De wonderbaarlijke klipdas: hoe Spanje aan zijn naam en de bijbel aan zijn konijnen kwam

Loof den Heer, mijn ziel. Here, mijn God, Gij zijt zeer groot, Gij hebt u met majesteit en luister bekleed. […] De bomen des Heren worden verzadigd, de cederen van den Libanon, die Hij heeft geplaatst, waar de vogels nestelen. Des ooievaars huis zijn de cypressen, de hoge bergen zijn voor de steenbokken, de rotsen een schuilplaats voor de hazen en konijnen. (Psalmen 104:16-18)

Bovenstaande beroemde, 3000 jaar oude verzen worden toegeschreven aan de bijbelse Koning David. Hij bezingt daarin de glorie van God, aan de hand van Zijn heerlijke schepselen. Echter, Koning David en de Almachtige God moeten hier iets over het hoofd hebben gezien: er kwamen namelijk helemaal geen hazen of konijnen voor in het Oudtestamentische Israël. Hoe komen deze huppelende langoren (Latijnse naam Lagomorpha, en, ondanks onuitroeibaar volksgeloof, géén familie van de knaagdieren) dan toch in de bijbelse Psalmen terecht? De geschiedenis van Koning Davids ‘konijnen’, al eeuwenlang symbool van vruchtbaarheid en tomeloze wellust, belooft leerzaam en fascinerend te zijn.

Rond 1000 jaar vòòr de geboorte van Koning Davids beroemdste nazaat Jezus van Nazareth kwam in het gebied dat wij tegenwoordig Palestina, Libanon en Syrië noemen een merkwaardig dier voor. Het leek een kruising tussen een forse marmot en een stevig konijn, met in de bek twee opvallende, vooruitstekende slagtandjes. Omdat dit dier de eigen lichaamstemperatuur slecht kan regelen warmt het zich op in de ochtendzon, terwijl het zich in de hitte van de dag juist verborgen houdt in koele rotsspleten. Door zijn merkwaardige gebit en anatomie dacht men lange tijd dat het familie was van de neushoorn, maar inmiddels weet men dat zijn meest nabije verwanten de zeekoe en de olifant zijn, hoe onwaarschijnlijk dit op het eerste gezicht ook is. Zelfs Koning Davids huidige geloofsgenoten (los van de meest verstokt orthodoxen) ‘geloven’ inmiddels in deze evolutionair onmiskenbare verwantschap. Tegenwoordig noemt men deze enigmatische rotsbewoner (die in vier soorten voorkomt van het Midden-Oosten tot in zuidelijk Afrika) ‘rotsspringer’ of ‘klipdas’, naar het Afrikaanse ‘rots’- of ‘klipdassie’. De officiële naam van zijn familie is Procaviidae (‘voor-cavia’), en van de orde Hyracoidea (‘reuzenspitsmuizen’), afgeleid van het Griekse hurax. De naam van het geslacht, Hyrax, is in 1869 gemunt door Thomas Henry Huxley, de grote vriend en medestander van Charles Darwin. Andere Afrikaanse volksnamen zijn ‘slaper’ en ‘beermuis’. De klipdas werd vroeger in het Nederlands ook wel ‘bastaard mormeldier’ (‘namaak-marmot’) genoemd, de Engelsen noemen hem tegenwoordig ‘hyrax’, de Duitsers ‘Schliefer’ (‘slaper’), de Fransen ‘le daman d’Israël(naar het oud-Romeinse ‘gamman’), de oude Abessijnen  (tegenwoordig de Amhara, Ethiopië) ‘ashkoko’ (de ‘langharige’) en de Syrische Arabieren (tenminste, volgens de 19de-eeuwse Engelse zoöloog Robert Shaw) ‘ghannem beni Israel’ (‘het lam van de kinderen van Israel’). Al deze verschillende, eeuwenoude en soms exotisch klinkende volksnamen maken duidelijk hoe bijzonder dit holbewonende neefje van de machtige olifant in feite is.

De klipdas en de bijbelse Psalmen hebben beide te maken met één van de mogelijke en verrassende etymologieën van het woord ‘Spanje’. De Phoeniciërs (die in dezelfde streken leefden als Koning David) noemden de klipdas shaphan: dat is oud-Hebreeuws voor ‘de-in-het-verborgen-levende’. Het was hun namelijk ook al opgevallen dat het dier zich overdag schuilhield in koele rotsspleten. Toen de avontuurlijke Phoeniciërs al zeilend de overkant van de Middellandse Zee bereikten en het land ontdekten dat wij tegenwoordig het Iberisch schiereiland noemen, zagen zij daar een merkwaardig dier rondhuppelen, dat nergens anders ter wereld voorkwam: het konijn (een woord dat toen nog niet bestond). Dat ‘konijn’ deed hen deden denken aan hun eigen shaphan, en zij noemden het nieuw ontdekte land dan ook I-shaphan: ‘het-land-van-de-in-het-verborgen-levende’, dat wil dus zeggen ‘het land van de klipdas’. Lang nadat de Phoenicische cultuur ten onder was gegaan kwamen rond de tijd van de geboorte van Jezus van Nazareth de eveneens reislustige Romeinen aan op het Iberische schiereiland. Zij namen (waarschijnlijk via de Carthagenen) de Phoenicische naam voor het gebied over: Ishaphan. Dat woord werd verbasterd tot Hispania en werd later verkort tot Espagna, Spain of Spanje. Deze namen zijn inmiddels in vele varianten over de gehele wereld verspreid geraakt.

Maar hoe is dan het Europese woord ‘konijn’ in de Bijbel terechtgekomen? We reizen nu weer anderhalf millennium in de tijd vooruit. Rond het jaar 1500 dreigde het christendom in Europa door de Reformatie in tweeën te scheuren. Maarten Luther begon in die tijd in Wittenberg aan zijn baanbrekende bijbelvertaling, en kwam in oude teksten het Phoenicisch-Hebreeuwse woord shaphan tegen, zonder te weten welk dier daarmee bedoeld werd. Hij had waarschijnlijk nog nooit van een klipdas gehoord, laat staan er een met eigen ogen gezien. Was het misschien de Franse daman, de gewone hamster of misschien de toen net ontdekte exotische cavia? Uiteindelijk koos Maarten Luther voor een naam waarvan hij dacht dat het gewone volk die wel zou begrijpen: ‘konijn’. Dat is de naam van hetzelfde inheemse dier dat de Phoeniciërs waren tegengekomen op het Iberische schiereiland. Ooit ontstaan in het oude Baskenland, is het woord ‘untxi’ waarschijnlijk via het Latijnse ‘cuniculus’ en het oud-Frans ‘conin’ als ‘kaninchen’ en ‘konijn’ in de Noord-Europese talen terechtgekomen, om via Maarten Luther uiteindelijk met terugwerkende kracht in de Psalmen van Koning David verzeild te raken.

Eeuwenlang hebben er dus abusievelijk ‘konijnen’ rondgehuppeld in de bijbel. Maar tegenwoordig helpen christenen God een handje: in de nieuwe bijbelvertalingen  zijn de ‘konijnen’ verdwenen, en klauteren er weer klipdassen rond in de koele spleten van de Heilige Schrift. Overigens kan men in Israël naast klipdassen tegenwoordig ook èchte konijnen tegenkomen: de oude Romeinen hebben deze namelijk destijds geïmporteerd vanuit hun Spaanse koloniën. Kort samengevat, door bijna onnavolgbare evolutionaire en linguïstische wendingen van de geschiedenis is dus de Phoenicische rotsspringer of klipdas uit het oude Palestina, de shaphan oftewel ‘de-in-het-verborgen-levende’, het onwaarschijnlijke neefje van de neushoorn, de olifant en de zeekoe, via de Griekse reuzenspitsmuis, het Spaanse konijn en Maarten Luthers beruchte vertaalfout, in de beroemde Psalmen van de Oudtestamentische Koning David terechtgekomen, om daar uiteindelijk (als het spreekwoordelijke konijn uit de hoge hoed) ook weer op wonderbaarlijke manier uit te verdwijnen.


Literatuur
♣ (anon.) The Pictorial Museum of Animated Nature. London, Charles Knight (2 delen, 1860’s)
♣ ANTHON, Charles: A System of Ancient and Mediaeval Geography. New York: Harper & Brothers, 1850.
♣ GOTCH, A.F.: Latin Names Explained. A Guide to the Scientific Classification of Reptiles, Birds & Mammals. London: Blanford Press, 1995
♣ GRZIMEK, Bernhard: Het leven der dieren, deel XII Zoogdieren 3. Utrecht/Antwerpen: Uitgeverij Het Spectrum, 1973.
♣ GERVAIS, M. Paul: Histoire naturelle des mammifères 2. Paris: L. Curmer, 1855.
♣ HAHN, Herbert: Von Baum-, Busch- und Klippschliefern. Wittenberg Lutherstadt: A. Ziemsen Verlag, 1959 (Zum Ehren Charles Darwins, anläßlich der 100jährigen Wiederkehr des Erstveröffentlichungstages seiner Arbeit “Die Entsthehung der Arten”).
♣ MACDONALD, David (ed.): The Encyclopaedia of Mammals: 2. London: Guild Publishing, 1984.
♣ SCHOUTEN VAN DER VELDEN, Adriaan: Dieren uit de Bijbel. Een inventarisatie en beschrijving. Nijkerk: Callenbach, 1992.

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Shunga: Japanse porno, christenen en lentekriebels

Seks in de tempel, het bad, de tuin, of in de kinderkamer, seks met honden, ezels, apen, koeien, olifanten, octopussen of stekelroggen, seks met priesters, shoguns en samoerai, poep-, plas- of okselseks, seks met opa’s, oma’s, kleinkinderen, goedkope geisha’s of dure lustjongetjes, seks met kunstvagina’s of dubbele kunstpenissen, softe vanilleseks met vaginale plezierballetjes of brute gangbangseks, achterstevoren- of onderstebovenseks: niets menselijks was de gewone Japanner in de Edo-periode (1602-1868) vreemd.

Japan is geen christelijk land. Slechts één procent van de bevolking hangt deze geïmporteerde, zogenaamd monotheïstische religie aan. Dat heeft het keizerrijk te danken aan de beruchte shoguns (‘generaals’), die het land eeuwenlang in een ijzeren greep hielden. Deze vaak atheïstische alleenheersers gooiden vanaf het begin van de 17de eeuw alle Europese missionarissen systematisch het land uit, of hingen hen ondersteboven in mestputten totdat zij gestikt waren in hun eigen uitbraaksels. Toen christenen ondanks die gruwelen toch naar Japan bleven komen, werden zij met honderden tegelijk vermoord. Alhoewel dit in het begin juist nog meer enthousiaste martelaars aantrok, bleek de strategie van de meedogenloze shoguns uiteindelijk effectief. Rond het midden van de zeventiende eeuw was er (officieel) geen enkele christen meer in het hele Japanse keizerrijk te vinden. De Hollanders ontkenden wijselijk van hetzelfde geloof te zijn als dat van hun zakelijke concurrenten, de katholieke Portugezen en Spanjaarden. De winsten die uit het exotische eilandenrijk werden gehaald waren namelijk zo exorbitant dat al te openlijk evangeliseren bijzonder nadelig voor de negotie zou zijn. Juist vanwege die opstelling hadden zij als enige Europeanen toestemming om Japan binnen te komen. De door de wol geverfde shoguns geloofden overigens niets van wat de Hollanders hun probeerden wijs te maken over het christelijk geloof. Zij dwongen hen alle verderfelijke bijbels aan boord te houden, in een verzegelde kist, zodat geen enkele Japanner met de in hun ogen agressieve namaak-religie besmet zou kunnen worden. De Hollanders (in Japanse ogen slechts ongewassen, stinkende ‘roodharige barbaren’) werden om die manier van zakendoen overal in Europa beschimpt. Men vond dat de hypocriete protestanten zichzelf in het bijzonder en het christendom in het algemeen vernederden door religieuze principes te verkwanselen voor ordinaire pecunia. De vrijzinnige Japanners waren juist weer geschokt door de preutsheid van de ook toen al homofobe christenen. Als het ooit gelukt zou zijn om heel Japan te kerstenen was het land waarschijnlijk de Filipijnen achterna gegaan. De inheemse cultuur van dat nabijgelegen eilandenrijk is voorgoed vernietigd door katholieke zeloten die evenveel vuurwapens hadden als de inheemse bevolking weinig. In het machtige Japan beschikten juist de shoguns over meer geweren (ook al hadden zij die ooit juist weten te verkrijgen van de Europeanen), en kon een originele, door christenen verafschuwde pornografie tot grote bloei komen. Dankzij de lange en rijke eigen geschiedenis, de relatief afgesloten cultuur in de Edo-periode, de verwende burgerij van de grote steden en de vele geniale kunstenaars die zich niet te goed voelden om seksualiteit onverbloemd uit te beelden ontstond de typisch Japanse erotische of pornografische prentkunst die shunga (‘voorjaarsbeelden’ of ‘lentekriebels’) wordt genoemd.

Seks is voor christenen altijd een glibberig terrein geweest, zowel op het heteroseksuele, homoseksuele als pedoseksuele vlak. Dit komt waarschijnlijk omdat seks als primaire, Darwinistische natuurkracht haaks staat op alle zogenaamd goddelijke aanspraken op alleenheerschappij. Japanners aanbaden meerdere (natuur)goden tegelijkertijd, en deden onder andere daarom misschien minder moeilijk over hun zogenoemd hogere of lagere lusten (een hiërarchisch onderscheid dat sowieso meer in de hoofden van christenen dan in de vrije natuur voorkomt). Alles was mogelijk, alles werd gepraktiseerd. Er zijn Japanse keizers geweest die zo gehecht waren aan het vorstelijke stoeien met hun lustjongetjes, dat zij door hun eigen hofdignitarissen gedwongen moesten worden om te trouwen, met een vrouw. Overigens lieten veel christelijke Hollanders zich op het eilandje Dejima bij Nagasaki regelmatig verwennen door (te dure) Japanse prostituees, die zij tussendoor ook nog eens liefdevol misbruikten om kostbare goederen naar hun eigen pakhuizen te smokkelen. Japanners gaven zich vanzelfsprekend ook over aan allerlei seksuele uitspattingen, maar deden dat blijkbaar schaamtelozer, onbevangener, met meer plezier en minder schuldgevoel.

Rond 1800 bereikte de kunst van de shunga een hoogtepunt in de prachtige prenten van Utamaro Kitagawa (ca 1753-1806). Deze hartstochtelijke liefhebber van mooie vrouwen in de hoerenwijk Yoshiwara in Edo (het huidige Tokyo) stuwde de kunst van de erotische houtgravure tot grote artistieke hoogte op. Het woord shunga wordt ook wel vertaald als ‘kussenplaatjes’ of ‘lachbeelden’, waarbij het Japanse woord voor ‘lachen’ ook als ‘masturberen’ opgevat kan worden. Alle seksuele anatomie op de prenten van Utamaro is tot buitengewone proporties opgeblazen, wat de Japanse shunga onderscheidt van de veel realistischer, en daardoor huiselijker ogende Chinese erotische prentkunst. De 19de-eeuwse Franse japanofiel Edmond de Goncourt schreef in zijn beroemde dagboeken zelfs dat Utamaro als ‘de Michelangelo van de penis’ beschouwd kon worden. Deze even gewaagde als originele opmerking zal iedereen die Utamaro’s schitterende shunga heeft gezien onmiddellijk willen beamen. De enige die wat brute erotische artisticiteit betreft in zijn buurt komt is de 85-jarige Pablo Picasso, die bijna twee eeuwen later zijn meest vrijgevochten, spectaculaire en pornografische olieverfschilderijen produceert. Maar deze grootste kunstenaar van de 20ste eeuw was dan ook een hartstochtelijk bewonderaar van zijn Japanse voorganger.

Eén van de vele andere originele Japanse kunstuitingen is de netsuke of gordelknoop, bij een groter publiek bekend geworden door de historische roman van Edmund de Waal: The Hare With Amber Eyes (vertaald als De haas met de amberkleurige ogen). In dit boek wordt het fascinerende verhaal verteld van een kostbare netsuke-verzameling in de familie van de schrijver. Japanners zouden niet zo’n bijzonder volk zijn, als zij vervolgens niet op het vruchtbare idee van de shunga-netsuke waren gekomen: een gordelknoop bestaande uit pornografische figuren. Hiernaast afgebeeld ziet u een voorbeeld van deze verrukkelijke miniatuurkunst. Deze bestaat uit twee delen: een vrolijk kijkende, onmiskenbaar opgewonden man en een gelukzalig glimlachende, gretig afwachtende maar geheel niet slaafse vrouw, samen op de meest natuurlijke manier in- en uitschuifbaar. Vaak werden netsukes uit ivoor vervaardigd, maar deze gesigneerde, dubbele shunga-netsuke is van sensueel, bijna geil glanzend beukenhout. Na de Meiji-restauratie in 1868 mochten christenen voor het eerst in tweeënhalve eeuw Japan weer officieel binnenkomen. Eén van de eerste dingen die deze (in helaas dit ene opzicht onbeschaamde) zeloten hun al te beleefde gastheren (vaak succesvol) probeerden te verbieden was de ongegeneerde seksuele cultuur die zij overal in hun gastland meenden te moeten ontwaren. Het eeuwenoude gemengd-baden werd bijvoorbeeld waar mogelijk zo snel mogelijk afgeschaft. Maar de hier afgebeelde, fijnzinnige dubbele shunga-netsuke is aan die hypocriete christelijke kaalslag glansrijk ontsnapt. Hij is een bescheiden ode aan de grootse, kunstzinnige, geëmancipeerde en onbeschaamde erotiek van de Japanse volkscultuur in de Edo-periode.

literatuur
♣ BOXER, C. R.: The Christian Century in Japan 1549-1650. Berkeley and Los Angeles: University of California Press, 1967.
♣ CALZA, Gian Carlo: Poem of the Pillow and Other Stories by Utamaro, Hokusai, Kuniyoshi and Other Artists of the Floating World. New York, Phaidon, 2010.
♣ EVANS, Tom and Mary Anne: Shunga. The Art of Love in Japan. New York, Paddington Press, [1975].
♣ FAGIOLI, Marco: Shunga. Ars Amandi in Japan. Tübingen-Berlin: Ernst Wasmuth Verlag, 1998.
♣ FORMAN, Werner: Japanese Netsuke. London: Spring Book, 1960.
♣ GONCOURT, Edmond de: Utamaro. New York: Parkstone, 2008.
♣ HEREU / SERRA (foreword / preface): Secret Images. Picasso and the Japanese Erotic Print. London: Thames and Hudson, 2010.
♣ KLOMPMAKERS, Inge: Japanese Erotic Prints. Shunga by Harunobu & Koryûsai. Leiden & Boston: Hotei Publishing, 2008.
♣ KRAUSS, Friedrich S.: Japanisches Geschlechtsleben. Abhandlungen und Erhebungen über das Geschlechtsleben des Japanischen Volkes. Hanau: Verlag Karl Schustek, 1965. 1965.
♣ LONGSTREET, Stephen and Ethel: Yoshiwara: City of the Senses. New York: David McKay Company, 1970.
♣ MARHENKE, Dorit, Ekkehard May (Texten): Shunga. Erotic Art in Japan. Heidelberg, Edition Braus, 1995.
♣ PFLUGFELDER, Gregory M.: Cartographies of Desire. Male-Male Sexuality in Japanese Discourse, 1600-1950. Berkely. Los Angeles. London: University of California Press, 1999.
♣ SAIKAKU, Ihara: The Great Mirror of Male Love. (transl. Schalow) Stanford, California: Stanford University Press, 1990.
♣ SCREECH, Timon: Sex and the Floating World. Erotic Images in Japan 1700-1820. Honolulu: University of Hawai’i Press, 1999.
SHUNGA. Japanese Erotic Art. (foreword Shirakura Yoshihiko). Tokyo: Pie Books, [2008].
♣ TRESMIN-TRÉMOULIÉRES: Yoshiwara. Die Liebesstadt der Japaner. (Übersetzung Bruno Sklarek) Berlin: Louis Marcus Verlagsbuchhandlung, [1920].
♣ UHLENBECK, Chris & Margarita WINKEL: Japanese Erotic Fantasies. Sexual Imagery of the Edo Period. Amsterdam: Hotei Publishing, 2005.
♣ UTAMARO, Kitagawa: Kopfkissenbuch. Berlin (DDR): Berliner Verlag, 1989
♣ VOS, Frits: ‘Forgotten Foibles – Love and the Dutch at Dejima (1641-1854)’ in: Lydia BRÜLL und Ulrich KEMPER (Herausg.): Asien. Tradition und Fortschritt. Festschrift für Horst Hammitzsch zu seinem 60. Geburtstag. Wiesbaden: Otto Harrasowitz, 1971.
♣ WAAL, Edmund de: The Hare With Amber Eyes. The Illustrated Edition. London: Chatto & Windus, 2011.
♣ WILLIAMS, Harold S.: Shades of the Past or Indiscreet Tales of  Japan. Tokyo, Japan & Rutland, Vermont: Charles E. Tuttle Company, [1959].
Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Biologie voor dames: vijftig tinten roze in de 19de eeuw

                                                                         Plus ça change, plus c’est la même chose                                                                                   Grijs is het nieuwe roze: lang voordat zij de stomende bestseller Vijftig tinten grijs van E.L. James had kunnen lezen, schreef de grote Russische dichter Marina Tsvetajeva (1892-1941) dat zij het helemaal had gehad met al die zwijmelende vrouwelijke collega’s die geen zin konden produceren zonder de woorden ‘ik’ of ‘liefde’ er in. Zij had al een hekel aan het woord ‘dichteres’, omdat ze vond dat vrouwen met die feminisering van een blijkbaar mannelijke norm daarmee juist tekort werden gedaan. Maar nu, anno 2015, na ontelbare zogenaamde emancipatiegolven, is het nog altijd de normaalste zaak van de wereld om in een willekeurige boekwinkel een chicklit-afdeling aan te treffen: een apart gedeelte vol romans met ‘waargebeurde’ verhalen over de liefde, geschreven door vrouwen, voor vrouwen. In 2013 werden de planken daarvan gevuld met de erotische ‘romans’ van E.L. James. Haar op goedkoop papier gedrukte, gelumbeckte paperbacks zijn voorzien van een verleidelijk blauwgrijze voorkant, maar normaliter worden chicklit-titels gedrukt met roze of anderszins bloemig gekleurde omslagen. Daarop zijn meeslepende illustraties te zien van vrouwelijke lotgenoten, die zich door de stormen van het woelige leven proberen te worstelen. Na heftige liefdesperikelen is de afloop van het verhaal liefst positief en troostrijk. Mannen willen bij deze rozige zwijmelarijen nog niet dood gevonden worden. Zij houden namelijk al eeuwenlang van het ruigere donkerblauw en kopen sowieso liever nuchtere, ontnuchterende non-fictie. De moderne chicklit is in feite de sociaal meer geaccepteerde opvolger van de even beruchte als nog altijd zeer succesvolle ‘kasteelroman’ (met bijvoorbeeld meer dan 3000 volstrekt inwisselbare titels in de Nederlandstalige Bouquetreeks), die op zijn beurt weer lijkt op de devote boekjes voor preutse adellijke dames in de Middeleeuwen. Natuurlijk zijn er altijd geëmancipeerde vrouwelijke uitzonderingen geweest, zoals de avontuurlijke kunstenares Maria Sibylla Merian uit de 17de, de onversaagde wereldreizigster Jeanne Baret uit de 18de, de daadkrachtige Marianne North uit de 19de of de hierboven genoemde militante Tsvetajeva uit de 20ste eeuw. Maar meestal namen vrouwen zichzelf nog minder serieus dan mannen dat deden. Van zelfs de bekendste, beroemdste en onafhankelijkste vrouwen in de wereldgeschiedenis weet nauwelijks iemand de zogenoemde ‘meisjesnaam’, of ze nu Hillary Clinton, Betty Friedan, Astrid Lindgren, Angela Merkel, Michelle Obama, Heleen van Royen of Patti Smith heten. Vrouwen eigenen zich (net als nu) liever de naam van hun zogeheten wettige echtgenoten toe. Die laatsten hebben deze uiteindelijk zelfverkozen wegcijferbereidheid van hun geliefden altijd  grootmoedig weten te waarderen.               

De Parijse arts en historicus Charles Malo (1790-1871) publiceerde in de jaren ’20 van de 19de eeuw een paar aansprekende gidsjes over vogels, vlinders, exotische dieren en fraaie plantjes. De boekjes waren speciaal voor vrouwen bedoeld. Dat betekende dat de tekst lichtvoetig moest zijn en niet te moeilijk, het formaat niet te stoer maar prettig handzaam (het liefst in miniatuur) en dat de boekbandjes een verleidelijke feminiene kleur moesten hebben. Die kon toen, net als tegenwoordig, alleen maar roze, glimmend en glinsterend zijn. Alles moest onschuldig, vrolijk en naïef geïllustreerd worden met mooie handgekleurde plaatjes van liefst lieve, niet-aanstootgevende dieren. De bibliofiele boekjes waren een soort 19de-eeuwse chicklit: blinkende biologie voor sensitieve dames die verzot waren (of dat zeiden te zijn) op frivole gespreksstof, kinderlijke lectuur en heerlijk uitgesponnen liefdesperikelen.

Eén van die charmante 19de-eeuwse boekjes is Malo’s Les Papillons, uitgegeven rond 1816 bij Janet, Libraire, Rue St. Jacques No. 59, Paris, en gedrukt bij L’Imprimerie de Richomme, eveneens in de Rue Saint-Jacques, No 67. Het originele bandje is van glimmend roze karton, in een handzaam kartonnen foedraaltje gestoken met dezelfde zuurstokroze tint. De gegraveerde titelprent verraadt behulpzaam waar het om gaat: een schalkse dame leunt bevallig tegen een modieus 19de-eeuws éénpootstafeltje, en kijkt ons koket aan, in één hand zorgvuldig een ondetermineerbare rozige vlinder vasthoudend. Dat is de ware geest van de tijd: vrouwen in de hogere kringen werden geacht zich bezig te houden met onschuldige zaken als pianospelen of natuurstudie, maar zodra zich (hopelijk) het huwelijk aandiende, was het gedaan met al die kunstzinnige fratsen.

De beroemde, talentvolle en intelligente Weense schoonheid Alma Mahler (ook zijzelf vond haar eigen naam onbelangrijk) is in het begin van de 20ste eeuw een ontluisterend voorbeeld van die vrouwelijke zelfhaat: Alma was weliswaar zo rijk en knap dat zij elke man kon krijgen die ze wilde hebben, maar vond het zelf een vloek om een vrouw te zijn. Zij vernietigde veel van haar eigen muzikale composities, ook zonder dat manlief Gustav haar daartoe ‘dwong’. Dezelfde neiging tot zelfdestructie zien we in Nederland in 2015, waar bijna net zoveel meisjes aan de universiteit studeren als er uiteindelijk geen hoogleraar worden. Terwijl bezorgde mannen vroeger simpelweg nog verboden dat vrouwen überhaupt konden studeren, voelen tegenwoordig de meeste jongens zich juist weer te goed voor de in hun ogen veel te gefeminiseerde universiteit. Zij haken dan ook massaal af, breken hun studie op om in het echte (en dus gevaarlijke) leven sneller hun eigen geld te gaan verdienen, door bijvoorbeeld op hun vijftiende gamesites of internetbedrijven op te richten en daarmee op hun dertigste multimiljonair te zijn. In de tussentijd leren hun vrouwelijke leeftijdgenoten om onder mannelijke blikken bedeesd te blozen, in de collegezaal hoge, dat wil zeggen keurige cijfers te halen, ‘iets met kinderen’ te willen gaan doen, hun eigen potentiële carrières vanwege mooi van pas komende glazen plafonds daarna zo snel mogelijk op te geven en om als braaf opgevoede prinsesjes niet van het kloeke mannelijke blauw maar van het baby-achtige (dat wil zeggen, infantiele) roze te gaan houden.

Les Papillons telt 198 bladzijden en is verrijkt met elf fijnzinnige, zorgvuldig handgekleurde gravures van exotische vlinders, waarschijnlijk van de hand van M.F. Janet naar ontwerpen van M.P. Bessa. In het openingsgedicht worden smachtende meisjes al rijmend vergeleken met tere en vergankelijke schubvleugeligen: zij fladderen van bloem tot bloem, telkens nieuwe bedpartners vindend, maar uiteindelijk nooit de Ware Liefde. De schrijver deelt ons daarna expliciet mee dat alles voor ‘l’amusement et la distraction’ is bedoeld. Mannen vonden al deze lepidopterologische beuzelarijen heel geschikt voor (hun) vrouwen, maar voelden zichzelf daar meestal te goed voor. Overigens wordt in de inleiding van het betreffende boekje een vrouw vermeld die op bijna ieders bewondering kon rekenen: de eerdergenoemde en nog altijd geliefde Maria Sibylla Merian. In een 18de-eeuws manuscript dat wordt bewaard in de Artis-bibliotheek in Amsterdam (en dat in het bezit was van de rijke en beroemde Amsterdamse apotheker en rariteitenverzamelaar Albertus Seba) kan men lezen dat de schrijver hiervan één van de weinigen was die op haar neerkeek: hij vond Merian maar een eenvoudige amateur, een liefhebster van vlindertjes. Seba werd schatrijk met zijn verzamelingen, maar de bescheiden Merian is vergeleken met hem uiteindelijk in relatieve armoede gestorven. Veel van haar spectaculaire en tegenwoordig onbetaalbare insectenboeken lagen toen nog onverkocht in haar magazijn. Ruim een eeuw later bleek Charles Malo commercieel gezien veel succesvoller, door zijn vlinderboekjes aan te passen aan de grillen van het niet zozeer kritische als wel ‘gevoelige’ schone geslacht.

Een andere titel in hetzelfde genre is het anoniem uitgegeven Histoire Naturelle en Miniature Suite à l’Abeille des Dames [1820], uitgegeven bij Le Fuel, Libraire, Rue St. Jacques, No. 54, Paris (blijkbaar vlakbij de uitgever van het boekje van Charles Malo). Ook dit tweede boekje heeft een verleidelijk glimmend roze bandje, gestoken in een beschermende blinde cassette, met eveneens een gegraveerde titelprent en elf met de (kinder)hand ingekleurde gravures, niet alleen van vlinders maar ook van exotische vogels en fijnzinnige bloemetjes en plantjes.

Histoire Naturelle en Miniature bevat een boekhistorische bijzonderheid: omdat het boekje omhuld is door een zogenaamde blinde cassette, is de titel van het binnenin liggende boekje niet te zien. De uitgever heeft daarom een klein los titelblaadje geplakt bovenaan het eerste schutblad. Dat kan over de vergulde bovensnede gevouwen worden, waardoor de titel van bovenaf altijd zichtbaar is, ook al omsluit de tekstloze cassette het boekje aan vijf zijden. Het spreekt voor zich dat deze prachtige en zeldzame boekjes in wetenschappelijk opzicht van nul en generlei waarde zijn, maar als onverhulde tijdsdocumenten zijn zij toch interessant. Op een verleidelijk ongepaste manier laten zij zien dat de vermeende zwakheden van vrouwen van alle tijden zijn (net als die van mannen overigens). Uitgevers speelden daar ook vroeger al gewiekst op in. Later ontstond er zelfs een literaire tegenbeweging: de zogenaamde dicklit, die, zoals de naam al suggereert, speciaal bedoeld was voor (echte) mannen. Het dameskamp reageerde geschokt, liet het daar niet bij zitten, zon op wraak en sloeg genadeloos terug. De cliterature was geboren. Als men dit begin- en eindeloze seksistische slagveld overziet kan men slechts één ding met zekerheid concluderen, namelijk plus ça change, plus c’est la même chose. Anno 2015 worstelen de meeste vrouwen nog altijd met hun zogenaamde romantische of hormonale verlangens. Zij beweren politiek-correct literaire pulp als chicklit, cliterature en Vijftig tinten grijs te verafschuwen, maar worden er tegelijkertijd blijkbaar juist door aangetrokken, als men tenminste even politiek-incorrecte als onweerlegbare verkoopcijfers durft te begrijpen. Al eeuwenlang ontdekken vrouwen elke keer opnieuw waar ze diep in hun hart blijkbaar het meest naar verlangen, namelijk eindeloos liefdesgefrutsel, kittig gekruid met licht erotisch geweld. Maar dat laatste nooit teveel, sowieso altijd net iets minder dan hun heerlijk foute mannen durven te gebruiken en vrolijk gekleurd met minstens vijftig tinten roze, of grijs. De Parijse dokter Charles Malo had hier waarschijnlijk liefdevol om moeten glimlachen: hij wist tenslotte twee eeuwen geleden al feilloos wat èchte vrouwen willen.

Bibliografie

♣ BARBER, Lynn: The Heyday of Natural History. 1820-1870. Garden City, New York: Doubleday, 1980.
♣ Mahler, Alma: Het is een vloek een meisje te zijn. Een keuze uit haar dagboeken 1898-1902. De Arbeiderspers: Amsterdam, 2000                                                                       ♣ Malo, Charles: Les Papillons. Janet, libraire, Rue St Jacques No. 59, Paris [1816].                  ♣ [anon.]: Histoire Naturelle en Miniature Suite à l’Abeille des Dames. Le Fuel, Libraire: Paris, Rue St. Jacques No. 54, Paris [1820].    ♣ Tsvetajeva, M.I.: Werken. Uitgeverij G.A. van Oorschot: Amsterdam, 1999 (vertaling en nawoord Marko Fondse)                                      ♣ Wettengl, Kurt (red.): Maria Sibylla Merian 1647-1717 Kunstenares en natuuronderzoekster. Becht / Teylers Museum: Haarlem, 1998

Geplaatst in Ornithologie, Zoologie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | 5 reacties

Dubbelzinnige stambomen: Ernst Haeckel en de Ladder van de Natuur

In de geschiedenis van de evolutietheorie zijn weinig afbeeldingen zo iconisch geworden als de weelderig uitwaaierende stambomen van de Duitse bioloog Ernst Haeckel (1834-1919). Zij waren bedoeld als speculatieve maar wetenschappelijk verantwoorde illustraties van de toen nog heftig omstreden evolutietheorie. Het grote publiek zag in de romantisch ogende  stambomen echter vooral het beeld oprijzen van een natuur die blijkbaar altijd omhoog streefde, naar vooruitgang en doelgerichtheid. Haeckel stimuleerde die vooringenomen manier van kijken  door sommige van zijn stambomen af te beelden als echte Wodanseiken, met aan de ijle top (dat kon niemand verbazen) de blanke Germaanse man die als een koning boven de rest van de natuur uittroonde en daar ogenschijnlijk ook  het doel van was. Alhoewel Haeckel zelf teleologische tendensen in zijn stambomen ontkende, was het onmogelijk om in die indrukwekkende bomen niet de bekende ‘scala naturae’ (Ladder van de natuur) te zien, met alle antropocentrische associaties die daarbij horen.

Deze in wezen Platoonse Ladder van de natuur was in de 18de eeuw van stevige theologische en filosofische fundamenten voorzien door Charles Bonnet (1720-1793), die betoogde dat de gehele natuur naadloos was opgebouwd uit wezenlijke entiteiten die tezamen de ‘Echelle des êtres naturels’ (‘The Great Chain of Being’) vormden. Vuur, water, aarde, stenen, levenloze mineralen en planten bungelden onderaan deze levensladder, dieren, mensen, engelen en een christelijke god zweefden in toenemende mate van onstoffelijkheid aan de top. Alles neigde omhoog,  maar uitsluitend in statische zin. Bonnet zag dat als een goddelijke paradox, wij zien dat tegenwoordig anders: door onze Darwiniaanse blik is het onmogelijk om in die eindeloze levensladder geen evolutionaire structuren en verwantschappen te zien. Voor Bonnet, die wilde laten zien dat hij een goed christen was, waren dat soort ideeën onbestaanbaar en ondenkbaar. Toen hij jong en onbevangen was (en nog niet devoot) ontdekte hij de verbazingwekkende ongeslachtelijke voorplanting van bladluizen. Zijn vriend Abraham Trembley experimenteerde in dezelfde tijd met de even revolutionaire regeneratie-vermogens van zoetwaterpoliepen, en die twee ontdekkingen dreigden samen de hele biologie (een woord dat toen nog niet bestond) op haar kop te zetten. Ongeslachtelijke voortplanting van bladluizen en eindeloos regenererende zoetwaterpoliepen waren tot daar aan toe, maar suggereren dat er überhaupt geen doelgerichtheid in de natuur zou voorkomen was erger dan godslastering.

Charles Darwin was een van de weinigen die niet veel illusies koesterde over de zogenaamde vooruitgang in de natuur, hoewel hij de Vuurlanders die hij ontmoette tijdens zijn wereldreis met de Beagle nog wel voor een armzalig en inferieur mensenras hield. Ook van teleologische ideeën was hij niet onder de indruk, iets wat weinig van zijn vrienden hem konden nazeggen en wat Darwins diepgelovige echtgenote voortdurend zorgen baarde. Darwin is dan ook verantwoordelijk voor de mooiste evolutionaire stamboom die ooit getekend is: zijn kleine maar verbijsterend moderne schets uit 1837 (zie afbeelding hiernaast), later uitgewerkt als enige illustratie in zijn magnum opus On the Origin of Species (1859). Haeckel daarentegen was tegelijkertijd impulsiever en minder scrupuleus, en vond daarom populaire weerklank belangrijker dan wetenschappelijke zorgvuldigheid. Vandaar dat hij de verleiding niet kon weerstaan om zijn evolutionaire ideeën te illustreren met iets waarvan hij wist dat het voor dubbelzinnigheid moest zorgen: de stamboom van de evolutie als stoere eik. Hij injecteerde als het ware de statische levensladder van Bonnet met tijd, en kreeg daar een dynamische, evolutionaire  levensboom voor terug. Het antropocentrisme van Bonnet nam hij echter ook over: vuur, lucht, water en aarde zijn verdwenen, maar dieren als bacteriën, kwallen, zeekom-kommers en zakpijpen worden nog steeds onderaan de levensboom afgebeeld. Reptielen en vooral de altijd populaire vogels worden al meer gewaardeerd en dus hoger geplaatst. Insecten, die voor iedereen toch duidelijk zeer talrijk en succesvol waren, komen er weer bekaaid vanaf, en moeten genoegen nemen met een weliswaar stevige maar toch wat laaghangende zijtak. Apen, halfapen en mensen daarentegen delen een stoere hoofdtak bovenaan in de levensboom. Op deze manier was het onmogelijk om Homo sapiens niet te zien als het middelpunt van de evolutie, ironisch genoeg precies zoals de door Haeckel verfoeide christenen dat deden, met de mens als doel en hoogtepunt in gods volmaakte schepping. Die schepping was overigens blijkbaar niet zo volmaakt dat er geen doelgerichtheid in kon voorkomen.

Al tijdens Haeckels leven werden hem deze dubbelzinnige stambomen kwalijk genomen door vakgenoten, en postuum kreeg hij het verwijt dat evolutionisten als hij en Darwin verantwoordelijk waren voor het 20ste-eeuwse racisme van vooral het Derde Rijk. Dat verwijt is wat de altijd consciëntieuze Darwin betreft absurd, en gaat voor Haeckel veel te ver, al was het alleen maar omdat juist Haeckel overtuigd en overtuigend streed voor een waarachtiger begrip van de levende natuur in het algemeen en de afkomst van de mens in het bijzonder. Als er ideologieën hebben bestaan die de mens als zelfverklaarde en absolute meester van de natuur boven al de andere levende wezens hebben gezet, en wel op de meest intolerante en meedogenloze wijze, dan zijn het altijd de monotheïstische religies geweest, trots op hun verraderlijke boodschap van geluk in een hiernamaals. Slechts seculiere wetenschappen als de moderne biologie konden dit statische en al in principe verkalkte natuurbeeld uiteindelijk doorbreken, waardoor bijvoorbeeld nog tijdens Haeckels leven werd ontdekt dat de vroegste gewervelde verwanten van de mens nu juist die door christenen verafschuwde zakpijpen zijn (zie afbeelding hierboven).

De zelfverklaarde atheïst Ernst Haeckel is echter een geval apart. Nog steeds worden overal ter wereld zijn prachtige illustraties gebruikt om te laten zien hoe evolutie werkt, maar het valt niet te ontkennen voor wie zijn beroemde en verleidelijke stambomen bewondert: alle dieren zijn gelijk, maar de mens is gelijker.

Literatuur
ANDERSON, Lorin: Charles Bonnet and the Order of the Known. Dordrecht, Boston, London: Reidel Publishing Company, 1982.
♣ BREDEKAMP, Horst: Darwins Korallen. Frühe Evolutionsmodelle und die Tradition der Naturgeschichte. Berlin: Verlag Klaus Wagenbach, 2005.
♣ BROMME, Traugott: Systematischer Atlas der Naturgeschichte für Schule und Haus. Stuttgart:              J. Engelhorn, 1861.

♣ GASMAN, Daniel: The Scientific Origins of National Socialism. Social Darwinism in Ernst Haeckel and the German Monist League. London: Macdonald, 1972.
♣ HAECKEL, Ernst: Natürliche Schöpfungsgeschichte.          4. Auflage. Berlin: Georg Reimer, 1873.
♣ HAECKEL, Ernst: Anthropogenie oder Entwicklungsgeschichte des Menschen. Leipzig: Wilhelm Engelmann, 1874.
♣ LOVEJOY, Arthur O.: The Great Chain of Being. Study of the History of an Idea. Cambridge Harvard University Press, 1936.
♣ PIETSCH, Theodore W.: Trees of Life. A Visual History of Evolution. Baltimore: The John Hopkins University Press, 2012.
♣ THEUNISSEN, B. & R.P.W. VISSER: De wetten van het leven. Historische grondslagen van de biologie 17501950. Baarn: Ambo, 1969.
♣ WIT, H.C.D. de: Ontwikkelingsgeschiedenis van de biologie. Deel 2B. Wageningen: Pudoc, 1989.

Geplaatst in Evolutie, Zoologie | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Kangoeroes aan tafel: een 19de-eeuws reisje naar Australië

Rond het midden van de 19de eeuw publiceerde de Nederlandse kinder-boekenschrijver Pieter van Os een aardig boekje over een avontuurlijke reis naar de oostkust van Australië, door de Engelsen New South Wales genoemd. Die kust was zo’n 75 jaar eerder door James Cook als eerste Europeaan ontdekt. Inmiddels was hier de kolonistenstad Sydney gesticht, idyllisch gelegen in een prachtige baai iets ten noorden van Botany Bay. Het boekje Reis naar Nieuw-Zuid-Wallis is verrijkt met vier eenvoudige maar aansprekende zwart-wit lithografieën, waaronder een frontispice met daarop een huiselijke scene waarbij een kangoeroe, tot schrik van de protagonist, onverwacht aan tafel verschijnt (zie afbeelding hieronder).

Het boekje verhaalt de larmoyante avonturen van een Engelsman die wegens veronderstelde misdaden naar Australië wordt getransporteerd, om daar in de kolonie te werken en zodoende wellicht zijn vrijheid zal herwinnen. Ondertussen moet hij allerlei gevaren trotseren, waaronder de aanwezigheid van de oorspronkelijke inwoners van Australië, de Aborigines, die volgens de auteur vuil, misdadig, lelijk, lui en onuit-sprekelijk dom zijn. Het zal geen verbazing wekken dat de blanke kolonisten er geen bezwaar in zagen zoveel ‘leeg’ land op te eisen als zij maar wilden.

De uitgever van het boekje gaf tussen 1852 en 1857 een driedelige reeks uit getiteld ‘Keur der nieuwste en belangrijkste reisbeschrijvingen’. Als eerste verscheen Reizen der Engelschen ter ontdekking ener Noordwestelijke doorvaart door den Noordelijke IJszee naar den Stillen Oceaan. Vervolgens in 1853 Reis naar de kolonie van misdadigers Nieuw-Zuid-Wallis. Uit het dagboek van een scheepsdoctor. Voor de jeugd bewerkt door P. van Os. Met vier plaatjes. Te Sneek, bij Van Druten & Bleeker, waarvan de onderhavige editie mogelijk een gewijzigde herdruk of een titeluitgave is. Als laatste deeltje in de serie verscheen in 1852 en 1857 de tweedelige Reizen der Engelschen naar de noordelijke Ijszee en de Stillen Oceaan. Om de een of andere reden is de hier besproken titel dus twee keer uitgegeven, de laatste keer licht gewijzigd.

Edward Duyker vermoedt dat het boekje, hoewel in onze ogen sterk romantisch van toon, daadwerkelijk invloedrijk geweest kan zijn: “Van Os’ book is clearly a romantic account of New South Wales in the 1840′s, but it also contains a substantial appendix dealing with the major gold discoveries in Victoria. Given the paucity of Dutch literature on this subject, it seems likely that it helped to shape the imagination of quite a number of prospective Dutch diggers.[i]

Dit sympathiek geïllustreerde kinderboekje is zeer zeldzaam: wereldwijd zijn slechts vier exemplaar bekend, waaronder het hier afgebeelde. Het is zo gezocht onder verzamelaars van australiana, dat een exemplaar op een Australische veiling (voorjaar 2011) maar liefst AU$ 1748,- (bijna € 1500,-) opbracht.


[i] Edward Duyker, The Dutch in Australia (Melbourne, 1987), p. 39. Zie ook: Ferguson, Bibliography of Australia, nr 13661.
Geplaatst in Reizen | Tags: , , , , , , , , ,

Het Paradijs verloren: Ernst Haeckel nog steeds op zoek naar de wieg van de mensheid (vervolg)

In hoeverre Ernst Haeckel werkelijk dacht dat de oorspronkelijke mens uit het inmiddels in de golven verdwenen Paradijs stamde, wordt uit zijn publicaties niet helemaal duidelijk. Enkele jaren na het verschijnen van zijn Natürliche Schöpfungsgeschichte (1868) (zie afbeelding: 2de druk) laat hij echter de aanduiding ‘Paradis’ en het vraagteken op zijn wereldkaart verdwijnen. Een witte plek in de Indische Oceaan bleef achter (zie afbeelding wereldkaart), door Haeckel eerder half opgevuld door het eveneens hypothetische maar zuidelijker gelegen ‘Lemurien’, dat in het eerste deel van dit artikel al ter sprake is gekomen. Nadat hij ook dit Lemurië van de kaart had gehaald zou het nog jaren duren voordat er enige duidelijkheid zou ontstaan over de werkelijke plaats van de wieg van de mensheid. Ondanks zijn provocerende stellingnames in het evolutie debat werd Haeckel intussen bij een groot publiek bekend en geliefd door zijn uitbundig geïllustreerde werken over ongewervelden als kwallen en radolariën. Deze vormden een grote inspiratiebron voor de architect René Binet, wiens ontwerpen voor de Parijse Wereldtentoonstelling van 1900 de aanleiding zouden vormen voor het opbloeien van de Art Nouveau-beweging in de kunst.

Haeckels landgenoot Alfred Wegener (1880-1930) zou enige tijd later zijn eveneens zeer controversiële theorie van de plaattektoniek publiceren. Deze theorie ging ervan uit dat continenten geen statische eenheden waren (zoals tot dan toe gedacht), maar reusachtige drijvende aardschollen, die in een continue evolutionaire beweging over het aardoppervlak schoven. Francis Bacon was in de zestiende eeuw al opgevallen dat de westkust van Afrika en de oostkust van Zuid-Amerika wel erg goed in elkaar leken te passen. Wegeners theorie poogde dat op een moderne manier te verklaren. Verloren eilanden en onder water gelopen reusachtige landmassa’s als Atlantis en Lemurië waren in zijn theorie niet meer nodig om de vorm van continenten te verklaren,  en dat betekende ook dat Haeckel zijn Paradijs als wieg van de mensheid voorgoed kwijtraakte.

Vlak daarna en nog tijdens Haeckels leven zou echter een nieuwe Hof van Eden worden gevonden, op een heel andere en onverwachte plaats. De Nederlander Eugene Dubois, op zijn beurt persoonlijk daartoe gestimuleerd door zijn grote voorbeeld Haeckel, zou in het paradijselijke Nederlandsch-Indië (het land van de gibbon) rond 1900 op zoek gaan naar de veronderstelde wortels van de mens, en tot ieders grote verbazing zou hij die daar ook werkelijk vinden. Dubois doopte deze vondst Anthropopithecus (mensaap), een naam die later werd veranderd in Pithecantropus erectus  (rechtoplopende aapmens). Uiteindelijk bleek Pithecantropus zelfs geen aapmens te zijn, maar daadwerkelijk nog nauwer aan de moderne mens Homo sapiens verwant, en zijn naam werd definitief veranderd en ‘opgewaardeerd’ tot Homo erectus. Deze spectaculaire vondst van Dubois zou het moderne onderzoek naar de oorsprong van de mens inluiden. Haeckel had deze oermens echter al voorspeld en hem zelfs al koelbloedig een naam gegeven en er een portret van laten maken (zie afbeelding hierboven): Pithecantropus alalus, de spraakloze aapmens.

       

In de loop van de 20ste eeuw bleek de wieg van de vroegste mensaap/aapmens toch in Afrika te hebben gestaan, hoewel de ‘wolharigen’ die daar woonden er weinig mee te maken bleken te hebben. Misschien zouden zij daar als ‘Ulotrichiër’ sowieso niet goed in hebben gepast: de door Haeckel verfoeide christenen zagen het Paradijs vooral als een blanke Hof van Eden. Maar dat aardse Paradijs was voorgoed verdwenen. De Homo sapiens van Linnaeus was daadwerkelijk over zichzelf gaan nadenken. Hij was daarmee een enkele illusie armer maar een oneindig voorgeslacht rijker geworden.   

Literatuur

♣ ALTHAUS, Karin & Helmut FRIEDEL: Gabriel von Max. Malerstar, Darwinist, Spiritist. München: Hirmer, 2010.                                               ♣ HAECKEL, Ernst: Natürliche Schöpfungsgeschichte. Berlin: Reimer, 1868.                                                                                                                      ♣ HAECKEL, Ernst: Natürliche Schöpfungsgeschichte. Berlin: Reimer, 1870.                                                                                                                      ♣ HAECKEL, Ernst: Natürliche Schöpfungsgeschichte. Berlin: Reimer, 1873.                                                                                                                      ♣ HAECKEL, Ernst: The History of Creation: or the Development of the Earth and its Inhabitants by the Action of Natural Causes. Transl. E. Ray Lankester. 3rd edition. London: Kegan Paul, 1883.                                                                                                                    ♣ LEAKY, Richard & L. Jan SLIKKERVEER: Man-Ape Ape-Man. The Quest for Human’s Place in Nature and Dubois’ Missing Link. Baarn: Ambo [etc], 1993.                                                                                               ♣ RICHARDS, Robert J,: The Tragic Sense of Life. Ernst Haeckel and the Struggle over Evolutionairy Thought. Chicago and London: The University of Chicago Press, 2008.                                                                                                                                        ♣ SHIPMAN, Pat: The Man Who Found the Missing Link. The Extraordinary Life of Eugène Dubois. London, Weidenfeld & Nicholson, 2001.                                                            ♣ THEUNISSEN, Bert: Eugène Dubois en de aapmens van Java. Een bijdrage tot de geschiedenis van de paleoantropologie. Amsterdam: Editions Rodopi, 1985.

Geplaatst in Evolutie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Het Paradijs gevonden: Ernst Haeckel op zoek naar de wieg van de mensheid

In Nederland geniet de 19de-eeuwse Duitse bioloog Ernst Haeckel relatief weinig bekendheid. Toch kan zijn belang voor de popularisering van evolutionaire denkbeelden in de negentiende eeuw nauwelijks overschat worden. Haeckel was na het lezen van Darwins On the Origin of Species (1859) op slag een fanatiek aanhanger geworden van diens evolutietheorie. In 1866 bezocht hij Darwin in Down; terug in Duitsland was Haeckel vervolgens een van de eersten die met talrijke publicaties de toen nog zeer omstreden evolutietheorie bij een groter publiek bekendmaakte. Bovendien werd hij, als overtuigd atheïst, berucht door zijn compromisloze strijd tegen wat hij zag als wetenschappelijk obscurantisme en bigotte christelijkheid.

Een van de populairste werken die Haeckel schreef is Natürliche Schöpfungsgeschichte (1868), waarin hij probeert voor een groter publiek zijn denkbeelden over het leven op aarde in het algemeen en de oorsprong van de mens in het bijzonder begrijpelijk en aanschouwelijk te maken. Dit boek bleek een groot succes: het werd tussen 1868 en 1924 talloze malen herdrukt, herzien, uitgebreid, en vertaald in diverse Europese talen.  Vergelijking van de verschillende drukken laat een interessante ontwikkeling in het denken van de auteur zien. Haeckel zocht antwoorden op vraagstukken waarmee zijn achttiende-eeuwse voorgangers ook al hadden geworsteld.

Zo had ruim een eeuw daarvoor de grote Zweedse systematicus Carolus Linnaeus (1707-1778) Homo sapiens al ingedeeld bij de apen (‘primates’), maar zag paradoxaal genoeg geen werkelijke verwantschap tussen mens en dier. Integendeel: Linnaeus was een orthodox christen en geloofde rotsvast (maar later twijfelend) in het bijbelse scheppingsverhaal, waarin wordt verhaald hoe de mens ooit in het maagdelijke Paradijs het prille licht had gezien. Dat mensen en apen directe familie van elkaar zouden kunnen zijn, was voor hem als christen een absurd idee – maar waarom leken ze dan wel degelijk op elkaar? Een bijkomend probleem was het Paradijs zelf: waar had dat gelegen?

In zijn Natürliche Schöpfungsgeschichte probeert Haeckel op beide vragen een antwoord te vinden. Volgens hem waren de overeenkomsten tussen mens en dier meer dan louter oppervlakkig of toevallig. Hij poneerde de explosieve stelling dat ze een gemeenschappelijke oorsprong moesten hebben, en dat die oorsprong alleen met behulp van de nieuwe evolutietheorie te verklaren was. Darwins grote vriend en medestander Thomas Henry Huxley (de ‘Devil’s Chaplain’) was hem daarin enkele jaren eerder voorgegaan, door skeletten van mensen, chimpansees, gibbons en gorilla’s met elkaar te vergelijken. Haeckel liet in de tweede druk van zijn Natürliche Schöpfungsgeschichte een wereldkaart opnemen, die duidelijk moest maken hoe alle mensen in evolutionaire zin aan elkaar verwant zijn. Maar waar lag de oorsprong van al die rassen, als de bijbel niet als leidraad genomen kon worden? Lag de Hof van Eden in Azië, of misschien in Afrika, waar tenslotte ‘negers’ (‘Ulotrichiërs’ of wolharigen) woonden? Die waren toch duidelijk primitiever dan hoogontwikkelde Noord-Europese blanken zoals Haeckel zelf. Of woonden de veronderstelde  mensapen/aapmensen toch op de plek die de bijbel aanwees, het gebied tussen de Eufraat en de Tigris, de oorspronkelijke Hof van Eden?

Haeckel besloot bij voorlopig gebrek aan bewijsmateriaal het Paradijs te situeren op een plek die niemand kon betwisten, aangezien zij niet (meer) bestond: midden in de Indische Oceaan, op een verzonken continent, dat misschien wel ooit het mysterieuze Atlantis van Plato was geweest. De Engelsman Sclater had enkele jaren eerder voor dit reusachtige eiland de naam Lemurië verzonnen, afgeleid van de naam voor halfapen (‘lemuren’) op Madagascar, het eiland dat zelf wel eens een overblijfsel van het verzonken continent zou kunnen zijn. De in de tussentijd in Duitsland gevonden Neanderthaler werd nog lang niet door iedereen als serieuze kandidaat voor de oermens aangezien, zodat deze in het denken over de afkomst van de mens vrijwel geen rol speelde. Om de geografische onzekerheid te benadrukken, voorzag Haeckel zijn Paradijs van een vraagteken.

Sommige geleerden[i] lezen de letters ‘U.L.’ in Haeckels wereldkaart (zie illustratie) als ‘Unbekanntes Land’, en vreemd genoeg is Haeckel daar zelf niet duidelijk over. Waarschijnlijk doelde hij op de eerder genoemde ‘Ulotrichier’ (‘negers’) en ‘Lisotrichier’  (stijlharigen, d.w.z. ‘blanken’ en Indiërs) die vanuit de Hof van Eden de wereld zouden hebben bevolkt. Haeckel had zijn Paradijs gevonden, maar hij zou dit al snel weer kwijtraken.


[i] Zie bijvoorbeeld: Richards, The Tragic Sense of Life, pp. 250-251.

Wordt vervolgd

Literatuur
♣ DARWIN, Charles. On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life. London: John Murray, 1859.
♣ HAECKEL, Ernst. Natürliche Schöpfungsgeschichte. Berlin: Georg Reimer, 1868.
♣ HAECKEL, Ernst.
Natürliche Schöpfungsgeschichte. 2. Ausgabe. Berlin: Georg Reimer, 1870.
♣ HAECKEL, Ernst. The History of Creation: or the Development of the Earth and its Inhabitants by the Action of Natural Causes. Transl. E. Ray Lankester. 3rd ed. London: Kegan Paul, 1883.
♣ HUXLEY, Thomas Henry. [Zoological] Evidence[s] as to Man’s Place in Nature. London: Williams & Norgate, 1863.
♣ RAMASWAMY, Sumathi: The Lost Land of Lemuria. Fabulous Geographies, Catastrophic Histories. Berkely Los Angeles London: University of California Press, 2004
♣ RICHARDS, Robert J.:
The Tragic Sense of Life. Ernst Haeckel and the Struggle over Evolutionairy Thought. Chicago and London: The University of Chicago Press, 2008.
Geplaatst in Evolutie, Zoologie | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen