De ‘Hand van Boeddha’. Berthe Hoola van Nooten en haar Javaanse vingercitroen

[…] To open the great book of nature; to endeavour to represent, if but faintly, by our feeble art, that glorious colouring, those treasures of hidden beauties so freely spread around us, by our munificent Creator – (here, especially, in this beautiful island of Java, privileged in this respect, where vegetation is so magnificent) – is it not this which meets the cravings of our hearts, which cannot fail to give us our proper nourishment by feeding our souls with silence, prayer and love […].
(uit voorwoord (1862) van Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java, Bruxelles, 1863)

In 1863-’64 liet Berthe Hoola van Nooten (geboren in Utrecht op 12 oktober 1817 als Bartha Hendrica Philippina van Dolder) een ambitieus botanisch boekwerk publiceren met tientallen afbeeldingen van bloemen, fruit en planten van het tropische eiland Java: Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java.1 De veertig spectaculaire kleurenplaten in het boek zijn gebaseerd op originele tekeningen van de kunstenares. Nadat Berthe in onder andere Demerary (waar haar man in 1811 was geboren), Paramaribo en New Orleans had gewoond, was zij als armlastige weduwe in Batavia in Nederlands-Indië terechtgekomen, waar zij korte tijd een meisjesschool leidde en schilder- en tekenlessen gaf. Met de opbrengst van haar Java-boek hoopte zij haar vijf kinderen te kunnen blijven onderhouden. Volgens het voorwoord (gedateerd juli 1862) is de publicatie opgedragen aan alle ‘nederige’ vrouwen van de wereld, wat typerend lijkt voor de benarde positie van talentvolle vrouwen in die tijd. Daarnaast liet Berthe een zelfgeschreven Franstalig lofdicht op Koningin Sophie der Nederlanden opnemen. Deze ongelukkig gehuwde beschermvrouwe van de kunsten en wetenschappen had namelijk de kostbare publicatie met financiële steun mogelijk gemaakt. Om het zakelijke risico ondanks die royale gift toch enigszins te spreiden, besloot de Brusselse uitgever Émile Tarlier het indrukwekkende boek (43,5 x 57 centimeter) in tien losse afleveringen te laten verschijnen, de eerste in januari 1863. Elke ‘livraison’ bevat een aparte titelpagina en vier met de hand bijgekleurde chromolithografieën die zijn getekend door de Brusselse lithograaf Guillaume (Georges) Severeyns. De platen worden begeleid door een populair geschreven maar wetenschappelijk onderlegde Engels/Franse tekst met daarin beknopte en treffend geschreven informatie over de afgebeelde planten. Berthes boek werd door het grote publiek enthousiast ontvangen en ook gezaghebbende botanici als F.A.W. Miquel en C.A.J.A. Oudemans waren vol lof over het Javaanse prachtwerk.2, 3 Oudemans (die zelf vijf jaren op Java had gewoond) noemde het werk een ‘kostelijke gave van edele vrouwenhand’. Koningin Sophie schonk Berthe Hoola van Nooten het jaar daarop uit dank een oorkonde, een bedrag van f 1000,-4 en zond haar later een ‘prachtige gouden armband’.5 Zelfs Keizerin Eugénie (de echtgenote van Napoléon III) was verguld met het boek: zij schonk Berthe enkele ‘prachtige cadeaux’, waaronder een medaillon met een buste van haarzelf op de ene zijde en een persoonlijke inscriptie op de andere. Wilde men in Nederland een compleet exemplaar van het boek met alle veertig platen in tien livraisons kopen, dan kon men dat doen bij de gevolmachtigde boekhandelaar J. Noordendorp in de Pijpenstraat in Amsterdam, voor f 70,-.6 Bij voorintekening was men echter goedkoper uit, de uitgave kostte dan per livraison slechts f 6,-. Dat was nog steeds veel geld voor een boek: omgerekend zou dat € 60,- zijn en voor het hele boek € 600,-. Het is onwaarschijnlijk dat Berthe zonder de koninklijke steun in eerste instantie ook maar één exemplaar voor zichzelf had kunnen kopen, want zij werd haar hele leven geplaagd door geldzorgen: ‘many trials, many troubles’ schrijft zij in één van haar tot nu toe ongepubliceerde brieven vanuit Java.

Bibliografische bijzonderheden

Het boek zou tweemaal herdrukt worden.7 De eerste editie was gesponsord met maar liefst ƒ2000,- door baron Sloet van de Beele, gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Deze woonde, net als Berthe eerder, in het lommerrijke Buitenzorg (het Indische ‘Sans Soucis’), zo’n zestig kilometer ten zuiden van Batavia, tegenwoordig Jakarta. In de tweede en volgens het voorwoord verbeterde editie werd de complete tekst opnieuw gelithografeerd, inheemse namen aan de titels toegevoegd, de platen nog gloedvoller afgedrukt, waarbij in elk geval de rode kleuren geheel met de hand zijn ingetekend en vele botanische details subtiel blijken bijgewerkt. Storende taalfouten werden gecorrigeerd en andere onvermijdelijk opnieuw gemaakt. Bij de derde, laatste en ongedateerde editie (met een voorwoord uit mei 1880 maar volgens het Nieuwsblad voor den Boekhandel van november 1881 ‘zojuist’ verschenen) werd de titel ingekort, de gehele tekst voor de tweede keer opnieuw gelithografeerd, en werden alle platen eveneens (maar deze voor het eerst) opnieuw gechromolithografeerd door de destijds beroemde Gentse tekenaar, schilder en steendrukker Pieter Depannemaeker. Een duidelijk voorbeeld van die verschillen in opeenvolgende edities zijn de onderschriften bij de afbeeldingen van de zogenaamde vingercitroen. In de eerste editie staat daarbij vermeld: ‘Hort. & Bog.’, wat wil zeggen: ‘Hortus & Bogoriensis’, oftewel ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg (tegenwoordig Bogor Botanical Gardens, Kebun Raya, gesticht in Berthes geboortejaar 1817). Het blijkbaar misbegrepen en overbodige &-teken tussen ‘Hort.’ en ‘Bog.’ is voor de tweede editie van de originele steenplaat weggeschuurd, daarmee een voor die editie kenmerkende spatie op de afdrukte plaat achterlatend. In de geheel opnieuw lithografeerde (en door ‘Weissenbruch, Imprimeur’ gedrukte) derde editie is deze spatie uiteindelijk zèlf verdwenen, evenals de naam van de originele uitgever Émile Tarlier (zie illustraties hierboven). In de eerste catalogus van de boekencollectie van ’s Lands Plantentuin (uit 1887) wordt vermeld dat maar liefst twee edities van Berthes Java-werk in de bibliotheek aanwezig zijn.8 Ondanks het artistieke en commerciële succes van haar magnum opus lukt het Berthe nauwelijks om het hoofd boven water te houden: zij overlijdt uiteindelijk in het huis van haar schoonzoon op 12 april 1892 te Batavia op 74-jarige leeftijd in nog altijd behoeftige omstandigheden. Na aftrek van alle schulden blijft er van haar nalatenschap in 1899 precies f 45,80 (een kleine € 500,-) over.9

De ‘Hand van Boeddha’ in ’s Lands Plantentuin

De hiervoor genoemde vingercitroen is één van de opvallende vruchten die in Berthes Java-boek worden afgebeeld: zij noemt deze ‘Citrus Sarcodactylis’ (‘vleesvingerige citroen’) en vermeldt vanaf de tweede editie ook de inheemse naam: ‘Djerook Tangan’. In Azië wordt hij al eeuwenlang heel toepasselijk ‘Hand van Boeddha’ genoemd vanwege de sierlijk open- of dichtgevouwen uitstulpingen die op goudkleurige vingers lijken. ‘Boeddha’s hand’ klinkt heel poëtisch, maar deze ‘vingers’ zijn in feite een groeiafwijking die meestal wordt veroorzaakt door parasiterende mijten of mutagene schimmels die het jonge vruchtvlees aantasten.10 De vrucht is een ziekelijke vorm van de zogenaamde cedercitroen of cederappel (Citrus medica, familie Rutaceae) en werd lang beschouwd als een echte variëteit, soort of ondersoort. Hij groeit aan de Aziatische sukadeboom, is net als de nauw verwante gewone citroen zuur van smaak en wordt alleen gekookt en gesuikerd gegeten. Vanwege de (bij wrijving vrijkomende) verrukkelijke geur van de schil (en bladeren) wordt hij in China en Japan ook al eeuwenlang gebruikt om stoffen en kleding mee te aromatiseren.11 De publicatie van de Nederlandse Berthe wordt door taxonomen beschouwd als de eerste wetenschappelijke beschrijving van deze exotische vrucht. Berthe heeft haar ‘vingervormige citroen’ bestudeerd en getekend in de tuinen van Buitenzorg (grenzend aan het paleis van de gouverneur-generaal), volgens haar familie onder een speciaal voor haar gebouwde glazen koepel.12 Ondanks het indrukwekkende botanische werk wordt nog aan het einde van de twintigste eeuw opgemerkt dat ‘the origins of Berthe Hoola van Nooten remain buried in obscurity to this day’.13 Hoe is het gekomen dat deze bijzondere Nederlandse vrouw, die tegenwoordig inderdaad vrijwel vergeten is maar aan wie we het imposante Java-boek te danken hebben, de eerste officiële beschrijfster is geworden van de even beroemde als geliefde ‘Hand van Boeddha’, ook wel Citrus medica sarcodactylis of vingercitroen genoemd?

En ik zeg U, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet bekleed is geweest gelijk een van deze. (Mattheüs 6:29; motto van Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java)

Om deze vraag te beantwoorden moeten we duizenden jaren terug in de tijd, omdat de ‘Hand van Boeddha’ natuurlijk al veel langer bekend is dan Berthes wetenschappelijke beschrijving uit 1863. Vanaf de oostelijke flanken van de Himalaya of misschien zelfs vanuit het nog verder gelegen China14 moet de stamvorm (de cederappel of -citroen) al vroeg in het Westen terecht zijn gekomen. Dat weten we, omdat Alexander de Grote tijdens zijn veldtocht naar India in de vijfde eeuw voor Christus door het land van de Meden en de Perzen trok (vandaar de soortnaam medica: die heeft dus niets met ‘medicinaal’ te maken) en toen de vrucht al onder ogen kreeg.15 Opvallend genoeg zouden de nu bij ons veel bekendere gewone citroen (Citrus limon) en sinaasappel (Citrus sinensis) pas veel later, respectievelijk tijdens de Kruistochten en in de Late Middeleeuwen, in Europa geïntroduceerd worden.16 Men neemt overigens aan dat ons woord ‘citroen’ via het Latijnse ‘citra’ afkomstig is van het Oudgriekse ‘cedrina’ (genoemd naar de beroemde ceders van het bijbelse Libanon) dat ‘welriekend’ betekent.17 Die heerlijke geur heeft er voor gezorgd dat de cedercitroen (deze Nederlandse naam is dus eigenlijk een botanische tautologie) ook wel odorata of fragrans en in Nederland ‘muskuscitroen’ werd genoemd.18 De enigmatische en als heilig vereerde ‘etrog’ (‘verboden vrucht’) van het joodse Loofhuttenfeest is waarschijnlijk ook de Aziatische cedercitroen geweest.19 Na de Grieken leerden de oude Romeinen dit zure broertje van onze zoete ‘China-appel’ kennen, en zij schijnen de woorden ‘Medisch’ (uit Medië) en ‘medicinaal’ door elkaar gebruikt te hebben.20 Theophrastus, Vergilius, Plutarchus, Plinius, Dioscorides: al deze klassieke Griekse en Romeinse schrijvers berichten uitgebreid over deze toen in Europa nog zeldzame citrusvrucht, die (wat de etymologie niet minder verwarrend maakt) ook wel bekend stond als de Perzische of Paradijsappel.

Barokke vingercitroenenpracht

Meer dan anderhalf duizend jaar later, tijdens de Italiaanse Barokperiode, kwam speciaal de vingervormige afwijking van de cedercitroen en vogue, omdat men die in verzamelaarskringen zag als een zeldzame speling van de natuur, een begerenswaardige botanische rariteit.21 Eén van de mooiste botanische platenboeken uit de 17de eeuw is Giovanni Battista Ferrari’s Hesperides (1646), waarin tientallen afwijkend gevormde citrusvruchten worden afgebeeld, waaronder enkele sarcodactyli.22 Als voorbeeld voor de gravures dienden fijnzinnige aquarellen die door vrienden van de Romeinse Accademia dei Lincei (met leden als Galileo Galilei en de Nederlander Johannes van Heeck of Heckius) in het begin van de 17de eeuw waren gemaakt.23 Ferrari tekent in zijn boek een fraai aforisme op over de vingercitroen: Nimirum in auro etiam foeditas ac deformitas placet (‘vanzelfsprekend, in goud kunnen zelfs lelijkheid en misvormdheid mooi zijn’). In de tuinen van de Villa Borghese in Rome kan men anno 2014 nog altijd ‘vleesvingerige citroenen’ bewonderen.

Vingercitroenen in de Lage Landen 

Ook in de Nederlanden was ‘De Hand van Boeddha’ al vroeg bekend: in de eind-17de-eeuwse zogenaamde Moninckx Atlas (een botanisch manuscript met honderden afbeeldingen van exotische planten) is weliswaar zonder bijschrift maar onmiskenbaar een aantal vingercitroenen afgebeeld. De betreffende tekening (die tussen 1686 en 1706 gemaakt moet zijn) is overigens niet gepubliceerd in één van de vier boeken over exotische planten die de Amsterdamse botanici Jan en Caspar Commelin in dezelfde tijd hebben uitgegeven naar platen uit de Moninckx Atlas, en zal dus relatief onbekend zijn gebleven.24  Vlak daarvoor had Jan Commelin (de oom van Caspar) zelf een boek over citrusvruchten gepubliceerd dat grotendeels was gebaseerd op het werk van Ferrari: het rijk geïllustreerde Nederlantze Hesperides (Amsterdam 1676). Een andere botanicus die vertrouwd was met de vingercitroen (en deze zelf ook kweekte) was de Groningse professor Abraham Munting (1626-’83). In zijn postuum (1696) verschenen Naauwkeurige Beschryving der Aardgewassen, Waar in de veelerley Aart en bijzondere Eigenschappen der Boomen, Heesters, Kruyden, Bloemen, Met haare Vrugten, Zaden, Wortelen en Bollen [etc.] beeldt hij de citroen af als een veelvingerige misgeboorte. Het barokke onderschrift verraadt de monstrueuze aard van de vrucht: ‘Malus Citria Cornuta’, de oneetbare, gehoornde citroen.25

Maria Sibylla Merian en haar Surinaamse cedercitroen

Caspar Commelin zou enkele jaren later betrokken raken bij een nog veel belangrijkere publicatie dan zijn eigen citrusvruchtenboek. De avontuurlijke Maria Sibylla Merian (1647-1717) verbleef in de jaren 1699-1700 met haar dochter in Paramaribo, in het toenmalige Nederlands-Guyana, net als Berthe met haar man Dirk Hoola van Nooten bijna anderhalve eeuw later. Ondanks het moordende klimaat verzamelde, kweekte en tekende de onverschrokken Maria Sibylla Merian in de omgeving van Paramaribo de kleurrijkste vlinders en andere tropische insecten, om die tekeningen uiteindelijk te graveren, zelf af te drukken en in 1705 in eigen beheer uit te geven in haar Metamorphosis Insectorum Surinamensis ofte de verandering der Surinaamsche insecten.26 Caspar Commelin (die inmiddels botanicus was geworden in de Hortus in Amsterdam) verzorgde de Latijnse botanische nomenclatuur hiervan. Merians insectenboek is één van de mooiste publicaties die ooit over de Surinaamse natuur zijn verschenen. Op plaat 28 (afbeelding hiernaast) daarvan beeldt zij niet alleen een bontgekleurde en vervaarlijk ogende Surinaamse harlekijnboktor (Acrocinus longimanus) af, maar ook een goudkleurige ‘Groote en dikke Citroen’ oftewel een cedercitroen of cederappel, de stamvorm (Citrus medica) van de al vroeg in Suriname geïmporteerde Aziatische vingercitroen van Berthe Hoola van Nooten.27 De grootvader van Berthes man, de Montesquieu-vertaler Dirk Hoola van Nooten senior (1747-1808) had net als veel andere notabelen het prachtwerk van Maria Sibylla Merian in zijn enorme bibliotheek (ruim 3200 titels) in Schoonhoven staan.28

Een botanische Toren van Babel

Voor de leek is de internationale naamgeving van alle verschillende leden van het geslacht Citrus (met honderden variëteiten van citroenen, limoenen, pompelmoenen, sinaasappels en mandarijnen) altijd een linguïstische nachtmerrie geweest. De Engelse ‘lemon’ is bijvoorbeeld onze citroen (Latijns Citrus limon), onze limoen is de Engelse ‘lime’ (Citrus aurantifolia), de Engelse ‘citron’ is onze cedercitroen of -appel (Citrus medica),29 terwijl die laatste vroeger in heel Frankrijk ‘limon’ heette, behalve in het eigenzinnige Parijs waar hij juist weer ‘citron’ werd genoemd.30 Taxonomen proberen al eeuwenlang een einde te maken aan deze botanische Toren van Babel. Toen de Amerikaanse Walter Swingle in 1914 een gezaghebbende revisie doorvoerde van de Citrus-soorten die de Engelse botanist Ernst Henry Wilson (1876-1930) in China had verzameld, besloot hij om Hoola van Nootens tekst en plaat uit 1863 als voorbeeld te nemen voor zijn beschrijving van de vingercitroen.31 Dit deed hij ondanks het feit dat er al eerdere vermeldingen en afbeeldingen van sarcodactylis bekend waren, zoals die van Giovanni Battista Ferrari in Rome en de Moninckx Atlas in Amsterdam. Berthe beschreef haar vingercitroen in taxonomische zin als een echte soort, maar Swingle zag dat anders: hij devalueerde  haar Citrus Sarcodactylis tot een ondersoort (var. sarcodactylis, een zogeheten combinatio nova) van de gewone cederappel of sukade (Citrus medica), die in 1753 voor het eerst beschreven was door de Zweedse systematicus  Linnaeus (1707-78) in diens Species Plantarum.32 Overigens beschouwde Linnaeus in diezelfde baanbrekende publicatie de (relatief nieuwe) gewone citroen ook slechts als een variëteit (var. limon) van de aloude Medische of Perzische appel die Alexander de Grote al onder ogen had gekregen. Het zou uiteindelijk een landgenoot worden van Berthe Hoola van Nooten die de van oorsprong Chinese citroen zijn definitieve Latijnse naam gaf: in 1768 publiceerde de Nederlandse botanicus Nicolaas Laurens Burman (1733-’93)33 zijn Flora indica, waarin hij Linnaeus’ ‘ondersoort’ (dat begrip bestond toen nog niet) juist weer opwaardeerde tot de echte soort zoals wij die nu nog kennen: Citrus limon oftewel de (gewone) citroen.34

Overige taxonomische overwegingen en definitieve toeschrijving

Normaliter wordt bij de eerste wetenschappelijke beschrijving van planten of dieren een fysiek exemplaar gebruikt, een zogenaamd holotype, dat zorgvuldig wordt bewaard om verder onderzoek mogelijk te maken. Maar van Hoola van Nootens sarcodactylis bestaat geen type-exemplaar (meer), en men zal dat dan ook tevergeefs zoeken in het beroemde Linnean Herbarium in Londen.35 Walter Swingle moest daarom voor zijn beschrijving genoegen nemen met de afbeelding en bijbehorende tekst uit Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java. Berthes Citrus-plaat is daarmee het zogenaamde iconotype van sarcodactylis geworden. De Duitse arts en botanicus Karl Friedrich von Gärtner (1772-1850) publiceerde in zijn 1805-’07 verschenen Supplementum carpologiae [etc] eveneens een beschrijving en afbeelding van de vingercitroen (‘digitiformes’)36, maar de door hem voorgestelde naam beschouwde zijn collega Swingle slechts als een synoniem van Citrus medica. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat Gärtner de vingercitroen in zijn tekst Sarcodactilis helicteroides noemt, maar op de bijbehorende afbeelding (plaat 185, figuur 1) Sarcodactylis helicterioides, waardoor Swingle had moeten kiezen welke van deze twee spellingvarianten de juiste was. Bovendien beschreef Gärtner zijn vingercitroen (evenals Berthe) als een echte soort, terwijl Swingle hem (zoals hierboven vermeld) slechts als een ondersoort van de cedercitroen beschouwt. Hoola van Nootens sarcodactylis-plaat en bijbehorende tweetalige tekst uit haar Java-boek waren blijkbaar een beter startpunt voor een ondubbelzinnige wetenschappelijke beschrijving. Al deze historische en taxonomische verwikkelingen zijn helder samengebald terug te vinden in de volledige Latijnse naam van Berthes vleesvingerige citroen of ‘Hand van Boeddha’: Citrus medica Linnaeus 1753 var. sarcodactylis (Hoola van Nooten 1863) Swingle 1914.

Onverwacht bezoek uit Engeland

Berthe is niet rijk geworden van de wetenschappelijke relevantie van haar werk. De Engelse botanica en wereldreizigster Marianne North (1830-’90) brengt in 1876 een bezoek aan ‘Madame van Nooten’ in Batavia, en vermeldt in haar in 1893 door haar zuster uitgegeven memoires de schrijnende omstandigheden waarin Berthe verkeert. Marianne North (als penvriendin bewonderd door onder andere Charles Darwin37) maakt een intrigerende opmerking over deze bijzondere ontmoeting: zij zegt namelijk dat Berthe ondanks haar armoede heel enthousiast is en aanstekelijk vertelt over haar botanische werk. Berthe bewaarde in haar huis minstens 14 prachtig ingebonden exemplaren van haar eigen Java-boek,38 waardoor Marianne kon besluiten er ter plekke een te kopen. Dit ondanks de curieuze opmerking van Marianne dat de keuze en kwaliteit van de platen haar tegenvallen, en dat volgens haar de flamboyante Poinciana regia (=Delonix regia, vlamboom of pauwenbloem) per ongeluk ondersteboven is getekend (zie afbeelding), net als overigens zijzelf eerder had gedaan. Deze spectaculaire plant bloeide nog maar kort in ’s Lands Plantentuin: pas in 1848 was hij vanuit Singapore geïmporteerd door de toenmalige hortulanus Johannes Elias Teysmann.39 Omdat het Java-boek te groot is om mee te nemen op haar verdere reizen, laat Marianne North het vooruit sturen naar de bibliotheek van de beroemde plantenkassen in Kew bij Londen (waar zij later haar eigen schilderijengalerij zal stichten). Berthes boek zal echter tijdens een schipbreuk voorgoed verdwijnen in de golven van de Indische oceaan.40

Een vrouwenleven ontsluierd?

Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java oogt anno 2012 nog even spectaculair als bijna 150 jaar geleden en is bij liefhebbers net zo gezocht als in de 19de eeuw,41, 42 maar over het intrigerende en tragische leven van Berthe Hoola van Nooten is nog altijd weinig bekend.43, 44, 45 Binnenkort zullen de schrijvers van dit artikel meer publiceren over Berthes leven en werkzaamheden in Utrecht en Wageningen, het Guyaanse Nickerie, Demerary en Paramaribo, het Noord-Amerikaanse New Orleans, Galveston en Plaquemine en het Indische Selipi, Buitenzorg en Batavia, onder meer op basis van bewaard gebleven persoonlijke correspondentie aan één van haar vrienden in Noord-Amerika. Deze fascinerende 19de-eeuwse Maria Sibylla Merian en eerste officiële beschrijver van de spectaculaire vingercitroen of ‘Hand van Boeddha’ verdient meer aandacht dan zij tot nu toe heeft gekregen.

C’est assez, c’est tout ce que je voulait obtenir, plus que n’osais espérer. (uit het voorwoord van Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java)
David Coppoolse & Marcel van Dorst
Noten:
1: Hoola van Nooten 1863, 2: Miquel, 3: Oudemans, 4: Hupka-Barth, 5: [anon. 1], 6: boekhandelsetiket 1ste livraison, 7: Nissen, 8: Treub 1887, 9: [anon. 2], 10: Freedberg 1997, 11: Swingle 1967, 12: Hupka-Barth, 13: Hoola van Nooten 1993, 14: Swingle 1967, 15: Theophrastus, 16: Webber, 17: Swingle, 18: Webber, 19: Webber, 20: Valmont de Bomare, 21: Freedberg 1997, 22: Ferrari, 23: Freedberg 2002, 24: Wijnands, 25: Munting, 26: Merian 1705, 27: Merian 1982, 28: Davids, 29: Webber, 30: Valmont de Bomare, 31: Swingle 1914a, 32: Linnaei, 33: Stafleu, 34: Burmanni, 35: Swingle 1967, 36: Gärtner, 37: Raby, 38: [anon. 3], 39: Rijnberg, 40: North, 41: Tomasi, 42: Sitwell, 43: Haks & Maris, 44: De Loos-Haaxman, 45: Hoola van Nooten 1993.
Literatuur:
♣ [anon. 1] ‘Binnenland. Residentie-nieuws’ in: DAGBLAD van ZUIDHOLLAND en ’s GRAVENHAGE No. 140. Donderdag 16 Junij 1864.

♣ [anon. 2] ‘Uit de Staatscourant’ in: Algemeen Handelsblad van 3 mei 1899 – Ochtendblad.
♣ [anon. 3] ‘Vendutiebericht’ in: JAVA-BODE. A. 1894 No. 262 Dinsdag 13 November Drie-en-Veertigste Jaargang.
♣ BAILEY, F.M. (ed.): Standard Cyclopedia of Horticulture [6 delen]. New York: The Macmillan Co., 1914-’17.
♣ BURMANNI, Nicolai Laurentii: Flora Indica cui accedit series zoophytorum Indicorum, nec non prodromus florae Capensis. Lugduni Batavorumm, Amstelaedami: Apud Cornelium Haek, 1768.
♣ DAVIDS, Karel: ‘Tussen Smith en Schoonhoven. De verloren wereld van Dirk Hoola van Nooten (1747-1808) in: ENGELEN, BOONSTRA & JANSSENS (red.) : Levenslopen in transformatie. Liber Amicorum bij het afscheid van prof. dr. Paul M.M. Klep. Nijmegen: Valkhof Pers, 2011.
♣ ENGELEN, BOONSTRA & JANSSENS (red.) : Levenslopen in transformatie. Liber Amicorum bij het afscheid van prof. dr. Paul M.M. Klep. Nijmegen: Valkhof Pers, 2011.
♣ FERRARI, Giovanni Battista: Hesperides sive De Malorum Aureorum Cultura et Usu Libri Quattuor. Roma: Hermanni Scheus, 1646.
♣ FREEDBERG, David and Enrico BALDINI: The Paper Museum of Cassiano dal Pozzo. Catalogue Raisonné Series B Natural History part I: Citrus Fruit. London: Harvey Miller Publishers, 1997.
♣ FREEDBERG, David: The Eye of the Lynx. Galileo, His Friends, and the Beginnings of Modern Natural History. Chicago and London: The University of Chicago Press, 2002.
♣ GÄRTNER, Karl Friedrich von: Supplementum carpologiae seu continuati operis Josephi Gaertner de fructibus et seminibus plantarum voluminis tertii centuria prima0. Bibliopolae Lipsiensis [Leipzig]: Sumtibus Carol. Frid. Enoch Richter, 1805-’07.
♣ HAKS, Leo & MARIS, Guus: Lexicon of Foreign Artists who Visualized Indonesia (1600-1950). Utrecht: Gert Jan Bestebreurtje, 1995.
♣ HASKELL, Francis (intr.): The Paper Museum of Cassiano dal Pozzo. (Quaderni Puteani 4) Milano: Olivetti, 1993.
♣ HODGSON, Robert Willard: ‘Horticultural Varieties of Citrus’ in: Reuther, Webber, Batchelor [etc] (eds.): The Citrus Industry. Volume I. History, World Distribution, Botany, and Varieties. [Berkeley, Los Angeles:] University of California, Division of Agricultural Sciences, [1ste editie 1943] 1967.
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Madame Berthe: Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java peints d’après de nature. Ouvrage dédié à sa majesté la reine de Hollande. Bruxelles: Émile Tarlier [volgens Nissen: Muquardt], Éditeur, Montagne de L’Oratoire, 5. 1863 [-’64]. [=1ste editie, met 40 (volgens Nissen 38) ongenummerde, door Guillaume Severeyns gelithografeerde platen, in sommige details met de hand bijgekleurd, uitgegeven in tien ‘livraisons’ (afleveringen) van ieder vier platen, voorafgegaan door één (hierboven genoemde) gezamenlijke titelpagina (uitgegeven na het verschijnen van de 3de aflevering?) en tien afzonderlijke titelpagina’s (aflevering I (januari) t/m VI: 1863, VII t/m X: 1864; verkoopprijs complete set ƒ70,-, voorintekenprijs ƒ60,-.]
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Madame Berthe: Fleurs, Fruits et Feuillages Choisis de la Flore et de la Pomone de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Seconde [volgens voorwoord van G. Severeyns: ‘verbeterde’] édition. Bruxelles: Faubourg de Louvain, Rue de Liekerke 40. Publiée par G. Severeyns, dessinateur & chromolithographe de l’Académie Royale de Belgique, 1866. [met eveneens 40 (volgens Stafleu & Cowan: (‘1880?’) ’39?) bijgewerkte platen; de gehele tekst is opnieuw gelithografeerd, taal- en/of schrijffouten zijn gecorrigeerd en nieuwe onvermijdelijk opnieuw gemaakt, onder de Latijnse worden nu ook de inlandse namen vermeld; het boek wordt door de uitgever op verzoek ‘fraai ingebonden’ geleverd, verkoopprijs (volgens Brinkman’s Cumulatieve Catalogus) ∫80,-.]
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Madame Berthe: Fleurs Fruits et Feuillages Choisis de L’Île de Java peints d’après de nature par Madame Berthe Hoola van Nooten. Bruxelles: Librairie Européene C. Muquardt, même maison à Leipzig, publiée par Merzbach & Falk, Éditeurs, Libraires de la Cour et de S.A.R. Le Comte de Flandre. Troisième [en laatste] Édition. [ongedateerd, voorwoord 1880; volgens Nieuwsblad voor den Boekhandel No. 92 (vrijdag 11 november 1881) ‘vient de paraître’ (zojuist verschenen) in een ‘beperkte’ oplage van 300 gewone exx à 175,- (Belgische) francs en 10 speciale, genummerde exx op ‘Bristol’ à 350,- (Belgische) francs; de gehele tekst en alle 40 platen zijn eveneens opnieuw gelithografeerd, de laatste (in kleur) door Pieter Depannemaeker (ook: De Pannemaeker) uit Ledeberg-lez-Gand (Gent); de drukker is de Brusselse ‘Imprimeur au Roi’ Weissenbruch (zie drukkersvignet hiernaast); de door Nissen veronderstelde 1885-editie is nooit verschenen.]
♣ HOOLA VAN NOOTEN, Berthe: Flowers, Fruit & Foliage of the Tropics. Singapore: Sun Tree Publishing, 1993 (‘privately printed’) (verkleinde facsimile van alle platen en teksten, met inleiding en ingekort origineel voorwoord).
♣ [HUPKA-BARTH, Betsy Marianne (Beppie):] ‘Poging tot necrologie [van Berthe Hoola van Nooten]’. Anoniem, ongedateerd, ongepubliceerd, op website Collectie Tropenmuseum, uit de mond van Hupka-Barth (1908-2004, volgens ‘eigen’ zeggen een kleindochter van Berthe Hoola van Nooten; in februari 1945 (clandestien) getrouwd met de Duitse musicus Felix Hupka, 1896-1966) opgetekend door een anonieme medewerker (die in elk geval in 2012 al overleden was) van het Tropenmuseum, waarschijnlijk in de jaren ’80 van de XXste eeuw (persoonlijke communicatie van toenmalige conservator Koos van Brakel, Tropenmuseum, augustus 2012).
♣ LASZLO, Pierre: Citrus. A History. Chicago and London: The University of Chicago Press, 2007.
♣ LINNAEI, Caroli: Carolus: Species Plantarum [etc]. Holmiae: Impensis Laurentii Salvii, 1753.
♣ LOOS-HAAXMAN, J. DE: Verlaat Rapport Indië. Drie eeuwen westerse schilders, tekenaars, grafici, zilversmeden en kunstnijverheid in Nederlands-Indië. ‘s-Gravenhage: Mouton & Co Uitgevers, 1968.
♣ MCBURNEY, Henrietta: Cassiano Dal Pozzo’s Paper Museum. Drawings from the Royal Collection.Edinburgh: National Galleries of Scotland, 1997.
♣ MERIAN, Maria Sibylla: Metamorphosis Insectorum Surinamensis ofte Verandering der Surinaamsche Insecten [etc]. Amsterdam, ‘Voor den Auteur [etc.]  als ook voor Gerard Valck [etc]’, 1705.
♣ MERIAN, Maria Sibylla: Metamorphosis Insectorum Surinamensis [etc.].  Kommentar zur Faksimile-Ausgabe [etc., tweetalig, Duits/Engels] Elisabeth Rücker & William T. Stearn, based on original watercolours in the Royal Library, Windsor Castle. London: Pion Press, 1982 (plaatdeel en tekstdeel, laatste gebaseerd op de Latijnse 1705-uitgave).
♣ MIQUEL, F.A.W.: ‘Fleurs, Fruits et Feuillages choisis de la Flore et Pomone de l’Île de Java’, peints d’après nature pas Madame Berthe Hoola van Nooten. Bruxelles, 1863-1864, 1-4 livraison [4 platen per ‘livraison’, dus tot dan toe 16 in totaal]. Gr. folio.’ Recensie in: De Gids. Jaargang 28, 1864 (artikel VII).
♣ MUNTING, Abraham: Naauwkeurige Beschryving der Aardgewassen, Waar in de veelerley Aart en bijzondere Eigenschappen der Boomen, Heesters, Kruyden, Bloemen, Met haare Vrugten, Zaden, Wortelen en Bollen [etc.]. Leyden: Pieter vander Aa & Utrecht: François Halma, 1696.
NIEUWSBLAD VOOR DEN BOEKHANDEL No. 92. Acht-en-Veertigste Jaargang. Vrijdag 11 November 1881 [betreft derde druk Fleurs, Fruits et Feuillages].
♣ NISSEN, Claus: Die Botanische Buchillustration: Ihre Geschichte und Bibliographie. Stuttgart: Hiersemann Verlags Gesellschaft m.b.H., 1951.
♣ NORTH, Marianne: Recollections of a Happy Life. London: MacMillan, 1893 (2 delen).
♣ OUDEMANS, Prof. Dr. C.A.J.A.: ‘Kostelijke gave van edele vrouwenhand ‘, in: De Tijdspiegel. Arnhem: D.A. Thieme, 1866.
♣ RABY, Peter: Bright Paradise. Victorian Scientific Travellers. London: Chatto & Windus, 1996.
♣ REUTHER, Walter, Herbert John WEBBER, Leon Dexter BATCHELOR [etc] (eds.): The Citrus Industry. Volume I. History, World Distribution, Botany, and Varieties. [Berkeley, Los Angeles]: University of California, Division of Agricultural Sciences, [1ste editie: 1943] 1967.
RIJNBERG, Theo F.: ’s Lands Plantentuin, Buitenzorg 1817-1992. Kebun Raya Indonesia Bogor. [Enschede]: Johanna Oskamp, 1992.
SARGENT, C. [ed]: Plantae Wilsonianae: An Enumeration of the woody plants collected in western China for the Arnold Arboretum of Harvard University during the years 1907-1910 by E. Wilson. Cambridge: The Arnold Arboretum, 1913 [-’17] (3 delen).
♣ SCHMIDT-LOSKE, Katharina: Die Tierwelt der Maria Sibylla Merian (1647-1717). Arten, Beschreibungen und Illustrationen. Marburg-Lahn: Basilisken-Presse, 2007.
♣ SIRKS, M.J.: Indisch Natuuronderzoek. Amsterdam: Amsterdamsche Boek- en Steendrukkerij v/h. Ellerman, Harms & Co., 1915.
♣ SITWELL, Sacheverell and Wilfrid BLUNT: Great Flower Books 1700-1900. A Bibliographical Record of Two Centuries of Finely-Illustrated Flower Books. (2de editie) New York: Atlantic Monthly Press, 1990.
♣ STAFLEU, Frans A.: Linnaeus and the Linnaeans. The Spreading of their ideas in systematic botany, 1735-1789. Utrecht: A. Oosthoek’s Uitgeversmaatschappij N.V., 1971.
♣ STAFLEU, Frans A., Richard S. COWAN: Taxonomic Literature. A Selective Guide to Botanical Publications and Collections with Dates, Commentaries and Types. (6 delen) Utrecht: Bohn, Scheltema & Van Holkema, 1976-’88.
♣ SWINGLE, Walter T. (a): ‘Rutaceae – Citrus 141. Citrus L. ‘ in: Sargent, C. [ed.]: Plantae Wilsonianae: An Enumeration of the woody plants collected in western China for the Arnold Arboretum of Harvard University during the years 1907-1910 by E. Wilson. Cambridge: The Arnold Arboretum, 1913 [-’17; Citrus in deel II, 1914].
♣ SWINGLE, Walter T. (b): ‘Citrus and related genera’ in: Bailey, F.M.: Standard Cyclopedia of Horticulture [deel II]. New York: The Macmillan Co., 1914-’17 (6 delen) (= deel I in 3-delige heruitgave uit 1928).
♣ SWINGLE, Walter T. and (rev.) Philip C. REESE: ‘The Botany of Citrus and Its Wild Relatives’ in: Reuther, Webber, Batchelor (etc) (eds.): The Citrus Industry. Volume I. History, World Distribution, Botany, and Varieties. [Berkeley, Los Angeles:] University of California, Division of Agricultural Sciences, [1ste editie 1943] 1967.
♣ TENSCHERT, Heribert: Botanik & Zoologie. Illustrierte Bücher und farbige Tafelwerke von 1485 bis 1885. Katalog XXXIX & XXXV. Antiquariat Bibermühle: Heribert Tenschert, 1995-’96.
♣ THEOPHRASTUS: Enquiry into Plants. New York:  Loeb Classical Library, 1999 (2 delen).
♣ TONGIORGI TOMASI, Lucia: An Oak Spring Flora: Flower Illustration from the Fifteenth Century to the Present Time: A Selection of the Rare Books, Manuscripts, and Works of Art in the Collection of Rachel Lambert Mellon. Upperville & New Haven, Conn.: Oak Spring Garden Library, 1997.
♣ TREUB, M. (& W. BURCK en F. WESTERMAN): Catalogus der Bibliotheek van ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg. Batavia: Landsdrukkerij, 1887.
♣ TREUB, M. [Vorwort]:  Der Botanische Garten “’s Lands Plantentuin” zu Buitenzorg auf Java. Festschrift zur Feier seines 75Jährigen Bestehens (1817-1892 [sic: geboorte- en sterfjaar van Berthe Hoola van Nooten]). Leipzig: Verlag von Wilhelm Engelmann, 1893 [bij W. Burcks beschrijving van de tuin en haar planten wordt de vingercitroen Citrus grandis var. Sarcodactylis genoemd].
♣ VALMONT DE BOMARE, M.: Dictionnaire Raisonné Universelle D’Histoire Naturelle [etc]. Nouvelle Edition, Revue et Augmentée [6 delen]. Paris: Lacombe, 1767.
♣ WEBBER, Herbert John: ‘History and Development of the Citrus Industry’ in: Reuther, Walter, Webber, Batchelor [etc] (eds.): The Citrus Industry. Volume I. History, World Distribution, Botany, and Varieties. [Berkeley, Los Angeles:] University of California, Division of Agricultural Sciences, [1ste editie 1943] 1967.                                          ♣ WEINMANN, Johann: Phytantoza Iconographia [Regensburg 1734-’45]                   ♣ WIJNANDS, D.O.: The Botany of the Commelins. A taxonomical, nomenclatural and historical account of the plants depicted in the Moninckx Atlas and in the four books by Jan and Caspar Commelin on the plants in the Hortus Medicus Amstelodamensis 1682-1710. Rotterdam: Balkema, 1983.                                   ♣ WIT, prof. Dr. H.C.D. DE en Prof. Dr. K.B. BOEDIJN: De wereld der planten in kleuren. Hogere planten deel II. Den Haag: Gaade, 1965.
(met dank aan Marcel van Dorst, Alessandro Di Meo en Bernadette Weusten)
Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Het Seksuele Systeem: Erasmus Darwin vertaalt Carolus Linnaeus

Je bent ontstaan uit een schuimende droppel van verfoeilijke wellust. (Carl von Linné: Nemesis Divina)

Erasmus Darwin (1731-1802) is lange tijd niet alleen beroemder maar ook veel beruchter geweest dan zijn kleinzoon Charles Robert.De Wit Hij had namelijk als welvarende en goed doorvoede plattelandsdokter het plan opgevat om het baanbrekende maar helaas gortdroge werk van de Zweedse plantensystematicus Carolus Linnaeus (1707-1778) voor het grote publiek om te zetten in poëzie die losjes, onbeschaamd en erotisch was. Linnaeus’ plantensysteem was gebaseerd op de veronderstelde seksuele kenmerken van planten, zoals (in eerste instantie) mannelijke en (in, vanzelfsprekend, tweede instantie) vrouwelijke voortplantingsorganen. Veel tijdgenoten en collega’s waren geschokt: niet omdat dat deze botanische systematiek onverbloemd seksistisch was, maar vanwege het feit dat die überhaupt seksueel was.Fara, Shteir Zij konden zichzelf echter troosten: Linnaeus schreef zijn werk in het Latijn, en onschuldige kinderen en ‘gevoelige’ vrouwen konden dat toch niet lezen. De ook in zijn tijd al ouderwets-christelijke Linnaeus deed dat met opzet. Hij verbood bijvoorbeeld zijn dochters om de Franse taal te leren, omdat zij daardoor toch maar van het veel noodzakelijker huishoudelijke werk afgeleid zouden worden.Fara Erasmus Darwin nam daar echter geen genoegen mee: hij bewonderde Linnaeus zeer, maar was een radicale vrijdenker en groot voorvechter van gelijke rechten voor vrouwen en mannen.Smith Hij was als trotse vader van twee buitenechtelijke (of, zoals dat zo onthullend heet, ‘natuurlijke’) dochters vastbesloten om het verondersteld zwakke geslacht op een eerlijke en volwassen manier in te lichten over de opwindende seksuele geheimen van de natuur.Browne Zijn lezers bleken geschokt, verrukt en talrijk te zijn.Uglow

Erasmus Darwin gaat in eerste instantie serieus aan de slag. Hij is in de laatste jaren van de 18de eeuw lid van de Botanical Society te Lichfield.Uglow Dit gezelschap van natuurliefhebbers was wel heel select, het bestond namelijk uit slechts twee andere leden: de dichter (later Sir) Brooke Boothby en de dominee William Jackson. Uit bewondering voor de enkele jaren daarvoor overleden Linnaeus besluiten de drie enthousiaste amateurs om één van de belangrijkste Latijnse werken van de Zweedse meester op een wetenschappelijke manier te vertalen naar het Engels. Het gaat om het botanische gedeelte (Systema vegetabilium) van Linnaeus’ baanbrekende Systema Naturae. De eerste druk van laatstgenoemd werk verscheen in Leiden 1735, maar Darwin baseert zijn vertaling op de 13de en laatste editie (Göttingen/Gotha, 1774) die was bezorgd door de Duitse Linnaeus-leerling van Schots-Zweedse afkomst Johann Andreas Murray.Soulsby 573 De 11 platen zijn afkomstig uit Linnaeus’ Philosophia Botanica (1751). Stafleu De tekst werd aangevuld met Supplementum Plantarum (1782) van Carl Linnaeus junior, die tegen de zin van veel collega’s zijn vader was opgevolgd als professor in de botanie aan de universiteit van Uppsala. De revolutionair Benjamin Franklin (een van Darwins meest briljante vrienden) bezat een uniek exemplaar van deze laatste editie, met handingekleurde gravures.Soulsby 573 Alhoewel de eerste Linneaanse flora van Engeland al in 1754 in Zweden verscheen (Flora Anglica, geschreven door Linnaeus maar als dissertatie gepubliceerd door zijn leerling Isaac Olaf Grufberg Stearn) is de vertaling van Darwin uit 1783 heel belangrijk. Hierin worden namelijk minstens 50 Engelse plantennamen die nu nog steeds gangbaar zijn voor het eerst gebruikt.Smith Tientallen wetenschappers en vrienden worden door de enthousiaste Darwin aangeschreven en verzocht om botanische informatie te geven.Uglow Zijn belangrijkste informanten zijn Samuel Johnson (van Encyclopaedia Brittannica-faam, geboren in Lichfield) en Joseph Banks, de voorzitter van de Royal Society, die tien jaar eerder de belangrijkste medereiziger was geweest op de eerste wereldreis van James Cook.Carter Sir Joseph stelt zijn rijke herbarium en enorme botanische bibliotheek aan het Londense Soho Square ter beschikking aan Darwin, die uit dankbaarheid zijn (anoniem verschenen) vertaling aan hem opdraagt.Uglow De 897 bladzijden van A System of Vegetables bevatten maar liefst 1444 nieuwe Engelse (en Schotse) plantennamen. Van de uitgave bestaat een exemplaar in vier delen met op de titelpagina het jaartal 1782, maar dat is waarschijnlijk een zogenaamde proefdruk en dus uniek.Soulsby 580 De eerste echte editie verschijnt in twee (door de koper zelf in te binden) delen in 1783.Soulsby 580a Erasmus Darwin houdt zich in de jaren daarna steeds enthousiaster bezig met het verspreiden van Linnaeus’ botanische gedachtegoed en seksuele systematiek..King-Hele

Hij begint steeds uitgebreidere, vrijmoediger en weelderiger geschreven poëemen te publiceren, zoals The Loves of Plants (1789), The Botanic Garden (1791), Zoönomia (1794), Phytologia (1800) en The Temple of Nature (1803), alle met opvallend sterke seksuele en evolutionaire tendensen.Ritterbush Het grote publiek smult ervan. Erasmus Darwin blijkt voor de duivel niet bang en gaat een gevaarlijk stapje verder. Hij is er ook van overtuigd dat de aarde niet slechts enkele duizenden jaren oud is (zoals de bijbel ons verzekert) en zelfs niet miljoenen, maar misschien wel honderden miljoenen. Deze onverschrokken nieuwsgierigheid naar de geheimen van de natuur geeft Erasmus door aan zijn even goed doorvoede (tegenwoordig zou men zeggen morbide obese) zoon Robert Darwin (1766-1848), wiens zoon Charles Darwin op zijn beurt in 1859 alle voorgangers sinds Aristoteles zal overvleugelen met het belangrijkste natuurhistorische boek dat ooit is verschenen: On the Origin of Species. Hierin poogt Charles op een moderne en materialistische (lees: niet-religieuze) manier het geheim der geheimen te verklaren, namelijk de oorsprong der soorten. Voor het eerst wordt een alomvattende wetenschappelijke verklaring gegeven voor de stortvloed aan losse biologische feiten die sinds de Oudheid waren verzameld. En alhoewel Charles Darwin pas langzamerhand de revolutionaire speculaties van Erasmus serieus zal nemen, moet hij in zijn autobiografie bekennen dat hij nooit zijn eigen evolutionaire ideeën in alle gemoedsrust had kunnen uitwerken, als hij niet van huis uit met de onbevangen vrijzinnigheid van zijn levenslustige grootvader vertrouwd was geweest.Barber, Darwin, Eiseley

Alle botanische afbeeldingen in dit artikel betreffen Linnaea borealis, de ‘Linnaeus van het Noorden’, oftewel het Linnaeusklokje. Johan Gronovius, de Nederlandse vriend en beschermheer van Linnaeus, heeft deze naam geklonken. Linnaeus beschouwde dit als een grote eer: hij vond zichzelf net zo bescheiden en onbeduidend (sic) als dit laaggroeiende plantje.Blunt De altijd met planten experimenterende Linnaeus probeerde hiervan thee te zetten, maar volgens zijn zoon Carl was deze niet te drinken.Fara
Met dank aan Alessandro Di Meo, Marcel van Dorst en Bernadette Weusten
literatuur
♣ BARBER, Lynn: The Heyday of Natural History. 1820-1870. Garden City, New York: Doubleday, 1980.
♣ BLUNT, Wilfrid: The Complete Naturalist. A Life of Linnaeus [1971]. London: Francis Lincoln, 2001 (intr. William S. Stearn).
♣ BROWNE, Janet: Charles Darwin. Voyaging. Volume I of a Biography. New York: Alfred A. Knopf, 1995.
♣ CARTER, Harold B.: Sir Joseph Banks 1743-1820. London: British Museum (Natural History), 1988.
♣ DARWIN, Charles: The Life of Erasmus Darwin. First unabridged edition. Edited by Desmond King-Hele. Cambridge: University Press, 2003.
♣ EISELEY, Loren: Darwin’s Century. Evolution and the Men Who Discovered It. Garden City, New York: Doubleday Anchor Books, 1958.
♣ FARA, Patricia: Sex, Botany & Empire. The Story of Carl Linnaeus and Joseph Banks. New York: Columbia University Press, 2003.
♣ FRÄNGSMYR, Tore (ed.): Linnaeus. The Man and His Work. Berkeley & Los Angeles: University of California Press 1983.
♣ GEORGE, Sam: ”Not strictly Proper for a Female Pen’: Eighteenth-Century Poetry and the Sexuality of Botany’ [proof], in: Comparative Critical Studies 2,2, pp. 67-91 (BCLA 2005).
♣ KING-HELE, Desmond: Erasmus Darwin 1731-1802. London: Macmillan & Co LTD, 1963.
♣ KOERNER, Lisbet: Linnaeus. Nature and Nation. Cambridge, Massachusetts, and London, England: Harvard University Press, 1999.
♣ LINNÉ, Carl von: Nemesis Divina. Bezorgd en vertaald door Trudi de Vlaming-van Santen en Michael John Petry, inleiding J.M.M. de Valk. Kampen: Kok Agora, 1996.
♣ LINN[A]EUS [senior & junior]: A System of Vegetables According to their Classes Orders Genera Species [etc., 2 delen, vertaald door Erasmus Darwin]. Lichfield: John Jackson for Leigh and Sotheby, London, Covent Garden, 1783.
♣ NELSON, E.C. & D.M. Porter (eds): Darwin in the Archives. Edinburgh: The Society for the History of Natural History, 2009.
♣ RITTERBUSH, Philip C.: Overtures to Biology. The Speculations of Eighteenth-Century Naturalists. New Haven & London: Yale University Press, 1964.
♣ SEWARD, Anne: Memoirs of the Life of Dr Darwin: Chiefly During his Residence at Lichfield, With Anecdotes of His Friends and Criticisms on His Writings by Anna Seward. London: J. Johnson, 1804.
♣ SMITH, C.U.M. and Robert ARNOTT (ed.): The Genius of Erasmus Darwin. Aldershot: Ashgate, 2005.
♣ SOUSLBY, B.H.: A Catalogue of the Works of Linnaeus [etc], second edition. London: The Trustees of the British Museum, 1933.
♣ SHTEIR, Ann. B.: Cultivating Women, Cultivating Science. Flora’s Daughters and Botany in England 1760 to 1860. Baltimore and London: The Johns Hopkins University Press, 1996.
♣ STAFLEU, Frans A.: Linnaeus and the Linnaeans. The Spreading of Their Ideas in Systematic Botany, 1735-1789. Utrecht: Oosthoek’s Uitgeversmaatschappij N.V., 1971.
♣ STEARN, William T. (ed.): John Ray Synopsis Methodica Stirpium Brittanicum Editio Tertia 1724 / Carl Linnaeus Flora Anglica 1754 & 1759. London: The Ray Society, 1973.
♣ UGLOW, Jenny: The Lunar Men. Five Friends Whose Curiosity Changed the World. New York: Farrar, Straus and Giroux, 2002.
♣ WIT, H.C.D. de: Ontwikkelingsgeschiedenis van de biologie. Deel 2B. Wageningen: Pudoc, 1989.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , | 1 reactie

De wonderbaarlijke klipdas: hoe Spanje aan haar naam en de bijbel aan zijn konijnen kwam

Loof den Heer, mijn ziel. Here, mijn God, Gij zijt zeer groot, Gij hebt u met majesteit en luister bekleed. […] De bomen des Heren worden verzadigd, de cederen van den Libanon, die Hij heeft geplaatst, waar de vogels nestelen. Des ooievaars huis zijn de cypressen, de hoge bergen zijn voor de steenbokken, de rotsen een schuilplaats voor de hazen en konijnen. (Psalmen 104:16-18)

Deze beroemde, drieduizend jaar oude verzen worden toegeschreven aan Koning David. Hij bezingt daarin de glorie van God, aan de hand van Zijn heerlijke schepselen. Toch moeten Koning David en God hier iets over het hoofd hebben gezien, want er leefden helemaal geen hazen of konijnen in het Oudtestamentische Israël. Hoe zijn deze huppelende langoren (Latijnse naam Lagomorpha, geen familie van de knaagdieren) dan toch in de bijbelse Psalmen terechtgekomen? De geschiedenis van Koning Davids ‘konijnen’, al eeuwenlang symbool van vruchtbaarheid en tomeloze wellust, belooft fascinerend en leerzaam te zijn.

Rond duizend jaar vòòr de geboorte van Koning Davids beroemdste nazaat Jezus van Nazareth kwam in het gebied dat wij tegenwoordig Palestina, Libanon en Syrië noemen, een merkwaardig dier voor. Het leek een kruising tussen een forse marmot en een stevig konijn, met in de bek twee opvallende, vooruitstekende slagtandjes. Omdat dit dier de eigen lichaamstemperatuur slecht kan regelen warmt het zich op in de ochtendzon, terwijl het zich in de hitte van de dag juist verborgen houdt in koele rotsspleten. Door zijn merkwaardige gebit en anatomie dacht men lange tijd dat het familie was van de neushoorn, maar inmiddels weet men zeker dat de zeekoe en de reusachtige olifant zijn meest nabije verwanten  zijn, hoe onwaarschijnlijk dit op het eerste gezicht ook is. Zelfs Koning Davids huidige geloofsgenoten (los van de meest verstokt orthodoxen) ‘geloven’ inmiddels in deze evolutionair onmiskenbare verwantschap. Tegenwoordig noemt men deze merkwaardige rotsbewoner ‘rotsspringer’ of ‘klipdas’, naar het Afrikaanse ‘rots’- of ‘klipdassie’. Hij komt in vier soorten voor van het Midden-Oosten tot in zuidelijk Afrika. De officiële naam van zijn familie is Procaviidae (‘voor-cavia’), en van de bijbehorende orde Hyracoidea (‘reuzenspitsmuizen’), afgeleid van het Griekse hurax. De naam van het geslacht, Hyrax, is in 1869 gemunt door Thomas Henry Huxley, de grote vriend en medestander van Charles Darwin. Andere Afrikaanse volksnamen zijn ‘slaper’ en ‘beermuis’. De klipdas werd vroeger in het Nederlands ook wel ‘bastaard mormeldier’ (‘namaak-marmot’) genoemd, de Engelsen noemen hem tegenwoordig ‘hyrax’, de Duitsers ‘Schliefer’ (‘slaper’), de Fransen ‘le daman d’Israël(naar het oud-Romeinse ‘gamman’), de oude Abessijnen  (tegenwoordig de Amhara, Ethiopië) ‘ashkoko’ (de ‘langharige’) en de Syrische Arabieren (tenminste, volgens de 19de-eeuwse Engelse zoöloog Robert Shaw) ‘ghannem beni Israel’ (‘het lam van de kinderen van Israel’). Al deze verschillende, eeuwenoude en soms exotisch klinkende volksnamen maken duidelijk hoe bijzonder dit holbewonende neefje van de olifant in feite is.

De klipdas en de Psalmen hebben beide te maken met één van de mogelijke etymologieën van het woord ‘Spanje’. De Phoeniciërs (die in dezelfde streken leefden als Koning David) noemden de klipdas shaphan: dat is oud-Hebreeuws voor ‘de-in-het-verborgen-levende’. Het was hun namelijk ook al opgevallen dat het dier zich overdag schuilhield in koele rotsspleten. Toen de avontuurlijke Phoeniciërs al zeilend de overkant van de Middellandse Zee bereikten en het land ontdekten dat wij tegenwoordig het Iberisch schiereiland noemen, zagen zij daar een merkwaardig dier rondhuppelen, dat nergens anders ter wereld voorkwam: het konijn (een woord dat toen nog niet bestond). Dat ‘konijn’ deed hen deden denken aan hun eigen shaphan, en zij noemden het nieuw ontdekte land dan ook I-shaphan: ‘het-land-van-de-in-het-verborgen-levende’, dat wil dus zeggen ‘het land van de klipdas’. Lang nadat de Phoenicische cultuur ten onder was gegaan kwamen rond de tijd van de geboorte van Jezus van Nazareth de eveneens reislustige Romeinen aan op het Iberische schiereiland. Zij namen (waarschijnlijk via de Carthagenen) de Phoenicische naam voor het gebied over: Ishaphan. Dat woord werd verbasterd tot Hispania en werd later verkort tot Espagna, Spain of Spanje. Deze namen zijn inmiddels in vele varianten over de gehele wereld verspreid geraakt.

Maar hoe is het Europese woord ‘konijn’ dan in de Bijbel terechtgekomen? We moeten daarvoor weer anderhalf millennium in de geschiedenis terugreizen, dus vooruit, naar het jaar 1500. Het Europese christendom dreigde door de Reformatie in tweeën te scheuren. Toen Maarten Luther in Wittenberg aan zijn baanbrekende bijbelvertaling werkte, kwam hij in oude teksten het Phoenicisch-Hebreeuwse woord shaphan tegen, zonder te weten welk dier daarmee bedoeld werd. Hij had waarschijnlijk nog nooit van een klipdas gehoord, laat staan er een met eigen ogen gezien. Was het wellicht de Franse daman, de gewone hamster of misschien de toen zojuist ontdekte exotische cavia? Uiteindelijk koos Maarten Luther voor een naam waarvan hij dacht dat zijn eenvoudige publiek die wel zou begrijpen: ‘konijn’. Dat is de naam van hetzelfde inheemse dier dat de Phoeniciërs waren tegengekomen op het Iberische schiereiland. Ooit ontstaan in het oude Baskenland, is het woord ‘untxi’ waarschijnlijk via het Latijnse ‘cuniculus’ en het oud-Frans ‘conin’ als ‘kaninchen’ en ‘konijn’ in de Noord-Europese talen terechtgekomen, om via Maarten Luther uiteindelijk met terugwerkende kracht in de Psalmen van Koning David verzeild te raken.

Eeuwenlang hebben er dus abusievelijk ‘konijnen’ rondgehuppeld in de bijbel. Tegenwoordig helpen christenen God een handje: in de nieuwere bijbelvertalingen zijn alle ‘konijnen’ verdwenen en klauteren er weer klipdassen rond in de koelere spleten van de Heilige Schrift. Overigens kan men in Israël naast klipdassen tegenwoordig ook èchte konijnen tegenkomen: de oude Romeinen hadden deze namelijk geïmporteerd vanuit hun Spaanse koloniën. Samengevat, door bijna onnavolgbare evolutionaire en linguïstische wendingen van de geschiedenis is dus de Phoenicische rotsspringer of klipdas uit het oude Palestina, de shaphan oftewel ‘de-in-het-verborgen-levende’, het onwaarschijnlijke neefje van de neushoorn, de olifant en de zeekoe, via de Griekse reuzenspitsmuis, het Spaanse konijn en Maarten Luthers beruchte vertaalfout, in de beroemde Psalmen van de Oudtestamentische Koning David terechtgekomen, om daar uiteindelijk (als het spreekwoordelijke konijn uit de hoge hoed) ook weer op wonderbaarlijke manier uit te verdwijnen.


Literatuur
♣ (anon.) The Pictorial Museum of Animated Nature. London, Charles Knight (2 delen, 1860’s)
♣ ANTHON, Charles: A System of Ancient and Mediaeval Geography. New York: Harper & Brothers, 1850.
♣ GOTCH, A.F.: Latin Names Explained. A Guide to the Scientific Classification of Reptiles, Birds & Mammals. London: Blanford Press, 1995
♣ GRZIMEK, Bernhard: Het leven der dieren, deel XII Zoogdieren 3. Utrecht/Antwerpen: Uitgeverij Het Spectrum, 1973.
♣ GERVAIS, M. Paul: Histoire naturelle des mammifères 2. Paris: L. Curmer, 1855.
♣ HAHN, Herbert: Von Baum-, Busch- und Klippschliefern. Wittenberg Lutherstadt: A. Ziemsen Verlag, 1959 (Zum Ehren Charles Darwins, anläßlich der 100jährigen Wiederkehr des Erstveröffentlichungstages seiner Arbeit “Die Entsthehung der Arten”).
♣ MACDONALD, David (ed.): The Encyclopaedia of Mammals: 2. London: Guild Publishing, 1984.
♣ SCHOUTEN VAN DER VELDEN, Adriaan: Dieren uit de Bijbel. Een inventarisatie en beschrijving. Nijkerk: Callenbach, 1992.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Shunga: Japanse porno, christenen en lentekriebels

Seks in de tempel, het bad, de tuin, of in de kinderkamer, seks met honden, ezels, apen, koeien, olifanten, octopussen of stekelroggen, seks met priesters, shoguns en samoerai, poep-, plas- of okselseks, seks met opa’s, oma’s, kleinkinderen, goedkope geisha’s of dure lustjongetjes, seks met kunstvagina’s of dubbele kunstpenissen, softe vanilleseks met vaginale plezierballetjes of brute gangbangseks, achterstevoren- of onderstebovenseks: niets menselijks was de gewone Japanner in de Edo-periode (1602-1868) vreemd.

Japan is geen christelijk land. Slechts één procent van de bevolking hangt deze geïmporteerde, zogenaamd monotheïstische religie aan. Dat heeft het keizerrijk te danken aan de beruchte shoguns (‘generaals’), die het land eeuwenlang in een ijzeren greep hielden. Deze vaak atheïstische alleenheersers gooiden vanaf het begin van de 17de eeuw alle Europese missionarissen systematisch het land uit, of hingen hen ondersteboven in mestputten totdat zij gestikt waren in hun eigen uitbraaksels. Toen christenen ondanks die gruwelen toch naar Japan bleven komen, werden zij met honderden tegelijk vermoord. Alhoewel dit in het begin juist nog meer enthousiaste martelaars aantrok, bleek de strategie van de meedogenloze shoguns uiteindelijk effectief. Rond het midden van de zeventiende eeuw was er (officieel) geen enkele christen meer in het hele Japanse keizerrijk te vinden. De Hollanders ontkenden wijselijk van hetzelfde geloof te zijn als dat van hun zakelijke concurrenten, de katholieke Portugezen en Spanjaarden. De winsten die uit het exotische eilandenrijk werden gehaald waren namelijk zo exorbitant dat al te openlijk evangeliseren bijzonder nadelig voor de negotie zou zijn. Juist vanwege die opstelling hadden zij als enige Europeanen toestemming om Japan binnen te komen. De door de wol geverfde shoguns geloofden overigens niets van wat de Hollanders hun probeerden wijs te maken over het christelijk geloof. Zij dwongen hen alle verderfelijke bijbels aan boord te houden, in een verzegelde kist, zodat geen enkele Japanner met de in hun ogen agressieve namaak-religie besmet zou kunnen worden. De Hollanders (in Japanse ogen slechts ongewassen, stinkende ‘roodharige barbaren’) werden om die manier van zakendoen overal in Europa beschimpt. Men vond dat de hypocriete protestanten zichzelf in het bijzonder en het christendom in het algemeen vernederden door religieuze principes te verkwanselen voor ordinaire pecunia. De vrijzinnige Japanners waren juist weer geschokt door de preutsheid van de ook toen al homofobe christenen. Als het ooit gelukt zou zijn om heel Japan te kerstenen was het land waarschijnlijk de Filipijnen achterna gegaan. De inheemse cultuur van dat nabijgelegen eilandenrijk is voorgoed vernietigd door katholieke zeloten die evenveel vuurwapens hadden als de inheemse bevolking weinig. In het machtige Japan beschikten juist de shoguns over meer geweren (ook al hadden zij die ooit juist weten te verkrijgen van de Europeanen), en kon een originele, door christenen verafschuwde pornografie tot grote bloei komen. Dankzij de lange en rijke eigen geschiedenis, de relatief afgesloten cultuur in de Edo-periode, de verwende burgerij van de grote steden en de vele geniale kunstenaars die zich niet te goed voelden om seksualiteit onverbloemd uit te beelden ontstond de typisch Japanse erotische of pornografische prentkunst die shunga (‘voorjaarsbeelden’ of ‘lentekriebels’) wordt genoemd.

Seks is voor christenen altijd een glibberig terrein geweest, zowel op het heteroseksuele, homoseksuele als pedoseksuele vlak. Dit komt waarschijnlijk omdat seks als primaire, Darwinistische natuurkracht haaks staat op alle zogenaamd goddelijke aanspraken op alleenheerschappij. Japanners aanbaden meerdere (natuur)goden tegelijkertijd, en deden onder andere daarom misschien minder moeilijk over hun zogenoemd hogere of lagere lusten (een hiërarchisch onderscheid dat sowieso meer in de hoofden van christenen dan in de vrije natuur voorkomt). Alles was mogelijk, alles werd gepraktiseerd. Er zijn Japanse keizers geweest die zo gehecht waren aan het vorstelijke stoeien met hun lustjongetjes, dat zij door hun eigen hofdignitarissen gedwongen moesten worden om te trouwen, met een vrouw. Overigens lieten veel christelijke Hollanders zich op het eilandje Dejima bij Nagasaki regelmatig verwennen door (te dure) Japanse prostituees, die zij tussendoor ook nog eens liefdevol misbruikten om kostbare goederen naar hun eigen pakhuizen te smokkelen. Japanners gaven zich vanzelfsprekend ook over aan allerlei seksuele uitspattingen, maar deden dat blijkbaar schaamtelozer, onbevangener, met meer plezier en minder schuldgevoel.

Rond 1800 bereikte de kunst van de shunga een hoogtepunt in de prachtige prenten van Utamaro Kitagawa (ca 1753-1806). Deze hartstochtelijke liefhebber van mooie vrouwen in de hoerenwijk Yoshiwara in Edo (het huidige Tokyo) stuwde de kunst van de erotische houtgravure tot grote artistieke hoogte op. Het woord shunga wordt ook wel vertaald als ‘kussenplaatjes’ of ‘lachbeelden’, waarbij het Japanse woord voor ‘lachen’ ook als ‘masturberen’ opgevat kan worden. Alle seksuele anatomie op de prenten van Utamaro is tot buitengewone proporties opgeblazen, wat de Japanse shunga onderscheidt van de veel realistischer, en daardoor huiselijker ogende Chinese erotische prentkunst. De 19de-eeuwse Franse japanofiel Edmond de Goncourt schreef in zijn beroemde dagboeken zelfs dat Utamaro als ‘de Michelangelo van de penis’ beschouwd kon worden. Deze even gewaagde als originele opmerking zal iedereen die Utamaro’s schitterende shunga heeft gezien onmiddellijk willen beamen. De enige die wat brute erotische artisticiteit betreft in zijn buurt komt is de 85-jarige Pablo Picasso, die bijna twee eeuwen later zijn meest vrijgevochten, spectaculaire en pornografische olieverfschilderijen produceert. Maar deze grootste kunstenaar van de 20ste eeuw was dan ook een hartstochtelijk bewonderaar van zijn Japanse voorganger.

Eén van de vele andere originele Japanse kunstuitingen is de netsuke of gordelknoop, bij een groter publiek bekend geworden door de historische roman van Edmund de Waal: The Hare With Amber Eyes (vertaald als De haas met de amberkleurige ogen). In dit boek wordt het fascinerende verhaal verteld van een kostbare netsuke-verzameling in de familie van de schrijver. Japanners zouden niet zo’n bijzonder volk zijn, als zij vervolgens niet op het vruchtbare idee van de shunga-netsuke waren gekomen: een gordelknoop bestaande uit pornografische figuren. Hiernaast afgebeeld ziet u een voorbeeld van deze verrukkelijke miniatuurkunst. Deze bestaat uit twee delen: een vrolijk kijkende, onmiskenbaar opgewonden man en een gelukzalig glimlachende, gretig afwachtende maar geheel niet slaafse vrouw, samen op de meest natuurlijke manier in- en uitschuifbaar. Vaak werden netsukes uit ivoor vervaardigd, maar deze gesigneerde, dubbele shunga-netsuke is van sensueel, bijna geil glanzend beukenhout. Na de Meiji-restauratie in 1868 mochten christenen voor het eerst in tweeënhalve eeuw Japan weer officieel binnenkomen. Eén van de eerste dingen die deze (in helaas dit ene opzicht onbeschaamde) zeloten hun al te beleefde gastheren (vaak succesvol) probeerden te verbieden was de ongegeneerde seksuele cultuur die zij overal in hun gastland meenden te moeten ontwaren. Het eeuwenoude gemengd-baden werd bijvoorbeeld waar mogelijk zo snel mogelijk afgeschaft. Maar de hier afgebeelde, fijnzinnige dubbele shunga-netsuke is aan die hypocriete christelijke kaalslag glansrijk ontsnapt. Hij is een bescheiden ode aan de grootse, kunstzinnige, geëmancipeerde en onbeschaamde erotiek van de Japanse volkscultuur in de Edo-periode.

literatuur
♣ BOXER, C. R.: The Christian Century in Japan 1549-1650. Berkeley and Los Angeles: University of California Press, 1967.
♣ CALZA, Gian Carlo: Poem of the Pillow and Other Stories by Utamaro, Hokusai, Kuniyoshi and Other Artists of the Floating World. New York, Phaidon, 2010.
♣ EVANS, Tom and Mary Anne: Shunga. The Art of Love in Japan. New York, Paddington Press, [1975].
♣ FAGIOLI, Marco: Shunga. Ars Amandi in Japan. Tübingen-Berlin: Ernst Wasmuth Verlag, 1998.
♣ FORMAN, Werner: Japanese Netsuke. London: Spring Book, 1960.
♣ GONCOURT, Edmond de: Utamaro. New York: Parkstone, 2008.
♣ HEREU / SERRA (foreword / preface): Secret Images. Picasso and the Japanese Erotic Print. London: Thames and Hudson, 2010.
♣ KLOMPMAKERS, Inge: Japanese Erotic Prints. Shunga by Harunobu & Koryûsai. Leiden & Boston: Hotei Publishing, 2008.
♣ KRAUSS, Friedrich S.: Japanisches Geschlechtsleben. Abhandlungen und Erhebungen über das Geschlechtsleben des Japanischen Volkes. Hanau: Verlag Karl Schustek, 1965. 1965.
♣ LONGSTREET, Stephen and Ethel: Yoshiwara: City of the Senses. New York: David McKay Company, 1970.
♣ MARHENKE, Dorit, Ekkehard May (Texten): Shunga. Erotic Art in Japan. Heidelberg, Edition Braus, 1995.
♣ PFLUGFELDER, Gregory M.: Cartographies of Desire. Male-Male Sexuality in Japanese Discourse, 1600-1950. Berkely. Los Angeles. London: University of California Press, 1999.
♣ SAIKAKU, Ihara: The Great Mirror of Male Love. (transl. Schalow) Stanford, California: Stanford University Press, 1990.
♣ SCREECH, Timon: Sex and the Floating World. Erotic Images in Japan 1700-1820. Honolulu: University of Hawai’i Press, 1999.
SHUNGA. Japanese Erotic Art. (foreword Shirakura Yoshihiko). Tokyo: Pie Books, [2008].
♣ TRESMIN-TRÉMOULIÉRES: Yoshiwara. Die Liebesstadt der Japaner. (Übersetzung Bruno Sklarek) Berlin: Louis Marcus Verlagsbuchhandlung, [1920].
♣ UHLENBECK, Chris & Margarita WINKEL: Japanese Erotic Fantasies. Sexual Imagery of the Edo Period. Amsterdam: Hotei Publishing, 2005.
♣ UTAMARO, Kitagawa: Kopfkissenbuch. Berlin (DDR): Berliner Verlag, 1989
♣ VOS, Frits: ‘Forgotten Foibles – Love and the Dutch at Dejima (1641-1854)’ in: Lydia BRÜLL und Ulrich KEMPER (Herausg.): Asien. Tradition und Fortschritt. Festschrift für Horst Hammitzsch zu seinem 60. Geburtstag. Wiesbaden: Otto Harrasowitz, 1971.
♣ WAAL, Edmund de: The Hare With Amber Eyes. The Illustrated Edition. London: Chatto & Windus, 2011.
♣ WILLIAMS, Harold S.: Shades of the Past or Indiscreet Tales of  Japan. Tokyo, Japan & Rutland, Vermont: Charles E. Tuttle Company, [1959].
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Biologie voor dames: vijftig tinten roze in de 19de eeuw

                                                                         Plus ça change, plus c’est la même chose                                                                                   Grijs is het nieuwe roze: lang voordat zij de stomende bestseller Vijftig tinten grijs van E.L. James had kunnen lezen, schreef de grote Russische dichter Marina Tsvetajeva (1892-1941) dat zij het helemaal had gehad met al die zwijmelende vrouwelijke collega’s die geen zin konden produceren zonder de woorden ‘ik’ of ‘liefde’ er in. Zij had al een hekel aan het woord ‘dichteres’, omdat ze vond dat vrouwen met die feminisering van een blijkbaar mannelijke norm daarmee juist tekort werden gedaan. Maar nu, anno 2015, na ontelbare zogenaamde emancipatiegolven, is het nog altijd de normaalste zaak van de wereld om in een willekeurige boekwinkel een chicklit-afdeling aan te treffen: een apart gedeelte vol romans met ‘waargebeurde’ verhalen over de liefde, geschreven door vrouwen, voor vrouwen. In 2013 werden de planken daarvan gevuld met de erotische ‘romans’ van E.L. James. Haar op goedkoop papier gedrukte, gelumbeckte paperbacks zijn voorzien van een verleidelijk blauwgrijze voorkant, maar normaliter worden chicklit-titels gedrukt met roze of anderszins bloemig gekleurde omslagen. Daarop zijn meeslepende illustraties te zien van vrouwelijke lotgenoten, die zich door de stormen van het woelige leven proberen te worstelen. Na heftige liefdesperikelen is de afloop van het verhaal liefst positief en troostrijk. Mannen willen bij deze rozige zwijmelarijen nog niet dood gevonden worden. Zij houden namelijk al eeuwenlang van het ruigere donkerblauw en kopen sowieso liever nuchtere, ontnuchterende non-fictie. De moderne chicklit is in feite de sociaal meer geaccepteerde opvolger van de even beruchte als nog altijd zeer succesvolle ‘kasteelroman’ (met bijvoorbeeld meer dan 3000 volstrekt inwisselbare titels in de Nederlandstalige Bouquetreeks), die op zijn beurt weer lijkt op de devote boekjes voor preutse adellijke dames in de Middeleeuwen. Natuurlijk zijn er altijd geëmancipeerde vrouwelijke uitzonderingen geweest, zoals de avontuurlijke kunstenares Maria Sibylla Merian uit de 17de, de onversaagde wereldreizigster Jeanne Baret uit de 18de, de daadkrachtige Marianne North uit de 19de of de hierboven genoemde militante Tsvetajeva uit de 20ste eeuw. Maar meestal namen vrouwen zichzelf nog minder serieus dan mannen dat deden. Van zelfs de bekendste, beroemdste en onafhankelijkste vrouwen in de wereldgeschiedenis weet nauwelijks iemand de zogenoemde ‘meisjesnaam’, of ze nu Hillary Clinton, Betty Friedan, Astrid Lindgren, Angela Merkel, Michelle Obama, Heleen van Royen of Patti Smith heten. Vrouwen eigenen zich (net als nu) liever de naam van hun zogeheten wettige echtgenoten toe. Die laatsten hebben deze uiteindelijk zelfverkozen wegcijferbereidheid van hun geliefden altijd  grootmoedig weten te waarderen.               

De Parijse arts en historicus Charles Malo (1790-1871) publiceerde in de jaren ’20 van de 19de eeuw een paar aansprekende gidsjes over vogels, vlinders, exotische dieren en fraaie plantjes. De boekjes waren speciaal voor vrouwen bedoeld. Dat betekende dat de tekst lichtvoetig moest zijn en niet te moeilijk, het formaat niet te stoer maar prettig handzaam (het liefst in miniatuur) en dat de boekbandjes een verleidelijke feminiene kleur moesten hebben. Die kon toen, net als tegenwoordig, alleen maar roze, glimmend en glinsterend zijn. Alles moest onschuldig, vrolijk en naïef geïllustreerd worden met mooie handgekleurde plaatjes van liefst lieve, niet-aanstootgevende dieren. De bibliofiele boekjes waren een soort 19de-eeuwse chicklit: blinkende biologie voor sensitieve dames die verzot waren (of dat zeiden te zijn) op frivole gespreksstof, kinderlijke lectuur en heerlijk uitgesponnen liefdesperikelen.

Eén van die charmante 19de-eeuwse boekjes is Malo’s Les Papillons, uitgegeven rond 1816 bij Janet, Libraire, Rue St. Jacques No. 59, Paris, en gedrukt bij L’Imprimerie de Richomme, eveneens in de Rue Saint-Jacques, No 67. Het originele bandje is van glimmend roze karton, in een handzaam kartonnen foedraaltje gestoken met dezelfde zuurstokroze tint. De gegraveerde titelprent verraadt behulpzaam waar het om gaat: een schalkse dame leunt bevallig tegen een modieus 19de-eeuws éénpootstafeltje, en kijkt ons koket aan, in één hand zorgvuldig een ondetermineerbare rozige vlinder vasthoudend. Dat is de ware geest van de tijd: vrouwen in de hogere kringen werden geacht zich bezig te houden met onschuldige zaken als pianospelen of natuurstudie, maar zodra zich (hopelijk) het huwelijk aandiende, was het gedaan met al die kunstzinnige fratsen.

De beroemde, talentvolle en intelligente Weense schoonheid Alma Mahler (ook zijzelf vond haar eigen naam onbelangrijk) is in het begin van de 20ste eeuw een ontluisterend voorbeeld van die vrouwelijke zelfhaat: Alma was weliswaar zo rijk en knap dat zij elke man kon krijgen die ze wilde hebben, maar vond het zelf een vloek om een vrouw te zijn. Zij vernietigde veel van haar eigen muzikale composities, ook zonder dat manlief Gustav haar daartoe ‘dwong’. Dezelfde neiging tot zelfdestructie zien we in Nederland in 2015, waar bijna net zoveel meisjes aan de universiteit studeren als er uiteindelijk geen hoogleraar worden. Terwijl bezorgde mannen vroeger simpelweg nog verboden dat vrouwen überhaupt konden studeren, voelen tegenwoordig de meeste jongens zich juist weer te goed voor de in hun ogen veel te gefeminiseerde universiteit. Zij haken dan ook massaal af, breken hun studie op om in het echte (en dus gevaarlijke) leven sneller hun eigen geld te gaan verdienen, door bijvoorbeeld op hun vijftiende gamesites of internetbedrijven op te richten en daarmee op hun dertigste multimiljonair te zijn. In de tussentijd leren hun vrouwelijke leeftijdgenoten om onder mannelijke blikken bedeesd te blozen, in de collegezaal hoge, dat wil zeggen keurige cijfers te halen, ‘iets met kinderen’ te willen gaan doen, hun eigen potentiële carrières vanwege mooi van pas komende glazen plafonds daarna zo snel mogelijk op te geven en om als braaf opgevoede prinsesjes niet van het kloeke mannelijke blauw maar van het baby-achtige (dat wil zeggen, infantiele) roze te gaan houden.

Les Papillons telt 198 bladzijden en is verrijkt met elf fijnzinnige, zorgvuldig handgekleurde gravures van exotische vlinders, waarschijnlijk van de hand van M.F. Janet naar ontwerpen van M.P. Bessa. In het openingsgedicht worden smachtende meisjes al rijmend vergeleken met tere en vergankelijke schubvleugeligen: zij fladderen van bloem tot bloem, telkens nieuwe bedpartners vindend, maar uiteindelijk nooit de Ware Liefde. De schrijver deelt ons daarna expliciet mee dat alles voor ‘l’amusement et la distraction’ is bedoeld. Mannen vonden al deze lepidopterologische beuzelarijen heel geschikt voor (hun) vrouwen, maar voelden zichzelf daar meestal te goed voor. Overigens wordt in de inleiding van het betreffende boekje een vrouw vermeld die op bijna ieders bewondering kon rekenen: de eerdergenoemde en nog altijd geliefde Maria Sibylla Merian. In een 18de-eeuws manuscript dat wordt bewaard in de Artis-bibliotheek in Amsterdam (en dat in het bezit was van de rijke en beroemde Amsterdamse apotheker en rariteitenverzamelaar Albertus Seba) kan men lezen dat de schrijver hiervan één van de weinigen was die op haar neerkeek: hij vond Merian maar een eenvoudige amateur, een liefhebster van vlindertjes. Seba werd schatrijk met zijn verzamelingen, maar de bescheiden Merian is vergeleken met hem uiteindelijk in relatieve armoede gestorven. Veel van haar spectaculaire en tegenwoordig onbetaalbare insectenboeken lagen toen nog onverkocht in haar magazijn. Ruim een eeuw later bleek Charles Malo commercieel gezien veel succesvoller, door zijn vlinderboekjes aan te passen aan de grillen van het niet zozeer kritische als wel ‘gevoelige’ schone geslacht.

Een andere titel in hetzelfde genre is het anoniem uitgegeven Histoire Naturelle en Miniature Suite à l’Abeille des Dames [1820], uitgegeven bij Le Fuel, Libraire, Rue St. Jacques, No. 54, Paris (blijkbaar vlakbij de uitgever van het boekje van Charles Malo). Ook dit tweede boekje heeft een verleidelijk glimmend roze bandje, gestoken in een beschermende blinde cassette, met eveneens een gegraveerde titelprent en elf met de (kinder)hand ingekleurde gravures, niet alleen van vlinders maar ook van exotische vogels en fijnzinnige bloemetjes en plantjes.

Histoire Naturelle en Miniature bevat een boekhistorische bijzonderheid: omdat het boekje omhuld is door een zogenaamde blinde cassette, is de titel van het binnenin liggende boekje niet te zien. De uitgever heeft daarom een klein los titelblaadje geplakt bovenaan het eerste schutblad. Dat kan over de vergulde bovensnede gevouwen worden, waardoor de titel van bovenaf altijd zichtbaar is, ook al omsluit de tekstloze cassette het boekje aan vijf zijden. Het spreekt voor zich dat deze prachtige en zeldzame boekjes in wetenschappelijk opzicht van nul en generlei waarde zijn, maar als onverhulde tijdsdocumenten zijn zij toch interessant. Op een verleidelijk ongepaste manier laten zij zien dat de vermeende zwakheden van vrouwen van alle tijden zijn (net als die van mannen overigens). Uitgevers speelden daar ook vroeger al gewiekst op in. Later ontstond er zelfs een literaire tegenbeweging: de zogenaamde dicklit, die, zoals de naam al suggereert, speciaal bedoeld was voor (echte) mannen. Het dameskamp reageerde geschokt, liet het daar niet bij zitten, zon op wraak en sloeg genadeloos terug. De cliterature was geboren. Als men dit begin- en eindeloze seksistische slagveld overziet kan men slechts één ding met zekerheid concluderen, namelijk plus ça change, plus c’est la même chose. Anno 2015 worstelen de meeste vrouwen nog altijd met hun zogenaamde romantische of hormonale verlangens. Zij beweren politiek-correct literaire pulp als chicklit, cliterature en Vijftig tinten grijs te verafschuwen, maar worden er tegelijkertijd blijkbaar juist door aangetrokken, als men tenminste even politiek-incorrecte als onweerlegbare verkoopcijfers durft te begrijpen. Al eeuwenlang ontdekken vrouwen elke keer opnieuw waar ze diep in hun hart blijkbaar het meest naar verlangen, namelijk eindeloos liefdesgefrutsel, kittig gekruid met licht erotisch geweld. Maar dat laatste nooit teveel, sowieso altijd net iets minder dan hun heerlijk foute mannen durven te gebruiken en vrolijk gekleurd met minstens vijftig tinten roze, of grijs. De Parijse dokter Charles Malo had hier waarschijnlijk liefdevol om moeten glimlachen: hij wist tenslotte twee eeuwen geleden al feilloos wat èchte vrouwen willen.

Bibliografie

♣ BARBER, Lynn: The Heyday of Natural History. 1820-1870. Garden City, New York: Doubleday, 1980.
♣ Mahler, Alma: Het is een vloek een meisje te zijn. Een keuze uit haar dagboeken 1898-1902. De Arbeiderspers: Amsterdam, 2000                                                                       ♣ Malo, Charles: Les Papillons. Janet, libraire, Rue St Jacques No. 59, Paris [1816].                  ♣ [anon.]: Histoire Naturelle en Miniature Suite à l’Abeille des Dames. Le Fuel, Libraire: Paris, Rue St. Jacques No. 54, Paris [1820].    ♣ Tsvetajeva, M.I.: Werken. Uitgeverij G.A. van Oorschot: Amsterdam, 1999 (vertaling en nawoord Marko Fondse)                                      ♣ Wettengl, Kurt (red.): Maria Sibylla Merian 1647-1717 Kunstenares en natuuronderzoekster. Becht / Teylers Museum: Haarlem, 1998

Geplaatst in Ornithologie, Zoologie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | 5 reacties

Dubbelzinnige stambomen: Ernst Haeckel en de Ladder van de Natuur

In de geschiedenis van de evolutietheorie zijn weinig afbeeldingen zo iconisch geworden als de weelderig uitwaaierende stambomen van de Duitse bioloog Ernst Haeckel (1834-1919). Zij waren bedoeld als speculatieve maar wetenschappelijk verantwoorde illustraties van de toen nog heftig omstreden evolutietheorie. Het grote publiek zag in de romantisch ogende  stambomen echter vooral het beeld oprijzen van een natuur die blijkbaar altijd omhoog streefde, naar vooruitgang en doelgerichtheid. Haeckel stimuleerde die vooringenomen manier van kijken  door sommige van zijn stambomen af te beelden als echte Wodanseiken, met aan de ijle top (dat kon niemand verbazen) de blanke Germaanse man die als een koning boven de rest van de natuur uittroonde en daar ogenschijnlijk ook  het doel van was. Alhoewel Haeckel zelf teleologische tendensen in zijn stambomen ontkende, was het onmogelijk om in die indrukwekkende bomen niet de bekende ‘scala naturae’ (Ladder van de natuur) te zien, met alle antropocentrische associaties die daarbij horen.

Deze in wezen Platoonse Ladder van de natuur was in de 18de eeuw van stevige theologische en filosofische fundamenten voorzien door Charles Bonnet (1720-1793), die betoogde dat de gehele natuur naadloos was opgebouwd uit wezenlijke entiteiten die tezamen de ‘Echelle des êtres naturels’ (‘The Great Chain of Being’) vormden. Vuur, water, aarde, stenen, levenloze mineralen en planten bungelden onderaan deze levensladder, dieren, mensen, engelen en een christelijke god zweefden in toenemende mate van onstoffelijkheid aan de top. Alles neigde omhoog,  maar uitsluitend in statische zin. Bonnet zag dat als een goddelijke paradox, wij zien dat tegenwoordig anders: door onze Darwiniaanse blik is het onmogelijk om in die eindeloze levensladder geen evolutionaire structuren en verwantschappen te zien. Voor Bonnet, die wilde laten zien dat hij een goed christen was, waren dat soort ideeën onbestaanbaar en ondenkbaar. Toen hij jong en onbevangen was (en nog niet devoot) ontdekte hij de verbazingwekkende ongeslachtelijke voorplanting van bladluizen. Zijn vriend Abraham Trembley experimenteerde in dezelfde tijd met de even revolutionaire regeneratie-vermogens van zoetwaterpoliepen, en die twee ontdekkingen dreigden samen de hele biologie (een woord dat toen nog niet bestond) op haar kop te zetten. Ongeslachtelijke voortplanting van bladluizen en eindeloos regenererende zoetwaterpoliepen waren tot daar aan toe, maar suggereren dat er überhaupt geen doelgerichtheid in de natuur zou voorkomen was erger dan godslastering.

Charles Darwin was een van de weinigen die niet veel illusies koesterde over de zogenaamde vooruitgang in de natuur, hoewel hij de Vuurlanders die hij ontmoette tijdens zijn wereldreis met de Beagle nog wel voor een armzalig en inferieur mensenras hield. Ook van teleologische ideeën was hij niet onder de indruk, iets wat weinig van zijn vrienden hem konden nazeggen en wat Darwins diepgelovige echtgenote voortdurend zorgen baarde. Darwin is dan ook verantwoordelijk voor de mooiste evolutionaire stamboom die ooit getekend is: zijn kleine maar verbijsterend moderne schets uit 1837 (zie afbeelding hiernaast), later uitgewerkt als enige illustratie in zijn magnum opus On the Origin of Species (1859). Haeckel daarentegen was tegelijkertijd impulsiever en minder scrupuleus, en vond daarom populaire weerklank belangrijker dan wetenschappelijke zorgvuldigheid. Vandaar dat hij de verleiding niet kon weerstaan om zijn evolutionaire ideeën te illustreren met iets waarvan hij wist dat het voor dubbelzinnigheid moest zorgen: de stamboom van de evolutie als stoere eik. Hij injecteerde als het ware de statische levensladder van Bonnet met tijd, en kreeg daar een dynamische, evolutionaire  levensboom voor terug. Het antropocentrisme van Bonnet nam hij echter ook over: vuur, lucht, water en aarde zijn verdwenen, maar dieren als bacteriën, kwallen, zeekom-kommers en zakpijpen worden nog steeds onderaan de levensboom afgebeeld. Reptielen en vooral de altijd populaire vogels worden al meer gewaardeerd en dus hoger geplaatst. Insecten, die voor iedereen toch duidelijk zeer talrijk en succesvol waren, komen er weer bekaaid vanaf, en moeten genoegen nemen met een weliswaar stevige maar toch wat laaghangende zijtak. Apen, halfapen en mensen daarentegen delen een stoere hoofdtak bovenaan in de levensboom. Op deze manier was het onmogelijk om Homo sapiens niet te zien als het middelpunt van de evolutie, ironisch genoeg precies zoals de door Haeckel verfoeide christenen dat deden, met de mens als doel en hoogtepunt in gods volmaakte schepping. Die schepping was overigens blijkbaar niet zo volmaakt dat er geen doelgerichtheid in kon voorkomen.

Al tijdens Haeckels leven werden hem deze dubbelzinnige stambomen kwalijk genomen door vakgenoten, en postuum kreeg hij het verwijt dat evolutionisten als hij en Darwin verantwoordelijk waren voor het 20ste-eeuwse racisme van vooral het Derde Rijk. Dat verwijt is wat de altijd consciëntieuze Darwin betreft absurd, en gaat voor Haeckel veel te ver, al was het alleen maar omdat juist Haeckel overtuigd en overtuigend streed voor een waarachtiger begrip van de levende natuur in het algemeen en de afkomst van de mens in het bijzonder. Als er ideologieën hebben bestaan die de mens als zelfverklaarde en absolute meester van de natuur boven al de andere levende wezens hebben gezet, en wel op de meest intolerante en meedogenloze wijze, dan zijn het altijd de monotheïstische religies geweest, trots op hun verraderlijke boodschap van geluk in een hiernamaals. Slechts seculiere wetenschappen als de moderne biologie konden dit statische en al in principe verkalkte natuurbeeld uiteindelijk doorbreken, waardoor bijvoorbeeld nog tijdens Haeckels leven werd ontdekt dat de vroegste gewervelde verwanten van de mens nu juist die door christenen verafschuwde zakpijpen zijn (zie afbeelding hierboven).

De zelfverklaarde atheïst Ernst Haeckel is echter een geval apart. Nog steeds worden overal ter wereld zijn prachtige illustraties gebruikt om te laten zien hoe evolutie werkt, maar het valt niet te ontkennen voor wie zijn beroemde en verleidelijke stambomen bewondert: alle dieren zijn gelijk, maar de mens is gelijker.

Literatuur
ANDERSON, Lorin: Charles Bonnet and the Order of the Known. Dordrecht, Boston, London: Reidel Publishing Company, 1982.
♣ BREDEKAMP, Horst: Darwins Korallen. Frühe Evolutionsmodelle und die Tradition der Naturgeschichte. Berlin: Verlag Klaus Wagenbach, 2005.
♣ BROMME, Traugott: Systematischer Atlas der Naturgeschichte für Schule und Haus. Stuttgart:              J. Engelhorn, 1861.

♣ GASMAN, Daniel: The Scientific Origins of National Socialism. Social Darwinism in Ernst Haeckel and the German Monist League. London: Macdonald, 1972.
♣ HAECKEL, Ernst: Natürliche Schöpfungsgeschichte.          4. Auflage. Berlin: Georg Reimer, 1873.
♣ HAECKEL, Ernst: Anthropogenie oder Entwicklungsgeschichte des Menschen. Leipzig: Wilhelm Engelmann, 1874.
♣ LOVEJOY, Arthur O.: The Great Chain of Being. Study of the History of an Idea. Cambridge Harvard University Press, 1936.
♣ PIETSCH, Theodore W.: Trees of Life. A Visual History of Evolution. Baltimore: The John Hopkins University Press, 2012.
♣ THEUNISSEN, B. & R.P.W. VISSER: De wetten van het leven. Historische grondslagen van de biologie 17501950. Baarn: Ambo, 1969.
♣ WIT, H.C.D. de: Ontwikkelingsgeschiedenis van de biologie. Deel 2B. Wageningen: Pudoc, 1989.

Geplaatst in Evolutie, Zoologie | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Kangoeroes aan tafel: een negentiende-eeuws reisje naar Australië

Rond het midden van de negentiende eeuw publiceerde de Nederlandse kinder-boekenschrijver Pieter van Os een aardig boekje over een avontuurlijke reis naar de oostkust van Australië, door de Engelsen New South Wales genoemd. Die kust was zo’n 75 jaar eerder door James Cook als eerste Europeaan ontdekt. Inmiddels was hier de kolonistenstad Sydney gesticht, idyllisch gelegen in een prachtige baai iets ten noorden van Botany Bay. Het boekje Reis naar Nieuw-Zuid-Wallis is verrijkt met vier eenvoudige maar aansprekende zwart-wit lithografieën, waaronder een frontispice met daarop een huiselijke scene waarbij een kangoeroe, tot schrik van de protagonist, onverwacht aan tafel verschijnt (zie afbeelding hieronder).

Het boekje verhaalt de larmoyante avonturen van een Engelsman die wegens veronderstelde misdaden naar Australië wordt getransporteerd, om daar in de kolonie te werken en zodoende wellicht zijn vrijheid zal herwinnen. Ondertussen moet hij allerlei gevaren trotseren, waaronder de aanwezigheid van de oorspronkelijke inwoners van Australië, de Aborigines, die volgens de auteur vuil, misdadig, lelijk, lui en onuitsprekelijk dom zijn. Het zal dan ook geen verbazing wekken dat de blanke kolonisten er geen bezwaar in zagen zoveel ‘leeg’ land op te eisen als ze maar wilden.

De uitgever van het boekje gaf tussen 1852 en 1857 een driedelige reeks uit getiteld ‘Keur der nieuwste en belangrijkste reisbeschrijvingen’. Als eerste verscheen Reizen der Engelschen ter ontdekking ener Noordwestelijke doorvaart door den Noordelijke IJszee naar den Stillen Oceaan. Vervolgens in 1853 Reis naar de kolonie van misdadigers Nieuw-Zuid-Wallis. Uit het dagboek van een scheepsdoctor. Voor de jeugd bewerkt door P. van Os. Met vier plaatjes. Te Sneek, bij Van Druten & Bleeker, waarvan de onderhavige editie mogelijk een gewijzigde herdruk of een titeluitgave is. Als laatste deeltje in de serie verscheen in 1852 en 1857 de tweedelige Reizen der Engelschen naar de noordelijke Ijszee en de Stillen Oceaan. Om de een of andere reden is de hier besproken titel dus twee keer uitgegeven, de laatste keer licht gewijzigd.

De historicus Edward Duyker vermoedt dat het boekje, hoewel in onze ogen sterk romantisch van toon, daadwerkelijk invloedrijk geweest kan zijn: “Van Os’ book is clearly a romantic account of New South Wales in the 1840′s, but it also contains a substantial appendix dealing with the major gold discoveries in Victoria. Given the paucity of Dutch literature on this subject, it seems likely that it helped to shape the imagination of quite a number of prospective Dutch diggers.[i]

Dit sympathiek geïllustreerde kinderboekje is zeer zeldzaam: wereldwijd zijn slechts vier exemplaar bekend, waaronder het hier afgebeelde. Het is zo gezocht onder verzamelaars van australiana, dat een exemplaar op een Australische veiling in het voorjaar van 2011 maar liefst AU$ 1748,- (bijna € 1500,-) opbracht.


[i] Edward Duyker, The Dutch in Australia (Melbourne, 1987), p. 39. Zie ook: Ferguson, Bibliography of Australia, nr 13661.
Geplaatst in Reizen | Tags: , , , , , , , , ,