrong gedragen en in het kuiltje van haar hals hangt een ovalen medaillon, met misschien een camee of een portretje. Zij maakt op deze foto een weliswaar modieuze, maar ondanks (of juist dankzij, dat soort zaken liggen netelig) de opgewerkte buste beslist geen onzedelijke indruk. In het warme klimaat van Nederlands-Indië droegen Europeanen graag luchtige zijde, ook al liepen sommigen privé liever in ruimvallende, inlandse kleding rond. Wie deze foto van Berthe liefdevol bekijkt, en hoe zou men anders kunnen, zal niet verbaasd zijn dat de ongeveer vijfenveertigjarige, blonde, goedverzorgde en als deugdzaam poserende weduwe meerdere mannelijke aanbidders van zich af heeft moeten slaan.18

Een lommerrijke laan

Rechts van de Armeense Kerk, dus links voor Berthe, staat een glinsterend witgekalkte villa met een voor de Nederlandse literatuur bescheiden maar bijzondere geschiedenis (afb. 5). In dit pand zal namelijk de romancier Louis Couperus enkele van zijn innig gekoesterde jongensjaren doorbrengen, omgeven door tientallen personeelsleden.19, 20 Op de hier afgebeelde Woodbury & Page-foto’s is goed te zien hoe de lanen in de omgeving van de Gang Scott zijn omzoomd, zelfs bijna overwoekerd, door de tropische vegetatie.

5) Woodbury & Page, ‘Een waringinboom op een huiserf in Gang Scott (Batavia) met op de achtergrond de Armeense kerk’, uit: ‘Indrukken van Indonesië, Jawa (Java)’, circa 1870, op registratiekaart geplakte fotografie; genomen op de hoek van het Koningsplein (rechtsachter de fotograaf) en de Gang Scott (rechts, in de verte weglopend richting Tanah Abang in het westen), met pal achter de fotograaf de Gang Holle, op de voorgond het huis waarin volgens Rob Nieuwenhuys de jonge Louis Couperus heeft gewoond, in het midden de rechterzijkant van de voorgevel van de Armeense Kerk en helemaal rechts op de foto (net niet zichtbaar) ) de tuin van het voormalige huis van Robert Scott waar in 1857-‘58 Berthes meisjesschool in gevestigd is; de foto moet gemaakt zijn vanuit de tuin van het huis van Mrs Bain, de ‘landlady’ van Woodbury en Page in 1857.

afb. 5) Woodbury & Page, ‘Een waringinboom op een huiserf in Gang Scott (Batavia) met op de achtergrond de Armeense kerk’, uit: ‘Indrukken van Indonesië, Jawa (Java)’, circa 1870, op registratiekaart geplakte fotografie; genomen op de hoek van het Koningsplein (rechtsachter de fotograaf) en de Gang Scott (rechts, in de verte weglopend richting Tanah Abang in het westen), met pal achter de fotograaf de Gang Holle, op de voorgrond het huis waarin volgens Hein Buitenweg in zijn Zo kenden wij Batavia de jonge Louis Couperus heeft gewoond (maar die in zijn Baren en oudgasten op pag. 147 juist het hoekpand in de noordelijker gelegen Gang Secretarie in die hoedanigheid noemt), in het midden de rechterzijkant van de voorgevel van de Armeense Kerk en helemaal rechts op de foto (net niet zichtbaar) ) de tuin van het voormalige huis van Robert Scott waar in 1857-‘58 Berthes meisjesschool in gevestigd is; de foto moet gemaakt zijn vanuit de voortuin van het huis van Mrs Bain, de ‘landlady’ van Woodbury en Page na hun aankomst op Java in 1857.

De jonge Couperus is niet de enige voor wie dit onvergetelijk is. De schrijver Arthur van Schendel en later de dichter Leo Vroman hebben eveneens in dit laantje gewoond, onder het verkoelende bladerdak van hoog oprijzende vlam-, klapper-, banyan-, tamarinde-, kanari- en waringinbomen. Dit herinnert Vroman zich, tientallen jaren daarna:

Poinsettia regia

afb. 6) Madame Berthe Hoola van Nooten: Fleurs, fruits [etc] de L’île de Java [etc], ongenummerde plaat ‘Poinciana Regia’ [= Delonix regia, vlamboom of pauwenbloem], chromolithografie.

Er was grind en er waren hoge bomen, en struiken met paarse en rode bloemen.21

Van Schendel verwoordt het in zijn Jeugdherinneringen als volgt, beknopt, betoverend:

Wij liepen over gras onder donkere bomen, het Koningsplein. Wij woonden in de Gang Scott.22,

terwijl Hella Haasse op het einde van haar leven (in een aan Rob Nieuwenhuys gewijde tekst in de Indische Letteren) zich nog levendig de ‘mooie grote woningen’ rondom het Koningsplein en in de Gang Scott en Gang Holle uit haar jeugd voor de geest kan halen.23

Ook de Franse graaf en wereldreiziger Ludovic de Beauvoir (1846-1929) is enthousiast over de Indische hoofdstad. Maar hij blijkt over rijkelijk meer flux de paroles te beschikken dan de nuchtere Hollanders. Zijn beschrijving van Batavia, dat wil zeggen, het Europese quartier, de wijk waar Berthe woont, klinkt als volgt:

Oh! De feeërieke tuin, het paradijselijke groen! Werkelijk, in Batavia zijn geen straten, er zijn slechts majestueuze lanen, overhuifd door de mooiste bomen met de weelderigste kruinen die brede en eindeloze wandelpaden overkoepelen, zoals men die in Europa slechts in de decors van de Opéra ziet [vert. ondergetekende].24

. Le Comte de Beauvoir: Voyage autour du Monde. Paris: E. Plon et Cie, 1867

afb. 7) Le Comte de Beauvoir: Voyage autour du Monde [Java]. Paris: E. Plon et Cie, 1867, frontispice, houtgravure.

Vermoedelijk heeft de eloquente comte tijdens zijn bezoek in november 1866 ook de Gang Scott in de ‘ville neuve’ (de Bovenstad, in het zuiden) bezocht, want hij beeldt daarvan een houtgravure af als frontispice van zijn reisverslag (afb. 7). De prent van een bijna jungle-achtig overwoekerd laantje blijkt gebaseerd op een originele albuminedruk die Walter Woodbury en James Page circa mei 1863 gemaakt hadden. (afb. 8). Misschien heeft De Beauvoir deze plaat ter plekke van het Engelse duo gekocht en meegenomen naar Parijs, waar in het jaar daarop de eerste twee delen (Java en Australie) van zijn prompt bestsellende reisdagboek verschenen. Ook Berthe Hoola van Nooten heeft met de twee fotografen te maken gehad, op een wijze die bijna niemand buiten haar familie tot voor kort kon vermoeden. We maken een korte wandeling.

6) Woodbury & Page, ‘Gang Scott in Weltevreden te Batavia [richting Tanah Abang in het westen]‘, uit: ‘Vues de Java Photographies par Woodbury & Page Batavia’, albuminedruk, tot nu toe gedateerd als ‘circa 1875′ maar vanwege het hieronder genoemde en getoonde reisverslag van Comte de Beauvoir niet laten genomen dan 1867 (links verscholen in het groen de Armeense Kerk, rechts een stukje van de tuin van het huis waar Berthe haar meisjesinstituut had).

afb. 8) Woodbury & Page, ‘Gang Scott in Weltevreden te Batavia [richting Tanah Abang in het westen]‘, uit: ‘Vues de Java Photographies par Woodbury & Page Batavia’, albuminedruk, tot nu toe soms gedateerd als ‘circa 1875′ maar waarvan de originele foto vanwege het hierboven besproken en getoonde reisverslag van Comte de Beauvoir niet later genomen kan zijn dan 1867; links verscholen in het groen de Armeense Kerk, rechts het bruggetje naar de tuin van Berthes voormalige meisjesinstituut.

Bijzondere buren

Tijd is relatief, zeker in het 19de-eeuwse Nederlands-Indië. Als men vanaf de Armeense Kerk in de Gang Scott ontspannen oostwaarts loopt, langs de zuidkant van het Koningsplein (dat zo uitgestrekt is dat er nog maar twintig jaar daarvoor een heus jachtverbod op los rondlopend wild was uitgevaardigd25), de deftige Gang Holle, officieel ‘Sterreweg’ genoemd,26 aan de rechterhand houdend, richting het gebouw van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging (het wetenschappelijk instituut waar Berthe in 1863 lid van zou worden27) en de zuidoostelijke wijk Parapattan (‘viersprong’), met in de verte bijna zichtbaar het dak van de in 1828 gebouwde, bescheiden en anno 2016 nog altijd in het frisgroen verscholen, witgekalkte ‘kleine, doch nette Engelsche Kerk’28 (die Berthe volgens eigen zeggen liever bezoekt dan de tien jaar jongere Willemskerk van haar eigen Nederlands Hervormde gemeente aan de oostkant van het plein29), dan doemt al snel de villa van een zekere Mrs Bain op, telg uit een Schots geslacht dat al minstens een eeuw in Batavia gevestigd is (afb. 2). Deze gastvrije dame stelt vanaf 5 juni 1857 een gedeelte van haar huis ter beschikking aan Walter en James, inclusief hun atelier.30 Haar adres verklaart overigens waarom er van juist deze zuidwestelijke hoek van het Koningsplein verschillende Woodbury & Page-foto’s uit die tijd bekend zijn. De albuminedruk van het huis van Louis Couperus (afb. 5) moet ruim tien jaar later gemaakt zijn vanuit haar royale voortuin, links in de richting van de Gang Scott. Voordat de avontuurlijke Walter en James arriveerden in Batavia hadden zij, als velen destijds, in het nog jonge Australische Melbourne geprobeerd goud te delven. Later waren zij in dezelfde stad, uitzonderlijker, een eenvoudige fotostudio begonnen.31 Maar pas in de high society van Batavia wordt het tweetal succesvol en, helaas kortstondig, flink gefortuneerd, onder de naam Photographisch Atelier van Woodbury & Page, kortweg als de Firma Woodbury & Page.

Albert en Henry James Woodbury

afb. 9) Albert en Henry James Woodbury, carte de visite, Batavia ca 1865, albuminedruk.

Dankzij de duizenden fotografieën die zij (en later ook Henry James en Albert, respectievelijk Walter Woodbury’s jongere en jongste broer) hebben gemaakt van onder andere Batavia en haar bevolking weten wij hoe de blanke Indische samenleving er in contemporaine ogen uitzag (of eruit behoorde te zien).32 Vanaf het begin van de jaren ’60 vervolmaken zij de zogeheten Woodburytype, een gelatineuze, korrelloze en gloedvolle afdruktechniek die mede is uitgevonden door hun landgenoot Joseph Wilson Swan. Volgens velen is dit het mooiste fotografische procedé ooit ontwikkeld, ‘a pinnacle of photographic achievement’.33 In de decennia daarna laten zelfs vips als Charles Darwin en koningin Victoria zich vereeuwigen met behulp van deze reproduceermethode, die uitgerekend hier aan het voormalige Bataviase Buffelsveld voor het eerst het prille daglicht zag. Nauwelijks twee maanden voordat de bijna ontroerend jonge Woodbury (afb. 9) zal aankomen op de tot Koningsplein gepromoveerde kale grasvlakte, was Berthe haar meisjesschool gestart in het hoekpand van de Gang Scott, aan de overkant van het huis van Mrs Bain. Het toeval wil dat de Engelse Woodbury en Page met hun Schotse landlady en de Hollandse Berthe met haar welvarende halfbroer, gastheer en ‘suikeroom’ Vincent Jacob bijna een half jaar lang met z’n vijven schuin tegenover elkaar zullen blijven wonen en werken. Het kan niet anders of zij hebben elkaar in de tijd regelmatig, misschien wel dagelijks, gezien en gesproken. Maar er is meer over deze connectie te ontdekken.

Een kostbaar kiekje

Vincent Jacob van 8) Walter Bentley Woodbury, fa. Woodbury & Page, Java: ‘Vincent Jacob van Dolder’, carte de visite, fotografie, met de hand gedateerd '1862', Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie

afb. 10) Vincent Jacob van Dolder door Walter Bentley Woodbury, fa. Woodbury & Page, Java: ‘Vincent Jacob van Dolder’, carte de visite, fotografie, met de hand gedateerd ‘1862’, Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie

Vincent Jacob van Dolder is een even gehaaide als succesvolle zakenman. Hij kan het zich in 1862 dan ook veroorloven om Woodbury en Page (waarvan de eerste inmiddels was verhuisd naar een eigen, prestigieuze locatie in de Gang Secretarie aan de  noordkant van het Koningsplein34) een portretfoto te laten maken voor zijn carte de visite (afb. 10). Ook al werden deze kaartjes hartstochtelijk verzameld, fotografie was in die tijd bepaald geen sinecure. Alleen de blanke Bataviase elite kon zich deze opwindende nieuwigheid veroorloven. Volgens een contemporaine krantenadvertentie moeten geïnteresseerden maar liefst f 20,- per foto-afdruk neerleggen, dat is omgerekend zo’n € 200,-.35 Weliswaar zal deze prijs binnen enkele jaren door de al snel opkomende concurrentie meer dan gedecimeerd worden, maar Berthe zou zulke bedragen sowieso nooit hebben kunnen betalen. Zij was nog maar enkele jaren daarvoor volkomen berooid uit Noord-Amerika overgekomen36 en vooralsnog geheel aangewezen op de gunst en hulp van haar half geliefde, maar door zijn losse levenswandel ook half gehate stiefbroer.

Een indringende blik

Ondanks dit alles is er nu bij Berthes directe afstammelingen in Nederland een originele Woodbury & Page-carte de visite opgedoken. Dit mag een klein mirakel genoemd worden, een verschijnsel dat de virulent anti-rooms-katholieke Berthe waarschijnlijk niet als zodanig had weten te waarderen. Het haarscherpe fotoportretje (12,5-15 cm, afb. 11) is ongekleurd, ongetiteld en ongedateerd.

11) Woodbury & Page Photographers Java, carte de visite, fotografie, ongetiteld, ongedateerd, met de hand bijgeschreven ‘Bartha H.P. van Dolder (1.6 [= hoofdstuknummer in familie-album familie Barth])’, omstreeks 1880, © collectie familie Barth.

afb. 11) Woodbury & Page Photographers Java, carte de visite, fotografie, ongetiteld, ongedateerd, met de hand bijgeschreven ‘Bartha H.P. van Dolder (1.6 [= hoofdstuknummer in familiealbum familie Barth])’, omstreeks 1880, © collectie familie Barth.

Als de door familie-archivaris Julius Paul Barth (1910-‘94) geschreven datum (‘1878’) op de achterkant van het visitekaartje correct is, zou de foto gemaakt kunnen zijn naar aanleiding van Berthes eenenzestigste verjaardag op 12 oktober van dat jaar.37 Het portret wordt hier voor het eerst afgebeeld. Berthe (door Julius Paul ‘Bartha’ genoemd, haar doopnaam), draagt nu, heel modern, niet langer een prangend korset zoals dat onder haar kleding was te ontwaren op de Olland-foto van zo’n twintig jaar eerder, maar een ruimvallend en comfortabel manteltje, dat is afgezet met een fraai zogenoemd passement, handgeborduurd met florale motieven. Rond de hals beschermt de wat losse ruche van de chemise het kostbare bovenkleed. Op de foto oogt Berthe frêle, bijna meisjesachtig.

11) Madame Hoola van Nooten: 'Fleurs, fruits [etc] de l’Île de Java [etc]'', plaat 'Nephelium Lappaceum' [ramboetan], chromolithografie.

afb. 12) Madame Hoola van Nooten: Fleurs, fruits [etc] de l’Île de Java [etc], ongenummerde plaat ‘Nephelium Lappaceum Jack.’ [= Nephelium lappaceum Correa, ramboetan], chromolithografie.

Wie echter langer haar enigszins scheefhoekige blik durft te pareren zal merken dat deze steeds helderder lijkt te worden, opmerkzamer en zelfs indringender. Is dit misschien illusie, omdat wij, terugblikkend, weten hoeveel dierbaars zij in haar leven heeft moeten achterlaten en hoe zij dit door stugge volharding toch te boven is gekomen? Er zijn ook duidelijker aanwijzingen voor haar standvastigheid. Slechts enkele jaren voordat deze foto door de firma Woodbury & Page genomen werd, krijgt Berthe bezoek van de rijke, onafhankelijke Engelse wereldreizigster Marianne North. Deze schrijft in haar postuum uitgegeven Recollections of a Happy Life dat ze weliswaar geschokt is door de armoedige staat waarin ‘madame Van Nooten’ verkeert, maar dat Berthe ‘interesting and most enthousiastic’ is en onvermoeibaar vertelt over haar botanische werk (afb. 12).38 Dit delicaat ogende dametje is heel wat veerkrachtiger dan men op het eerste gezicht zou denken.

Trouble in Paradise

'Magdalena. Evangelisch Jaarboekje. 1876.'

afb. 13) Magdalena. Evangelisch Jaarboekje. 1876.

Twintig jaar hiervoor, in de paradijselijke hof van Weltevreden waarmee deze bescheiden Javaanse kroniek begon, blijkt intussen niet alles pais en vree. Berthe krijgt bonje met haar schuinsmarcherende halfbroer en diens eigenzinnige maîtresse.39 Na hoogoplopende ruzies vertrekt zij begin 1860 uit de Gang Scott en verhuist naar Buitenzorg (Bogor), zo’n zestig kilometer ten zuiden van Batavia, richting de koelere bergen van het Javaanse binnenland. Daar zal zij vanaf het einde van dat jaar aan de Grote Postweg opnieuw een eenvoudige ‘opvoedings-Inrigting’ starten ‘voor [twaalf] meisjes van den beschaafden stand’,40 voor de vijfde en laatste keer in haar leven. Pal aan de overkant van de straat ligt westingang van de vermaarde plantentuin waar zij inspiratie opdoet voor haar monumentale Java-boek. Het voorwoord hiervan schrijft zij al in juli 1862 maar het werk zal pas in 1863-’64 te Brussel gepubliceerd worden. In 1873 verkast Berthe opnieuw, ditmaal definitief, naar Selipi, ten westen van Batavia. Haar tweede dochter Julia Bertha, die net als Maria Philippina zo’n grote steun was geweest op de meisjesschool in de Gang Scott, zal al op jonge leeftijd in 1874 overlijden. Dit is voor Berthe (zowel getroost als gekweld door haar geloof) aanleiding om een aangrijpende zedenschets en bijpassend tranentrekkend treurgedicht te schrijven. Deze worden beide in 1876 onder het pseudoniem ‘B.’ te ‘Java’ gepubliceerd in het te Amsterdam verschijnende Evangelisch Jaarboekje Magdalena (afb. 13).41 De baten van deze protestantse almanak kwamen ten goede aan de Vereeniging het Asyl Steenbeek te Amsterdam. Dat tehuis was ooit opgezet ter ‘opbeuring’ van ‘boetvaardige’ en tot ‘christelijke inkeer’ gekomen ‘gevallen vrouwen’,42 dat wil zeggen, ex-prostituees, zoals, volgens kwade roomse tongen, Jezus’ eigen echtgenote, de lichtzedige Maria Magdalena.

10) Woodbury & Page, “Boek- en bureauhandel G. Kolff & Co. [...] aan de Pasar Pisang te Batavia”, albuminedruk, circa 1865-’72; in deze bekende Bataviase boekwinkel zal ook Berthes grote Java-boek verkocht zijn.

afb. 14) Woodbury & Page, “Boek- en bureauhandel G. Kolff & Co. […] aan de Pasar Pisang te Batavia”, albuminedruk, circa 1865-’72; in deze bekende Bataviase boekwinkel zal ook Berthes grote Java-boek verkocht zijn.

Epiloog

Christenen of ketters, heiligen of hoeren, in het aangezicht van God is iedereen gelijk, alhoewel sommigen gelijker blijken dan anderen. Ondanks, of juist vanwege, haar literaire aspiraties zou zelfs de devote Berthe net als vrijwel elke andere aardse ziel binnen enkele generaties volkomen vergeten zijn, ware het niet dat zij verantwoordelijk is voor een van de mooiste Indische florilegia van de negentiende eeuw, het anno 2016 nog altijd even zeldzame als peperdure Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java.43 Samen met de nu ontdekte en hier gepubliceerde originele Woodbury & Page-foto heeft zij daarmee alsnog de eeuwigheid verworven waar zij haar leven lang intens naar verlangde, alhoewel op een andere manier dan zij zich waarschijnlijk had voorgesteld.

Java Bode 1863, met een advertentie van Woodbury & Page boven een annonce van de tweede druk van Berthes Java-boek (verkoopprijs fl 85,- of ca € 850,-).

afb. 15) Java Bode 1866, met een advertentie van Woodbury & Page boven een annonce van de tweede druk van Berthes Java-boek (verkoopprijs fl 85,- of ca € 850,-).

Ook Woodbury’s aardse bestaan zal niet verlopen zoals hij stellig nog hoopte toen hij als jong, gezond en succesvol society-fotograaf aan het vorstelijke Koningsplein resideerde. Nadat hij is geremigreerd naar Europa blijkt hij ongeneeslijk ziek te zijn. Walter besluit het onvermijdelijke einde niet af te wachten en tijdens een korte, al te korte vakantie samen met twee van zijn dochters in de Engelse badplaats Margate overlijdt de ondertussen berooid, versleten en wanhopig geraakte uitvinder van de alom geliefde woodburytype in 1885 aan een zelf-toegediende overdosis van het verslavende kalmeringsmiddel laudanum.44 Zo vergaat de roem van de wereld. Maar zijn vastberaden voormalige overbuurvrouw Berthe zal het zover nooit laten komen. In de Préface draagt zij haar Javaanse bloemenboek niet alleen op aan Sophie, de onbestorven Koningin der Nederlanden, maar met name ook aan haar andere seksegenoten, haar lotgenoten, bondgenoten, aan alle zorgzame, nederige, maar ook manmoedige, krachtige en volhardende vrouwen van deze wereld.

David Apollonius Coppoolse

Met veel dank aan Jonathan Barth die met zijn enthousiasme het mogelijk maakte om de zich in familiebezit bevindende carte de visite van zijn voormoeder Berthe Hoola van Nooten hier te bespreken en af te beelden, aan Marcel van Dorst dankzij wiens niet-aflatende speurtalent en onwankelbare vriendschap Berthe stukje bij beetje tot leven kan komen, aan de onvermoeibaar kritische en inspirerende An Duits die tevens de mode-aspecten van de hier afgebeelde Berthe-portretten voor haar rekening nam en aan Alle Diderik de Jonge die als altijd consciëntieus commentaar leverde, waarbij vanzelfsprekend alle eventueel gemaakte fouten en tekortkomingen geheel voor rekening van de auteur zijn.
Noten
1) Hoola van Nooten aan Dunlap 10 mei 1856. 2) De Haan Oud Batavia Deel 1 § 769. 3) Java-Bode 1857 woensdag 18 februarij. 4) Brugmans Geschiedenis onderwijs pag. 108-113. 5) De Haan Oud Batavia Deel 2 § 1415. 6) Hoola van Nooten aan Dunlap 7 september 1856. 7) Algemeen Verslag pag. 19. 8) Hoola van Nooten aan Dunlap 10 januari 1855. 9) Hoola van Nooten aan Dunlap 24 augustus 1857. 10) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 december 1859. 11) Java-bode 1857 woensdag 1 April. 12) De Haan Oud Batavia Deel 1 § 772. 13) Algemeen Verslag pag. 19. 14) Merrillees Batavia pag. 164. 15) Nieuwenhuys Komen en blijven pag. 26. 16) Hoola van Nooten aan Dunlap 31 augustus 1855. 17) drukkersmerk op achterzijde besproken portretfoto. 18) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 december 1859. 19) Couperus Oostwaarts pag. 126. 20) Buitenweg Tempo doeloe pag. 110. 21) Vroman ‘Warm, rood, nat en lief’ pag. 52. 22) Van Schendel Jeugdherinneringen pag. 13. 23) Haasse ‘Beelden’ pag. 154. 24) De Beauvoir Java pag. 4. 25) De Haan Oud Batavia Deel 1 § 772. 26) ibidem 27Natuurkundig Tijdschrift pag. 659. 28) Van de Velde Gezigten uit Neêrlands Indië pag. 6. 29) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 juni 1855. 30) Merrillees Batavia pag. 168. 31) Wachlin Woodbury & Page pag. 9-10. 32) ibidem ‘blurb’. 33) Oliver History pag. XV en ibidem ‘blurb’. 34) Wachlin Woodbury & Page pag. 17. 35) Java Bode 1857 zaturdag 18 julij. 36) Hoola van Nooten aan Dunlap 24 augustus 1857. 37) Barth familiearchief. 38) North Recollections Vol. I pag. 260. 39) Hoola van Nooten aan Dunlap 9 december 1859. 40) Bataviaasch Handelsblad 1860. 41) Magdalena pag. 160-166. 42) Calisch Liefdadigheid pag. 439. 43) Hoola van Nooten Fleurs et fruits. 44) Wachlin Woodbury & Page pag. 25.
Bibliografie:
Algemeen verslag van den staat van het schoolwezen in Nederlandsch-Indië. a. voor Europeanen en inlandsche christenen opgemaakt door de Hoofd-commissie van onderwijs. b. voor inlanders, opgemaakt ter Algemeene Secretatie. Afgesloten onder Ultimo 1858. Batavia: Lange & Co, 1859.
♣ “B. [te] Java.” [= Berthe Hoola van Nooten]: ‘Vreugde en droefheid’ in: Magdalena Evangelisch Jaarboekje uitgegeven ten voordeele van het Asyl Steenbeek [etc]. 24ste Jaargang. Amsterdam: W.H. Kirberger, 1876.
♣ Barth familiearchief, Amsterdam [ongepubliceerd].
Bataviaasch Handelsblad. Aº. 1860. No. 79. Woensdag 3 October. Derde Jaargang.
♣ BEAUVOIR, le Comte de: Java, Siam, Canton. Voyage autour du Monde. Paris: E. Plon et Cie, 1867.
♣ BRETON DE NIJS, E. [= Rob Nieuwenhuys]: Batavia koningin van het oosten. ‘s-Gravenhage: Thomas & Eras Uitgevers, 1976.
♣ BRUGMANS, I.J.: Geschiedenis van het onderwijs in Nederlandsch-Indië. Groningen – Batavia: Wolters’ Uitgevers-maatschappij, 1938.
♣ BUITENWEG, Hein: De laatste tempo doeloe. Katwijk: Servire, 1964.
♣ CALISCH, N.S.: Liefdadigheid te Amsterdam. Overzicht van al hetgeen er in Amsterdam wordt verricht, ter bevordering van de stoffelijke, zedelijke en godsdienstige belangen, voornamelijk der minvermogenden en behoeftigen. Amsterdam: M. Schooneveld en Zoon, 1851.
♣ COUPERUS, Louis: Oostwaarts. Den Haag: Leopold, 1924.
♣ GEVERS DEYNOOT, W.T.: Herinneringen eener reis naar Nederlandsch Indië in 1862. ‘s-Gravenhage: Nijhoff, 1864.
♣ [HAAN, H. de]: Oud Batavia Gedenkboek. Uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen naar aanleiding van het driehonderdjarig bestaan der stad in 1919. Batavia: G. Kolff & Co, 1922 (twee tekstdelen en een Platen Album).
♣ HAASSE, Hella S.: ‘Beelden die me begeleiden. Hella S. Haasse over de fotoboeken van Rob Nieuwenhuys. [red.] Peter van Zonneveld’. Indische Letteren Jaargang 15. Alphen aan den Rijn: Werkgroep Indisch-Nederlandse Letterkunde,  2000.
♣ HOHÉ, Madelief & Ileen MONTIJN: Romantische mode. Zwolle: Waanders, 2014.
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 10 januari 1855 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 9 juni 1855 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 31 augustus 1855 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 10 mei 1856 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 7 september 1856 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 9 december 1856 (originele brief): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC) (gepubliceerd op https://davidcoppoolse.com/2014/10/28/my-dear-friend-een-javaanse-hartekreet-ontcijferd/ ).
♣ HOOLA VAN NOOTEN aan John Dunlap 24 augustus 1857 (originele brief, ongepubliceerd): Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (LaRC).
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par madame Berthe Hoola van NootenOuvrage dédié à sa majesté [sic] la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier, Montagne de L’Oratoir, 5, 1863 [-’64] (2de editie Severeyns 1866, 3de editie Merzbach & Falk [1881]).
♣ Java-Bode. Nieuws- Handels- en Advertentie-blad voor Nederlandsch-Indië. Ao. 1857. Woensdag 18 Februarij. No. 14.
♣ Java-Bode. Nieuws- Handels- en Advertentie-blad voor Nederlandsch-Indië. Ao. 1857. Woensdag 1 April. No. 26.
♣ Java-Bode. Nieuws- Handels- en Advertentie-blad voor Nederlandsch-Indië. Ao. 1857. Zaturdag 18 julij. No. 57.
♣ Magdalena. Evangelisch Jaarboekje uitgegeven ten voordeele van het Asyl Steenbeek onder redactie van J.A. Schuurman Johsz. en L.R. Beynen. 24ste Jaargang 1876. Amsterdam: W.H. Kirberger, [1876].
♣ MERRILLEES, Scott: Batavia in Nineteenth Century Photographs. Singapore: EDM Editions Didier Millet, 2010.
♣ Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indie uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-Indie deel XXVI zesde serie deel I. Batavia: H.M. van Dorp, & ’s Gravenhage: Martinus Nyhoff, 1864.
♣ NIEUWENHUYS, Rob: Baren en oudgasten. Tempo Doeloe- een verzonken wereld. Fotografische documenten uit het oude Indië 1870-1920. Amsterdam: Querido, 1981.
♣ NIEUWENHUYS, Rob: Komen en blijven. Tempo doeloe – een verzonken wereld. Fotografische documenten uit het oude Indië 1870-1920. Amsterdam: Querido, 1982.
♣ NORTH, Marianne: Recollections of a Happy Life. London: MacMillan, 1893 [postuum gepubliceerd in 2 delen, in 1894 verscheen een derde deel als Further Recollections].
♣ OLIVER, Barrett: A History of the Woodburytype. Nevada City, California: Carl Mautz Publishers, 2006.
♣ SCHENDEL, Arthur van: Jeugdherinneringen. Een document. Amsterdam: Meulenhoff, 1989.
TOEKAN POTRET. 100 jaar fotografie in Nederlands Indië 1839-1939. Amsterdam: Fragment Uitgeverij & Rotterdam: Museum voor Volkenkunde, 1989.
♣ VELDE, C.W.M. van de: Gezigten op Neêrlands Indië naar de natuur geteekend en beschreven. Amsterdam: Frans Buffa en Zonen, [1844-’45].
♣ VROMAN, Leo: ‘Warm, rood, nat en lief.’ Het levensverhaal van de dichter, schrijver, wetenschapper en tekenaar. Amsterdam: Uitgeverij Contact, 1994.
♣ WACHLIN, Steven: Woodbury & Page. Photographers Java. Leiden: KITLV Press, 1994.
♣ [ZOETE, Johan de, red.] De techniek van de Nederlandse boekillustratie in de 19de eeuw. Kerstnummer Grafisch Nederland 1995. Amstelveen: Koninklijk Verbond van Grafische Ondernemingen / Grafische Cultuurstichting KVGO, 1995.
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , | 2 reacties

Een tsarenzoon, een bliksembezoek en twee kostbare geschenken. Berthe Hoola van Nooten ontmoet prins Alexis Alexandrovitch van Rusland.

Een waargebeurd sprookje

K.F. Busscher: ‘Plan van Batavia en de Omliggende Landen’, ongedateerd (1800-’50), tekening, Nationaal Archief.

Er waren eens, heel lang geleden, een jonge, rijke Russische prins en een oude, arme Nederlandse weduwe. Zij ontmoetten elkaar tijdens een korte officiële ontvangst op het Indische eiland Java en wisselden daarbij enkele beleefdheden en twee kostbare geschenken uit. Dit klinkt als een sprookje, maar de ontmoeting blijkt verrassend genoeg waargebeurd. Er zijn twee historische bronnen voor te vinden: een onooglijk bericht in het 19de-eeuwse Bataviase Nieuwsblad voor den Boekhandel1 en een anonieme, meer dan honderd jaar oude geromantiseerde familievertelling.2 Toch lijkt deze informatie nauwelijks aanleiding voor serieus onderzoek, zeker niet als men bedenkt dat de twee hoofdpersonen elkaar na hun korte ontmoeting nooit meer hebben gezien, gesproken of geschreven. Maar dan ziet men de Bijbel over het hoofd, het lievelingsboek van de devote weduwe. Immers, in het Nieuwe Testament (1 Korinthiërs 1:28) staat klip en klaar geschreven dat wat voor de wereld onaanzienlijk is, God om die reden juist heeft uitverkoren. Voor een gelovig christen zou dit aansporing genoeg moeten zijn, maar voor minder bijbelvaste lezers blijkt het Indische rendez-vous tussen de prins en de weduwe ook nog eens vervlochten met allerlei avontuurlijke, opmerkelijke en zelfs ongepubliceerde historische verwikkelingen. Om Anno Domini 2016 deze te kunnen ontrafelen en het Javaanse sprookje nieuw leven in te blazen gaan we terug naar de tweede helft van de negentiende eeuw, naar Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië, dat ooit, in glorieuzere VOC-tijden, ‘Die magtige Koninginne van ’t Oosten’3 werd genoemd.

Onrust in de kolonie

Moritz Calisch: ‘Berthe Hoola van Nooten’, ongedateerd, olieverf op doek, collectie Tropenmuseum Amsterdam.

De op 12 oktober 1817 in Utrecht als Bartha Hendrica Philippina van Dolder geboren amateur-botanica Berthe Hoola van Nooten (sinds 1847 weduwe van Dirk Hoola van Nooten4) woont in de jaren ’20 in Wageningen, emigreert in de jaren ’30 naar Suriname, werkt in de jaren ’40 als onderwijzeres op verschillende plaatsen in Texas en Louisiana, VS en komt in de jaren ’50 (via Boston, Liverpool en Rotterdam) uiteindelijk in Nederlands-Indië terecht. Haar halfbroer, de roemruchte zakenman in suiker Vincent Jacob van Dolder, heeft haar trans-Atlantische overtocht betaald. Mevrouw Van Nooten is namelijk financieel aan de grond geraakt en laat in Amerika slechts schulden achter. Na eerst bij Vincent Jacob in de chique Gang Scott gelogeerd te hebben verhuist zij in 1860 naar het zuidelijker gelegen Buitenzorg om daar korte tijd een meisjesinstituut te leiden. Als de maand augustus van 1872 aanbreekt gonst het in de Indische couranten van de geruchten. Zijne Koninklijke Hoogheid Alexis Alexandrovitch (1850-1908), de derde, ooit vierde, zoon van tsaar Alexander II van Rusland, is op diplomatieke wereldreis. Hij is in Noord-Amerika als populaire gast ontvangen (zijn feestelijk bezoek aan New Orleans schijnt het plaatselijke carnaval -Mardi Gras, oftewel ‘Vette Dinsdag’- een beslissende boost te hebben gegeven), heeft daarna de Zuid-Afrikaanse Kaap aangedaan (toentertijd in Engelse handen), stoomt inmiddels op naar het verre Japan en lijkt in de tussentijd het Nederlands-Indische Batavia te willen bezichtigen.

'Grand Duke Alexis', New York 1871, fotografie.

‘Grand Duke Alexis’, New York 1871, fotografie.

Niemand weet precies wanneer de tsarenzoon van de Kaap is vertrokken, laat staan wanneer hij op Java zal aankomen.De gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, de statusgevoelige James Loudon, moet van het door hem verfoeide journaille vernemen dat het schip van de grootvorst inderdaad onderweg is naar Batavia. Maar verder blijkt hij slecht geïnformeerd. Loudon denkt dat Alexis niet vanuit de Afrikaanse Kaap, maar uit de tegenovergestelde richting, vanuit Hong Kong op hem komt afstevenen.6 Al deze Indische Irrungen, Wirrungen zorgen in de kleine blanke gemeenschap van Batavia voor flink wat onrust en ook Berthe zal de berichten met spanning hebben gevolgd. Zij heeft van de autoriteiten de eervolle opdracht gekregen om een exemplaar van haar rijk geïllustreerde florilegium over de Javaanse bloemen- en plantenwereld, Fleurs fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java, de grootvorst als geschenk aan te bieden.

Een pijnlijke situatie

Plotseling is het dan zover. Op maandag 19 augustus 1872 komt de onderweg 23 jaar geworden Alexis7 met het schroeffregat Swetlana (Светлана) op de reede van Batavia aan.8

Alexander Karlovich Beggrov (1841-1914): ‘На палубе фрегата «Светлана» [‘Aan dek van het fregat “Svetlana”‘, in de haven van Sint Petersburg ter voorbereiding van de wereldreis van 1871-’72]’, olieverf op doek, 1884, collectie The Central Naval Museum, Sint Petersburg, Rusland.

Het is een prachtige namiddag. De haven, de stad en de verre bergen van de Preanger regentschappen glinsteren nog na in het warme licht van de late tropenzon.9 De voormalige oorlogsbodem staat onder commando van de in het Grootvorstendom Finland geboren Russische kapitein (later admiraal) Oscar von Kræmer. Zijn bemanning moet nog bijkomen van de enthousiaste ontvangst door de Engelsen in Kaapstad, enkele weken eerder. Daar was hun een grandioos bal masqué bereid waarbij meer dan 800 gasten aanwezig waren, uitgedost in de meest exotische vermommingen.10 De Nederlanders in Batavia blijken heel wat slechter voorbereid te zijn op het hoge bezoek. Weliswaar staat er op de kade een provisorisch samengesteld eskadron van de cavalerie klaar en wordt er vanaf het schip van de wacht saluutvuur afgeschoten (dat heel toepasselijk ‘poekoel boem’ wordt genoemd en zo oorverdovend klinkt dat er in de stad verschillende ruiten gesprongen zouden zijn11), maar intussen is James Loudon, die in het 60 kilometer zuidelijker gelegen Buitenzorg zijn paleis heeft, in geen velden of wegen te bekennen. Daardoor kunnen de grootvorst en zijn hoogstaande gezelschap niet debarkeren zonder in een ordinair huurrijtuig te moeten stappen.12 De situatie is ongemakkelijk, zelfs pijnlijk. Wenkbrauwen worden gefronst.13

Een dagje incognito

Alexey Ivanovich Korzukhin (1835-1894): ‘Портрет великого князя Алексея Александрович [Grootprins Alexis Alexandrovitch]’, olieverf op doek, 1889, collectie Nationaal Historisch Museum, Moskou.

In allerijl worden de autoriteiten gewaarschuwd. Laat in de avond arriveert Johannes Isaak de Rochemont, de persoonlijke adjudant van Loudon.14 Hij heeft een haastig geschreven uitnodiging van zijn superieur bij zich. Deze stelt zijn paleis met onmiddellijke ingang ter beschikking aan de tsarenzoon en, enigszins zuinigjes, twee van diens scheepsgenoten.15 Alexis dankt hartelijk daarvoor, maar vraagt om nog één dag langer aan boord te mogen blijven. De gouverneur-generaal (die ’s avonds ook in Batavia is aangekomen16) denkt daar het zijne van, zo blijkt uit zijn privé-dagboek.17 Hij vermoedt dat Alexis die dag wil gebruiken om in het gezelschap van zijn Russische vrienden Batavia te bezoeken, incognito en zonder verplichtende gastheren. Anderhalve eeuw eerder deed Alexis’ verre voorvader tsaar Peter de Grote hetzelfde, door zich in vermomming onder het volk te begeven om ‘anoniem’ de scheepswerven van Zaandam te kunnen bezoeken. De ruim twee meter lange tsaar Peter had daarmee in het vroeg-18de-eeuwse Holland waarschijnlijk net zoveel succes als zijn ‘vorstelijke’18, hoogblonde en evenzeer ‘uit de kluiten gewassen’19 nazaat Alexis in het laat-19de-eeuwse Indië.

Een prins van het volk

De officiële landingsplaats van Batavia is de Kleine Boom, ook wel Kantoor der Recherche genoemd. Daar worden in de 19de eeuw reizigers vanaf de (buitengaatse) reede met kleine boten afgezet bij het douanekantoor.

Batavia, De Boom

Woodbury & Page: ongetiteld (haven van Batavia, zicht richting noordoosten op Haven Kanaal en (rechts) De Kleine Boom), fotografie, circa 1864-’65.

Vanaf de Swetlana ziet grootvorst Alexis op die plek in de prille woensdagochtend eindelijk de gouverneur-generaal in eigen persoon opdoemen met in diens kielzog de Raden van Indië en enkele commandanten van de land- en zeemacht.20 Na allerlei korte officiële plichtplegingen in de stad vertrekt het hele gezelschap al om negen uur weer in omgekeerde richting, terug naar het paleis in Buitenzorg. Daar wordt iedereen ontvangen door Louise, de echtgenote van Loudon, en verschillende plaatselijke gezagsdragers. ’s Middags om vijf uur wordt een bezoek gebracht aan ’s Lands Plantentuin (waar Berthe bijna tien jaar eerder de originele tekeningen voor alle veertig chromolithografieën van haar florilegium had gemaakt21) en toert men in een rijtuig ‘ontspannen’22 door de lommerrijke omgeving.

Perelaer: 'Het kamerlid van Berkenstein in Nederlandsch-Indie.' Leiden: Sijthoff, 1888

M.T.H. Perelaer: ongetiteld (’s Lands Plantentuin, Bogor), lithografie (tekening Jhr. J.C. Rappard), uit: Het kamerlid van Berkenstein in Nederlandsch-Indie. Leiden: A.W. Sijthoff, 1888.

’s Avonds wordt er in het paleis (dat grenst aan de botanische tuinen) een spectaculair diner gegeven. Grootvorst Alexis, die volgens Loudon bijzonder innemend is en sprekend lijkt op prins Willem van Oranje, rookt en drinkt als een ketter en schijnt zich ondanks de drukkende hitte uitstekend te vermaken. De vaderlijk bezorgde Loudon vraagt zich af of de prins er niet beter aan zou doen om wat minder koud Engels bier en wat meer warme thee te drinken, maar houdt dit wijselijk voor zich.23 Alexis blijft die nacht slapen (we mogen aannemen als een blok) in een van de gastenvertrekken van het paleis. De volgende dag vertrekt hij samen met de gouverneur-generaal in alle vroegte alweer naar Batavia, om daar in de koelte van de ochtend allerlei ‘voorname inrigtingen’24 te bezoeken.

Twee kostbare geschenken

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Musa Coccinea’ [= Musa coccinea], lithografie (G. Severeyns), plaat [33] uit: Fleurs, fruits et feuillages choisis de l’Île de Java peints d’après de nature. Bruxelles: Muquardt [1881; derde editie].

Het is waarschijnlijk op deze donderdagochtend dat ‘madame Hoola van Nooten’25 wordt voorgesteld aan grootvorst Alexis. Misschien gebeurt dat in het gebouw van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging, tenslotte één van de Bataviase ‘voorname inrigtingen’. Berthe was in 1863 lid geworden van dit wetenschappelijke genootschap, vlak na het verschijnen (in Brussel) van de eerste livraisons van haar hierboven genoemde Java-boek.26 Tien jaar later was deze inmiddels uitverkochte publicatie nog altijd heel gezocht. Dat blijkt onder andere uit de Java-Bode van donderdag 7 maart 1872. Daarin wordt namelijk uitdrukkelijk vermeld dat een exemplaar van Berthes ‘prachtwerk’ aanwezig is op een vendutie-avond, georganiseerd door het bekende handelshuis H.M. Van Dorp & Co.27 De gelukkige koper (of liever koopster, als het aan de schrijfster had gelegen28) is niet de enige die enthousiast geweest zal zijn. Toen in 1866 de tweede editie uitkwam, werd in het voorwoord daarvan vermeld dat de in 1863 [-’64] verschenen eerste editie met maar liefst fl 2000,- (± € 20.000,-) was ondersteund door baron Sloet van de Beele, de toenmalige gouverneur-generaal.29 Daarnaast had Berthe in 1869 op verzoek van de Bataviase onderwijscommissie ook een taalboekje Nederlands-Maleis gepubliceerd (Aurora of de Morgenstond der kennis. Mengelingen op zedekundig en wetenschappelijk gebied.), in 550 exemplaren.30 Dit was één van de eerste in zijn soort31 en werd veel gebruikt op scholen, ondanks het feit dat Berthe het ongevraagd (en kwalijker, ongewenst) in de vorm van een christelijk traktaat had geschreven. Dat laatste was tegen het zere been van de seculiere onderwijsautoriteiten in het verre Nederland.32 Berthes onstuitbare drang tot evangeliseren heeft haar altijd veel problemen opgeleverd,33 maar blijkbaar zijn alle ambtelijke plooien weer gladgestreken. Zij mag nu als Bataviase bekendheid een exemplaar van haar botanische levenswerk aanbieden aan de jonge prins. Dat zal ongetwijfeld een speciaal ingebonden de luxe-uitgave zijn geweest.

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Musa coccinea’ uit ‘Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par madame Berthe Hoola van Nooten. Ouvrage dédié à sa majesté la reine de Hollande’. Bruxelles: Émile Tarlier, 1863 [-'64].

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Amherstia Nobilis’ [= Amherstia nobilis], lithografie (G. Severeyns), plaat [2] uit Fleurs, fruits et feuillages choisis de l’Île de Java peints d’après de nature. Bruxelles: Muquardt [1881; derde editie].

Want we weten dat er in elk geval ook van de laatste editie (310 exemplaren, ongedateerd, voorwoord uit 1880, uitgekomen in 188134) tien stuks zijn gedrukt op ‘Bristol’, speciaal, smetteloos wit papier, bestemd voor bijzondere gelegenheden.35 De Russische hoogheid is geroerd, zoals dat heet. Hij schenkt Berthe een ‘vleiende dankbetuiging’.36 Daarnaast ontvangt zij een kostbare armband,37 die volgens een van haar 20ste-eeuwse nazaten zelfs is ingelegd met diamanten.38 Dat is alles wat we weten over dit korte, maar waargebeurde Javaanse sprookje. Het is niet denkbeeldig dat prins Alexis er melding van maakt in zijn dagboeken uit die tijd, maar deze zijn nooit gepubliceerd.39 ’s Middags om vier uur verplaatst het hoge gezelschap zich opnieuw, dit keer naar het immense Koningsplein, ooit het Buffelsveld, tegenwoordig Medan Merdeka geheten. Daar wordt een spiegel- (of militair schijn-) gevecht gehouden, met aansluitend een grote receptie en een bal dansant in het nabijgelegen gouvernementshotel Rijswijk. In die laatste residentie zal de grootvorst ook overnachten.40

Vuurwerk in de nacht

Svetlana op volle zee

Alexander Karlovich Beggrov (1841-1914): Винтовой фрегат «Светлана» [het schroeffregat Svetlana]’, 1878, olieverf op doek.

Dan is het prinselijke bliksembezoek alweer bijna voorbij. Vrijdagochtend keert Alexis samen met de gouverneur-generaal via het douanekantoor bij de Kleine Boom terug naar de buitengaats wachtende Swetlana. Daar nuttigen zij samen een scheepsontbijt,41 waarna zij ‘hartelijk’42 afscheid nemen van elkaar. Samen met alle andere bagage zal dan ook Berthes bloemenboek aan boord gebracht zijn. Later op de avond geeft Alexis op zijn schip een officieel afscheidsdiner, dat feestelijk wordt begeleid door een perfect getimed43 en wederom oorverdovend saluutvuur van de dekbatterij op het vlakbij gelegen wachtschip (blijkbaar hebben de eerder genoemde klachten over springend glaswerk weinig zoden aan de dijk gezet). Als Loudon na afloop van alle feestelijkheden definitief van boord gaat en overstapt op een van de bootjes die hem weer bij het douanekantoor zullen afzetten, laat de in het donker achterblijvende en enthousiast met zijn hoed zwaaiende Russische prins44 het fregat verlichten met Bengaals vuur,45 dat glinsterend, roodgloeiend en sprookjesachtig opvlamt in de warme Javaanse nacht.

Drie bibliotheken

Zalacca edulis

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Zalacca Edulis’ [= Salacca zalacca], lithografie (G. Severeyns), plaat [38] uit: Fleurs, fruits et feuillages choisis de l’Île de Java peints d’après de nature. Bruxelles: Muquardt [1881; derde editie].

Niets is eeuwig. Alles vergaat. De wereld is een tranendal en de slechts dood schenkt verlossing. Voor ongelovigen is er nauwelijks hoop, maar voor een waarachtig christen als Berthe is dit alles juist heerlijk nieuws. Immers, door het aardse sterven komt de hemelse wederopstanding naderbij. Zonder deze goddelijke wetenschap zou ze volgens eigen zeggen zelfs verloren zijn geweest.46 Want ondanks het commerciële en artistieke succes van haar botanische werk, ondanks haar aanstekelijke enthousiasme47 en ondanks de uitgelezen contacten in de hoogste kringen van Batavia is zij haar leven lang gekweld geweest door depressies, onenigheden met zowel veronderstelde heidenen als veronderstelde geloofsgenoten, eeuwigdurende geldzorgen en venijnige familievetes. Dat blijkt uit vijfendertig nog ongepubliceerde brieven aan haar Noord-Amerikaanse aanbidder J.G. Dunlap48 en ook uit op schrift gestelde herinneringen van andere wereldreizigers die haar hebben ontmoet, zoals de Engelse amateur-botanica en wereldreizigster Marianne North.49 Na het eervolle bezoek aan prins Alexis keert Berthe huiswaarts, richting Buitenzorg. Het jaar daarop (1873) zal zij opnieuw verkassen, terug naar Batavia, naar Pekambangan in de wijk Selipie (Slipi), een destijds landelijk gebied ten zuidwesten van de Indische hoofdstad. Zij heeft daar een bescheiden terrein gekocht met stukken tuin, zaai- en grasland, een stenen woonhuis, enkele houten bijgebouwen en een primitieve paardenstal50 en zal daar blijven wonen tot haar overlijden in 1892. Berthes geloof zal haar verboden hebben om trots te zijn, maar dankbaarheid is toegestaan, als een gift, een gave van God:

Sergei Lvovich Levitsky: ongetiteld (Groothertog Alexis), fotografie, circa 1870.

Fleurs fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java pronkt nu in drie royale bibliotheken, namelijk die van haar patrones koningin Sophie der Nederlanden (een enigszins gehavend exemplaar van het Java-boek is nog steeds aanwezig in het Koninklijk Huisarchief te Den Haag51), die van haar bewonderaarster keizerin Eugénie van Frankrijk en nu ook in die van prins Alexis Alexandrovitch van Rusland. De jonge, kettingrokende en op sterke drank beluste Russische prins stort zich na zijn thuiskomst enthousiast op het verzamelen van zeldzaam zilver en aantrekkelijke actrices,52 zodat men zich kan afvragen of hij veel tijd over heeft gehad (of willen hebben) om Berthes botanische meesterwerk meer dan oppervlakkig door te bladeren.

Met veel dank aan de Bibliotheek van het Koninklijk Natuurkundig Gezelschap ‘Natura Artis Magistra’, Bijzondere Collecties UvA, Simon Burgers, Marcel van Dorst, An Duits, Alle Diderik de Jonge, Mark Loderichs, Scott Merrillees, het Tropenmuseum en Bernadette Weusten.
(De publieksversie van dit artikel wordt gepubliceerd in het april 2015-nummer van het Indisch maandblad Moesson.)
Noten
1) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 85. 2) Hupka-Barth. 3) Valentyn. 4) Nederland’s patriciaat. 5) De Locomotief. 6) Loudon. 7) De Locomotief. 8) idem. 9) Kræmer. 10) Nieuwe Amsterdamsche Courant. 11) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. Woensdag 21 Augustus 1872. 12) De Locomotief. 13) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 14) De Locomotief. 15) idem. 16) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 17) Loudon. 18) idem. 19) idem. 20) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 21) Hoola van Nooten 1863 (Préface). 22) Loudon. 23) idem. 24) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 25) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 85. 26) Natuurkundig Tijdschrift. 27) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels en Advertentie-Blad voor Nederl.-Indië. Ao. 1872. No. 57. 28) Hoola van Nooten 1863 (‘Préface’). 29) Hoola van Nooten 1866 (‘préface’). 30) Koloniaal verslag van 1871 (8.16). 31) Groeneboer. 32) ‘Maandelijksch overzigt’. 33) Hoola van Nooten aan Dunlap. 34) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 92. 35) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 92. 36) Nieuwsblad voor den Boekhandel. No. 85. 37) idem. 38) Hupka-Barth. 39) Wikipedia Duke Alexei Alexandrovich of Russia. 40) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. 41) idem. 42) Loudon. 43) idem. 44) idem. 45) idem. 46) Hoola van Nooten aan Dunlap. 47) North. 48) Hoola van Nooten aan Dunlap. 49) North. 50) JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederlandsch Oost-Indië. Ao. 1894. No. 213. 51) Koninklijk Huisarchief. 52) Wikipedia Duke Alexei Alexandrovich of Russia.
Bibliografie
♣ BRETON DE NIJS, E. [Rob Nieuwenhuys]: Batavia. Koningin van het oosten. ‘s-Gravenhage: Thomas & Eras, 1976.
♣ De Locomotief. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad. XXIste Jaargang. Zaterdag 24 Augustus [onrust in de kolonie, aankomst Alexis in Batavia].
♣ GROENEBOER, Kees: Weg tot het Westen, het Nederlands voor Indië 1600-1950, een taalpolitieke geschiedenis. Leiden: KITLV Uitgeverij, 1993.
♣ [HAAN, Frederik de:] OUD BATAVIA GEDENKBOEK uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen naar aanleiding van het driehonderdjarig bestaan der stad in 1919. Batavia: G. Kolff & Co, 1922 (2 tekstdelen en 1 Platen album).
♣ [HOOLA VAN NOOTEN, Berthe:] Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59, John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University [USA] (LaRC, auteursrechten aldaar) [35 ongepubliceerde brieven, 1844-’57, complete scans en transcripties in collectie auteur].
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Madame Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par madame Berthe Hoola van Nooten. Ouvrage dédié à sa majesté [sic] la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier, Montagne de L’Oratoir, 5, 1863 [-’64]. [voorintekenprijs: fl 60,-, verkoopprijs: fl 70,-].
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Madame Berthe: Fleurs, Fruits et Feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Seconde édition. Bruxelles: Faubourg de Louvain [tegenwoordig Saint-Josse-ten-Noode], Rue de Liekerke 40. Publiée par G. Severeyns, dessinateur & chromolithographe de l’Académie Royale de Belgique, 1866 [verkoopprijs: fl 80,-].
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Madame Berthe: Fleurs Fruits et Feuillages Choisis de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Troisième édition. Bruxelles: Librairie Européene C. Muquardt, même maison à Leipzig, publiée par Merzbach & Falk, Éditeurs, Libraires de la Cour et de S.A.R. Le Comte de Flandre, [1881] [verkoopprijs normale editie (300 exx): 175,- (Belgische) francs, gelimiteerde editie op ‘bristol’ (10 exx): 350,- (Belgische) francs].
♣ [HUPKA-BARTH, Betsy Marianne (Beppie)]: ‘Poging tot necrologie [van Berthe Hoola van Nooten]’. Anoniem, ongedateerd, ongepubliceerd, op website Collectie Tropenmuseum, opgetekend door een medewerker (die in elk geval in 2012 al was overleden) van het Tropenmuseum, waarschijnlijk in de jaren ’80 van de XXste eeuw, uit de mond van Hupka-Barth (1908-2004, volgens ‘eigen’ zeggen een kleindochter van Berthe Hoola van Nooten, maar in werkelijkheid haar achterkleindochter)  (persoonlijke communicatie van toenmalige conservator Koos van Brakel, Tropenmuseum, augustus 2012).
♣ JAVA-BODE. Nieuws-, Handels en Advertentie-Blad voor Nederl.-Indië. Ao. 1872. No. 57. Mail-nummer. Donderdag 7 Maart. Een-en-Twintigste Jaargang [vendutie Fleurs & fruits].
♣ JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederl. Indië. No. 137. Woensdag 21 Augustus 1872 [Alexis in Batavia en kanongebulder].
♣ JAVA-BODE. Nieuws-, Handels- en Advertentieblad voor Nederlandsch Oost-Indië. Ao. 1894. No. 213. Zaterdag 15 September Drie-en-Veertigste Jaargang [met daarin vermeld de originele Hypotheekacte dd. 13 Maart 1873, No. 48, te Batavia verleden].
♣ Koloniaal verslag van 1871 (8.16). Lijst van lees- en leerboeken [oplage Aurora of de morgenstond der kennis].
♣ Koninklijk Huisarchief, Den Haag (persoonlijke mededeling Harm Robaard, bibliothecaris Koninklijk Huisarchief, 22.08.2012).
♣ [KRÆMER, Oscar von] (anoniem): ‘Oscar von Kræmers togter og verdensomsejlinger’, op: http://www.lemvigmuseum.dk/ (01.01.2014).
♣ [LOUDON, James] Henk Boels, Janny de Jong, C.A. Tamse: Eer en fortuin. Leven in Nederland en Indië 1824-1900. Autobiografie van gouverneur-generaal James Loudon. Amsterdam: De Bataafsche Leeuw, 2003.
♣ ‘Maandelijksch overzigt der Indische letterkunde’, in: Tijdschrift voor Neerland’s Indië, Jaargang 23, 1861 (1ste deel No. 5).
Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch-Indie uitgegeven door de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging in Nederlandsch-Indie deel XXVI zesde serie deel I. Batavia: H.M. van Dorp, & ’s Gravenhage: Martinus Nyhoff, 1864.
NEDERLAND’S PATRICIAAT 53ste Jaargang 1967 [Hoola van Nooten].
Nieuwe Amsterdamsche Courant. Algemeen Handelsblad. No. 12821. Ao. 1872. Zondag 24 Augustus [Alexis in Kaapstad].
NIEUWSBLAD voor den BOEKHANDEL. No. 85. Negen-en-dertigste Jaargang. Dinsdag 22 October 1872 [Berthe ontmoet Alexis].
NIEUWSBLAD voor den BOEKHANDEL. No. 92. Acht-en-Veertigste Jaargang. Vrijdag 11 November 1881. [3de editie Fleurs & Fruits gaat verschijnen].
♣ NORTH, Marianne: Recollections of a Happy Life. London: MacMillan, 1893 [postuum gepubliceerd in 2 delen, in 1894 verscheen een derde deel als Further Recollections].
♣ VALENTYN, François: Oud en Nieuw Oost-Indien [etc.]. Dordrecht &  Amsterdam: Joannes van Braam & Gerard onder de Linden, 1724-’26.
http://en.wikipedia.org/wiki/Grand_Duke_Alexei_Alexandrovich_of_Russia (20.04.2014)
Geplaatst in Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , | 4 reacties

‘My dear Friend’. Een Javaanse hartekreet ontcijferd.

You know how much I need affection to be happy, and where shall I find it now.

(Voor Maria Sturm 1932-2014)

1ste bladzijde brief 9 december 1856 (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Tulane University, hierna LaRC)

1ste bladzijde brief 9 december 1856 (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Tulane University, hierna LaRC)

[1ste bladzijde] Batavia, Dec. 9. 56.

Arme lezer! Men zou bijna medelijden krijgen met de ontvanger van de hiernaast afgebeelde brief. De wriemelende woordenbrij lijkt eerder op een kinderlijk kladschilderij dan op een behulpzame handreiking. De tekst is geschreven door de op Java wonende Nederlandse onderwijzeres Berthe Hoola van Nooten née Van Dolder (1817-’92) en bestemd voor  haar Noord-Amerikaanse aanbidder John G. Dunlap (1804-’82). De flinterdunne en door inktvraat aangetaste vellen zijn, waarschijnlijk met een scherpgesneden ganzenveer, veelvoudig volgekrabbeld, niet alleen, zoals gebruikelijk, horizontaal, namelijk van linksboven naar rechtsonder, maar tevens, op dezelfde kant, verticaal, van rechtsboven naar linksonder, met, alsof dat niet genoeg is, daar doorheen schemerend ook nog eens de net zo dubbel en dwars geslingerde krullen en lussen van de versozijde. Postpapier is kostbaar, dat is duidelijk. De epistolaire kluwen lijkt onontwarbaar, maar onder zijn onstuimige oppervlak blijkt een bevallig en zelfs goed leesbaar, Engelstalig dameshandschrift verscholen te liggen. Wie is deze zuinige madame Van Nooten, hoe is zij op Java terechtgekomen en welke ontboezemingen stuurt zij haar blijkbaar onverschrokken ‘dierbare vriend’ in het verre New Orleans? Dit is de eerste regel van de eerste bladzijde van haar brief uit 1856, hier voor het eerst gepubliceerd:

Mr. Dunlap My dear friend, I did not write you by last mail on acct [account] of my temporary absence from Batavia.

Het is 9 december 1856. Berthe woont in de Gang Scott, een kleine, maar chique en weelderig begroeide laan in Batavia, de hoofdstad van Nederlands-Indië (tegenwoordig Jakarta, Indonesië). Zij stort haar hart uit bij haar trouwste vriend, haar vurigste aanbidder, haar hardnekkigste huwelijksaanzoeker.

I have been rather seriously indisposed for more than two months […].

In eerdere brieven (o.a. uit Louisiana) heeft Berthe geklaagd over de vele tegenslagen in haar leven: het verlies van haar man die in New Orleans aan de gele koorts was bezweken, haar armoede, haar schulden, haar zwakke gezondheid, haar mislukte meisjesinstituten, de bemoeizucht van haar halfbroer Vincent Jacob van Dolder (die haar overhaalde om naar Batavia te komen), haar worstelingen met de kerkelijke autoriteiten, de drukkende atmosfeer van het tropische klimaat op Java, de hemeltergende goddeloosheid van zowel de ‘inlanders’ als de Europeanen, haar hoofdpijnen, buikklachten, maagkrampen, oogproblemen, depressies, keelontstekingen, er lijkt geen einde te komen aan haar lijst van kwellingen, een ware litanie. Soms werd het haar teveel. Toen Berthe nog in Galveston, Texas woonde en een keer de wanhoop nabij was overwoog zij dit leven achter zich te laten, om in een ander haar Verlosser heerlijk tegemoet te kunnen snellen. Maar daar was zij uiteindelijk van teruggeschrokken, misschien omdat die gedachte niet helemaal christelijk leek, misschien ook uit angst om haar vijf jonge en toen al vaderloze kinderen als arme hele wezen achter te laten. Nu, in Batavia en opnieuw ten einde raad, consulteert Berthe een arts. Die blijkt nuchter. Hij adviseert haar om er even tussenuit te gaan.

[…] and the Dr. advised me a short sojourn in the mountains.

Marianne North: "Tree Fern in the Preanger Mountains, Java", Painting 704. Olie op doek, afgebeeld: boomvarens. (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/704.html )

Marianne North: “Tree Fern in the Preanger Mountains, Java”, Painting 704. Olie op doek, afgebeeld: boomvarens. (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/704.html )

Ten zuiden van het koel gelegen Buitenzorg, Bogor, in het hart van Java, liggen de bergen van de Preanger, waarvan de toppen, met helder weer, zelfs vanaf de Bataviase reede in de blauwige verten te zien zijn. De Engelse wereldreizigster Marianne North (1830-’90), schilderes, Darwin-correspondente, zelfverkozen vrijgezel, enthousiast huwelijkshaatster (‘an abhorrible institution’, ‘a terrible experiment’) en net als Berthe amateurbotanica, zal in 1876 dit ongerepte berggebied intrekken, op zoek naar bijzondere en zeldzame planten. Onderweg heeft zij, op suggestie van de gouverneur-generaal, een bezoek gebracht aan haar collega ‘Madame van Nooten’, die in 1863 bekend was geworden met een rijk geïllustreerd boek over de Javaanse flora. Als Marianne haar bezoekt woont Berthe al lang niet meer in de modieuze Gang Scott, maar in een eenvoudig huis te Selipie, een landelijk gebied ten zuidwesten van Batavia. Miss North is kritisch maar enthousiast, zal ter plekke een exemplaar van Berthes prachtwerk kopen, dat laten opsturen naar London, in de Preanger twee schilderijen van het landschap maken en later op Borneo enkele exotische vruchten in olieverf schetsen, waaronder Citrus decumana (hieronder afgebeeld als afgewerkt in olieverf). Deze pomelo-achtige citrusvrucht had Berthe zelf ook getekend, en laten lithograferen, voor haar spectaculaire Java-boek (zie afbeelding onderaan dit artikel).

Marianne North: "Flowers and Fruit of the Pomelo, a branch of Hennah, and Flying Lizard, Sarawak". Painting 552, Borneo, Sarawak. Afgebeeld: henna Lawsonia inermis, pomelo Citrus decumana, gewoon vliegend draakje Draco viridis. Adopted by Mrs Anne Iddiso. (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/552.html )

Marianne North: “Flowers and Fruit of the Pomelo, a branch of Hennah, and Flying Lizard, Sarawak”. Painting 552, Borneo, Sarawak. Afgebeeld: henna Lawsonia inermis, pomelo Citrus decumana, gewoon vliegend draakje Draco viridis. Adopted by Mrs Anne Iddiso. (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/552.html )

Nu, in 1856, volgt de overspannen weduwe het advies van haar arts op. Samen met haar oudste dochter reist zij zuidwaarts, eveneens richting de Preanger, huurt een paard, trekt twee weken lang de ruige bergen in, scheert langs steile ravijnen en ziet wild stromende rivieren zich door peilloos diepe bergkloven persen. Het gezamenlijke uitstapje is een groot succes. Berthe geniet van de natuur en voelt hernieuwde levenskrachten in zich opborrelen.

I enjoyed the trips in all of the beautiful scenery which is truly grand. I delighted in the exercise on horseback up the heights & down the depths – along the deep ravines where the mountain currents sweep wildly along – and it has invigorated my mind to behold these glorious things of nature.

Maar dit verkwikkende geluk is helaas van korte duur.

But as to my health – I know not what to say – For you my true & faithful friend I have no secrets and I will therefore [2de bladzijde] not hide from you, that I have greatly suffered in mind & body since I am here. In the deep & earnest confidence I have in you I will entrust you with the causes of my principal sorrows.

2de en2de en 3de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

2de en 3de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

Het blijkt dat Berthes halfbroer het in zijn hoofd heeft gehaald om met de slavinnendochter Helena Cruickshank te willen trouwen. Hij heeft haar vier jaar eerder ontmoet in New Orleans en zij is inmiddels onderweg naar Batavia. Er is echter een probleem. Hij is al getrouwd, sinds 1839, met de in Nederland achtergebleven Albertine Charlotte Stulen. Deze weigert om te scheiden, tenminste, dat schrijft Berthe, maar uit officiële verslagen van de scheidingsaanvraag blijkt dat Albertine wel degelijk het huwelijk heeft willen ontbinden. Het grootste struikelblok lijkt daarom eerder te zijn dat volgens de wet beide echtelieden bij hun scheiding in persona aanwezig moeten zijn. Aangezien op dat moment de huwelijkse afstand zo’n 13.000 kilometer bedraagt lijkt dit niet een snel, makkelijk of goedkoop op te lossen probleem. Desondanks doemt in Berthes gedachten het schrikbeeld op dat de ‘onbeschaamde’ slavinnendochter Helena haar officiële ‘halfschoonzus’ wordt. In een latere brief aan Dunlap schrijft zij dat in huize Van Dolder de ruzies hoog oplopen.

You know that Helena has given me trouble now let me tell you that the main reason of my refusing to take her was my fear founded on her own insolent remarks – and on Mr E (my brother’s friend) […]

(deze vriend is de heer Eaton uit Boston Common, de dure parkwijk in het oude centrum van de Noord-Amerikaanse havenstad, bij wie Berthe ‘met veel genoegen’ had gelogeerd toen zij onderweg was naar Europa.)

[…] warnings to me regarding her connection with my brother .

Walter Bentley Woodbury, fa. Woodbury & Page, Java: ‘Vincent Jacob van Dolder’, carte de visite, fotografie, met de hand gedateerd 1862) Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie

Walter Bentley Woodbury, fa. Woodbury & Page, Java: ‘Vincent Jacob van Dolder’, carte de visite, fotografie, met de hand gedateerd 1862) Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie

Berthe probeert het aanstaande huwelijk te voorkomen, gedraagt zich daarbij zo dwars als kliefhout en dreigt met vertrekken, maar zonder resultaat. Zij is bang dat Helena niet zal terugschrikken voor drastische acties. Helena’s moeder, de slavin Laurencina Cruickshank, ging, om haar meester (en biologische vader) onder druk te zetten, zelfs zover dat zij zou hebben geprobeerd diens Surinaamse plantage (hoopvol genaamd Paradise) in vuur en vlam te zetten. Maar alle tegenstand is tevergeefs. Berthe gaat het onderspit delven, en zij weet het. Met bitterheid verlaat zij de kapitale villa van haar halfbroer in de Gang Scott. Vincent Jacob zal in 1860 scheiden van Albertine, in 1868 trouwen met de triomferende Helena, om uiteindelijk in 1876 na allerlei even frauduleuze als lucratieve Indische verzekeringszaken als rijk man te sterven op landgoed De Beele bij Voorst, te Zutphen. Dit buiten was eigendom van baron Sloet van de Beele, die als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië (1861-’66) sponsor zou worden van de eerste editie (1863 [-’64]) van Berthes grote Java-boek.

M.T.H. Perelaer: ongetiteld (uitzicht op de Pangerango vanuit de plantentuin in Buitenzorg), lithografie (tekening Jhr. J.C. Rappard), uit: Het kamerlid van Berkenstein in Nederlandsch-Indie. Leiden: A.W. Sijthoff, 1888.

M.T.H. Perelaer: ongetiteld (uitzicht op de Pangerango vanuit de plantentuin in Buitenzorg), lithografie (tekening Jhr. J.C. Rappard), uit: Het kamerlid van Berkenstein in Nederlandsch-Indie. Leiden: A.W. Sijthoff, 1888.

Maar dat ligt allemaal nog in de verre toekomst. Nu, begin december 1856, heeft Berthe weinig tijd te verliezen:

I cannot enter into details – Time forbids suffice it to say – that my brother being separated from his [wife] having vainly sued for a divorce which the lady has refused […] is so […] that he cannot marry – […].

Vincent Jacob overweegt om ongewild ongehuwd, want ongescheiden, te gaan samenwonen, wat overigens niet ongebruikelijk was bij blanke mannen in Batavia.

[…] and his intention to live à la manière du pays.

Voor de christelijke Berthe is dit een scandaleuze en onverdragelijke situatie.

He took a fancy to Helena. He saw her in Louisiana four [years] ago. I think she [is] [3de bladzijde] [clever] etc. etc. was very angry with me for not bringing her, and has immediately sent for her [...] and that she is now on her way. My brother has plainly acknowledged to me his intentions towards her – Whereupon I have of course told him that I never would stay with him while she was there. You may imagine that Helena with her revengeful nature hates me for refusing to take her along, for she knew it was to prevent her seeing my brother.

4de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

4de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

Berthe vreest zelfs voor haar eigen leven als Helena haar zin niet krijgt:

She will greatly triumph over me now – and if I remained with my brother & she was kept out of the way (as he proposed to me) she would make no scrupple[s] of making an end of me [even] to the fashion of her native land even as her mother, who set fire to the plantation of her father [James of zijn broer Robert Cruickshank] from similar reasons. Since I know that Helena is coming, I have suffered such mental anxiety as words can not describe – add to this [4de bladzijde] the excitement of many unpleasant discussions with my brother on this subject – and you will not be surprised thast I have been ill.

De (in chronologische volgorde) slavinnendochter, bediende, maîtresse, moeder, wettige echtgenote, weduwe en erfgename Helena van Dolder-Cruickshank zal het verworven kapitaal er in tien jaar doorheen weten te jagen. Zij verhuist naar Zutphen, raakt later in Amsterdam aan lager wal, wordt insolvent verklaard, emigreert naar Nederlands-Indië, trekt bij haar zoon in en komt uiteindelijk in 1911 te overlijden in één van de gebouwen van diens suikerfabriek Pandji in Sitoebondo, op Java, net zo berooid als de verleidelijke Hellen Goodwill die ze ooit was op de Surinaamse plantage Paradise. Overigens zal de slavernij in Nederlands-Indië pas op 1 januari 1860 afgeschaft worden, nauwelijks vijf maanden voor de verschijning van Multatuli’s geruchtmakende koloniale aanklacht Max Havelaar en ruim drie jaar na Berthes hartekreet aan Dunlap.Arnica foto

Los van deze onverkwikkelijke familieverwikkelingen speelt ook het drukkende tropische klimaat Berthe flink parten. Zij zweert al jaren bij allerlei homeopathische geneesmiddeltjes (zoals ‘Arnica’, het Nederlandse valkruid of wolverlei, Arnica montana) maar deze helpen nu nauwelijk meer:

'Arnica' Elizabeth Blackwell

‘Arnica’ Elizabeth Blackwell

The [climate] is also adding its debilitating influence to moral [causes], I have been attacked with bowel complaints – the most dangerous of all diseases, here, I am not allowed any food but rice & arrowroot […]

In de late jaren ’80 zal haar zoon Alphonse vanuit haar woonplaats Selipie (en waarschijnlijk zelfs vanuit haar huis, want volgens Berthes 20ste-eeuwse nazaat Betsy Marianne Hupka-Barth woont hij dan bij zijn moeder) een handeltje opzetten in de medicinale Arrowroot, oftewel pijlwortel, Maranta arundinacea.

[…] so you may imagine how sick & feeble I am getting. Still there is improvement since a few days and I try hard to keep up my courage.

Louise von Panhuys: 'Maranta arundinacea L.' [als 'Arrow-Root'], pijlwortel, 'Aquarellen van Suriname' (1811-1824) Johann Wolfgang Goethe-Universität Frankfurt am Main, Deutschland.

Louise von Panhuys: ‘Maranta arundinacea L.’ [als ‘Arrow-Root’], pijlwortel, ‘Aquarellen van Suriname’ (1811-1824) Johann Wolfgang Goethe-Universität Frankfurt am Main, Deutschland.

Berthe probeert wanhopig het hoofd boven water te houden. Zij heeft al een paar maanden na aankomst in Nederland-Indië bij de onderwijsautoriteiten in Batavia (en in laatste, beslissende instantie, Nederland) een subsidie aangevraagd om een meisjesinstituut op te richten, bedoeld voor jonge dochters van de blanke Bataviase burgerij. Dat had zij in New Orleans (samen met haar man) ook gedaan, met kortstondig succes. De spanning is te snijden omdat berichten uit het verre Nederland eindeloos op zich laten wachten en haar (financiële) toekomst daardoor onzeker blijft.

The uncertainty as to the decision of the government, which is still kept up, also added to nervous excitement – .

In het volgende voorjaar zal zij, nadat zij de hoop al heeft opgegeven, plotseling toch antwoord krijgen uit Nederland. Dat blijkt gunstig. Zij ontvangt een geldbedrag van maar liefst fl 1500,- (± € 15.000,-) per maand. Berthe is dolgelukkig. Zij kan nu, voor de vierde keer in haar leven, een school voor ‘beschaafde meisjes’ gaan opzetten. Maar ondanks een veelbelovende start en ondanks de officiële belofte dat bij gebleken succes de ‘subsidie’ voor zeker zes jaar gecontinueerd zal worden, gaat Berthes meisjesinstituut na nog geen twee jaar alweer ter ziele. De gulle geldschieters in het verre vaderland blijken namelijk niet van gediend van haar pedagogiek, die in hun ogen veel te christelijk is. Berthe, die zich Nederlands Hervormd noemt alhoewel zij liever de Engelse Kerk bezoekt, wil niet alleen dagelijks in de klas de bijbel (laten) lezen, zij verafschuwt ook het veronderstelde heidendom om haar heen en wil bovendien de ‘verderfelijke’ invloed van het papisme op Java een halt toeroepen. Zij prefereert religieuze standvastigheid boven wereldse rijkdom, een toen (als nu) blijkbaar aanstootgevende voorkeur. Deze christelijke Prinzipienreiterei is één van de twee redenen dat haar meisjesschool op 1 januari 1859 alweer zal moeten sluiten. De andere is het verwijt dat haar instituut te elitair zou zijn, iets wat met veel ophef in de Indische pers wordt besproken. Nu, in december 1856, en vooralsnog schoolloos, vraagt zij zich af hoe zij in hemelsnaam haar eigen kinderen moet onderhouden, tenminste, voor zover die daadwerkelijk bij haar zijn, in Batavia.

And most of all perhaps a never ceasing [pain] hid in my bossom caused by the estrangement of my eldest children.

Berthes beide zonen, de veertienjarige Vincent Jacques Henri en de twaalfjarige Alphonse Charles, zitten op dat moment op het (anno 2016 nog steeds florerende) Schotse jongensinternaat Merchiston Castle School, vlakbij Edinburgh. Haar twee jongste dochters had zij eerder vanuit Amerika naar haar ongetrouwde zussen in Wageningen gestuurd, maar deze zijn later met haar meegekomen naar Java. Dit was allemaal ongetwijfeld betaald door hun rijke halfoom Vincent Jacob. Deze heeft namelijk in eerdere brieven aan Berthe beloofd de kosten voor de opvoeding van haar kinderen voor zijn rekening te nemen, tenminste, als zij zelf naar Nederlands-Indië komt. Als gewiekst zakenman rekent hij waarschijnlijk op de sociale contacten die de magistratenweduwe madame Hoola van Nooten née Van Dolder heeft in de hogere kringen van Batavia. De vele fascinerende facetten van de mannelijke natuur overpeinzende, kunnen we echter ook niet uitsluiten dat hij de komst van zijn halfzus Berthe en haar kinderen gebruikt als een quasi-altruïstisch excuus om de reis van (en het samenzijn met) zijn jonge maîtresse Helena te legitimeren.

5de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

5de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

Dunlap in het verre Louisiana blijft Berthes meest nabije vriend:

Of these most bitter days in my life I have never spoken to any one.

Zij schrijft over een verlies dat hij blijkbaar geleden heeft.

But what you have communicated to me of your [loss] & your […] […] […] [5de bladzijde] to you also on this subject.

Dat moet de dood van Dunlaps echtgenote Beatrice betroffen hebben, twee jaar daarvoor. Uit eerdere brieven weten we dat hij toen hoopte eindelijk Berthe te kunnen trouwen. Zij twijfelde echter over zijn aanzoek, om wat voor redenen dan ook. In dezelfde tijd, nog relatief jong en zich bewust van haar eigen aantrekkelijkheid, was zij kort verloofd geweest (inclusief bijpassende kostbare ring) met weer een andere aanbidder, wiens identiteit zij niet onthult vanwege een even intrigerend als door haar onverklaard ‘verschrikkelijk geheim’. Wat bedoelt Berthe hiermee? Wie is deze andere vrijer? Is hij misschien al getrouwd? We zullen het waarschijnlijk nooit meer achterhalen, maar Berthe weet uiteindelijk ook diens avances te weerstaan. Na deze affaire (waarbij zij liefdesverzekeringen ontving van ‘other lips then yours [Dunlap]’) schreef Berth haar New Orleanse penvriend dat zij vastbesloten was om nooit meer te zullen trouwen, met welke huwelijkszuchtige dan ook.

Haar eigen kinderen zijn een constante bron van zorg. Zij mist de jongens elke dag:

[…] from the very first I have felt chilled & cheated in my feelings for love for these children that have been so long away from me. they seem to look at me with a sort of distrust and to regard me alone as if a stranger. They are dutiful but that for which my heart had yearned & fondly hoped for through many weary years of our separation so painful to me, to which I submitted for their sake only – that cheering love – that childish trust so gratifying to a parent – are wanting. It is a daily torture of bitter grief to me. You know how much I need affection to be happy, and where shall I find it [6de bladzijde] now. At the time that I most [need] submit to have my loves leave me for school – […]

 6de 6de & 7de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

6de & 7de bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

Zelfs het gezelschap van haar dochters kan het gemis van haar geliefde Alphonse en Henri niet goedmaken:

[…] I find no compensation for their absence in my daughters –

Daar komt ook nog eens bij dat Vincent Jacob zijn halfzus Berthe in eerste instantie had verboden om een nieuwe meisjesschool op te zetten. Hij twijfelde aan haar zakelijke inzichten, ook al wist hij dat zij met dit plan juist haar schulden wilde afbetalen.

Two things make it impossible for me to remain with my brother. The coming of Helena & his intentions towards her, and the stern duty that bids me work for the payment of my debts.

Intussen werpen haar contacten in de hogere kringen van Batavia inderdaad hun vruchten af, zo niet voor haar halfbroer, dan toch voor haarzelf:

I have yet one hope and that is that it may please the supreme ruler of the hearts of men to induce the governor general of this island […]

(de gouverneur-generaal op dat moment is Charles Ferdinand Pahud, in functie 1855-’61)

 […] to be favourable to my request He seems to be so disposed – and [I] […] [certainly] [shall not] […]

Een deel van de originele brief is hier helaas weggevallen. We kunnen pas weer iets ontcijferen als Berthe schrijft dat zij ook haar Noord-Amerikaanse vrienden erg mist:

[7de bladzijde] I long [exceedingly] [… …] do you not wish by every mail beyond expression at the silence of all my American friends, except yourself – but chiefly at that of Mr Richardson – I never should have thought it possible for him to forget me so soon I have been too much & too truly attached to him not to feel his neglects keenly. Who is there but you alone – – Should you see Mr Richardson tell him what I say – I have no secrets for him – but self respect forbids my writing to him – since my two last letters were left unanswered. He did not even call  for the letter he knew I had left for him at Mrs. Eaton and which she wrote me was still in her possession – if you know of any news regarding any old acquaintance of mine, let me know.

8ste bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

8ste bladzijde brief 9 december 1856 (LaRC, Tulane University)

Zij sluit af met een vraag naar blijkbaar recente ontwikkelingen in Amerika:

I long to [8ste bladzijde] hear the results of the late political struggle in my dear adopted country.

Nu wordt ook duidelijk waarom het briefpapier dubbel en dwars beschreven is:

Perhaps you will find it difficult to read this, but I had to write thus for fear of making my letter too voluminous.

Een voorlopig laatste groet:

And now farewell my own dear friend. I shall not cease to think of you with unchanging regards and gratitude for all your friendship to me. It is sad to think how long I must now wait before I can have your answer. Still you must be sure to write per retour of mail.

Een laatste zegen:

Farewell dear Mr Dunlap God bless you – Henriëtta & my boys send their love & I am always Yrs affectionally & truefull [B.]

Marianne North: 'The Preanger Mountains', Painting 803, oil on canvas, ca 1876, adopted by Dr & Mrs F Ames-Lewis (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/803.html )

Marianne North: ‘The Preanger Mountains’, Painting 803, oil on canvas, ca 1876, adopted by Dr & Mrs F Ames-Lewis (Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/803.html )

In een postscript verzoekt zij hem om nog wat valkruid op te sturen, het homeopathische huismiddel waar zij nog steeds veel baat van denkt te hebben.

Could you send me a dose more of the Arnica It would oblige help me if you could forward them to Mr. Eaton. He will send them further. But you will have to write him []

Adres van een brief (10 januari 1855) van Berthe uit GaAdres van een brief (10 januari 1855) van Berthe uit Galveston, Texas aan Dunlap in New Orleans, Louisiana (© LaRC, Tulane University)

Adres van een brief (10 januari 1855) van Berthe uit Galveston, Texas aan Dunlap in New Orleans, Louisiana (© LaRC, Tulane University )

Berthe en John hebben elkaar in dit leven nooit meer ontmoet.

De brief is klaar en hij kan verstuurd worden. Dat is in 1856 minder eenvoudig dan het lijkt anno 2016. Volgens de historicus De Haan waren er in Batavia zelfs in 1861 nog helemaal ‘geene brievenbussen, geene postzegels, geene postwissels’. De eerste plek waar men (ongefrankeerde) post kon achterlaten was op de bovenverdieping van het Stadhuis (tegenwoordig Jakarta History Museum), aan het toenmalige Stadhuisplein, in 1828. De eerste brievenbussen, zeven in totaal, werden pas in 1863 geplaatst en de eerste Indische postzegels werden pas op 1 april 1864 gebruikt. Berthes flinterdunne brief zal vanuit Batavia met de pakketvaart vervoerd zijn, waarschijnlijk per zogenaamde overland-mail, dat wil zeggen, niet naar het zuiden, door de Straat van Soenda en langs de Afrikaanse Kaap, maar richting het noorden, door de Zuid-Chinese Zee naar het Engelse Singapore (dat Berthe eerder als poste restante-adres van Vincent Jacob had opgegeven), door de nauwe Straat van Malakka, rakelings langs de zuidpunt van Ceylon over de Indische Oceaan richting Arabië, verder naar Aden en door de Rode Zee, over de snikhete landengte bij het Egyptische Suez  (ooit op dromedarissen, later met paarden, vanaf 17 november 1869 per boot door het nieuwe kanaal), via Alexandrië over de oostelijke Middellandse Zee naar Marseille of Triëst, dwars door Centraal-Europa richting Nederland en daarna per zeil- of stoomboot via Liverpool of Southampton met een grote boog over de Atlantische Oceaan naar Noord-Amerika, om uiteindelijk (via New York of Boston) terecht te komen in het zuidelijke, zoele New Orleans, Louisiana, om na deze halve wereldreis heelhuids neer te dwarrelen op het bureau van de even trouwe als geduldige Dunlap, die op dit antwoord van Berthe bijna een half jaar heeft heeft moeten wachten. Voor haar geldt hetzelfde, in omgekeerde zin.

Madame Berthe Hoola van Nooten: 'Citrus decumana', lithografie (G. Severeyns), uit: 'Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java peints d’après de nature', 1863 [-'64].

Madame Berthe Hoola van Nooten: ‘Citrus Decumana’ [= Citrus maxima?], lithografie De Pannemaeker, plaat [3] uit: Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de L’Île de Java peints d’après de nature. Bruxelles: Muquardt [1881; derde editie].

In deze onzekere tijden besluit Berthe om opnieuw te verhuizen, dit keer naar Buitenzorg (Bogor), zo’n 60 kilometer ten zuiden van Batavia. Zij opent daar een meisjesschool, voor de vijfde keer in haar leven. Hier is zij aan alle kanten omringd door de tropische natuur en het is waarschijnlijk ook in deze omgeving dat zij op het idee is gekomen om een spectaculair salontafelboek over de Javaanse flora te publiceren, geïllustreerd met kleurenlithografieën gebaseerd op haar eigen aquarellen. De opbrengst daarvan hoopt zij kunnen te gebruiken om haar gezin te onderhouden, iets wat zij niet alleen zonder gêne maar zelfs met nadruk vermeldt in haar Préface. Het in Brussel gedrukte en uitgegeven Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java (drie edities, totale oplage niet veel minder dan zo’n 1000 exemplaren) zal inderdaad een commercieel succes worden. Maar ook hiervan plukt Berthe weinig financiële vruchten, ondanks het feit dat na haar overlijden maar liefst veertien de luxe-exemplaren van dit prachtwerk in haar huis aanwezig blijken te zijn. De weduwe mag dan berooid zijn, zij laat zich niets wijsmaken. Als een waarachtig christen werpt zij de Heere haar armoede niet voor de voeten, zij is er Hem juist dankbaar voor. Berthe zal op 12 april 1892 eindelijk haar Verlosser ontmoeten, in het huis van haar schoonzoon Friedrich Gustav Carl Degent te Tanah Abang, armer in aardse bezittingen dan zij ooit had gevreesd (haar nalatenschap bedraagt na aftrek van alle schulden precies ƒ45,80), maar rijker aan herinneringen dan zij ooit had durven dromen.

Charles Theodoor Deeleman: Gezigt op de Noordzijde van het kerkhof te Batavia, lithografie, uit: Bataviaasch Album. Verzameling van een tiental gezigten van de hoofdstad van Nederlandsch Indie. Opgedragen aan Zijne Exellentie den Minister van Staat J.J. Rochussen. Batavia: G. Kolff & Co, circa 1859 (op deze begraafplaats te Tanah Abang lag Berthe Hoola van Nooten begraven).

Charles Theodoor Deeleman: Gezigt op de Noordzijde van het kerkhof te Batavia, lithografie, uit: Bataviaasch Album. Verzameling van een tiental gezigten van de hoofdstad van Nederlandsch Indie. Opgedragen aan Zijne Exellentie den Minister van Staat J.J. Rochussen. Batavia: G. Kolff & Co, circa 1859 (op deze begraafplaats te Tanah Abang lag Berthe Hoola van Nooten begraven).

To open the great book of nature; to endeavour to represent, if but faintly, by our feeble art, that glorious colouring, those treasures of hidden beauties so freely spread around us, by our munificent Creator – (here, especially, in this beautiful island of Java, privileged in this respect, where vegetation is so magnificent) – is it not this which meets the cravings of our hearts, which cannot fail to give us our proper nourishment by feeding our souls with silence, prayer and love?
(Préface, Fleurs, fruits et feuillages choisis de flore et de la pomone de L’Île de de Java)
Met veel dank aan / thanks to Herbert Adam, Simone Ballard (Research Intern Nolalocavores, Herbarium Assistant Tulane University), Sean C. Benjamin (Public Services Librarian, Louisiana Research Collection, Howard-Tilton Memorial Library, Tulane University), Youki Crump (Marianne North Gallery, Kew Royal Botanic Gardens), Steven P. Darwin (Department of Ecology and Evolutionary Biology, Tulane University, New Orleans), Marcel van Dorst, An Duits, Leon C. Miller (Head Louisiana Research Collection, Tulane University) en Bruce Boyd Raeburn (Director Special Collections and Curator, Hogan Jazz Archive, Tulane University).
ganzenveer

 

 

Bibliografie
♣ ADAM, Herbert: De herkomst van de Adams. Adam from Paradise. http://www.deindischeadams.nl
♣ BUITENWEG, Hein: Soos en samenleving in tempo doeloe. Den Haag: Servire, 1965.
♣ DIESSEN, Drs. J.R. van & Prof. Dr. F.J. ORMELING [etc]: Grote Atlas van Nederlands Oost-Indië [etc]. Zierikzee / Utrecht / Meppem: Uitgeverij Asia Maior / Atlas Maior / Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap / MaxZ, 2003.
♣ [HAAN, Frederik de:] OUD BATAVIA GEDENKBOEK uitgegeven door het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen naar aanleiding van het driehonderdjarig bestaan der stad in 1919. Batavia: G. Kolff & Co, 1922 (twee tekstdelen en een Platen Album).
♣ [HOOLA VAN NOOTEN 1845-’59:] Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59 (onderhavige brief 9 december 1856), John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University (USA) (afkorting LaRC) [35 originele brieven, Galveston 1845 – Batavia ’59; complete scans en de transcripties ervan in collectie auteur]. http://tulane.edu/
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Madame Berthe: Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’Île de Java peints d’après de nature par madame Berthe Hoola van NootenOuvrage dédié à sa majesté [sic] la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier, Montagne de L’Oratoir, 5, 1863 [-’64] (2de editie 1866, 3de editie [1881]).
♣ [HUPKA-BARTH, Betsy Marianne (Beppie):] ‘Poging tot necrologie [van Berthe Hoola van Nooten]‘. Anoniem, ongedateerd, ongepubliceerd, op website Collectie Tropenmuseum, opgetekend uit de mond van Hupka-Barth door een medewerker (die in elk geval in 2012 al was overleden) van het Tropenmuseum, waarschijnlijk in de jaren ’80 van de XXste eeuw (persoonlijke communicatie van toenmalige conservator Koos van Brakel, Tropenmuseum, augustus 2012). Hupka-Barth (1908-2004) was volgens ‘eigen’ zeggen een kleindochter van Berthe Hoola van Nooten, maar is in werkelijkheid haar achterkleindochter. Hupka-Barths ouders waren namelijk de Indische Controleur J.P.J. Barth en Anne Eliza née van Marle. De laatste was een dochter van Augustus Johannes van Marle en Julia Bertha née Hoola van Nooten. Julia Bertha was de vroeggestorven (1874) dochter van Berthe. De jonge Anne Eliza groeide daarom tot 1883 op bij haar grootmoeder Berthe, wat de vergissing van Hupka-Barth verklaart. Deze laatste (die was genoemd naar de jongere zus van Berthe en zelf kinderloos zou blijven) was in februari 1945 in Amsterdam door Ds Buskes clandestien getrouwd met de Duitse musicus Felix Hupka (1896-1966), leraar van onder andere Bernard Haitink en Cristina Deutekom. http://tropenmuseum.nl/
♣ MERRILLEES, Scott: Batavia in Nineteenth Century Photographs. Singapore: Editions Didier Millet, 2010.
NEDERLAND’S PATRICIAAT 53ste Jaargang 1967 (Hoola van Nooten).
♣ NORTH, Marianne: Recollections of a Happy Life. London: MacMillan, 1893 (2 delen, met een later verschenen derde deel).
♣ [NORTH, Marianne:]  Marianne North Gallery http://www.kew.org/mng/gallery/index.html
Geplaatst in botanie, Reizen | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 7 reacties

Grasmaand in Tokio ofte liever Yedo: de nederige VOC-dienaar Charles Ralph Boxer eert zijn vriend Jean Charles Pabst, koninklijk afgezant in Japan

Charles Ralph Boxer (1904-2000) wordt wel ‘a one-man historical army’ genoemd vanwege de honderden publicaties over de meest uiteenlopende onderwerpen die hij op zijn naam heeft staan. Hij was niet alleen militair, historicus, docent en chroniqueur van de Europese koloniale tijd in China, Portugal en Brazilië, maar las ook vele talen, waaronder Japans en 17de-eeuws Nederlands. In de jaren ’30 van de vorige eeuw was hij een bewonderaar en later ook intieme vriend van de Nederlandse consul in Japan, Jean Charles Pabst (1873-1942). Deze was een gepassioneerd liefhebber van zeldzame boeken en exotische antiquiteiten. De jonge Boxer werd al snel aangestoken door de verzameldrift van zijn mentor. Na de Tweede Wereldoorlog bouwde hij zelf een grote bibliotheek op, met daarin veel originele en zeldzame publicaties over de ontdekkingsgeschiedenis van Portugal, Brazilië, China en Japan. In 1930 bezorgt Boxer een uitgebreide Engelstalige editie van het dagboek uit 1639 van de Nederlandse zeeheld Maarten Harpertszoon Tromp. Als hij in 1930 in Tokyo woont geeft hij een exemplaar van zijn boek aan zijn vriend Pabst. Hij voorziet dat van een persoonlijke opdracht die in archaïserend Nederlands is gesteld, compleet met quasi-officiële aanhef, titels en eerbetuigingen in de ambtelijke VOC-stijl uit de 17de eeuw.

Geboden door den schrijver aan den Edele, Manhafte, voorzienige, welwijze ende zeer discrete Heer Generaal J.C. Pabst (Zijnde nu Gezant van de Koninckrijck der Nederlanden bij den Hof van de doorluchtige Keizer van Japan, en aldus de waardige opvolger van de kloecken opperhoofden te Deshima (1641-1858,) als blijk van zijn bijzonder groot affectie en estime. Tokio, (ofte liever Yedo), den 26en van Grasmaand [= april], 1930 (was geteeckent) C.R. Boxer (roorock [= roodjas]) (zie bldz. 198 noot (3)).              Met Yedo (ook wel als Yeddo of Edo gespeld) refereert Boxer aan de oude naam van Tokyo. In 1868 werd tijdens de zogenaamde Meiji-restauratie de laatste Tokugawa-shogun afgezet. De tot dan toe op de achtergrond gebleven keizer verhuisde vanuit de westelijke hoofdstad Myako (daarna Kyoto geheten) naar het leegstaande paleis van de shogun in Edo, sindsdien Tokyo (‘Oostelijke hoofdstad’) genoemd. Al deze historische wederwaardigheden konden rekenen op de warme belangstelling van Boxer, die vast wel eens gedacht moet hebben dat hij op de verkeerde plaats en in de verkeerde tijd geboren was.

Boxer hield blijkbaar van studentikoze taalgrapjes, want enkele jaren later deed hij iets soortgelijks als voor zijn vriend Pabst. Hij reisde toen samen met hem rond in het toenmalige Nederlands-Indië, met in hun bezit een zelfverzonnen, handgeschreven document dat was opgesteld door enkele Nederlandse vrienden in dezelfde plechtstatige VOC-stijl. De vrienden waren de historici J.C.M. Warnsinck, J.W. van Nouhuys, S.P. L’Honoré Naber, W. Voorbeytel Cannenburg, A. Engelbrecht, R. Bijlsma en de uitgever en antiquaar Wouter Nijhoff. Deze laatste had het unieke document laten vervaardigen. In de ‘gewichtige’ tekst wordt de Indische autoriteiten verzocht medewerking te verlenen aan de enthousiaste ‘dienaren’ Boxer en Pabst, en hun te assisteren bij allerlei belangrijke werkzaamheden voor de Loffelijke Compagnie (zoals de VOC toen werd genoemd). In 1930 plakt Boxer zijn eigen fraaie blauwlederen exlibris (afgebeeld bovenaan dit artikel) op het eerste schutblad van zijn Tromp-boek. Als Pabst dit cadeau krijgt plakt hij er ook zijn eigen papieren exlibris in, één bladzijde verder, op de zogenaamde Franse pagina (hiernaast afgebeeld). Het is dit bijzondere dubbele-provenance-exemplaar dat in 2010 op de najaarsveiling van Bubb Kuyper in Haarlem werd aangekocht voor de bibliotheek van het Magazijn van Natuurlijke Historie. Daar staat het te midden van ongeveer 1250 andere titels over de roemruchte Europees-Japanse betrekkingen in de Edo-periode.

Bibliografie:
♣ ALDEN, Dauril: Charles R. Boxer. An Uncommon Life. Soldier Historian Teacher Collector Traveller. [Lisboa:] Fundaçao Oriente, 2001.
♣ BOXER, Charles Ralph: The Journal of Maarten Harpertszoon Tromp Anno 1639. Cambridge: University Press, 1930.
♣ KOEHN, Alfred: Japansche bloemensymboliek. Amsterdam: Scheltema & Holkema’s Boekhandel en Uitg. Mij. N.V., 1937 (gedrukt in China door de Imprimerie des Lazaristes, Peiping).
Geplaatst in Reizen | Tags: , , , , | 2 reacties

De ‘Hand van Boeddha’. Berthe Hoola van Nooten en haar Javaanse vingercitroen

[…] To open the great book of nature; to endeavour to represent, if but faintly, by our feeble art, that glorious colouring, those treasures of hidden beauties so freely spread around us, by our munificent Creator – (here, especially, in this beautiful island of Java, privileged in this respect, where vegetation is so magnificent) – is it not this which meets the cravings of our hearts, which cannot fail to give us our proper nourishment by feeding our souls with silence, prayer and love […].
(uit voorwoord (1862) van Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java, Bruxelles, 1863)

In 1863-’64 liet Berthe Hoola van Nooten (geboren in Utrecht op 12 oktober 1817 als Bartha Hendrica Philippina van Dolder) een ambitieus botanisch boekwerk publiceren met tientallen afbeeldingen van bloemen, fruit en planten van het tropische eiland Java: Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java.1 De veertig spectaculaire kleurenplaten in het boek zijn gebaseerd op originele tekeningen van de kunstenares. Nadat Berthe in onder andere Demerary (waar haar man in 1811 was geboren), Paramaribo en New Orleans had gewoond, was zij als armlastige weduwe in Batavia in Nederlands-Indië terechtgekomen, waar zij korte tijd een meisjesschool leidde en schilder- en tekenlessen gaf. Met de opbrengst van haar Java-boek hoopte zij haar vijf kinderen te kunnen blijven onderhouden. Volgens het voorwoord (gedateerd juli 1862) is de publicatie opgedragen aan alle ‘nederige’ vrouwen van de wereld, wat typerend lijkt voor de benarde positie van talentvolle vrouwen in die tijd. Daarnaast liet Berthe een zelfgeschreven Franstalig lofdicht op Koningin Sophie der Nederlanden opnemen. Deze ongelukkig gehuwde beschermvrouwe van de kunsten en wetenschappen had namelijk de kostbare publicatie met financiële steun mogelijk gemaakt. Om het zakelijke risico ondanks die royale gift toch enigszins te spreiden, besloot de Brusselse uitgever Émile Tarlier het indrukwekkende boek (43,5 x 57 centimeter) in tien losse afleveringen te laten verschijnen, de eerste in januari 1863. Elke ‘livraison’ bevat een aparte titelpagina en vier met de hand bijgekleurde chromolithografieën die zijn getekend door de Brusselse lithograaf Guillaume (Georges) Severeyns. De platen worden begeleid door een populair geschreven maar wetenschappelijk onderlegde Engels/Franse tekst met daarin beknopte en treffend geschreven informatie over de afgebeelde planten. Berthes boek werd door het grote publiek enthousiast ontvangen en ook gezaghebbende botanici als F.A.W. Miquel en C.A.J.A. Oudemans waren vol lof over het Javaanse prachtwerk.2, 3 Oudemans (die zelf vijf jaren op Java had gewoond) noemde het werk een ‘kostelijke gave van edele vrouwenhand’. Koningin Sophie schonk Berthe Hoola van Nooten het jaar daarop uit dank een oorkonde, een bedrag van f 1000,-4 en zond haar later een ‘prachtige gouden armband’.5 Zelfs Keizerin Eugénie (de echtgenote van Napoléon III) was verguld met het boek: zij schonk Berthe enkele ‘prachtige cadeaux’, waaronder een medaillon met een buste van haarzelf op de ene zijde en een persoonlijke inscriptie op de andere. Wilde men in Nederland een compleet exemplaar van het boek met alle veertig platen in tien livraisons kopen, dan kon men dat doen bij de gevolmachtigde boekhandelaar J. Noordendorp in de Pijpenstraat in Amsterdam, voor f 70,-.6 Bij voorintekening was men echter goedkoper uit, de uitgave kostte dan per livraison slechts f 6,-. Dat was nog steeds veel geld voor een boek: omgerekend zou dat € 60,- zijn en voor het hele boek € 600,-. Het is onwaarschijnlijk dat Berthe zonder de koninklijke steun in eerste instantie ook maar één exemplaar voor zichzelf had kunnen kopen, want zij werd haar hele leven geplaagd door geldzorgen: ‘many trials, many troubles’ schrijft zij in één van haar tot nu toe ongepubliceerde brieven vanuit Java.

Bibliografische bijzonderheden

Het boek zou tweemaal herdrukt worden.7 De eerste editie was gesponsord met maar liefst ƒ2000,- door baron Sloet van de Beele, gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Deze woonde, net als Berthe eerder, in het lommerrijke Buitenzorg (het Indische ‘Sans Soucis’), zo’n zestig kilometer ten zuiden van Batavia, tegenwoordig Jakarta. In de tweede en volgens het voorwoord verbeterde editie werd de complete tekst opnieuw gelithografeerd, inheemse namen aan de titels toegevoegd, de platen nog gloedvoller afgedrukt, waarbij in elk geval de rode kleuren geheel met de hand zijn ingetekend en vele botanische details subtiel blijken bijgewerkt. Storende taalfouten werden gecorrigeerd en andere onvermijdelijk opnieuw gemaakt. Bij de derde, laatste en ongedateerde editie (met een voorwoord uit mei 1880 maar volgens het Nieuwsblad voor den Boekhandel van november 1881 ‘zojuist’ verschenen) werd de titel ingekort, de gehele tekst voor de tweede keer opnieuw gelithografeerd, en werden alle platen eveneens (maar deze voor het eerst) opnieuw gechromolithografeerd door de destijds beroemde Gentse tekenaar, schilder en steendrukker Pieter Depannemaeker. Een duidelijk voorbeeld van die verschillen in opeenvolgende edities zijn de onderschriften bij de afbeeldingen van de zogenaamde vingercitroen. In de eerste editie staat daarbij vermeld: ‘Hort. & Bog.’, wat wil zeggen: ‘Hortus & Bogoriensis’, oftewel ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg (tegenwoordig Bogor Botanical Gardens, Kebun Raya, gesticht in Berthes geboortejaar 1817). Het blijkbaar misbegrepen en overbodige &-teken tussen ‘Hort.’ en ‘Bog.’ is voor de tweede editie van de originele steenplaat weggeschuurd, daarmee een voor die editie kenmerkende spatie op de afdrukte plaat achterlatend. In de geheel opnieuw lithografeerde (en door ‘Weissenbruch, Imprimeur’ gedrukte) derde editie is deze spatie uiteindelijk zèlf verdwenen, evenals de naam van de originele uitgever Émile Tarlier (zie illustraties hierboven). In de eerste catalogus van de boekencollectie van ’s Lands Plantentuin (uit 1887) wordt vermeld dat maar liefst twee edities van Berthes Java-werk in de bibliotheek aanwezig zijn.8 Ondanks het artistieke en commerciële succes van haar magnum opus lukt het Berthe nauwelijks om het hoofd boven water te houden: zij overlijdt uiteindelijk in het huis van haar schoonzoon op 12 april 1892 te Batavia op 74-jarige leeftijd in nog altijd behoeftige omstandigheden. Na aftrek van alle schulden blijft er van haar nalatenschap in 1899 precies f 45,80 (een kleine € 500,-) over.9

De ‘Hand van Boeddha’ in ’s Lands Plantentuin

De hiervoor genoemde vingercitroen is één van de opvallende vruchten die in Berthes Java-boek worden afgebeeld: zij noemt deze ‘Citrus Sarcodactylis’ (‘vleesvingerige citroen’) en vermeldt vanaf de tweede editie ook de inheemse naam: ‘Djerook Tangan’. In Azië wordt hij al eeuwenlang heel toepasselijk ‘Hand van Boeddha’ genoemd vanwege de sierlijk open- of dichtgevouwen uitstulpingen die op goudkleurige vingers lijken. ‘Boeddha’s hand’ klinkt heel poëtisch, maar deze ‘vingers’ zijn in feite een groeiafwijking die meestal wordt veroorzaakt door parasiterende mijten of mutagene schimmels die het jonge vruchtvlees aantasten.10 De vrucht is een ziekelijke vorm van de zogenaamde cedercitroen of cederappel (Citrus medica, familie Rutaceae) en werd lang beschouwd als een echte variëteit, soort of ondersoort. Hij groeit aan de Aziatische sukadeboom, is net als de nauw verwante gewone citroen zuur van smaak en wordt alleen gekookt en gesuikerd gegeten. Vanwege de (bij wrijving vrijkomende) verrukkelijke geur van de schil (en bladeren) wordt hij in China en Japan ook al eeuwenlang gebruikt om stoffen en kleding mee te aromatiseren.11 De publicatie van de Nederlandse Berthe wordt door taxonomen beschouwd als de eerste wetenschappelijke beschrijving van deze exotische vrucht. Berthe heeft haar ‘vingervormige citroen’ bestudeerd en getekend in de tuinen van Buitenzorg (grenzend aan het paleis van de gouverneur-generaal), volgens haar familie onder een speciaal voor haar gebouwde glazen koepel.12 Ondanks het indrukwekkende botanische werk wordt nog aan het einde van de twintigste eeuw opgemerkt dat ‘the origins of Berthe Hoola van Nooten remain buried in obscurity to this day’.13 Hoe is het gekomen dat deze bijzondere Nederlandse vrouw, die tegenwoordig inderdaad vrijwel vergeten is maar aan wie we het imposante Java-boek te danken hebben, de eerste officiële beschrijfster is geworden van de even beroemde als geliefde ‘Hand van Boeddha’, ook wel Citrus medica sarcodactylis of vingercitroen genoemd?

En ik zeg U, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet bekleed is geweest gelijk een van deze. (Mattheüs 6:29; motto van Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java)

Om deze vraag te beantwoorden moeten we duizenden jaren terug in de tijd, omdat de ‘Hand van Boeddha’ natuurlijk al veel langer bekend is dan Berthes wetenschappelijke beschrijving uit 1863. Vanaf de oostelijke flanken van de Himalaya of misschien zelfs vanuit het nog verder gelegen China14 moet de stamvorm (de cederappel of -citroen) al vroeg in het Westen terecht zijn gekomen. Dat weten we, omdat Alexander de Grote tijdens zijn veldtocht naar India in de vijfde eeuw voor Christus door het land van de Meden en de Perzen trok (vandaar de soortnaam medica: die heeft dus niets met ‘medicinaal’ te maken) en toen de vrucht al onder ogen kreeg.15 Opvallend genoeg zouden de nu bij ons veel bekendere gewone citroen (Citrus limon) en sinaasappel (Citrus sinensis) pas veel later, respectievelijk tijdens de Kruistochten en in de Late Middeleeuwen, in Europa geïntroduceerd worden.16 Men neemt overigens aan dat ons woord ‘citroen’ via het Latijnse ‘citra’ afkomstig is van het Oudgriekse ‘cedrina’ (genoemd naar de beroemde ceders van het bijbelse Libanon) dat ‘welriekend’ betekent.17 Die heerlijke geur heeft er voor gezorgd dat de cedercitroen (deze Nederlandse naam is dus eigenlijk een botanische tautologie) ook wel odorata of fragrans en in Nederland ‘muskuscitroen’ werd genoemd.18 De enigmatische en als heilig vereerde ‘etrog’ (‘verboden vrucht’) van het joodse Loofhuttenfeest is waarschijnlijk ook de Aziatische cedercitroen geweest.19 Na de Grieken leerden de oude Romeinen dit zure broertje van onze zoete ‘China-appel’ kennen, en zij schijnen de woorden ‘Medisch’ (uit Medië) en ‘medicinaal’ door elkaar gebruikt te hebben.20 Theophrastus, Vergilius, Plutarchus, Plinius, Dioscorides: al deze klassieke Griekse en Romeinse schrijvers berichten uitgebreid over deze toen in Europa nog zeldzame citrusvrucht, die (wat de etymologie niet minder verwarrend maakt) ook wel bekend stond als de Perzische of Paradijsappel.

Barokke vingercitroenenpracht

Meer dan anderhalf duizend jaar later, tijdens de Italiaanse Barokperiode, kwam speciaal de vingervormige afwijking van de cedercitroen en vogue, omdat men die in verzamelaarskringen zag als een zeldzame speling van de natuur, een begerenswaardige botanische rariteit.21 Eén van de mooiste botanische platenboeken uit de 17de eeuw is Giovanni Battista Ferrari’s Hesperides (1646), waarin tientallen afwijkend gevormde citrusvruchten worden afgebeeld, waaronder enkele sarcodactyli.22 Als voorbeeld voor de gravures dienden fijnzinnige aquarellen die door vrienden van de Romeinse Accademia dei Lincei (met leden als Galileo Galilei en de Nederlander Johannes van Heeck of Heckius) in het begin van de 17de eeuw waren gemaakt.23 Ferrari tekent in zijn boek een fraai aforisme op over de vingercitroen: Nimirum in auro etiam foeditas ac deformitas placet (‘vanzelfsprekend, in goud kunnen zelfs lelijkheid en misvormdheid mooi zijn’). In de tuinen van de Villa Borghese in Rome kan men anno 2014 nog altijd ‘vleesvingerige citroenen’ bewonderen.

Vingercitroenen in de Lage Landen 

Ook in de Nederlanden was ‘De Hand van Boeddha’ al vroeg bekend: in de eind-17de-eeuwse zogenaamde Moninckx Atlas (een botanisch manuscript met honderden afbeeldingen van exotische planten) is weliswaar zonder bijschrift maar onmiskenbaar een aantal vingercitroenen afgebeeld. De betreffende tekening (die tussen 1686 en 1706 gemaakt moet zijn) is overigens niet gepubliceerd in één van de vier boeken over exotische planten die de Amsterdamse botanici Jan en Caspar Commelin in dezelfde tijd hebben uitgegeven naar platen uit de Moninckx Atlas, en zal dus relatief onbekend zijn gebleven.24  Vlak daarvoor had Jan Commelin (de oom van Caspar) zelf een boek over citrusvruchten gepubliceerd dat grotendeels was gebaseerd op het werk van Ferrari: het rijk geïllustreerde Nederlantze Hesperides (Amsterdam 1676). Een andere botanicus die vertrouwd was met de vingercitroen (en deze zelf ook kweekte) was de Groningse professor Abraham Munting (1626-’83). In zijn postuum (1696) verschenen Naauwkeurige Beschryving der Aardgewassen, Waar in de veelerley Aart en bijzondere Eigenschappen der Boomen, Heesters, Kruyden, Bloemen, Met haare Vrugten, Zaden, Wortelen en Bollen [etc.] beeldt hij de citroen af als een veelvingerige misgeboorte. Het barokke onderschrift verraadt de monstrueuze aard van de vrucht: ‘Malus Citria Cornuta’, de oneetbare, gehoornde citroen.25

Maria Sibylla Merian en haar Surinaamse cedercitroen

Caspar Commelin zou enkele jaren later betrokken raken bij een nog veel belangrijkere publicatie dan zijn eigen citrusvruchtenboek. De avontuurlijke Maria Sibylla Merian (1647-1717) verbleef in de jaren 1699-1700 met haar dochter in Paramaribo, in het toenmalige Nederlands-Guyana, net als Berthe met haar man Dirk Hoola van Nooten bijna anderhalve eeuw later. Ondanks het moordende klimaat verzamelde, kweekte en tekende de onverschrokken Maria Sibylla Merian in de omgeving van Paramaribo de kleurrijkste vlinders en andere tropische insecten, om die tekeningen uiteindelijk te graveren, zelf af te drukken en in 1705 in eigen beheer uit te geven in haar Metamorphosis Insectorum Surinamensis ofte de verandering der Surinaamsche insecten.26 Caspar Commelin (die inmiddels botanicus was geworden in de Hortus in Amsterdam) verzorgde de Latijnse botanische nomenclatuur hiervan. Merians insectenboek is één van de mooiste publicaties die ooit over de Surinaamse natuur zijn verschenen. Op plaat 28 (afbeelding hiernaast) daarvan beeldt zij niet alleen een bontgekleurde en vervaarlijk ogende Surinaamse harlekijnboktor (Acrocinus longimanus) af, maar ook een goudkleurige ‘Groote en dikke Citroen’ oftewel een cedercitroen of cederappel, de stamvorm (Citrus medica) van de al vroeg in Suriname geïmporteerde Aziatische vingercitroen van Berthe Hoola van Nooten.27 De grootvader van Berthes man, de Montesquieu-vertaler Dirk Hoola van Nooten senior (1747-1808) had net als veel andere notabelen het prachtwerk van Maria Sibylla Merian in zijn enorme bibliotheek (ruim 3200 titels) in Schoonhoven staan.28

Een botanische Toren van Babel

Voor de leek is de internationale naamgeving van alle verschillende leden van het geslacht Citrus (met honderden variëteiten van citroenen, limoenen, pompelmoenen, sinaasappels en mandarijnen) altijd een linguïstische nachtmerrie geweest. De Engelse ‘lemon’ is bijvoorbeeld onze citroen (Latijns Citrus limon), onze limoen is de Engelse ‘lime’ (Citrus aurantifolia), de Engelse ‘citron’ is onze cedercitroen of -appel (Citrus medica),29 terwijl die laatste vroeger in heel Frankrijk ‘limon’ heette, behalve in het eigenzinnige Parijs waar hij juist weer ‘citron’ werd genoemd.30 Taxonomen proberen al eeuwenlang een einde te maken aan deze botanische Toren van Babel. Toen de Amerikaanse Walter Swingle in 1914 een gezaghebbende revisie doorvoerde van de Citrus-soorten die de Engelse botanist Ernst Henry Wilson (1876-1930) in China had verzameld, besloot hij om Hoola van Nootens tekst en plaat uit 1863 als voorbeeld te nemen voor zijn beschrijving van de vingercitroen.31 Dit deed hij ondanks het feit dat er al eerdere vermeldingen en afbeeldingen van sarcodactylis bekend waren, zoals die van Giovanni Battista Ferrari in Rome en de Moninckx Atlas in Amsterdam. Berthe beschreef haar vingercitroen in taxonomische zin als een echte soort, maar Swingle zag dat anders: hij devalueerde  haar Citrus Sarcodactylis tot een ondersoort (var. sarcodactylis, een zogeheten combinatio nova) van de gewone cederappel of sukade (Citrus medica), die in 1753 voor het eerst beschreven was door de Zweedse systematicus  Linnaeus (1707-78) in diens Species Plantarum.32 Overigens beschouwde Linnaeus in diezelfde baanbrekende publicatie de (relatief nieuwe) gewone citroen ook slechts als een variëteit (var. limon) van de aloude Medische of Perzische appel die Alexander de Grote al onder ogen had gekregen. Het zou uiteindelijk een landgenoot worden van Berthe Hoola van Nooten die de van oorsprong Chinese citroen zijn definitieve Latijnse naam gaf: in 1768 publiceerde de Nederlandse botanicus Nicolaas Laurens Burman (1733-’93)33 zijn Flora indica, waarin hij Linnaeus’ ‘ondersoort’ (dat begrip bestond toen nog niet) juist weer opwaardeerde tot de echte soort zoals wij die nu nog kennen: Citrus limon oftewel de (gewone) citroen.34

Overige taxonomische overwegingen en definitieve toeschrijving

Normaliter wordt bij de eerste wetenschappelijke beschrijving van planten of dieren een fysiek exemplaar gebruikt, een zogenaamd holotype, dat zorgvuldig wordt bewaard om verder onderzoek mogelijk te maken. Maar van Hoola van Nootens sarcodactylis bestaat geen type-exemplaar (meer), en men zal dat dan ook tevergeefs zoeken in het beroemde Linnean Herbarium in Londen.35 Walter Swingle moest daarom voor zijn beschrijving genoegen nemen met de afbeelding en bijbehorende tekst uit Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java. Berthes Citrus-plaat is daarmee het zogenaamde iconotype van sarcodactylis geworden. De Duitse arts en botanicus Karl Friedrich von Gärtner (1772-1850) publiceerde in zijn 1805-’07 verschenen Supplementum carpologiae [etc] eveneens een beschrijving en afbeelding van de vingercitroen (‘digitiformes’)36, maar de door hem voorgestelde naam beschouwde zijn collega Swingle slechts als een synoniem van Citrus medica. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat Gärtner de vingercitroen in zijn tekst Sarcodactilis helicteroides noemt, maar op de bijbehorende afbeelding (plaat 185, figuur 1) Sarcodactylis helicterioides, waardoor Swingle had moeten kiezen welke van deze twee spellingvarianten de juiste was. Bovendien beschreef Gärtner zijn vingercitroen (evenals Berthe) als een echte soort, terwijl Swingle hem (zoals hierboven vermeld) slechts als een ondersoort van de cedercitroen beschouwt. Hoola van Nootens sarcodactylis-plaat en bijbehorende tweetalige tekst uit haar Java-boek waren blijkbaar een beter startpunt voor een ondubbelzinnige wetenschappelijke beschrijving. Al deze historische en taxonomische verwikkelingen zijn helder samengebald terug te vinden in de volledige Latijnse naam van Berthes vleesvingerige citroen of ‘Hand van Boeddha’: Citrus medica Linnaeus 1753 var. sarcodactylis (Hoola van Nooten 1863) Swingle 1914.

Onverwacht bezoek uit Engeland

Berthe is niet rijk geworden van de wetenschappelijke relevantie van haar werk. De Engelse botanica en wereldreizigster Marianne North (1830-’90) brengt in 1876 een bezoek aan ‘Madame van Nooten’ in Batavia, en vermeldt in haar in 1893 door haar zuster uitgegeven memoires de schrijnende omstandigheden waarin Berthe verkeert. Marianne North (als penvriendin bewonderd door onder andere Charles Darwin37) maakt een intrigerende opmerking over deze bijzondere ontmoeting: zij zegt namelijk dat Berthe ondanks haar armoede heel enthousiast is en aanstekelijk vertelt over haar botanische werk. Berthe bewaarde in haar huis minstens 14 prachtig ingebonden exemplaren van haar eigen Java-boek,38 waardoor Marianne kon besluiten er ter plekke een te kopen. Dit ondanks de curieuze opmerking van Marianne dat de keuze en kwaliteit van de platen haar tegenvallen, en dat volgens haar de flamboyante Poinciana regia (=Delonix regia, vlamboom of pauwenbloem) per ongeluk ondersteboven is getekend (zie afbeelding), net als overigens zijzelf eerder had gedaan. Deze spectaculaire plant bloeide nog maar kort in ’s Lands Plantentuin: pas in 1848 was hij vanuit Singapore geïmporteerd door de toenmalige hortulanus Johannes Elias Teysmann.39 Omdat het Java-boek te groot is om mee te nemen op haar verdere reizen, laat Marianne North het vooruit sturen naar de bibliotheek van de beroemde plantenkassen in Kew bij Londen (waar zij later haar eigen schilderijengalerij zal stichten). Berthes boek zal echter tijdens een schipbreuk voorgoed verdwijnen in de golven van de Indische oceaan.40

Een vrouwenleven ontsluierd?

Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java oogt anno 2012 nog even spectaculair als bijna 150 jaar geleden en is bij liefhebbers net zo gezocht als in de 19de eeuw,41, 42 maar over het intrigerende en tragische leven van Berthe Hoola van Nooten is nog altijd weinig bekend.43, 44, 45 Binnenkort zullen de schrijvers van dit artikel meer publiceren over Berthes leven en werkzaamheden in Utrecht en Wageningen, het Guyaanse Nickerie, Demerary en Paramaribo, het Noord-Amerikaanse New Orleans, Galveston en Plaquemine en het Indische Selipi, Buitenzorg en Batavia, onder meer op basis van bewaard gebleven persoonlijke correspondentie aan één van haar vrienden in Noord-Amerika. Deze fascinerende 19de-eeuwse Maria Sibylla Merian en eerste officiële beschrijver van de spectaculaire vingercitroen of ‘Hand van Boeddha’ verdient meer aandacht dan zij tot nu toe heeft gekregen.

C’est assez, c’est tout ce que je voulait obtenir, plus que n’osais espérer. (uit het voorwoord van Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java)
David Coppoolse & Marcel van Dorst
Noten:
1: Hoola van Nooten 1863, 2: Miquel, 3: Oudemans, 4: Hupka-Barth, 5: [anon. 1], 6: boekhandelsetiket 1ste livraison, 7: Nissen, 8: Treub 1887, 9: [anon. 2], 10: Freedberg 1997, 11: Swingle 1967, 12: Hupka-Barth, 13: Hoola van Nooten 1993, 14: Swingle 1967, 15: Theophrastus, 16: Webber, 17: Swingle, 18: Webber, 19: Webber, 20: Valmont de Bomare, 21: Freedberg 1997, 22: Ferrari, 23: Freedberg 2002, 24: Wijnands, 25: Munting, 26: Merian 1705, 27: Merian 1982, 28: Davids, 29: Webber, 30: Valmont de Bomare, 31: Swingle 1914a, 32: Linnaei, 33: Stafleu, 34: Burmanni, 35: Swingle 1967, 36: Gärtner, 37: Raby, 38: [anon. 3], 39: Rijnberg, 40: North, 41: Tomasi, 42: Sitwell, 43: Haks & Maris, 44: De Loos-Haaxman, 45: Hoola van Nooten 1993.
Literatuur:
♣ [anon. 1] ‘Binnenland. Residentie-nieuws’ in: DAGBLAD van ZUIDHOLLAND en ’s GRAVENHAGE No. 140. Donderdag 16 Junij 1864.

♣ [anon. 2] ‘Uit de Staatscourant’ in: Algemeen Handelsblad van 3 mei 1899 – Ochtendblad.
♣ [anon. 3] ‘Vendutiebericht’ in: JAVA-BODE. A. 1894 No. 262 Dinsdag 13 November Drie-en-Veertigste Jaargang.
♣ BAILEY, F.M. (ed.): Standard Cyclopedia of Horticulture [6 delen]. New York: The Macmillan Co., 1914-’17.
♣ BURMANNI, Nicolai Laurentii: Flora Indica cui accedit series zoophytorum Indicorum, nec non prodromus florae Capensis. Lugduni Batavorumm, Amstelaedami: Apud Cornelium Haek, 1768.
♣ DAVIDS, Karel: ‘Tussen Smith en Schoonhoven. De verloren wereld van Dirk Hoola van Nooten (1747-1808) in: ENGELEN, BOONSTRA & JANSSENS (red.) : Levenslopen in transformatie. Liber Amicorum bij het afscheid van prof. dr. Paul M.M. Klep. Nijmegen: Valkhof Pers, 2011.
♣ ENGELEN, BOONSTRA & JANSSENS (red.) : Levenslopen in transformatie. Liber Amicorum bij het afscheid van prof. dr. Paul M.M. Klep. Nijmegen: Valkhof Pers, 2011.
♣ FERRARI, Giovanni Battista: Hesperides sive De Malorum Aureorum Cultura et Usu Libri Quattuor. Roma: Hermanni Scheus, 1646.
♣ FREEDBERG, David and Enrico BALDINI: The Paper Museum of Cassiano dal Pozzo. Catalogue Raisonné Series B Natural History part I: Citrus Fruit. London: Harvey Miller Publishers, 1997.
♣ FREEDBERG, David: The Eye of the Lynx. Galileo, His Friends, and the Beginnings of Modern Natural History. Chicago and London: The University of Chicago Press, 2002.
♣ GÄRTNER, Karl Friedrich von: Supplementum carpologiae seu continuati operis Josephi Gaertner de fructibus et seminibus plantarum voluminis tertii centuria prima0. Bibliopolae Lipsiensis [Leipzig]: Sumtibus Carol. Frid. Enoch Richter, 1805-’07.
♣ HAKS, Leo & MARIS, Guus: Lexicon of Foreign Artists who Visualized Indonesia (1600-1950). Utrecht: Gert Jan Bestebreurtje, 1995.
♣ HASKELL, Francis (intr.): The Paper Museum of Cassiano dal Pozzo. (Quaderni Puteani 4) Milano: Olivetti, 1993.
♣ HODGSON, Robert Willard: ‘Horticultural Varieties of Citrus’ in: Reuther, Webber, Batchelor [etc] (eds.): The Citrus Industry. Volume I. History, World Distribution, Botany, and Varieties. [Berkeley, Los Angeles:] University of California, Division of Agricultural Sciences, [1ste editie 1943] 1967.
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Madame Berthe: Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java peints d’après de nature. Ouvrage dédié à sa majesté la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier [volgens Nissen: Muquardt], Éditeur, Montagne de L’Oratoire, 5. 1863 [-’64]. [=1ste editie, met 40 (volgens Nissen 38) ongenummerde, door Guillaume Severeyns gelithografeerde platen, in sommige details met de hand bijgekleurd, uitgegeven in tien ‘livraisons’ (afleveringen) van ieder vier platen, voorafgegaan door één (hierboven genoemde) gezamenlijke titelpagina (uitgegeven na het verschijnen van de 3de aflevering?) en tien afzonderlijke titelpagina’s (aflevering I (januari) t/m VI: 1863, VII t/m X: 1864; verkoopprijs complete set ƒ70,-, voorintekenprijs ƒ60,-.]
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Madame Berthe: Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Seconde [volgens voorwoord van G. Severeyns: ‘verbeterde’] édition. Bruxelles: Faubourg de Louvain, Rue de Liekerke 40. Publiée par G. Severeyns, dessinateur & chromolithographe de l’Académie Royale de Belgique, 1866. [met eveneens 40 (volgens Stafleu & Cowan: (‘1880?’) ’39?) bijgewerkte platen; de gehele tekst is opnieuw gelithografeerd, taal- en/of schrijffouten zijn gecorrigeerd en nieuwe onvermijdelijk opnieuw gemaakt, onder de Latijnse worden nu ook de inlandse namen vermeld; het boek wordt door de uitgever op verzoek ‘fraai ingebonden’ geleverd, verkoopprijs (volgens Brinkman’s Cumulatieve Catalogus) ∫80,-.]
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Madame Berthe: Fleurs Fruits et Feuillages Choisis de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Bruxelles: Librairie Européene C. Muquardt, même maison à Leipzig, publiée par Merzbach & Falk, Éditeurs, Libraires de la Cour et de S.A.R. Le Comte de Flandre. Troisième [en laatste] Édition. [ongedateerd, voorwoord 1880; volgens Nieuwsblad voor den Boekhandel No. 92 (vrijdag 11 november 1881) ‘vient de paraître’ (zojuist verschenen) in een ‘beperkte’ oplage van 300 gewone exx à 175,- (Belgische) francs en 10 speciale, genummerde exx op ‘Bristol’ à 350,- (Belgische) francs; de gehele tekst en alle 40 platen zijn eveneens opnieuw gelithografeerd, de laatste (in kleur) door Pieter Depannemaeker (ook: De Pannemaeker) uit Ledeberg-lez-Gand (Gent); de drukker is de Brusselse ‘Imprimeur au Roi’ Weissenbruch (zie drukkersvignet hiernaast); de door Nissen veronderstelde 1885-editie is nooit verschenen.]
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Berthe: Flowers, Fruit & Foliage of the Tropics. Singapore: Sun Tree Publishing, 1993 (‘privately printed’) (verkleinde facsimile van alle platen en teksten, met inleiding en ingekort origineel voorwoord).
♣ [HUPKA-BARTH, Betsy Marianne (Beppie):] ‘Poging tot necrologie [van Berthe Hoola van Nooten]’. Anoniem, ongedateerd, ongepubliceerd, op website Collectie Tropenmuseum, uit de mond van Hupka-Barth (1908-2004, volgens ‘eigen’ zeggen een kleindochter van Berthe Hoola van Nooten; in februari 1945 (clandestien) getrouwd met de Duitse musicus Felix Hupka, 1896-1966) opgetekend door een anonieme medewerker (die in elk geval in 2012 al overleden was) van het Tropenmuseum, waarschijnlijk in de jaren ’80 van de XXste eeuw (persoonlijke communicatie van toenmalige conservator Koos van Brakel, Tropenmuseum, augustus 2012).
♣ LASZLO, Pierre: Citrus. A History. Chicago and London: The University of Chicago Press, 2007.
♣ LINNAEI, Caroli: Carolus: Species Plantarum [etc]. Holmiae: Impensis Laurentii Salvii, 1753.
♣ LOOS-HAAXMAN, J. DE: Verlaat Rapport Indië. Drie eeuwen westerse schilders, tekenaars, grafici, zilversmeden en kunstnijverheid in Nederlands-Indië. ‘s-Gravenhage: Mouton & Co Uitgevers, 1968.
♣ MCBURNEY, Henrietta: Cassiano Dal Pozzo’s Paper Museum. Drawings from the Royal Collection.Edinburgh: National Galleries of Scotland, 1997.
♣ MERIAN, Maria Sibylla: Metamorphosis Insectorum Surinamensis ofte Verandering der Surinaamsche Insecten [etc]. Amsterdam, ‘Voor den Auteur [etc.]  als ook voor Gerard Valck [etc]’, 1705.
♣ MERIAN, Maria Sibylla: Metamorphosis Insectorum Surinamensis [etc.].  Kommentar zur Faksimile-Ausgabe [etc., tweetalig, Duits/Engels] Elisabeth Rücker & William T. Stearn, based on original watercolours in the Royal Library, Windsor Castle. London: Pion Press, 1982 (plaatdeel en tekstdeel, laatste gebaseerd op de Latijnse 1705-uitgave).
♣ MIQUEL, F.A.W.: ‘Fleurs, Fruits et Feuillages choisis de la Flore et Pomone de l’Île de Java’, peints d’après nature pas Madame Berthe Hoola van Nooten. Bruxelles, 1863-1864, 1-4 livraison [4 platen per ‘livraison’, dus tot dan toe 16 in totaal]. Gr. folio.’ Recensie in: De Gids. Jaargang 28, 1864 (artikel VII).
♣ MUNTING, Abraham: Naauwkeurige Beschryving der Aardgewassen, Waar in de veelerley Aart en bijzondere Eigenschappen der Boomen, Heesters, Kruyden, Bloemen, Met haare Vrugten, Zaden, Wortelen en Bollen [etc.]. Leyden: Pieter vander Aa & Utrecht: François Halma, 1696.
NIEUWSBLAD VOOR DEN BOEKHANDEL No. 92. Acht-en-Veertigste Jaargang. Vrijdag 11 November 1881 [betreft derde druk Fleurs, Fruits et Feuillages].
♣ NISSEN, Claus: Die Botanische Buchillustration: Ihre Geschichte und Bibliographie. Stuttgart: Hiersemann Verlags Gesellschaft m.b.H., 1951.
♣ NORTH, Marianne: Recollections of a Happy Life. London: MacMillan, 1893 (2 delen).
♣ OUDEMANS, Prof. Dr. C.A.J.A.: ‘Kostelijke gave van edele vrouwenhand ‘, in: De Tijdspiegel. Arnhem: D.A. Thieme, 1866.
♣ RABY, Peter: Bright Paradise. Victorian Scientific Travellers. London: Chatto & Windus, 1996.
♣ REUTHER, Walter, Herbert John WEBBER, Leon Dexter BATCHELOR [etc] (eds.): The Citrus Industry. Volume I. History, World Distribution, Botany, and Varieties. [Berkeley, Los Angeles]: University of California, Division of Agricultural Sciences, [1ste editie: 1943] 1967.
RIJNBERG, Theo F.: ’s Lands Plantentuin, Buitenzorg 1817-1992. Kebun Raya Indonesia Bogor. [Enschede]: Johanna Oskamp, 1992.
SARGENT, C. [ed]: Plantae Wilsonianae: An Enumeration of the woody plants collected in western China for the Arnold Arboretum of Harvard University during the years 1907-1910 by E. Wilson. Cambridge: The Arnold Arboretum, 1913 [-’17] (3 delen).
♣ SCHMIDT-LOSKE, Katharina: Die Tierwelt der Maria Sibylla Merian (1647-1717). Arten, Beschreibungen und Illustrationen. Marburg-Lahn: Basilisken-Presse, 2007.
♣ SIRKS, M.J.: Indisch Natuuronderzoek. Amsterdam: Amsterdamsche Boek- en Steendrukkerij v/h. Ellerman, Harms & Co., 1915.
♣ SITWELL, Sacheverell and Wilfrid BLUNT: Great Flower Books 1700-1900. A Bibliographical Record of Two Centuries of Finely-Illustrated Flower Books. (2de editie) New York: Atlantic Monthly Press, 1990.
♣ STAFLEU, Frans A.: Linnaeus and the Linnaeans. The Spreading of their ideas in systematic botany, 1735-1789. Utrecht: A. Oosthoek’s Uitgeversmaatschappij N.V., 1971.
♣ STAFLEU, Frans A., Richard S. COWAN: Taxonomic Literature. A Selective Guide to Botanical Publications and Collections with Dates, Commentaries and Types. (6 delen) Utrecht: Bohn, Scheltema & Van Holkema, 1976-’88.
♣ SWINGLE, Walter T. (a): ‘Rutaceae – Citrus 141. Citrus L. ‘ in: Sargent, C. [ed.]: Plantae Wilsonianae: An Enumeration of the woody plants collected in western China for the Arnold Arboretum of Harvard University during the years 1907-1910 by E. Wilson. Cambridge: The Arnold Arboretum, 1913 [-’17; Citrus in deel II, 1914].
♣ SWINGLE, Walter T. (b): ‘Citrus and related genera’ in: Bailey, F.M.: Standard Cyclopedia of Horticulture [deel II]. New York: The Macmillan Co., 1914-’17 (6 delen) (= deel I in 3-delige heruitgave uit 1928).
♣ SWINGLE, Walter T. and (rev.) Philip C. REESE: ‘The Botany of Citrus and Its Wild Relatives’ in: Reuther, Webber, Batchelor (etc) (eds.): The Citrus Industry. Volume I. History, World Distribution, Botany, and Varieties. [Berkeley, Los Angeles:] University of California, Division of Agricultural Sciences, [1ste editie 1943] 1967.
♣ TENSCHERT, Heribert: Botanik & Zoologie. Illustrierte Bücher und farbige Tafelwerke von 1485 bis 1885. Katalog XXXIX & XXXV. Antiquariat Bibermühle: Heribert Tenschert, 1995-’96.
♣ THEOPHRASTUS: Enquiry into Plants. New York:  Loeb Classical Library, 1999 (2 delen).
♣ TONGIORGI TOMASI, Lucia: An Oak Spring Flora: Flower Illustration from the Fifteenth Century to the Present Time: A Selection of the Rare Books, Manuscripts, and Works of Art in the Collection of Rachel Lambert Mellon. Upperville & New Haven, Conn.: Oak Spring Garden Library, 1997.
♣ TREUB, M. (& W. BURCK en F. WESTERMAN): Catalogus der Bibliotheek van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg. Batavia: Landsdrukkerij, 1887.
♣ TREUB, M. [Vorwort]:  Der Botanische Garten “’s Lands Plantentuin” zu Buitenzorg auf Java. Festschrift zur Feier seines 75Jährigen Bestehens (1817-1892 [sic: geboorte- en sterfjaar van Berthe Hoola van Nooten]). Leipzig: Verlag von Wilhelm Engelmann, 1893 [bij W. Burcks beschrijving van de tuin en haar planten wordt de vingercitroen Citrus grandis var. Sarcodactylis genoemd].
♣ VALMONT DE BOMARE, M.: Dictionnaire Raisonné Universelle D’Histoire Naturelle [etc]. Nouvelle Edition, Revue et Augmentée [6 delen]. Paris: Lacombe, 1767.
♣ WEBBER, Herbert John: ‘History and Development of the Citrus Industry’ in: Reuther, Walter, Webber, Batchelor [etc] (eds.): The Citrus Industry. Volume I. History, World Distribution, Botany, and Varieties. [Berkeley, Los Angeles:] University of California, Division of Agricultural Sciences, [1ste editie 1943] 1967.                                          ♣ WEINMANN, Johann: Phytantoza Iconographia [Regensburg 1734-’45]                   ♣ WIJNANDS, D.O.: The Botany of the Commelins. A taxonomical, nomenclatural and historical account of the plants depicted in the Moninckx Atlas and in the four books by Jan and Caspar Commelin on the plants in the Hortus Medicus Amstelodamensis 1682-1710. Rotterdam: Balkema, 1983.                                   ♣ WIT, prof. Dr. H.C.D. DE en Prof. Dr. K.B. BOEDIJN: De wereld der planten in kleuren. Hogere planten deel II. Den Haag: Gaade, 1965.
(met dank aan Marcel van Dorst, Alessandro Di Meo en Bernadette Weusten)
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Het Seksuele Systeem: Erasmus Darwin vertaalt Carolus Linnaeus

Je bent ontstaan uit een schuimende droppel van verfoeilijke wellust. (Carl von Linné: Nemesis Divina)

Erasmus Darwin (1731-1802) is lange tijd niet alleen beroemder maar ook veel beruchter geweest dan zijn kleinzoon Charles Robert.De Wit Hij had namelijk als welvarende en goed doorvoede plattelandsdokter het plan opgevat om het baanbrekende maar helaas gortdroge werk van de Zweedse plantensystematicus Carolus Linnaeus (1707-1778) voor het grote publiek om te zetten in poëzie die losjes, onbeschaamd en erotisch was. Linnaeus’ plantensysteem was gebaseerd op de veronderstelde seksuele kenmerken van planten, zoals (in eerste instantie) mannelijke en (in, vanzelfsprekend, tweede instantie) vrouwelijke voortplantingsorganen. Veel tijdgenoten en collega’s waren geschokt: niet omdat dat deze botanische systematiek onverbloemd seksistisch was, maar vanwege het feit dat die überhaupt seksueel was.Fara, Shteir Zij konden zichzelf echter troosten: Linnaeus schreef zijn werk in het Latijn, en onschuldige kinderen en ‘gevoelige’ vrouwen konden dat toch niet lezen. De ook in zijn tijd al ouderwets-christelijke Linnaeus deed dat met opzet. Hij verbood bijvoorbeeld zijn dochters om de Franse taal te leren, omdat zij daardoor toch maar van het veel noodzakelijker huishoudelijke werk afgeleid zouden worden.Fara Erasmus Darwin nam daar echter geen genoegen mee: hij bewonderde Linnaeus zeer, maar was een radicale vrijdenker en groot voorvechter van gelijke rechten voor vrouwen en mannen.Smith Hij was als trotse vader van twee buitenechtelijke (of, zoals dat zo onthullend heet, ‘natuurlijke’) dochters vastbesloten om het verondersteld zwakke geslacht op een eerlijke en volwassen manier in te lichten over de opwindende seksuele geheimen van de natuur.Browne Zijn lezers bleken geschokt, verrukt en talrijk te zijn.Uglow

Erasmus Darwin gaat in eerste instantie serieus aan de slag. Hij is in de laatste jaren van de 18de eeuw lid van de Botanical Society te Lichfield.Uglow Dit gezelschap van natuurliefhebbers was wel heel select, het bestond namelijk uit slechts twee andere leden: de dichter (later Sir) Brooke Boothby en de dominee William Jackson. Uit bewondering voor de enkele jaren daarvoor overleden Linnaeus besluiten de drie enthousiaste amateurs om één van de belangrijkste Latijnse werken van de Zweedse meester op een wetenschappelijke manier te vertalen naar het Engels. Het gaat om het botanische gedeelte (Systema vegetabilium) van Linnaeus’ baanbrekende Systema Naturae. De eerste druk van laatstgenoemd werk verscheen in Leiden 1735, maar Darwin baseert zijn vertaling op de 13de en laatste editie (Göttingen/Gotha, 1774) die was bezorgd door de Duitse Linnaeus-leerling van Schots-Zweedse afkomst Johann Andreas Murray.Soulsby 573 De 11 platen zijn afkomstig uit Linnaeus’ Philosophia Botanica (1751). Stafleu De tekst werd aangevuld met Supplementum Plantarum (1782) van Carl Linnaeus junior, die tegen de zin van veel collega’s zijn vader was opgevolgd als professor in de botanie aan de universiteit van Uppsala. De revolutionair Benjamin Franklin (een van Darwins meest briljante vrienden) bezat een uniek exemplaar van deze laatste editie, met handingekleurde gravures.Soulsby 573 Alhoewel de eerste Linneaanse flora van Engeland al in 1754 in Zweden verscheen (Flora Anglica, geschreven door Linnaeus maar als dissertatie gepubliceerd door zijn leerling Isaac Olaf Grufberg Stearn) is de vertaling van Darwin uit 1783 heel belangrijk. Hierin worden namelijk minstens 50 Engelse plantennamen die nu nog steeds gangbaar zijn voor het eerst gebruikt.Smith Tientallen wetenschappers en vrienden worden door de enthousiaste Darwin aangeschreven en verzocht om botanische informatie te geven.Uglow Zijn belangrijkste informanten zijn Samuel Johnson (van Encyclopaedia Brittannica-faam, geboren in Lichfield) en Joseph Banks, de voorzitter van de Royal Society, die tien jaar eerder de belangrijkste medereiziger was geweest op de eerste wereldreis van James Cook.Carter Sir Joseph stelt zijn rijke herbarium en enorme botanische bibliotheek aan het Londense Soho Square ter beschikking aan Darwin, die uit dankbaarheid zijn (anoniem verschenen) vertaling aan hem opdraagt.Uglow De 897 bladzijden van A System of Vegetables bevatten maar liefst 1444 nieuwe Engelse (en Schotse) plantennamen. Van de uitgave bestaat een exemplaar in vier delen met op de titelpagina het jaartal 1782, maar dat is waarschijnlijk een zogenaamde proefdruk en dus uniek.Soulsby 580 De eerste echte editie verschijnt in twee (door de koper zelf in te binden) delen in 1783.Soulsby 580a Erasmus Darwin houdt zich in de jaren daarna steeds enthousiaster bezig met het verspreiden van Linnaeus’ botanische gedachtegoed en seksuele systematiek..King-Hele

Hij begint steeds uitgebreidere, vrijmoediger en weelderiger geschreven poëemen te publiceren, zoals The Loves of Plants (1789), The Botanic Garden (1791), Zoönomia (1794), Phytologia (1800) en The Temple of Nature (1803), alle met opvallend sterke seksuele en evolutionaire tendensen.Ritterbush Het grote publiek smult ervan. Erasmus Darwin blijkt voor de duivel niet bang en gaat een gevaarlijk stapje verder. Hij is er ook van overtuigd dat de aarde niet slechts enkele duizenden jaren oud is (zoals de bijbel ons verzekert) en zelfs niet miljoenen, maar misschien wel honderden miljoenen. Deze onverschrokken nieuwsgierigheid naar de geheimen van de natuur geeft Erasmus door aan zijn even goed doorvoede (tegenwoordig zou men zeggen morbide obese) zoon Robert Darwin (1766-1848), wiens zoon Charles Darwin op zijn beurt in 1859 alle voorgangers sinds Aristoteles zal overvleugelen met het belangrijkste natuurhistorische boek dat ooit is verschenen: On the Origin of Species. Hierin poogt Charles op een moderne en materialistische (lees: niet-religieuze) manier het geheim der geheimen te verklaren, namelijk de oorsprong der soorten. Voor het eerst wordt een alomvattende wetenschappelijke verklaring gegeven voor de stortvloed aan losse biologische feiten die sinds de Oudheid waren verzameld. En alhoewel Charles Darwin pas langzamerhand de revolutionaire speculaties van Erasmus serieus zal nemen, moet hij in zijn autobiografie bekennen dat hij nooit zijn eigen evolutionaire ideeën in alle gemoedsrust had kunnen uitwerken, als hij niet van huis uit met de onbevangen vrijzinnigheid van zijn levenslustige grootvader vertrouwd was geweest.Barber, Darwin, Eiseley

Alle botanische afbeeldingen in dit artikel betreffen Linnaea borealis, de ‘Linnaeus van het Noorden’, oftewel het Linnaeusklokje. Johan Gronovius, de Nederlandse vriend en beschermheer van Linnaeus, heeft deze naam geklonken. Linnaeus beschouwde dit als een grote eer: hij vond zichzelf net zo bescheiden en onbeduidend (sic) als dit laaggroeiende plantje.Blunt De altijd met planten experimenterende Linnaeus probeerde hiervan thee te zetten, maar volgens zijn zoon Carl was deze niet te drinken.Fara
Met dank aan Alessandro Di Meo, Marcel van Dorst en Bernadette Weusten
literatuur
♣ BARBER, Lynn: The Heyday of Natural History. 1820-1870. Garden City, New York: Doubleday, 1980.
♣ BLUNT, Wilfrid: The Complete Naturalist. A Life of Linnaeus [1971]. London: Francis Lincoln, 2001 (intr. William S. Stearn).
♣ BROWNE, Janet: Charles Darwin. Voyaging. Volume I of a Biography. New York: Alfred A. Knopf, 1995.
♣ CARTER, Harold B.: Sir Joseph Banks 1743-1820. London: British Museum (Natural History), 1988.
♣ DARWIN, Charles: The Life of Erasmus Darwin. First unabridged edition. Edited by Desmond King-Hele. Cambridge: University Press, 2003.
♣ EISELEY, Loren: Darwin’s Century. Evolution and the Men Who Discovered It. Garden City, New York: Doubleday Anchor Books, 1958.
♣ FARA, Patricia: Sex, Botany & Empire. The Story of Carl Linnaeus and Joseph Banks. New York: Columbia University Press, 2003.
♣ FRÄNGSMYR, Tore (ed.): Linnaeus. The Man and His Work. Berkeley & Los Angeles: University of California Press 1983.
♣ GEORGE, Sam: ”Not strictly Proper for a Female Pen’: Eighteenth-Century Poetry and the Sexuality of Botany’ [proof], in: Comparative Critical Studies 2,2, pp. 67-91 (BCLA 2005).
♣ KING-HELE, Desmond: Erasmus Darwin 1731-1802. London: Macmillan & Co LTD, 1963.
♣ KOERNER, Lisbet: Linnaeus. Nature and Nation. Cambridge, Massachusetts, and London, England: Harvard University Press, 1999.
♣ LINNÉ, Carl von: Nemesis Divina. Bezorgd en vertaald door Trudi de Vlaming-van Santen en Michael John Petry, inleiding J.M.M. de Valk. Kampen: Kok Agora, 1996.
♣ LINN[A]EUS [senior & junior]: A System of Vegetables According to their Classes Orders Genera Species [etc., 2 delen, vertaald door Erasmus Darwin]. Lichfield: John Jackson for Leigh and Sotheby, London, Covent Garden, 1783.
♣ NELSON, E.C. & D.M. Porter (eds): Darwin in the Archives. Edinburgh: The Society for the History of Natural History, 2009.
♣ RITTERBUSH, Philip C.: Overtures to Biology. The Speculations of Eighteenth-Century Naturalists. New Haven & London: Yale University Press, 1964.
♣ SEWARD, Anne: Memoirs of the Life of Dr Darwin: Chiefly During his Residence at Lichfield, With Anecdotes of His Friends and Criticisms on His Writings by Anna Seward. London: J. Johnson, 1804.
♣ SMITH, C.U.M. and Robert ARNOTT (ed.): The Genius of Erasmus Darwin. Aldershot: Ashgate, 2005.
♣ SOUSLBY, B.H.: A Catalogue of the Works of Linnaeus [etc], second edition. London: The Trustees of the British Museum, 1933.
♣ SHTEIR, Ann. B.: Cultivating Women, Cultivating Science. Flora’s Daughters and Botany in England 1760 to 1860. Baltimore and London: The Johns Hopkins University Press, 1996.
♣ STAFLEU, Frans A.: Linnaeus and the Linnaeans. The Spreading of Their Ideas in Systematic Botany, 1735-1789. Utrecht: Oosthoek’s Uitgeversmaatschappij N.V., 1971.
♣ STEARN, William T. (ed.): John Ray Synopsis Methodica Stirpium Brittanicum Editio Tertia 1724 / Carl Linnaeus Flora Anglica 1754 & 1759. London: The Ray Society, 1973.
♣ UGLOW, Jenny: The Lunar Men. Five Friends Whose Curiosity Changed the World. New York: Farrar, Straus and Giroux, 2002.
♣ WIT, H.C.D. de: Ontwikkelingsgeschiedenis van de biologie. Deel 2B. Wageningen: Pudoc, 1989.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

De wonderbaarlijke klipdas: hoe Spanje aan zijn naam en de bijbel aan zijn konijnen kwam

Loof den Heer, mijn ziel. Here, mijn God, Gij zijt zeer groot, Gij hebt u met majesteit en luister bekleed. […] De bomen des Heren worden verzadigd, de cederen van den Libanon, die Hij heeft geplaatst, waar de vogels nestelen. Des ooievaars huis zijn de cypressen, de hoge bergen zijn voor de steenbokken, de rotsen een schuilplaats voor de hazen en konijnen. (Psalmen 104:16-18)

Bovenstaande beroemde, 3000 jaar oude verzen worden toegeschreven aan de bijbelse Koning David. Hij bezingt daarin de glorie van God, aan de hand van Zijn heerlijke schepselen. Echter, Koning David en de Almachtige God moeten hier iets over het hoofd hebben gezien: er kwamen namelijk helemaal geen hazen of konijnen voor in het Oudtestamentische Israël. Hoe komen deze huppelende langoren (Latijnse naam Lagomorpha, en, ondanks onuitroeibaar volksgeloof, géén familie van de knaagdieren) dan toch in de bijbelse Psalmen terecht? De geschiedenis van Koning Davids ‘konijnen’, al eeuwenlang symbool van vruchtbaarheid en tomeloze wellust, belooft leerzaam en fascinerend te zijn.

Rond 1000 jaar vòòr de geboorte van Koning Davids beroemdste nazaat Jezus van Nazareth kwam in het gebied dat wij tegenwoordig Palestina, Libanon en Syrië noemen een merkwaardig dier voor. Het leek een kruising tussen een forse marmot en een stevig konijn, met in de bek twee opvallende, vooruitstekende slagtandjes. Omdat dit dier de eigen lichaamstemperatuur slecht kan regelen warmt het zich op in de ochtendzon, terwijl het zich in de hitte van de dag juist verborgen houdt in koele rotsspleten. Door zijn merkwaardige gebit en anatomie dacht men lange tijd dat het familie was van de neushoorn, maar inmiddels weet men dat zijn meest nabije verwanten de zeekoe en de olifant zijn, hoe onwaarschijnlijk dit op het eerste gezicht ook is. Zelfs Koning Davids huidige geloofsgenoten (los van de meest verstokt orthodoxen) ‘geloven’ inmiddels in deze evolutionair onmiskenbare verwantschap. Tegenwoordig noemt men deze enigmatische rotsbewoner (die in vier soorten voorkomt van het Midden-Oosten tot in zuidelijk Afrika) ‘rotsspringer’ of ‘klipdas’, naar het Afrikaanse ‘rots’- of ‘klipdassie’. De officiële naam van zijn familie is Procaviidae (‘voor-cavia’), en van de orde Hyracoidea (‘reuzenspitsmuizen’), afgeleid van het Griekse hurax. De naam van het geslacht, Hyrax, is in 1869 gemunt door Thomas Henry Huxley, de grote vriend en medestander van Charles Darwin. Andere Afrikaanse volksnamen zijn ‘slaper’ en ‘beermuis’. De klipdas werd vroeger in het Nederlands ook wel ‘bastaard mormeldier’ (‘namaak-marmot’) genoemd, de Engelsen noemen hem tegenwoordig ‘hyrax’, de Duitsers ‘Schliefer’ (‘slaper’), de Fransen ‘le daman d’Israël(naar het oud-Romeinse ‘gamman’), de oude Abessijnen  (tegenwoordig de Amhara, Ethiopië) ‘ashkoko’ (de ‘langharige’) en de Syrische Arabieren (tenminste, volgens de 19de-eeuwse Engelse zoöloog Robert Shaw) ‘ghannem beni Israel’ (‘het lam van de kinderen van Israel’). Al deze verschillende, eeuwenoude en soms exotisch klinkende volksnamen maken duidelijk hoe bijzonder dit holbewonende neefje van de machtige olifant in feite is.

De klipdas en de bijbelse Psalmen hebben beide te maken met één van de mogelijke en verrassende etymologieën van het woord ‘Spanje’. De Phoeniciërs (die in dezelfde streken leefden als Koning David) noemden de klipdas shaphan: dat is oud-Hebreeuws voor ‘de-in-het-verborgen-levende’. Het was hun namelijk ook al opgevallen dat het dier zich overdag schuilhield in koele rotsspleten. Toen de avontuurlijke Phoeniciërs al zeilend de overkant van de Middellandse Zee bereikten en het land ontdekten dat wij tegenwoordig het Iberisch schiereiland noemen, zagen zij daar een merkwaardig dier rondhuppelen, dat nergens anders ter wereld voorkwam: het konijn (een woord dat toen nog niet bestond). Dat ‘konijn’ deed hen deden denken aan hun eigen shaphan, en zij noemden het nieuw ontdekte land dan ook I-shaphan: ‘het-land-van-de-in-het-verborgen-levende’, dat wil dus zeggen ‘het land van de klipdas’. Lang nadat de Phoenicische cultuur ten onder was gegaan kwamen rond de tijd van de geboorte van Jezus van Nazareth de eveneens reislustige Romeinen aan op het Iberische schiereiland. Zij namen (waarschijnlijk via de Carthagenen) de Phoenicische naam voor het gebied over: Ishaphan. Dat woord werd verbasterd tot Hispania en werd later verkort tot Espagna, Spain of Spanje. Deze namen zijn inmiddels in vele varianten over de gehele wereld verspreid geraakt.

Maar hoe is dan het Europese woord ‘konijn’ in de Bijbel terechtgekomen? We reizen nu weer anderhalf millennium in de tijd vooruit. Rond het jaar 1500 dreigde het christendom in Europa door de Reformatie in tweeën te scheuren. Maarten Luther begon in die tijd in Wittenberg aan zijn baanbrekende bijbelvertaling, en kwam in oude teksten het Phoenicisch-Hebreeuwse woord shaphan tegen, zonder te weten welk dier daarmee bedoeld werd. Hij had waarschijnlijk nog nooit van een klipdas gehoord, laat staan er een met eigen ogen gezien. Was het misschien de Franse daman, de gewone hamster of misschien de toen net ontdekte exotische cavia? Uiteindelijk koos Maarten Luther voor een naam waarvan hij dacht dat het gewone volk die wel zou begrijpen: ‘konijn’. Dat is de naam van hetzelfde inheemse dier dat de Phoeniciërs waren tegengekomen op het Iberische schiereiland. Ooit ontstaan in het oude Baskenland, is het woord ‘untxi’ waarschijnlijk via het Latijnse ‘cuniculus’ en het oud-Frans ‘conin’ als ‘kaninchen’ en ‘konijn’ in de Noord-Europese talen terechtgekomen, om via Maarten Luther uiteindelijk met terugwerkende kracht in de Psalmen van Koning David verzeild te raken.

Eeuwenlang hebben er dus abusievelijk ‘konijnen’ rondgehuppeld in de bijbel. Maar tegenwoordig helpen christenen God een handje: in de nieuwe bijbelvertalingen  zijn de ‘konijnen’ verdwenen, en klauteren er weer klipdassen rond in de koele spleten van de Heilige Schrift. Overigens kan men in Israël naast klipdassen tegenwoordig ook èchte konijnen tegenkomen: de oude Romeinen hebben deze namelijk destijds geïmporteerd vanuit hun Spaanse koloniën. Kort samengevat, door bijna onnavolgbare evolutionaire en linguïstische wendingen van de geschiedenis is dus de Phoenicische rotsspringer of klipdas uit het oude Palestina, de shaphan oftewel ‘de-in-het-verborgen-levende’, het onwaarschijnlijke neefje van de neushoorn, de olifant en de zeekoe, via de Griekse reuzenspitsmuis, het Spaanse konijn en Maarten Luthers beruchte vertaalfout, in de beroemde Psalmen van de Oudtestamentische Koning David terechtgekomen, om daar uiteindelijk (als het spreekwoordelijke konijn uit de hoge hoed) ook weer op wonderbaarlijke manier uit te verdwijnen.


Literatuur
♣ (anon.) The Pictorial Museum of Animated Nature. London, Charles Knight (2 delen, 1860’s)
♣ ANTHON, Charles: A System of Ancient and Mediaeval Geography. New York: Harper & Brothers, 1850.
♣ GOTCH, A.F.: Latin Names Explained. A Guide to the Scientific Classification of Reptiles, Birds & Mammals. London: Blanford Press, 1995
♣ GRZIMEK, Bernhard: Het leven der dieren, deel XII Zoogdieren 3. Utrecht/Antwerpen: Uitgeverij Het Spectrum, 1973.
♣ GERVAIS, M. Paul: Histoire naturelle des mammifères 2. Paris: L. Curmer, 1855.
♣ HAHN, Herbert: Von Baum-, Busch- und Klippschliefern. Wittenberg Lutherstadt: A. Ziemsen Verlag, 1959 (Zum Ehren Charles Darwins, anläßlich der 100jährigen Wiederkehr des Erstveröffentlichungstages seiner Arbeit “Die Entsthehung der Arten”).
♣ MACDONALD, David (ed.): The Encyclopaedia of Mammals: 2. London: Guild Publishing, 1984.
♣ SCHOUTEN VAN DER VELDEN, Adriaan: Dieren uit de Bijbel. Een inventarisatie en beschrijving. Nijkerk: Callenbach, 1992.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie