De wonderbaarlijke klipdas: hoe Spanje aan haar naam en de Bijbel aan zijn konijnen kwam

Loof den Heer, mijn ziel. Here, mijn God, Gij zijt zeer groot, Gij hebt u met majesteit en luister bekleed. […] De bomen des Heren worden verzadigd, de cederen van den Libanon, die Hij heeft geplaatst, waar de vogels nestelen. Des ooievaars huis zijn de cypressen, de hoge bergen zijn voor de steenbokken, de rotsen een schuilplaats voor de hazen en konijnen. (Psalmen 104:16-18)

Bovenstaande beroemde, 3000 jaar oude verzen worden toegeschreven aan de Bijbelse Koning David. De glorie van God wordt erin bezongen, aan de hand van al Zijn heerlijke aardse schepselen. Toch moeten zowel David als God hier iets gemist hebben: er leefden helemaal geen hazen of konijnen in het Oudtestamentische Israël. Hoe zijn deze bekende langoren (Latijnse naam Lagomorpha, géén familie van de knaagdieren, Rodentia) dan toch in de Psalmen terechtgekomen? De geschiedenis van Koning Davids ‘konijnen’, eeuwenoude symbolen van vruchtbaarheid en wellust, belooft even onthullend als spannend te zijn.

Rond duizend jaar vòòr de geboorte van Davids beroemdste nazaat, Jezus van Nazareth, kwam in het gebied dat wij tegenwoordig Palestina, Libanon en Syrië noemen, een merkwaardig dier voor, een soort kruising tussen een forse marmot en een stevig konijn, met in de bek twee opvallende, vooruitstekende slagtandjes. Omdat dit dier de eigen lichaamstemperatuur slecht kan regelen, warmt het zich op in de ochtendzon, terwijl het zich in de hitte van de dag juist verborgen houdt in donkere, koele rotsspleten. Door zijn merkwaardige anatomie heeft men lange tijd gedacht dat het familie was van de neushoorn, maar inmiddels weet men beter: de zeekoe en de olifant blijken zijn meest nabije verwanten. Hoe onwaarschijnlijk dit ook klinkt, zelfs Davids huidige geloofsgenoten (los van de meest orthodoxe) ‘geloven’ inmiddels in deze evolutionaire verwantschap. Tegenwoordig noemt men deze vreemde rotsbewoner ‘rotsspringer’ of ‘klipdas’, naar het Afrikaanse ‘rots’- of ‘klipdassie’. Hij komt in vier soorten voor van het Midden-Oosten tot in zuidelijk Afrika. De officiële naam van zijn familie is Procaviidae (‘voor-cavia’), en van de bijbehorende orde Hyracoidea (‘reuzenspitsmuizen’), afgeleid van het Griekse hurax. De naam van het geslacht, Hyrax, is in 1869 gemunt door Thomas Henry Huxley, de grote vriend en medestander van Charles Darwin. Andere Afrikaanse volksnamen zijn ‘slaper’ en ‘beermuis’. De klipdas werd vroeger in het Nederlands ook wel ‘bastaard mormeldier’ (‘namaak-marmot’) genoemd, de Engelsen noemen hem tegenwoordig ‘hyrax’, de Duitsers ‘Schliefer’ (‘slaper’), de Fransen ‘le daman d’Israël(naar het oud-Romeinse ‘gamman’), de oude Abessijnen  (tegenwoordig de Amhara, Ethiopië) ‘ashkoko’ (de ‘langharige’) en de Syrische Arabieren (tenminste, volgens de 19de-eeuwse Engelse zoöloog Robert Shaw) ‘ghannem beni Israel’ (‘het lam van de kinderen van Israel’). Al deze exotisch klinkende volksnamen laten zien dat dit holbewonende neefje van de olifant wereldwijd als een heel bijzondere diersoort werd beschouwd.

De Afrikaanse klipdas en de Bijbelse Psalmen hebben beide te maken met één van de mogelijke etymologieën van het woord ‘Spanje’. De Phoeniciërs (die in dezelfde streken leefden als Koning David) noemden de klipdas shaphan: dat is oud-Hebreeuws voor ‘de-in-het-verborgen-levende’. Het was hun namelijk ook al opgevallen dat het dier zich overdag schuilhield in donkere, koelere rotsspleten. Toen de avontuurlijke Phoeniciërs al zeilend de overkant van de Middellandse Zee bereikten en het land ontdekten dat wij tegenwoordig het Iberisch schiereiland noemen, zagen zij daar een merkwaardig dier rondhuppelen, dat nergens anders ter wereld voorkwam: het konijn (een woord dat toen nog niet bestond). Dat ‘konijn’ deed hen deden denken aan hun eigen shaphan, en zij noemden het nieuw ontdekte land dan ook I-shaphan: ‘het-land-van-de-in-het-verborgen-levende’, dat wil dus zeggen ‘het land van de klipdas’. Rond de tijd van de geboorte van Jezus van Nazareth (dus lang nadat de Phoenicische cultuur ten onder was gegaan) kwamen de minstens zo reislustige Romeinen aan op het Iberische schiereiland. Zij namen (waarschijnlijk via de Carthagenen) de Phoenicische naam voor het gebied over: Ishaphan. Dat woord verbasterde tot Hispania en werd later verkort tot Espagna, Spain of Spanje. In vele varianten raakten deze namen vervolgens over de gehele wereld verspreid.

Maar hoe is het Europese woord ‘konijn’ in de Bijbel terechtgekomen? Daarvoor moeten we anderhalf millennium in de geschiedenis terugreizen, in ons geval dus weer vooruit, naar het jaar 1500. Het Europese christendom dreigde door de Reformatie in tweeën te scheuren. Toen Maarten Luther in Wittenberg aan zijn baanbrekende Bijbelvertaling werkte, kwam hij in oude teksten het Phoenicisch-Hebreeuwse woord shaphan tegen, zonder te weten welk dier daarmee bedoeld werd. Hij had waarschijnlijk nog nooit van een klipdas gehoord, laat staan er een met eigen ogen gezien. Kon het een Franse daman zijn, een gewone hamster, of wellicht de toen zojuist ontdekte exotische cavia? Uiteindelijk koos hij een naam waarvan hij dacht dat zijn eenvoudige publiek die wel zou begrijpen: ‘konijn’. Dat is de naam van hetzelfde inheemse dier dat de Phoeniciërs waren tegengekomen op het Iberische schiereiland. Overigens heeft het woord ‘konijn’ waarschijnlijk een Baskische oorsprong. Als ‘untxi’ zou dit dan via het Latijnse ‘cuniculus’ en het oud-Frans ‘conin’ als ‘kaninchen’ en ‘konijn’ in de Noord-Europese talen terecht zijn gekomen, om uiteindelijk via Luther met terugwerkende kracht in de Psalmen van Koning David verzeild te raken.

Eeuwenlang hebben er dus abusievelijk konijnen rondgehuppeld in de Bijbel. Tegenwoordig helpen christenen God een handje: in de nieuwere Bijbelvertalingen zijn alle ‘konijnen’ helemaal verdwenen, en klauteren er weer originele klipdassen rond in de donkerste spleten van de Heilige Schrift. Overigens kan men in het huidige Israël naast klipdassen ook èchte konijnen tegenkomen: de oude Romeinen importeerden deze ooit vanuit hun Spaanse koloniën naar het Midden-Oosten. Zodoende is door bijna onnavolgbare historische, evolutionaire en linguïstische wendingen de Fenicische rotsspringer of klipdas uit het oude Palestina, de shaphan oftewel ‘de-in-het-verborgen-levende’, het onwaarschijnlijke neefje van de neushoorn, de olifant en de zeekoe, via de Griekse reuzenspitsmuis, het Spaanse konijn en Luthers beruchte vertaalfout in de Psalmen van de Oudtestamentische Koning David terechtgekomen, om daar uiteindelijk (als het spreekwoordelijke konijn en de hoge hoed) weer op wonderbaarlijke manier uit te verdwijnen.


Literatuur

(anon.) The Pictorial Museum of Animated Nature. London, Charles Knight (2 delen, 1860’s)

Anthon, Charles: A System of Ancient and Mediaeval Geography. New York: Harper & Brothers, 1850.

Gotch, A.F.: Latin Names Explained. A Guide to the Scientific Classification of Reptiles, Birds & Mammals. London: Blanford Press, 1995

Grzimek, Bernhard: Het leven der dieren, deel XII Zoogdieren 3. Utrecht/Antwerpen: Uitgeverij Het Spectrum, 1973.

Gervais, M. Paul: Histoire naturelle des mammifères 2. Paris: L. Curmer, 1855.

Hahn, Herbert: Von Baum-, Busch- und Klippschliefern. Wittenberg Lutherstadt: A. Ziemsen Verlag, 1959 (Zum Ehren Charles Darwins, anläßlich der 100jährigen Wiederkehr des Erstveröffentlichungstages seiner Arbeit “Die Entsthehung der Arten”).

Macdonald, David (ed.): The Encyclopaedia of Mammals: 2. London: Guild Publishing, 1984.

Schouten van der Velden, Adriaan: Dieren uit de Bijbel. Een inventarisatie en beschrijving. Nijkerk: Callenbach, 1992.

Geplaatst in Evolutie, Reizen, Zoölogie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Shunga: Japanse porno, christenen en lentekriebels

Seks in de tempel, het bad, de tuin, of in de kinderkamer, seks met honden, ezels, apen, koeien, olifanten, octopussen of stekelroggen, seks met priesters, shoguns en samoerai, poep-, plas- of okselseks, seks met opa’s, oma’s, kleinkinderen, goedkope geisha’s of dure lustjongetjes, seks met kunstvagina’s of dubbele kunstpenissen, softe vanilleseks met vaginale plezierballetjes of brute gangbangseks, achterstevoren- of onderstebovenseks: niets menselijks was de gewone Japanner in de Edo-periode (1602-1868) vreemd.

Japan is geen christelijk land. Slechts één procent van de bevolking hangt deze geïmporteerde, zogenaamd monotheïstische religie aan. Dat heeft het Rijk van de Opkomende Zon te danken aan de beruchte shoguns (‘generaals’), die het land eeuwenlang in een ijzeren greep hielden. Deze vaak atheïstische alleenheersers gooiden vanaf het begin van de 17de eeuw alle Europese missionarissen systematisch het land uit, of hingen hen, bijvoorbeeld, ondersteboven in mestputten totdat zij gestikt waren in hun eigen uitbraaksels. Toen christenen ondanks (of liever, dankzij) die gruwelen toch naar Japan bleven komen, werden zij met honderden tegelijk om het leven gebracht. Ondanks allerlei nieuwe martelaren bleek de strategie van de meedogenloze shoguns uiteindelijk effectief. Rond het midden van de zeventiende eeuw was er (officieel) geen enkele christen meer in het hele Japanse keizerrijk te vinden. De Hollanders ontkenden wijselijk van hetzelfde geloof te zijn als dat van hun zakelijke concurrenten, de katholieke Portugezen en Spanjaarden. Dat had natuurlijk weinig met theologie te maken. De winsten die uit het exotische eilandenrijk werden gehaald waren namelijk zo exorbitant dat al te openlijk evangeliseren bijzonder nadelig voor de negotie zou zijn. Juist vanwege die hypocriete opstelling hadden de Hollanders als enige Europeanen toestemming om Japan binnen te komen. De door de wol geverfde shoguns geloofden overigens niets van wat hun werd verteld over het christelijk geloof. Zij dwongen Hollanders dan ook hun verderfelijke bijbels aan boord te houden, in een verzegelde kist, zodat geen enkele Japanner met de agressieve namaak-religie besmet zou kunnen raken. De Hollanders (in Japanse ogen slechts ongewassen, stinkende ‘roodharige barbaren’) werden om die manier van zakendoen overal in Europa beschimpt. Men vond dat de schijnheilige protestanten zichzelf in het bijzonder en het christendom in het algemeen vernederden door religieuze principes te verkwanselen voor ordinaire pecunia. De vrijzinnige Japanners op hun beurt waren weer geschokt door de schaamteloze preutsheid van de openlijk homofobe christenen. Als het de Europeanen gelukt zou zijn om heel Japan te kerstenen was het land waarschijnlijk de Filipijnen achterna gegaan. De inheemse cultuur van dat nabijgelegen eilandenrijk is vernietigd door katholieke zeloten die, simpel gezegd, over meer vuurwapens beschikten dan de inheemse bevolking. In het machtige Japan hadden de shoguns juist meer geweren (ook al hadden zij die ooit weten te verkrijgen van de Europeanen), en kon een originele, door christenen verafschuwde pornografie blijven bestaan, en zelfs tot grote bloei komen. Dankzij de lange en rijke eigen geschiedenis, de relatief afgesloten cultuur in de Edo-periode, de verwende burgerij van de grote steden en de vele geniale kunstenaars die zich niet te goed voelden om seksualiteit onverbloemd uit te beelden ontstond de typisch Japanse erotische of pornografische prentkunst die shunga (‘voorjaarsbeelden’ of ‘lentekriebels’) wordt genoemd.

Seks is voor christenen altijd een glibberig terrein geweest, zowel op het hetero-, homo- als pedoseksuele vlak. Waarschijnlijk is dit te danken aan het feit dat seks als primaire, darwinistische natuurkracht haaks staat op alle zogenaamd goddelijke aanspraken op universele alleenheerschappij. Japanners aanbaden eenvoudigweg meerdere (natuur)goden tegelijkertijd, en deden daarom misschien minder moeilijk over hun zogenoemd hogere of lagere lusten (een hiërarchisch onderscheid dat sowieso niet in de vrije natuur, maar slechts in de hoofden van fatsoensrakkers voorkomt). Alles was mogelijk, alles werd gepraktiseerd. Er zijn Japanse keizers geweest die zo gehecht waren aan het vorstelijke stoeien met hun lustjongetjes, dat zij door hun eigen hofdignitarissen gedwongen moesten worden om te trouwen, met een vrouw. Overigens lieten veel christelijke Hollanders zich op het eilandje Dejima bij Nagasaki regelmatig voor veel geld verwennen door Japanse prostituees, die zij tussendoor ook nog eens misbruikten om kostbare goederen naar hun eigen pakhuizen te smokkelen. Ook Japanners gaven zich vanzelfsprekend over aan allerlei seksuele uitspattingen, maar zij deden dat blijkbaar schaamtelozer, onbevangener, met meer plezier, en minder schuldgevoel.

Rond 1800 was Utamaro Kitagawa (ca 1753-1806) in het genre van de shunga de belangrijkste kunstenaar. Deze hartstochtelijke liefhebber van mooie meisjes in de hoerenwijk Yoshiwara in Edo (het huidige Tokyo) stuwde de kunst van de erotische houtgravure tot nauwelijks geëvenaarde hoogten op. Het woord shunga wordt ook wel vertaald als ‘kussenplaatjes’ of ‘lachbeelden’, waarbij het Japanse woord voor ‘lachen’ ook als ‘masturberen’ opgevat kan worden. Alle soorten seksuele anatomie op de prenten van Utamaro zijn tot buitengewone proporties opgeblazen, wat de Japanse shunga onderscheidt van de veel realistischer, en daardoor wat huiselijker ogende Chinese erotische prentkunst. De 19de-eeuwse Franse japanofiel Edmond de Goncourt schreef in zijn dagboeken dat Utamaro zelfs als ‘de Michelangelo van de penis’ beschouwd kon worden. Deze even gewaagde als originele opmerking zal iedereen die Utamaro’s schitterende shunga heeft gezien onmiddellijk willen beamen. De enige die wat brute erotische artisticiteit betreft in zijn buurt komt is de 85-jarige Pablo Picasso, die bijna twee eeuwen later zijn meest vrijgevochten, spectaculaire en pornografische olieverfschilderijen produceert. Maar deze grootste kunstenaar van de 20ste eeuw was dan ook een groot bewonderaar van zijn Japanse voorganger.

Eén van de vele andere originele Japanse kunstuitingen is de netsuke of gordelknoop, bij een groter publiek bekend geworden door de historische roman van Edmund de Waal: The Hare With Amber Eyes (vertaald als De haas met de amberkleurige ogen). In dit boek wordt het verhaal verteld van een kostbare netsuke-verzameling in de familie van de schrijver. Japanners zouden niet zo’n bijzonder volk zijn, als zij vervolgens niet op het vruchtbare idee van de shunga-netsuke waren gekomen: een gordelknoop bestaande uit pornografische figuren. Hiernaast afgebeeld ziet u een voorbeeld van deze verrukkelijke miniatuurkunst. Deze bestaat uit twee delen: een vrolijk kijkende, onmiskenbaar opgewonden man en een gelukzalig glimlachende, gretig afwachtende maar bepaald niet slaafse vrouw, gezamenlijk op de meest natuurlijke manier in- en uitschuifbaar. Netsukes werden vaak uit ivoor vervaardigd, maar deze gesigneerde, dubbele shunga-netsuke is uit sensueel, bijna geil glanzend beukenhout gesneden. Na de Meiji-restauratie in 1868 mochten christenen voor het eerst in tweeënhalve eeuw Japan weer binnenkomen. Eén van de eerste dingen die deze zielloze zeloten hun welwillende gastheren probeerden te verbieden was de openlijke seksuele cultuur die zij overal in hun gastland meenden te ontwaren. Al te vaak slaagden zij daarin. Het eeuwenoude gemengd-baden, bijvoorbeeld,  werd waar mogelijk zo snel mogelijk afgeschaft. Maar de hier afgebeelde, fijnzinnige dubbele shunga-netsuke is aan die hypocriete christelijke kaalslag glansrijk ontsnapt. Het is een bescheiden ode aan de grootse, kunstzinnige, geëmancipeerde en onbeschaamde erotiek van de Japanse volkscultuur in de Edo-periode.

Literatuur
Boxer, C. R.: The Christian Century in Japan 1549-1650. Berkeley and Los Angeles: University of California Press, 1967.
Calza, Gian Carlo: Poem of the Pillow and Other Stories by Utamaro, Hokusai, Kuniyoshi and Other Artists of the Floating World. New York, Phaidon, 2010.
Evans, Tom and Mary Anne: Shunga. The Art of Love in Japan. New York, Paddington Press, [1975].
FagioliI, Marco: Shunga. Ars Amandi in Japan. Tübingen-Berlin: Ernst Wasmuth Verlag, 1998.
Forman, Werner: Japanese Netsuke. London: Spring Book, 1960.
Goncourt, Edmond de: Utamaro. New York: Parkstone, 2008.
Hereu / Serra (foreword / preface): Secret Images. Picasso and the Japanese Erotic Print. London: Thames and Hudson, 2010.
Klompmakers, Inge: Japanese Erotic Prints. Shunga by Harunobu & Koryûsai. Leiden & Boston: Hotei Publishing, 2008.
Krauss, Friedrich S.: Japanisches Geschlechtsleben. Abhandlungen und Erhebungen über das Geschlechtsleben des Japanischen Volkes. Hanau: Verlag Karl Schustek, 1965. 1965.
LongstreetT, Stephen and Ethel: Yoshiwara: City of the Senses. New York: David McKay Company, 1970.
Marhenke, Dorit, Ekkehard May (Texten): Shunga. Erotic Art in Japan. Heidelberg, Edition Braus, 1995.
Pflugfelder, Gregory M.: Cartographies of Desire. Male-Male Sexuality in Japanese Discourse, 1600-1950. Berkely. Los Angeles. London: University of California Press, 1999.
Saikaku, Ihara: The Great Mirror of Male Love. (transl. Schalow) Stanford, California: Stanford University Press, 1990.
Screech, Timon: Sex and the Floating World. Erotic Images in Japan 1700-1820. Honolulu: University of Hawai’i Press, 1999.
Hunga. Japanese Erotic Art. (foreword Shirakura Yoshihiko). Tokyo: Pie Books, [2008].
Tresmin-Trémouliéres: Yoshiwara. Die Liebesstadt der Japaner. (Übersetzung Bruno Sklarek) Berlin: Louis Marcus Verlagsbuchhandlung, [1920].
Uhlenbeck, Chris & Margarita Winkel: Japanese Erotic Fantasies. Sexual Imagery of the Edo Period. Amsterdam: Hotei Publishing, 2005.
Utamaro, Kitagawa: Kopfkissenbuch. Berlin (DDR): Berliner Verlag, 1989
Vos, Frits: ‘Forgotten Foibles – Love and the Dutch at Dejima (1641-1854)’ in: Lydia Brüll und Ulrich Kemper (Herausg.): Asien. Tradition und Fortschritt. Festschrift für Horst Hammitzsch zu seinem 60. Geburtstag. Wiesbaden: Otto Harrasowitz, 1971.
Waal, Edmund de: The Hare With Amber Eyes. The Illustrated Edition. London: Chatto & Windus, 2011.
Williams, Harold S.: Shades of the Past or Indiscreet Tales of  Japan. Tokyo, Japan & Rutland, Vermont: Charles E. Tuttle Company, [1959].
Geplaatst in Reizen, Vrijdenkerij | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Biologie voor dames: vijftig tinten roze in de 19de eeuw

                                                                         Plus ça change, plus c’est la même chose                                                                                   Grijs is het nieuwe roze. Lang voordat ze de erotische bestseller Vijftig tinten grijs van E.L. James überhaupt had kunnen lezen, schreef de stoere Russische dichter Marina Tsvetajeva (1892-1941) dat zij het helemaal had gehad met al die vrouwelijke collega’s die geen zin konden produceren zonder de zwijmelende woorden ‘ik’ of ‘liefde’ er in. Ze had al een hekel aan het begrip ‘dichteres’, omdat ze vond dat vrouwen met die feminisering van een mannelijke norm juist daarmee tekort werden gedaan. Maar nu, anno 2012, na ontelbare zogenaamde emancipatiegolven, is het nog altijd de normaalste zaak van de wereld om in een willekeurige boekwinkel een zogenoemde chicklit-afdeling aan te treffen: een apart en meestal wat weggestopt gedeelte vol romans met ‘waargebeurde’ verhalen over de liefde, geschreven door vrouwen, over vrouwen, met vrouwen, voor vrouwen. In 2011 werden de planken daarvan gevuld met de ‘romans’ van E.L. James. Haar op goedkoop papier gedrukte, slecht gelijmde (‘gelumbeckte’) paperbacks (hardcovers zijn voor vrouwen meestal ‘te duur’) zijn voorzien van een blauwgrijze voorkant, maar normaliter wordt dit soort titels versierd met verleidelijk roze of anderszins fleurige omslagen. Daarop zijn veelal illustraties te zien van vrouwelijke lotgenoten die zich door de stormen van hun woelige emotionele levens proberen te worstelen. Na allerlei liefdesperikelen is de afloop van het verhaal liefst positief en troostrijk. Èchte mannen willen bij deze rozige zwijmelarijen nog niet dood gevonden worden. Zij houden al eeuwenlang van het veel stoerdere donkerblauw, en kopen sowieso liever nuchtere non-fictie. In feite is de moderne chicklit de sociaal meer geaccepteerde opvolger van de nog altijd zeer succesvolle ‘kasteelroman’ (met, bijvoorbeeld, inmiddels meer dan 4000 volstrekt inwisselbare titels in de Nederlandstalige Bouquetreeks), die op zijn beurt weer verdacht lijkt op de devote, preutse literatuur bedoeld voor adellijke dames in de Middeleeuwen.

Vanzelfsprekend zijn er altijd uitzonderingen op de regel geweest, vrouwen die zich niets aantrokken van wat mannen van hen vonden, zoals de avontuurlijke kunstenares Maria Sibylla Merian uit de 17de, de onversaagde wereldreizigster Jeanne Baret uit de 18de, de daadkrachtige Marianne North uit de 19de, of de hierboven genoemde militante Tsvetajeva uit het begin van de 20ste eeuw. Maar meestal namen vrouwen zichzelf nog minder serieus dan mannen dat durfden te doen. Van zelfs de meest bekende, beroemde en ‘onafhankelijke’ vrouwen in de geschiedenis weet nauwelijks iemand de originele meisjesnaam, of ze nu Hillary Clinton, Betty Friedan, Astrid Lindgren, Angela Merkel, Michelle Obama, Heleen van Royen, of Patti Smith heten. Vrouwen ‘leenden’ liever de naam van hun wettige echtgenoot, met wat voor excuus dan ook, als het moest zelfs in maritale successie. Heteroseksuele mannen hebben die feminiene travestie altijd grootmoedig weten te waarderen, tenminste, als hun de afwezigheid van een vrouw met een eigen, unieke naam en dus eigen, unieke, onvervangbare persoonlijkheid, überhaupt was opgevallen.

De Parijse arts en historicus Charles Malo (1790-1871) publiceerde in de jaren ’20 van de negentiende eeuw enkele natuurgidsjes over vogels, vlinders, exotische dieren en aantrekkelijke plantjes. De boekjes waren uitdrukkelijk bedoeld voor vrouwen. Dat betekende dat de tekst lichtvoetig moest zijn, het formaat prettig handzaam, en dat de bandjes een verleidelijke feminiene kleur moesten hebben. Die kon toen, net als nu, alleen maar roze, glinsterend en blingbling zijn. De tekst werd vrolijk geïllustreerd met wat mooie handgekleurde plaatjes van lieve, knuffelbare, niet-aanstootgevende dieren. Als papieren accessoires waren de boekjes een soort negentiende-eeuwse chicklit: onschuldige biologie voor sensitieve dames die verzot waren (of dat beweerden te zijn) op frivole gespreksstof, kinderlijke lectuur, en spannende liefdeavonturen.

Eén van die salonboekjes is Malo’s Les Papillons, uitgegeven rond 1816 bij Janet, Libraire, Rue St. Jacques No. 59, Paris, en gedrukt bij L’Imprimerie de Richomme, eveneens in de Rue Saint-Jacques, No 67. Het originele bandje is van zachtroze karton, in een handzaam kartonnen foedraaltje gestoken met dezelfde zuurstokroze tint. De gegraveerde titelprent verraadt waar het om gaat: een wat schalkse dame leunt bevallig tegen een modieus 19de-eeuws éénpootstafeltje en houdt in één hand zorgvuldig een ondetermineerbaar rozig vlindertje vast. Dat toonde de ware esprit van die tijd: vrouwen uit de hogere kringen werden geacht zich bezig te houden met onschuldige zaken als natuurstudie, pianospelen of kunst , maar zodra zich (hopelijk) het huwelijk aandiende, was het gedaan met al die feminiene fratsen.

De zelf zo beroemde, talentvolle en intelligente Weense schoonheid Alma Mahler (ook zij vond haar eigen naam onbelangrijk) is aan het begin van de twintigste eeuw een ontluisterend voorbeeld van die vrouwelijke zelfontkenning: Alma was weliswaar zo rijk en knap dat zij elke man kon krijgen die ze wilde hebben, maar vond het toch een vloek om vrouw te zijn. Ze vernietigde veel van haar eigen muziekcomposities, ook zònder dat manlief Gustav haar daartoe ‘dwong’. Dezelfde neiging tot zelfdestructie zien we in Nederland in 2012, waar net zoveel meisjes aan de universiteit studeren als er uiteindelijk géén hoogleraar worden. Terwijl ooit mannen hun eigen vrouwen ronduit verboden om überhaupt te gaan te studeren, voelen diezelfde jongens zich tegenwoordig juist weer te goed om op de in hun ogen veel te vervrouwelijkte universiteit netjes hun best te gaan doen. Zij haken dan ook massaal af, en breken hun studie op om in het echte (en dus gevaarlijke) leven hun eigen geld te gaan verdienen, door bijvoorbeeld als puberende nerds gamesites of internetbedrijven op te richten, op hun dertigste multimiljonair te zijn en vervolgens hun eerste vrouw in te ruilen voor een jongere tweede (of derde) en aan een frisse nieuwe leg te beginnen (een huiselijk geluk dat vrouwen meestal niet is gegund). In de tussentijd leren hun keurige studiegenotes onder strenge mannelijke blikken juist bedeesd te blozen, in de collegezaal hoge, dus brave, cijfers te halen, ‘iets met kinderen’ te willen gaan doen, hun eigen potentiële carrières daarna zo snel mogelijk op te geven vanwege mooi van pas komende glazen plafonds, en om als netjes opgevoede prinsesjes niet van het kloeke mannelijke blauw, maar van het baby-achtige (dat wil zeggen, infantiele) roze te gaan houden.

Les Papillons telt 198 bladzijden en is verrijkt met elf fijnzinnige, zorgvuldig handgekleurde gravures van exotische vlinders, waarschijnlijk van de hand van M.F. Janet naar ontwerpen van M.P. Bessa. In het openingsgedicht worden smachtende meisjes al rijmend vergeleken met tere en vergankelijke schubvleugeligen: zij fladderen van bloem tot bloem, telkens nieuwe bedpartners vindend, maar uiteindelijk nooit de Ware Liefde. De schrijver deelt ons daarna expliciet mee dat dit alles slechts voor ‘l’amusement et la distraction’ is bedoeld. Mannen achtten al deze lepidopterologische beuzelarijen weliswaar heel geschikt voor vrouwen, maar voelden zich er zelf meestal veel te goed voor. Overigens wordt in de inleiding van het betreffende boekje een vrouw vermeld die op bijna ieders bewondering kon rekenen: de eerdergenoemde en nog altijd populaire Maria Sibylla Merian. In een achttiende-eeuws manuscript dat wordt bewaard in de Artis-bibliotheek in Amsterdam (ooit in het bezit van de beroemde Amsterdamse apotheker en rariteitenverzamelaar Albertus Seba), is te lezen dat de schrijver hiervan één van de weinigen was die op haar neerkeek: hij vond Merian maar een amateur, een eenvoudige liefhebster van vlindertjes. Seba zelf werd met zijn verzamelingen schatrijk, maar de bescheiden Merian stierf in relatieve armoede. Veel van haar anno 2012 onbetaalbare insectenboeken lagen toen nog onverkocht in het magazijn. Ruim een eeuw later bleek onze Charles Malo commercieel gezien veel succesvoller, door zijn vlinderboekjes aan te passen aan de grillen van het meer ‘gevoelige’ dan kritische schone geslacht.

Een andere titel in hetzelfde genre is het anoniem uitgegeven Histoire Naturelle en Miniature Suite à l’Abeille des Dames (ca 1820), uitgegeven bij Le Fuel, Libraire, Rue St. Jacques, No. 54, Paris (blijkbaar vlakbij de uitgever van het boekje van Charles Malo). Ook dit tweede boekje heeft een verleidelijk glimmend roze bandje, gestoken in een beschermende kartonnen cassette, met eveneens een gegraveerde titelprent en elf met de (kinder)hand ingekleurde gravures, niet alleen van vlinders maar ook van exotische vogels en fijnzinnige bloemetjes en plantjes.

Histoire Naturelle en Miniature bevat een boekhistorische bijzonderheid: omdat de cassette ‘blind’ is, is de titel van het daarin liggende boekje niet te zien. De uitgever heeft daarom een klein los titelblaadje geplakt bovenaan het eerste schutblad. Dat kan over de vergulde bovensnede gevouwen worden, waardoor de titel van bovenaf altijd zichtbaar is, ook al omsluit de tekstloze cassette het boekje aan vijf zijden. Deze zeldzame boekjes wetenschappelijk gezien geen enkele waarde waarde, vanzelfsprekend, maar als tijdsdocumenten zijn ze toch interessant. Op een onbedoelde manier demonstreren ze dat vrouwelijke zwakheden van alle tijden zijn, net als die van mannen, overigens. Uitgevers speelden daar ook vroeger al gewiekst op in. In de late twintigste eeuw ontstond er zelfs een literaire tegenbeweging, de zogenaamde dicklit, speciaal bedoeld voor (heteroseksuele) mannen. Het dameskamp reageerde geschokt, zon op wraak, sloeg genadeloos terug, en voila, de cliterature was geboren. Als men dit eeuwigdurende seksistische slagveld overziet kan men slechts één ding met zekerheid zeggen, plus ça change, plus c’est la même chose. Anno 2012 worstelen vrouwen nog altijd met hun zogenaamd romantische verlangens. Velen beweren literaire pulp als Vijftig tinten grijs te verafschuwen, maar worden er tegelijkertijd onweerstaanbaar door aangetrokken, tenminste, als men de politiek-incorrecte, maar onweerlegbare verkoopcijfers ervan onder ogen durft te zien. Al eeuwenlang ontdekken veel vrouwen elke dag opnieuw waar ze diep in hun hart, blijkbaar, het meest naar verlangen, namelijk heerlijk liefdesgefrutsel, eventueel licht gekruid met wat erotisch geweld. Maar dat laatste dus nooit teveel, en sowieso altijd minder dan hun onweerstaanbaar foute mannen zich, vaak terecht, denken te kunnen veroorloven. Dokter Malo had om dit alles waarschijnlijk moeten glimlachen: twee eeuwen wist hij tenslotte al feilloos wat èchte vrouwen willen.

Literatuur

Barber, Lynn: The Heyday of Natural History. 1820-1870. Garden City, New York: Doubleday, 1980.

Mahler, Alma: Het is een vloek een meisje te zijn. Een keuze uit haar dagboeken 1898-1902. De Arbeiderspers: Amsterdam, 2000

Malo, Charles: Les Papillons. Janet, libraire, Rue St Jacques No. 59, Paris [1816].

[anon.]: Histoire Naturelle en Miniature Suite à l’Abeille des Dames. Le Fuel, Libraire: Paris, Rue St. Jacques No. 54, Paris [1820].

Tsvetajeva, M.I.: Werken. Uitgeverij G.A. van Oorschot: Amsterdam, 1999 (vertaling en nawoord Marko Fondse)

Wettengl, Kurt (red.): Maria Sibylla Merian 1647-1717 Kunstenares en natuuronderzoekster. Becht / Teylers Museum: Haarlem, 1998

Geplaatst in Ornithologie, Zoölogie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | 6 reacties

Dubbelzinnige stambomen: Ernst Haeckel en de Ladder van de Natuur

In de geschiedenis van de evolutietheorie zijn weinig beelden zo iconisch geworden als de stambomen van de Duitse bioloog Ernst Haeckel (1834-1919). Als fraaie, maar speculatieve illustraties waren deze bedoeld om de toen nog heftig omstreden evolutietheorie van wetenschappelijke munitie te voorzien. Het grote publiek zag in de bomen echter vooral een soort Wodanseiken, als stoere symbolen voor een natuur die altijd omhoog streefde, naar vooruitgang en doelgerichtheid. Haeckel stimuleerde die zienswijze door aan de ijle top ervan (dat kon niemand verbazen) de blanke Germaanse man af te beelden, als een koning die boven de rest van de natuur uittroonde, en daar blijkbaar ook  het einddoel van was. Alhoewel Haeckel zelf teleologische tendensen in zijn werk ontkende, was het vrijwel onmogelijk om in die oprijzende stambomen niet de aloude ‘scala naturae’ (‘Ladder van de natuur’) te zien, met alle hiërarchische en antropocentrische associaties die daarmee gepaard gaan.

Deze in wezen platoonse ‘Ladder van de natuur’ was van stevige theologische en filosofische fundamenten voorzien door Charles Bonnet (1720-’93), een Zwitserse natuurfilosoof die betoogde dat de gehele wereld naadloos was opgebouwd uit ‘wezenlijke’ entiteiten die tezamen de ‘Echelle des êtres naturels’ (‘The Great Chain of Being’) vormden. Vuur, water, aarde, stenen, levenloze mineralen en planten bungelden onderaan deze levensladder, dieren, mensen, engelen en een christelijke god zweefden in toenemende mate van onstoffelijkheid aan de top. Alles neigde omhoog, maar uitsluitend in statische zin. Bonnet zag dat als een paradox, een goddelijke schijntegenstelling. Tegenwoordig denken we daar heel anders over: met onze moderne darwiniaanse blik is het juist onmogelijk om in die eindeloze levensladder géén evolutionaire structuren en verwantschappen te ontwaren. Voor Bonnet, die vooral een goed christen wilde zijn, waren dat soort ideeën ondenkbaar. Dat leek ooit anders te zijn. Toen hij jong en onbevangen was (en nog niet devoot) ontdekte hij de verbazingwekkende ongeslachtelijke voorplanting van bladluizen. Zijn vriend Abraham Trembley experimenteerde in dezelfde tijd met de even spectaculaire regeneratievermogens van zoetwaterpoliepen, en die twee ontdekkingen dreigden samen de hele biologie (een woord dat toen nog niet bestond) op haar kop te zetten. Ongeslachtelijke voortplanting van bladluizen en eindeloos regenererende zoetwaterpoliepen waren tot daar aan toe, maar suggereren dat er überhaupt geen doelgerichtheid in de natuur zou voorkomen was erger dan godslastering. Het was godsontkenning.

Charles Darwin (1809-’82) was een van de weinigen die geen illusies koesterde over de zogenaamde vooruitgang in de natuur (ook al hield hij de Vuurlanders die hij ontmoette tijdens zijn wereldreis met de Beagle nog wel voor een armzalig, religieloos, en dus inferieur mensenras). Ook van klassieke teleologische ideeën was hij niet onder de indruk, iets wat weinig van zijn vrienden hem konden nazeggen en wat zijn ‘diepgelovige’ echtgenote voortdurend zorgen baarde. Darwin is dan ook verantwoordelijk voor de mooiste evolutionaire stamboom die ooit getekend is: zijn kleine maar verbijsterend modern ogende schets uit 1837 (zie afbeelding hiernaast), later uitgewerkt als enige illustratie in zijn magnum opus On the Origin of Species (1859).

Haeckel, geestdriftiger maar ook impulsiever dan Darwin, vond populaire weerklank belangrijker dan wetenschappelijke zorgvuldigheid. Vandaar dat hij de verleiding niet kon weerstaan om zijn evolutionaire ideeën te illustreren met iets waarvan hij wist dat het voor dubbelzinnigheid moest zorgen: de stamboom van de evolutie als stoere Wodanseik. Hij injecteerde als het ware de statische levensladder van Bonnet met tijd, en kreeg daar een dynamische, evolutionaire  levensboom voor terug. Het antropocentrisme van Bonnet nam hij echter ook over: vuur, lucht, water en aarde zijn verdwenen, maar dieren als bacteriën, kwallen, zeekomkommers en zakpijpen worden nog steeds onderaan de levensboom afgebeeld. Reptielen en vooral de immer populaire vogels worden al meer gewaardeerd en dus wat hoger geplaatst. Insecten, die voor iedereen toch duidelijk bovenmatig talrijk en extreem succesvol waren, komen er weer bekaaid vanaf, en moeten genoegen nemen met een weliswaar stevige maar toch wat laaghangende zijtak. Apen, halfapen en mensen daarentegen bezetten een stoere hoofdtak, bovenaan in de levensboom. Op deze manier was het onmogelijk om Homo sapiens niet te zien als het middelpunt van de evolutie, ironisch genoeg precies zoals de door Haeckel verfoeide christenen dat deden, met de mens als doel en hoogtepunt in Gods volmaakte schepping. Overigens was die schepping blijkbaar niet zo volmaakt dat er geen doelgerichtheid in kon voorkomen.

Al tijdens Haeckels leven werden deze dubbelzinnige stambomen hem door vakgenoten kwalijk genomen. Postuum kreeg hij zelfs het verwijt dat evolutionisten als hij en Darwin verantwoordelijk waren voor het 20ste-eeuwse racisme, met name dat van het Derde Rijk. Dat verwijt is absurd voor wat Darwin betreft, en gaat voor Haeckel veel te ver, al was het alleen maar omdat juist Haeckel overtuigd streed voor een waarachtiger begrip van de levende natuur in het algemeen en de afkomst van de mens in het bijzonder. Als er ideologieën hebben bestaan die de mens als zelfverklaard en absoluut meester van de natuur boven alle andere levende wezens hebben gezet, zelfs op de meest intolerante en agressieve wijze, dan zijn het altijd de monotheïstische religies geweest, met hun kinderlijke trots op een verraderlijke boodschap van zogenaamd geluk in een verondersteld hiernamaals. Slechts seculiere wetenschappen, zoals de moderne biologie, konden dit statische, verkalkte en verkalkende natuurbeeld uiteindelijk doorbreken. Ironisch genoeg was dat juist de reden dat nog tijdens Haeckels leven werd ontdekt dat de vroegste gewervelde verwanten van de mens nu juist de door christenen zo verafschuwde zakpijpen zijn (zie afbeelding hierboven).

De zelfverklaard atheïst Ernst Haeckel is echter een geval apart. Nog steeds worden overal ter wereld zijn verleidelijke illustraties gebruikt om te laten zien hoe evolutie werkt, maar het valt niet te ontkennen voor wie zijn stambomen bewondert: alle dieren zijn gelijk, maar de mens is gelijker.


Literatuur

Anderson, Lorin: Charles Bonnet and the Order of the Known. Dordrecht, Boston, London: Reidel Publishing Company, 1982.

Bredekamp, Horst: Darwins Korallen. Frühe Evolutionsmodelle und die Tradition der Naturgeschichte. Berlin: Verlag Klaus Wagenbach, 2005.

Bromme, Traugott: Systematischer Atlas der Naturgeschichte für Schule und Haus. Stuttgart: J. Engelhorn, 1861.

Gasman, Daniel: The Scientific Origins of National Socialism. Social Darwinism in Ernst Haeckel and the German Monist League. London: Macdonald, 1972.

Haeckel, Ernst: Natürliche Schöpfungsgeschichte. 4. Auflage. Berlin: Georg Reimer, 1873.

Haeckel, Ernst: Anthropogenie oder Entwicklungsgeschichte des Menschen. Leipzig: Wilhelm Engelmann, 1874.

Lovejoy, Arthur O.: The Great Chain of Being. Study of the History of an Idea. Cambridge Harvard University Press, 1936.

Pietsch, Theodore W.: Trees of Life. A Visual History of Evolution. Baltimore: The John Hopkins University Press, 2012.

Theunissen, B. & R.P.W. Visser: De wetten van het leven. Historische grondslagen van de biologie 17501950. Baarn: Ambo, 1969.

Wit, H.C.D. de: Ontwikkelingsgeschiedenis van de biologie. Deel 2B. Wageningen: Pudoc, 1989.

Geplaatst in Evolutie, Zoölogie | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Kangoeroes aan tafel: een negentiende-eeuws reisje naar Australië

Rond het midden van de negentiende eeuw liet de Nederlandse kinderboekenschrijver Pieter van Os Reis naar Nieuw-Zuid-Wallis publiceren, een boekje over een avontuurlijke reis naar de oostkust van Australië, een gebied dat door de Engelsen New South Wales werd genoemd. Zo’n vijfenzeventig jaar eerder was deze streek door James Cook als eerste Europeaan ontdekt. Inmiddels floreerde hier de kolonistenstad Sydney, idyllisch gelegen aan een diepe baai iets ten noorden van Botany Bay. Het boekje is verrijkt met vier eenvoudige zwart-wit lithografieën, inclusief een frontispice met daarop een huiselijke scene waarbij een kangoeroe onverwacht aan tafel verschijnt, dit tot grote schrik van de protagonist van het verhaal (zie afbeelding hieronder).

In het verhaal wordt een jongeman wegens veronderstelde misdaden naar Australië getransporteerd, om daar in de Engelse strafkolonie te werken en zo wellicht zijn vrijheid te herwinnen. Hij moet daarvoor allerlei gevaren trotseren, waaronder de ‘opdringerige’ aanwezigheid van de oorspronkelijke inwoners van Australië, de Aborigines, ‘primitievelingen’ die volgens de auteur vuil, misdadig, lelijk, lui en onuitsprekelijk dom zijn. Het wekt dan ook geen verbazing dat zijn blanke landgenoten er geen been in zagen zoveel ‘leeg’ land van deze barbaren te confisqueren als ze maar wilden.

De uitgever van het boekje, Van Druten & Bleeker te Sneek, gaf tussen 1852 en 1857 een driedelige reeks uit getiteld ‘Keur der nieuwste en belangrijkste reisbeschrijvingen’. Als eerste in de serie verscheen Reizen der Engelschen ter ontdekking ener Noordwestelijke doorvaart door den Noordelijke IJszee naar den Stillen Oceaan, in 1853 gevolgd door Reis naar de kolonie van misdadigers Nieuw-Zuid-Wallis. Uit het dagboek van een scheepsdoctor. Voor de jeugd bewerkt door P. van Os. Met vier plaatjes., waarvan de onderhavige editie mogelijk een gewijzigde herdruk of een titeluitgave is. Als laatste deeltje verscheen in 1852 en 1857 de tweedelige Reizen der Engelschen naar de noordelijke Ijszee en de Stillen Oceaan. De hier besproken titel dus twee keer uitgegeven, de laatste keer licht gewijzigd.

De Australische historicus Edward Duyker vermoedt dat het boekje, ondanks de nogal kinderlijke toon van het verhaal, toch invloedrijk geweest kan zijn: “Van Os’ book is clearly a romantic account of New South Wales in the 1840′s, but it also contains a substantial appendix dealing with the major gold discoveries in Victoria. Given the paucity of Dutch literature on this subject, it seems likely that it helped to shape the imagination of quite a number of prospective Dutch diggers.[i]

Reis naar Nieuw-Zuid-Wallis is heel zeldzaam: wereldwijd zijn in openbare bibliotheken slechts drie exemplaren bekend, los van het hiernaast afgebeelde. Het boekje is zo gezocht onder verzamelaars van historische australiana dat in het voorjaar van 2011 een exemplaar op een Australische veiling maar liefst AU$ 1748,- opbracht, dat is bijna € 1500,-. Wonderlijk genoeg is later zelfs een tweede exemplaar in het bezit van de schrijver gekomen, dit keer in een nog zeldzamere, originele en geïllustreerde kartonnen uitgeversband. 


[i] Edward Duyker, The Dutch in Australia (Melbourne, 1987), p. 39. Zie ook: Ferguson, Bibliography of Australia, nr 13661.
Geplaatst in Reizen | Tags: , , , , , , , , , | Reacties uitgeschakeld voor Kangoeroes aan tafel: een negentiende-eeuws reisje naar Australië

Het Paradijs verloren: Ernst Haeckel nog steeds op zoek naar de wieg van de mensheid

In hoeverre Ernst Haeckel werkelijk dacht dat de moderne mens uit het inmiddels verdwenen Paradijs stamde, is uit zijn publicaties niet goed op te maken. Enkele jaren na het verschijnen van zijn Natürliche Schöpfungsgeschichte (1868; zie afb.) laat hij in elk geval de aanduiding ‘Paradis’ uit de bijbehorende tekst weg, net zoals het vraagteken op zijn wereldkaart. Een witte plek in de Indische Oceaan bleef achter (zie afbeelding), door Haeckel eerder half opgevuld door het eveneens hypothetische, maar zuidelijker gelegen ‘Lemurien’, het eiland dat in het eerste deel van dit artikel al ter sprake is gekomen. Nadat hij ook dit Lemurië van de kaart had gehaald zou het nog jaren duren voordat er enige duidelijkheid zou ontstaan over de werkelijke plaats van de wieg van de mensheid. Ondanks zijn provocerende stellingnames in het evolutiedebat werd Haeckel bij een groot publiek geliefd door zijn rijk geïllustreerde werken over ongewervelden, als kwallen, zeesterren en radiolariën. Deze publicaties vormden weer een grote inspiratiebron voor de Franse architect René Binet, wiens ontwerpen voor de Parijse Wereldtentoonstelling van 1900 aanleiding zouden vormen voor het opbloeien van de Art Nouveau-beweging.

Haeckels landgenoot Alfred Wegener (1880-1930) zou enige tijd later zijn minstens zo controversiële theorie van de plaattektoniek publiceren. Deze theorie ging ervan uit dat continenten geen statische eenheden waren (zoals tot dan gedacht), maar reusachtige drijvende aardschollen, die in een continue evolutionaire beweging over het aardoppervlak heen en weer schoven. In de 16de eeuw was het de Engelse wetenschapsfilosoof Francis Bacon al opgevallen dat de westkust van Afrika en de oostkust van Zuid-Amerika wel erg goed in elkaar leken te passen. Dit zelfs voor kinderen op te merken verschijnsel poogde Wegeners theorie op een moderne manier te verklaren. Verloren eilanden en hypothetische, onder water gelopen reusachtige landmassa’s als Atlantis en Lemurië waren zo niet meer nodig om het bestaan en de vorm van continenten te verklaren, een ontnuchtering die betekende dat Haeckel zijn Paradijs als wieg van de mensheid voorgoed kwijtraakte.

Vlak daarna, nog tijdens Haeckels leven, zou er echter een nieuwe Hof van Eden worden gevonden, op een heel andere, en vooral onverwachte plaats. De Nederlander Eugene Dubois (1858-1940), op zijn beurt persoonlijk daartoe aangezet door zijn grote voorbeeld Haeckel, zou rond 1900 in het paradijselijke Nederlands-Indië  op zoek gaan naar de veronderstelde wortels van de mens, en, tot ieders grote verbazing, die daar ook werkelijk vinden. Dubois doopte deze vondst Anthropopithecus (mensaap), een naam die later werd veranderd (of liever, omgedraaid) in Pithecantropus (aapmens). Uiteindelijk bleek Pithecantropus ook geen aapachtige mens te zijn, maar nog nauwer aan Homo sapiens verwant dan gedacht, waardoor zijn naam, nu definitief, werd veranderd in (en ‘opgewaardeerd’ tot) Homo erectus. Deze spectaculaire vondst van Dubois zou het begin worden van het moderne internationale onderzoek naar de oorsprong van de mens. De onverschrokken Haeckel had deze oermens al voorspeld, en hem zelfs al een officiële naam gegeven (zie afbeelding hierboven): Pithecantropus alalus, de spraakloze aapmens.

       

In de loop van de 20ste eeuw werd duidelijk dat de wieg van de vroegste mensaap/aapmens niet in Indië, maar in Afrika moet hebben gestaan, hoewel de autochtone ‘wolharigen’ die er inmiddels woonden daar weinig mee te maken bleken te hebben. Wellicht zouden deze donkere ‘Ulotrichiër’ sowieso niet zijn toegelaten in het Paradijs – de door Haeckel verfoeide christenen zagen die plek vooral als een blanke Hof van Eden. Maar deze vluchtplek was voorgoed verdwenen. De ‘denkende mens’ van Linnaeus was daadwerkelijk over zichzelf gaan nadenken. Hij zou daarmee een illusie armer, maar een oneindig voorgeslacht rijker worden.   

Literatuur

Althaus, K. & H. Friedel: Gabriel von Max. Malerstar, Darwinist, Spiritist. München: Hirmer, 2010.

Haeckel, E.: Natürliche Schöpfungsgeschichte. Berlin: Reimer, 1868.

Haeckel, E.: Natürliche Schöpfungsgeschichte. Berlin: Reimer, 1870.

Haeckel, E.: Natürliche Schöpfungsgeschichte. Berlin: Reimer, 1873.

Haeckel, E.: The History of Creation: or the Development of the Earth and its Inhabitants by the Action of Natural Causes. Transl. E. Ray Lankester. 3rd edition. London: Kegan Paul, 1883.

Leaky, R. & L.J. Slikkerveer: Man-Ape Ape-Man. The Quest for Human’s Place in Nature and Dubois’ Missing Link. Baarn: Ambo [etc], 1993.

Richards, R.J.,: The Tragic Sense of Life. Ernst Haeckel and the Struggle over Evolutionairy Thought. Chicago and London: The University of Chicago Press, 2008.

Shipman, P.: The Man Who Found the Missing Link. The Extraordinary Life of Eugène Dubois. London, Weidenfeld & Nicholson, 2001.

Theunissen, B.: Eugène Dubois en de aapmens van Java. Een bijdrage tot de geschiedenis van de paleoantropologie. Amsterdam: Editions Rodopi, 1985.

Geplaatst in Evolutie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Het Paradijs gevonden: Ernst Haeckel op zoek naar de wieg van de mensheid

In Nederland geniet de Duitse bioloog Ernst Haeckel (1834-1919) nog altijd weinig bekendheid. Toch kan zijn belang voor de popularisering van de evolutietheorie in de 19de eeuw nauwelijks overschat worden. Na het lezen van Darwins On the Origin of Species (1859) was Haeckel op slag een fanatiek aanhanger geworden van de evolutionaire denkbeelden die daarin geopenbaard werden. In 1866 bezocht hij Darwin persoonlijk, in het Engelse Down. Teruggekeerd in Duitsland was Haeckel vervolgens een van de eersten die met talrijke publicaties de toen nog zeer omstreden evolutietheorie bij een groter publiek bekendmaakte. Bovendien werd hij, als overtuigd atheïst, internationaal steeds beruchter door zijn compromisloze strijd tegen wat hij zag als wetenschappelijk obscurantisme en bigotte christelijkheid.

Een van de meest populaire boeken die Haeckel schreef is Natürliche Schöpfungsgeschichte (eerste druk 1868). In dit rijk geïllustreerde werk probeert hij voor een groter publiek zijn denkbeelden over het leven op aarde in het algemeen, en de oorsprong van de mens in het bijzonder begrijpelijk en vooral aanschouwelijk te maken. Het boek bleek een groot succes: tussen 1868 en 1924 verschenen er talloze herdrukken, herzieningen en uitbreidingen, en werd het omgezet in diverse Europese talen. Zelfs een oppervlakkige vergelijking van deze verschillende drukken laat al een interessante ontwikkeling in het denken van de auteur zien. Haeckel zocht antwoorden op levensvraagstukken waarmee zijn 18-eeuwse voorgangers ook al hadden geworsteld.

Zo had ruim een eeuw daarvoor Carolus Linnaeus (1707-’78) Homo sapiens al ingedeeld bij de apen (‘primates’, ‘eersten’), maar paradoxaal genoeg zag de grote Zweedse systematicus daar geen werkelijke verwantschap tussen mens en dier in. Integendeel: Linnaeus was een ‘gelovig christen’, en geloofde dus rotsvast (hoewel later stiekem twijfelend) in het Bijbelse scheppingsverhaal, dat aloude Oosterse sprookje waarin wordt verhaald hoe de mens in het maagdelijke Paradijs ooit het prille levenslicht had gezien. Dat diezelfde mensen en, bijvoorbeeld, apen daadwerkelijk familie van elkaar zouden kunnen zijn, was voor hem als christen een absurd idee – maar waarom leken die dan toch zoveel op elkaar? Een bijkomend probleem was het Paradijs zelf: waar had dat gelegen, als het dan zo zeker had bestaan?

In zijn Natürliche Schöpfungsgeschichte probeert Haeckel op beide vragen een wetenschappelijk antwoord te vinden. Volgens hem waren de overeenkomsten tussen mens en dier veel meer dan louter oppervlakkig, wonderbaarlijk of toevallig. Hij poneerde de explosieve stelling dat beide soorten een gemeenschappelijke oorsprong moesten hebben, en dat die oorsprong alleen met behulp van de revolutionaire evolutietheorie te verklaren was. Thomas Henry Huxley, Darwins grote vriend en medestander (diens ‘Devil’s Chaplain’), was hem enkele jaren eerder daarin al voorgegaan, door skeletten van mensen, chimpansees, gibbons en gorilla’s zakelijk met elkaar te vergelijken. Haeckel liet in de tweede druk van zijn Natürliche Schöpfungsgeschichte een wereldkaart opnemen, die duidelijk moest maken hoe alle levende mensen in evolutionaire zin daadwerkelijk aan elkaar verwant zijn. Maar waar lag de oorsprong van al die rassen, als de bijbel niet als leidraad genomen kon worden? Lag de Hof van Eden in Azië, of misschien in Afrika, waar tenslotte ‘negers’ (‘Ulotrichiërs’ of wolharigen) woonden? Die waren toch voor iedereen duidelijk primitiever dan hoogontwikkelde Noord-Europese blanken, zoals, toevallig, Haeckel zelf er een was. Of woonden al de veronderstelde  mensapen/aapmensen toch op de plek die de Bijbel aanwees, het gebied tussen de Eufraat en de Tigris, de oorspronkelijke Hof van Eden?

Bij voorlopig gebrek aan bewijsmateriaal besloot Haeckel het Paradijs te vinden op een plaats die niemand kon betwisten, aangezien ze niet (meer) bestond: midden in de Indische Oceaan, op een verzonken continent, een plek die wellicht ooit het mysterieuze Atlantis van Plato was geweest. Enkele jaren eerder had de Engelsman Sclater voor dit reusachtige eiland de naam Lemurië verzonnen, afgeleid van de naam voor halfapen (‘lemuren’) op Madagascar, het eiland dat zelf wel eens een overblijfsel van het verzonken continent zou kunnen zijn. De in de tussentijd in Duitsland gevonden Neanderthalers werden nog lang niet door iedereen als serieuze kandidaat voor de oermens aangezien, zodat deze in het denken over de afkomst van de mens vrijwel geen rol speelde. Om de geografische onzekerheid te benadrukken, voorzag Haeckel zijn Paradijs van een vraagteken.

Raadsel blijven bestaan, hoe dan ook. Sommigen lezen de letters ‘U.L.’ op Haeckels wereldkaart (zie illustratie) als ‘Unbekanntes Land’, en vreemd genoeg is Haeckel daar zelf niet duidelijk over. Waarschijnlijk bedoelde hij daarmee de eerder genoemde ‘Ulotrichier’ (‘negers’) en ‘Lisotrichier’  (stijlharigen, d.w.z. ‘blanken’ en Indiërs), de twee steineriaanse ‘wortelrassen’ die zich vanuit de Hof van Eden over de hele wereld zouden hebben verspreid. Haeckel mocht zijn Paradijs dan eindelijk gevonden hebben, lang zou het niet duren voordat hij dat ook weer kwijtraakte [wordt vervolgd].

Literatuur
Darwin, Charles. On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life. London: John Murray, 1859.
Haeckel, Ernst. Natürliche Schöpfungsgeschichte. Berlin: Georg Reimer, 1868.
Haeckel, Ernst. Natürliche Schöpfungsgeschichte. 2. Ausgabe. Berlin: Georg Reimer, 1870.
Haeckel, Ernst. The History of Creation: or the Development of the Earth and its Inhabitants by the Action of Natural Causes. Transl. E. Ray Lankester. 3rd ed. London: Kegan Paul, 1883.
Huxley, Thomas Henry. [Zoological] Evidence[s] as to Man’s Place in Nature. London: Williams & Norgate, 1863.
Ramaswamy, Sumathi: The Lost Land of Lemuria. Fabulous Geographies, Catastrophic Histories. Berkely Los Angeles London: University of California Press, 2004
Richards, Robert J.: The Tragic Sense of Life. Ernst Haeckel and the Struggle over Evolutionairy Thought. Chicago and London: The University of Chicago Press, 2008.
Geplaatst in Evolutie, Zoölogie | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Orlietten uit de Stille Zuidzee.

De orliettenvogel of ‘poij’ van Georg Forster.

[James Cook] ‘Reizen rondom de Waereld’ (1795-1803, vertaling Pasteur), deel IV (1799), plaat XXV, ‘De Poij of Orliettenvogel’ (klik om te vergroten)

‘Poij’, ‘toui’, poë’, tui’, ‘toko’: al deze exotisch klinkende namen duiden de groene halskraagvogel aan, een Nieuw-Zeelands lid van de honingvogelfamilie (Meliphagidae). Op het einde van de achttiende eeuw hoorde Engelse ontdekkingsreiziger James Cook de eerste hiervan uit de mond van enkele Maori, de oorspronkelijke bewoners van het eiland. Toch is het woord niet van Nieuw-Zeelandse, maar van Tahitiaanse oorsprong. ‘Poij’ betekent ‘oorring’, vanwege de opvallende witte keelpluimpjes die halskraagvogels bij de balts gebruiken. Om dezelfde reden noemden de Engelsen vroeger de vogel ook wel ‘parson-bird’. Het woord ‘poij’ is in het Nederlands geïntroduceerd via de eerste Nederlandse vertaling van Cooks reisverslag, verschenen in 1778 als Reis naar de Zuidpool. Dit reisverslag zou Jan David Pasteur twee jaar later opnieuw vertalen, als Reizen rondom de Waereld. Pasteur gaf de vogel nog een bijnaam: ‘Orlietten-vogel’ (zonder trema), waarbij hij vermeldde dat het woord orliet is afgeleid van het Franse ‘oreilette’, dat net als poij ‘oorring’ of ‘oorhanger’ betekent.

Een van de eerste Europeanen die de vogel in zijn oorspronkelijke habitat zag, was Georg Forster. Deze negentienjarige Duitstalige wereldreiziger was niet alleen een literair wonderkind, latere vriend van de grote ontdekkingsreiziger Alexander von Humboldt (op diens beurt de inspirator voor Charles Darwins beroemde reis om de wereld) en revolutionair, maar kon ook prachtig tekenen. Hij was samen met zijn ambitieuze vader Johann Reinhold meegereisd op de tweede expeditie van Cook (1772-’75). Beide Forsters kwamen handen en ogen tekort om al de onderweg ontdekte exotische planten en dieren te bestuderen en te tekenen. In de bosrijke Dusky Sound in Nieuw-Zeeland zag Georg in 1773 voor het eerst een luidruchtige poij voorbijvliegen, met de opvallende witte verenpluimpjes aan zijn keel. Nadat hij de vogel had gevangen wist hij hem enkele maanden lang met suikerwater in leven te houden. De aquarel die hij ervan maakte zou later als voorbeeld dienen voor de fraaie gravure in het reisverslag van Cook. Nadat de vogel zelf op weg naar Tahiti was gestorven, werd de balg ervan met vele andere natuurhistorische voorwerpen terug mee naar Engeland genomen, om in de negentiende eeuw in het Naturhistorisches Museum in Wenen terecht te komen. Waar dit exemplaar zich momenteel bevindt is onbekend. De poij (samen met onder andere de kangoeroe en de Tasmaanse buidelduivel) is een van de weinige dieren die vermeld en afgebeeld worden in de officiële publicaties van James Cook. Pas in de decennia daarna zouden vooral Franse ontdekkingsreizigers grote hoeveelheden exotische dieren en planten verzamelen, om later het lezerspubliek in Europa te overrompelen met veeldelige, prachtig geïllustreerde reisverslagen. De arts René Primevère Lesson (die in 1824 op Nieuw-Guinea als eerste blanke een levende paradijsvogel met eigen ogen aanschouwde) vermeldt in het verslag van zijn reis rond de wereld dat de ‘poë’ in ‘Nouvelle-Zélande’ een geliefde kooivogel was, die men zelfs complete rondeeltjes kon leren zingen:  ko tu koë, ko rongo koë, ko te manou widi etc.

De eerste Europese naam voor de poij, ‘New Zealand Creeper’, werd in 1776 door de Engelse natuurhistoricus Peter Brown gegeven. In de Duitse staten werd hij ‘Priestervogel’ genoemd, een naam die Georg Forster al had voorgesteld. De eerste wetenschappelijke benaming (1788) komt van de Duitse Linnaeus-bezorger Gmelin: Merops novae-seelandiae. Nadat echter bleek dat de naam Merops eerder was gebruikt voor een ander vogelgeslacht, veranderde de Engelsman Gray in 1840 de naam, nu definitief, in Prosthemadera novaeseelandiae.

Het woord ‘orliëtten’ is in de Nederlandse taal allang in vergetelheid geraakt, en veel Nieuw-Zeelandse vogelsoorten zijn inmiddels uitgestorven. Maar de poij of orliëttenvogel fladdert anno 2012 nog altijd levendig rond in de overgebleven oerbossen van het Noorder- en Zuidereiland, op zoek naar  de bedwelmende nectar van de Nieuw-Zeelandse vlas- of hennepplant. U ziet hier de allereerste Nederlandse gedrukte afbeelding van zowel de poij als de vlasplant, beide uit het vierde deel van Reizen rondom de Waereld van James Cook in de vertaling door Jan David Pasteur uit 1799.

Bibliografie
Buller, Walter Lawry. Buller’s Birds of New Zealand. Ed. E.G. Turbott. 2nd edition. London: Macdonald, 1967.
Cook, James. Reizen rondom de Waereld, vertaald door J.D. Pasteur [] Vierde deel. Leiden, Amsterdam & Den Haag: Honkoop, Allart en van Cleef, 1799.
Forster, Georg. Reise um die Welt. Illustriert von eigener Hand. Frankfurt am Main: Eichborn Verlag, 2007.
Lesson, [René] P[rimevère].: Voyage autour du monde entrepris par ordre de gouvernement sur la corvette La Coquille [2 delen]. Paris: P. Pourrat, Frères, Éditeurs, 1838-’39.
Watola, George. The Discovery of New Zealand’s Birds. Orewa: Arun Books, 2008.
Geplaatst in Ornithologie, Reizen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Sporen van de schepping: evolutie in Nederland vòòr Darwin

Zoals bekend, aarzelde de grote bioloog Charles Darwin (1809-’82) tientallen jaren met het publiceren van zijn revolutionaire On the Origin of Species (1859). Eén van de redenen hiervoor was de angst dat collega’s hem zouden verwijten even onprofessioneel, speculatief en warrig te zijn als Robert Chambers, de Schotse journalist die juist daarvoor zijn schandaalverwekkende Vestiges of the Natural History of Creation (1844) had gepubliceerd. Met dit vlotgeschreven werk vol wilde theorieën over de natuur en de afkomst van de mens was het Chambers gelukt om bijna elke serieuze lezer tegen het wetenschappelijke been te schoppen. Het grote publiek smulde er echter van. Uiteindelijk zouden er alleen al in de 19de eeuw meer dan 60.000 exemplaren van verkocht worden. Aan dergelijke verkoopcijfers kon zelfs Darwin niet tippen.

In de Vestiges  probeerde Chambers vrijuit te speculeren over de oorsprong van de levende natuur, zonder zich te laten inperken door wat de Bijbel als waarheid verkondigde. Volgens Chambers (die net als veel van zijn familieleden aan hexadactylie, zesvingerigheid, leed) was de aarde veel ouder dan de ‘Schrift’ beweerde, en was het ook mogelijk dat mensen niet alleen op apen leken, maar daar ook daadwerkelijk van afstamden. Dit was teveel voor het christelijke Victoriaanse publiek – het kon er dan ook geen genoeg van krijgen. Zelfs Darwins grote vriend en medestander Thomas Henry Huxley maakte de Vestiges in het openbaar belachelijk (hoewel hij daar later spijt van kreeg). Darwin zelf, toen al bezig met het uitwerken van zijn veel schokkender eigen evolutionaire ideeën, zag dit met lede ogen aan. Hij voelde heimelijk mee met de toen nog anonieme schrijver. Na eindeloos wikken en wegen besloot hij zijn eigen theorieën pas aan de openbaarheid prijs te geven als ze voor het grote publiek, maar vooral voor vakgenoten, overtuigend en onweerlegbaar uitgelegd zouden zijn. Zelfs toen in 1859 eindelijk zijn On the Origin of Species werd gepubliceerd, werd hij daartoe min of meer gedwongen door onverwachte post van zijn correspondentievriend A.R. Wallace. Deze avontuurlijke naturaliënverzamelaar was in de oerwouden van Nederlandsch-Indië namelijk op precies dezelfde evolutionaire ideeën gekomen als Darwin. Wie zou de primeur krijgen: de avontuurlijke wereldreiziger Wallace die de complete evolutietheorie in één nachtelijke koortsdroom voor zich had gezien, of de voorzichtige wetenschapper Darwin die al tientallen jaren behoedzaam aan zijn ideeën werkte?

In 1849 besloot de Utrechtse uitgever J.G. Broese de inmiddels ook in Nederland berucht geworden Vestiges uit te brengen. Dit werd vertaald als Sporen van de Natuurlijke geschiedenis der Schepping, bezorgd door de Utrechtse natuur- en scheikundeleraar Johannes Hubertus van den Broek (1815-’96), en voorzien van een inleiding door G.J. Mulder. De publicatie bleek al snel een succes. Het leek daarom aantrekkelijk om bij de oorspronkelijk ongeïllustreerde Engelse Vestiges een Nederlandstalige atlas met fraaie platen uit te brengen. Dit is opmerkelijk, omdat de originele Engelse tekst pas in 1853 van afbeeldingen zou worden voorzien. Ten tijde van de Nederlandse vertaling was de naam van de schrijver nog altijd niet bekend, dus ook de vertaling en de atlas verschenen anoniem. De laatste werd in 1850-’51 gepubliceerd in twee delen (bij het hiernaast afgebeelde exemplaar zijn deze samengebonden in één lederen band), en was voorzien van tientallen opvallend fijnzinnig gelithografeerde  afbeeldingen van vogels, zoogdieren, reptielen, amfibieën en vooral, heel onchristelijk, uitgestorven dieren. Op een fraaie uitklapplaat is bovendien chronologisch de geschiedenis van de levende natuur vastgelegd, daarmee onweerlegbaar (en misschien wel voor het eerst in de Nederlandse wetenschaps-geschiedenis) daadwerkelijke evolutionaire verwantschappen suggererend.

In de inleiding van het tweede deel van de atlas wordt het woord ontrollen gebruikt in de oorspronkelijke betekenis van het woord evolueren. Dit moet de allervroegste verwijzing in het Nederlandse taalgebied zijn naar de moderne evolutionaire inzichten die vlak daarna door Darwin op een wetenschappelijke manier wereldkundig zouden worden gemaakt. Het zou echter nog lang duren voordat het provincialistische domineesland enigszins gewend zou raken aan een van de meest radicale en revolutionaire ideeën waaraan het ooit blootgesteld was.

Literatuur

Broek, J.H. van den: Atlas van de Belangrijkste plant- en diervormen voorkomende in de Sporen van de Natuurlijke Geschiedenis der Schepping uit de beste werken bijeenverzameld. (2 delen) Utrecht: J.G. Broese, 1850-1.
[Chambers, Robert:] Vestiges of the Natural History of Creation. London: George Routledge and Sons, 1887 (Morley’s Universal Library 46)
Chambers, Robert: Vestiges of the Natural History of Creation and Other Evolutionairy Writings (edited with a new introduction by James A. Secord), Chicago and London: The University of Chicago Press, 1994.
Darwin, Charles: Het ontstaan der soorten door natuurlijke teeltkeus [etc] (vierde editie, vert. H. Hartogh Heys van Zouteveen). Arnhem-Nijmegen: Gebr. E & M Cohen, [1900?].
Dempster, W.J.: Evolutionary Concepts in the Nineteenth Century. Natural Selection and Patrick Matthew. Edinburg [etc]: The Pentland Press, 1996. 
Eiseley, Loren: Darwin’s Century. Evolution and the Men Who Discovered it. New York: Doubleday & Company, 1958.
Freeman, Michael: Victorians and the Prehistoric. Tracks to a Lost World. New Haven and Londond: Yale University Press, 2004.
Heide, Janneke van der: Darwin en de strijd om de beschaving in Nederland 1859-1909. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2009.
Leeuwenburgh, Bart: Darwin in domineesland. Nijmegen: Uitgeverij Van Tilt, 2009.
Millhauser, Milton: Just Before Darwin. Robert Chambers and Vestiges. Middleton, Connecticut: Wesleyan University Press, 1959.
Monk Mason,Thomas: Schepping door de regtstreeksche tusschenkomst van God, in tegenstelling van eene schepping door natuurwetten. Eene weerlegging van de sporen van de natuurlijke geschiedenis der schepping. Uit het Engelsch vertaald door Dr. J.H.van den Broek. Utrecht: J.G. Broese, 1849
Secord, James: The Extraordinary Publication, Reception, and Secret Authorship of Vestiges of the Natural History of Creation. Chicago and London: The University of Chicago Press, 2000.
Zeeman, J: ”Sporen van de Natuurlijke Geschiedenis der Schepping [etc]”, recensie in De Gids Jaargang 14, Amsterdam: P.N. van Kampen, 1850 (pp 133-167, 339-368, 474-499).
Geplaatst in Evolutie, Zoölogie | Tags: , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Springende ende huppelende: kapitein Cook en de kangoeroe

Hawkesworth / Cook: Reizen rondom de Weereld (1774), frontispice.

In 1774 publiceerde de Rotterdamse uitgever Reinier Arrenberg onder de titel Reizen rondom de weereld  vier uit het Engels vertaalde reisverslagen in één band. Het laatste en ook meest contemporaine reisverslag betrof de eerste wereldreis van James Cook (1728-’79), een jonge kapitein die in opdracht van de Royal Society ruim drie jaar lang, van 1768 tot ’71, onderweg was geweest. In deze periode had Cook vele ontdekkingen gedaan die van groot wetenschappelijk belang zouden blijken te zijn. Ondanks de succesvolle reis en zijn latere roem bleef Cook bij thuiskomst nog relatief onbekend. Daarentegen had zijn steenrijke passagier Joseph Banks (1743-1820) in de wetenschappelijke wereld al enige naam gemaakt. Vooral deze ging nu met de eer strijken, zeker toen het verleidelijke gerucht de ronde deed dat Banks met de Tahitiaanse ‘koningin’ Obereia een tropische liaison zou hebben gehad. Het langverwachte officiële reisverslag werd niet door Cook of Banks geschreven, maar door de voor veel geld ingehuurde letterkundige John Hawkesworth (1720-’73). Deze stond zichzelf echter nogal wat literaire vrijheden toe, waarover Cook zeer ontevreden was.

In de Arrenbergse editie is de tekst van Hawkesworth sterk ingekort. De uitgave is echter van historisch belang, omdat ze de eerste Nederlandse vertaling is van het eerste verslag van één van de belangrijkste ontdekkingsreizen ooit ondernomen. Zowel het Engelse origineel als de Nederlandse vertaling combineren het verslag van James Cook met de verslagen van drie eerdere Engelse wereldreizigers, namelijk John Byron (1723-’86, grootvader van de romantische dichter), Samuel Wallis (1728-’95, de Europese ontdekker van wat later Tahiti genoemd zou worden) en zijn kompaan Philip Carteret (1733-’96). De Nederlandse editie is echter om nog een andere reden interessant: voor het eerst in een Nederlandse gedrukte tekst komt op pagina 290-92 het exotisch klinkende woord ‘kanguroo’ voor. Tegenwoordig is deze naam bekend als de verzamelnaam voor de bekendste familie van Australische buideldieren: macropodidae (‘grootpotigen’) oftewel kangoeroes. Maar hoe is dit vreemde, nieuwe en niet-Europese woord in een Nederlandse tekst uit 1774 gekomen, en waar kwam het vandaan? Om dat uit te zoeken moeten we enkele jaren teruggaan in de tijd, naar een geheel ander en toen nog grotendeels onontdekt werelddeel, Nieuw-Holland.

Hawkesworth / Cook: Reizen rondom de Weereld (1774), titelpagina.

Op 14 juli 1770, op een warme en heiige zomerdag aan de Australische oostkust, schoot John Gore, derde luitenant aan boord van de Endeavour van kapitein Cook, een merkwaardig dier, dat tot dan toe op zijn twee reusachtige achterpoten aan het jachtgeweer had weten te ontkomen. De volgende dag werd het stoffelijk overschot door de bemanning geroosterd en met genoegen verorberd; Joseph Banks vertelt ons in zijn reisdagboeken dat hij de soort moeilijk kon determineren maar dat het vlees ervan erg smakelijk was. Al snel werd duidelijk dat bij de aboriginals van de plaatselijke Guugu Yimidhirr-stam het dier onder de naam ‘gangurru’ door het leven ging, een woord waarmee waarschijnlijk de grijze reuzenkangoeroe werd bedoeld. Het geschoten dier had, zo meldt de Nederlandse vertaling, de ‘kloekte’ van een schaap, een verhoudingsgewijs kleine kop en smalle schouders, een staart met de lengte van het lichaam en uiteraard zeer grote achterpoten. Op deze achterpoten bewoog het dier zich ‘al springende ende huppelende’. Joseph Banks probeerde de lenige tweepotigen op te laten jagen door zijn snelle greyhounds. Dit waren dezelfde agressieve honden waarover 65 jaar later Charles Darwin tijdens zijn wereldreis met de Beagle zo klaagde: deze geïmporteerde huisdieren dreigden de kangoeroes meedogenloos uit te roeien.

In de weken daarop werden nog twee andere, kleinere exemplaren buitgemaakt, waarvan er in elk geval één (op sterk water) Engeland bereikte. De eind-achttiende-eeuwse dierenschilder George Stubbs heeft een van deze exemplaren gebruikt om het allereerste olieverfschilderij van een kangoeroe te maken: 318. A portrait of the kangourou from New Holland 1770 (1770-’71). Naar dit schilderij werd een gravure gemaakt die als plaat XX in deel III werd gepubliceerd in het originele reisverslag van Hawkesworth. In de Arrenberg-editie komt deze prent helaas niet voor. De hieronder afgebeelde kangoeroe komt uit Thomas Bankses’ vlak daarna gepubliceerde A New System of Geography (1780). Het derde kangoeroe-exemplaar dat naar Engeland was meegenomen, schijnt in de Tweede Wereld-oorlog tijdens de Duitse bombardementen op London verloren gegaan te zijn.

Banks’s Geography (1780), ‘kanguroo’ (naar George Stubbs).

Het dier was aan het eind van de 18de eeuw nog altijd zó enigmatisch, dat wetenschappers het niet konden plaatsen in een van de toen bekende dierenfamilies. De kangoeroe leek nog het meest op de Zuid-Afrikaanse jerboa, een soort muis op hoge achterpoten, bekend uit de veeldelige Histoire Naturelle van Buffon. Toch was ook hier de kangoeroe niet aan verwant. Bij gebrek aan een officiële Latijnse betiteling bleef het dier daarom onder zijn inheemse naam door het leven gaan, hetgeen het exotische karakter van het raadselachtige beest juist uitstekend leek samen te vatten. Tenslotte werd in 1790 door de Engelse natuurhistoricus George Shaw de naam Macropus giganteus voorgesteld, en deze naam heeft in de wetenschap officieel ingang gevonden. Maar over de hele wereld is het vooral de aboriginal-naam ‘kanguroo’ die het meest gebruikt is gebleven. Ooit door de reisgenoten van James Cook overgenomen van de Oost-Australische Guugu Yimidhirr-stam en opgetekend door de literator John Hawkesworth, dook deze in 1774 voor het eerst in een Nederlandse gedrukte tekst op, waarvan akte.

(Met dank aan Steven de Joode)

John Hawkesworth
Reizen rondom de weereld. Ondernomen op bevel van Zyne Majesteit den tans Regeerenden Koning van Groot-Brittanje, Tot het doen van ontdekkingen in het Zuider Halfrond […]. Te Rotterdam, by Reinier Arrenberg, 1774. 
Collatie 4°: π2 2π1 A-2X4; pp. [6] 351 [1].
Vingerafdruk 177404 – b1 A m : b2 X3 land
Illustraties Binnen de collatie een ongesigneerd gegraveerd frontispice.

Literatuur
Beaglehole, J.C. (ed.): The Endeavour Journal of Joseph Banks 1768-1771. Sydney 1963.
Beaglehole, J.C. (ed.): The Journals of James Cook: The Voyage of the Endeavour 1768-1771. Cambridge 1968.
Beddie: Bibliography of Captain James Cook. Sydney 1970 (nr 658).
Finney: To Sail Beyond the Sunset. Natural History in Australia 1699-1829. Adelaide [etc] 1984.
Vaderlandsche Letteroefeningen (1775), p. 178-180.
Wheeler, A.: Catalogue of the Natural History Drawings Commissioned by Joseph Banks on the Endeavour Voyage 1768-1771. Part 3: Zoology. London 1986.
Whitehead, ‘Zoological Specimens from Captain Cook’s Voyages’, in: Journal of the Society for the Bibliography of Natural History, vol. 5, pt 3 (oct. 1969), p. 161-201.
Geplaatst in Reizen, Zoölogie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Kolibries uit de bibliotheek van John Gould

Eén van de populairste attracties tijdens de Londense Wereldtentoonstelling van 1851 vormden anderhalf duizend bontgekleurde Zuid-Amerikaanse kolibries. Weliswaar ging het slechts om opgezette exemplaren, maar deze waren zeer kunstig en spectaculair opgesteld, zowel in vlucht, zittend, als baltsend. Meer dan 75.000 betalende bezoekers kwamen de exotische zeldzaamheden bewonderen, waarmee de tentoonstelling een groot financieel succes werd. Beroemdheden als Charles Dickens en de kunstcriticus John Ruskin kwamen op bezoek, De laatste speet het dat hij ooit zijn kostbare tijd had verdaan met een studie mineralogie, in plaats van naar zulke sprookjesachtige vogeltjes op jacht te zijn gegaan. Zelfs koningin Victoria vereerde de tentoonstelling met een bezichtiging: zij schreef in haar privé-dagboek hoezeer ze had genoten van de kleurrijke vogeltjes. De man achter deze publiekstrekker was John Gould (1804-’81), de Engelse uitgever, ornitholoog en wereldreiziger die juist bezig was met het maken van één van zijn meest ambitieuze werken: A Monograph of the Trochilidae, or Family of Humming-Birds (kolibries). Hij hoopte de Londense Wereldtentoonstelling te kunnen gebruiken om dit meerdelige, rijk geïllustreerde en buitengewoon kostbare boekwerk te promoten. Het was hem al gelukt om vele Europese koningen, koninginnen, prinsen en prinsessen tot intekening te verleiden. Voor de gewone man was het werk echter onbetaalbaar.

Een auteur wiens werk wél in brede kring kon worden gekocht en gelezen, was Henry Gardiner Adams (1811-’81). In 1856 publiceerde hij een bescheiden boekje eveneens over kolibries, geïllustreerd met 8 prachtige handgekleurde lithografieën (zie afbeeldingen). Het boekje, getiteld  Humming Birds Described and Illustrated, werd al vrij snel populair. Er verschenen verschillende herdrukken. John Gould, die goed bevriend was met Adams, schreef in 1856 in een van zijn brieven dat hij bijzonder van het boekje gecharmeerd was en het regelmatig aan vrienden, kennissen en jonge vogelliefhebbers cadeau deed. Uit de mond van zo’n beroemde ornitholoog was dit uiteraard een groot compliment. Dat Gould een exemplaar van het boekje daadwerkelijk in zijn bezit had blijkt uit onderstaande afbeelding: het hierop afgebeelde unieke exemplaar bevat de namelijk de handtekening van hemzelf, en is kennelijk afkomstig uit zijn eigen bibliotheek. 

 

Literatuur
Adams, Henry G.: Humming Birds Described and Illustrated. London: Groombridge and Sons, [1872].
Blunt, Wilfrid: The Ark in the Park. The Zoo in the Nineteenth Century. London: Book Club Associates 1976
Mengel, Robert M.: A Catalogue of the Ellis Collection of Ornithological Books in the Kansas University Libraries. I A-B. Lawrence: Kansas, 1972.
Nissen, Claus: Die illustrierten Vogelbücher. München: Hiersemann Verlag, 1976.
Pascoe, Judith: The Hummingbird Cabinet. A Rare and Curious History of Romantic Collectors.Ithaca and London: Cornell University Press, 2006
Sauer, Gordon C.: John Gould the Bird Man: Associates and Subscribers. Mansfield Connecticut: Maurizio Martino Publishers 1885
Sscherren, Henry: The Zoological Society of London. A Sketch of its Foundation and Development [etc.]. London [etc.]: Cassell and Company 1933
Tree, Isabella: The Ruling Passion of John Gould. A Biography of the Bird Man London: Barrie & Jenkins, 1991.
Geplaatst in Ornithologie, Zoölogie | Tags: , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen