Orliëtten uit de Stille Zuidzee. De ‘poij’ van Georg Forster.

‘Toko’, ‘toui’, poë’, tui’, ‘poij’: al deze exotisch klinkende namen zijn bedoeld voor de prachtig groengekleurde  hals-kraagvogel, een bewoner van Nieuw-Zeeland en lid van de honingvogelfamilie (Meliphagidae). In de tweede helft van de 18de eeuw hoorde de Engelse ontdekkingsreiziger James Cook enkele van deze deze namen voor het eerst uit de mond van de oorspronkelijke Nieuw-Zeelanders, de Maori. Het woord ‘poij’ is echter niet van Nieuw-Zeelandse maar van Tahitiaanse oorsprong en betekent ‘oorring’. Dit slaat op de opvallende witte keelpluimpjes die de halskraagvogels gebruiken bij de balts. Om dezelfde reden noemden de Engelsen vroeger de vogel ook wel ‘parson-bird’. Het woord ‘poij’ is in het Nederlands geïntroduceerd via de Nederlandse vertaling van Cooks reisverslag, verschenen in 1778 als Reis naar de Zuidpool. Dit reisverslag vertaalde Jan David Pasteur twee jaar later opnieuw, in Cooks Reizen rondom de Waereld. Pasteur gaf de vogel ook nog een bijnaam: ‘orliëtten-vogel’, waarbij hij vermeldde dat het woord orliët is afgeleid van het Franse ‘oreilette’ dat net als poij ‘oorring’ of ‘oorhanger’ betekent.

Een van de eerste Europeanen die de vogel in het wild zag was de 19-jarige Duitse wereldreiziger Georg Forster. Hij was niet alleen een soort wonderkind in de literatuur (en vriend en inspirator van Alexander von Humboldt, die op zijn beurt Charles Darwin zou inspireren om op wereldreis te gaan), maar kon zelf op vroege leeftijd ook al prachtig tekenen. Hij was samen met zijn even ambitieuze als lastige vader Johann Reinhold Forster meegereisd op de tweede expeditie van Cook (1772 tot 1775). Beiden kwamen handen en ogen tekort om al de exotische planten en dieren die zij onderweg tegenkwamen te bestuderen en te tekenen. In de bosrijke Dusky Sound in Nieuw-Zeeland zag Georg in 1773 een luidruchtige poij voorbijvliegen, met de opvallende witte verenpluimpjes aan zijn keel. Hij wist de vogel aan boord enkele maanden lang met suikerwater in leven te houden. De aquarel die hij van de poij maakte zou later als voorbeeld dienen voor de gravure in het reisverslag van Cook. Nadat de vogel op weg naar Tahiti was gestorven, werd de balg met vele andere natuurhistorische voorwerpen terug mee naar Engeland genomen, om in de 19de eeuw in het Naturhistorisches Museum in Wenen terecht te komen. Waar dit exemplaar nu is, is onbekend. De poij (samen met onder andere de kangoeroe en de Tasmaanse buidelduivel) was een van de weinige dieren die vermeld en afgebeeld werden in de officiële publicaties van James Cook. Pas in de decennia daarna zouden vooral Franse ontdekkingsreizigers tienduizenden exotische dieren en planten verzamelen, en het lezerspubliek in Europa overrompelen met veeldelige, prachtig geïllustreerde reisverslagen. De arts René Primevère Lesson (die in 1824 op Nieuw-Guinea als eerste blanke een levende paradijsvogel zag) vermeldt in het verslag van zijn reis rond de wereld dat de ‘poë’ in ‘Nouvelle-Zélande’ een geliefde kooivogel was, die men complete rondeeltjes kon leren zingen:  ko tu koë, ko rongo koë, ko te manou widi etc.

De eerste Europese naam voor de poij, ‘New Zealand Creeper’, werd al in 1776 door Peter Brown gegeven. In de Duitse staten werd hij ‘Priestervogel’ genoemd, een naam die Georg Forster had voorgesteld. De eerste wetenschappelijke benaming (1788) komt van de Duitse Linnaeus-bezorger Gmelin: Merops novae-seelandiae. Toen echter bleek dat de naam Merops al eerder was gebruikt voor een ander vogelgeslacht, veranderde de Engelsman Gray in 1840 de naam definitief in Prosthemadera novaeseelandiae.

Het woord ‘orliëtten’ wordt in de Nederlandse taal allang niet meer gebruikt, en helaas zijn veel andere Nieuw-Zeelandse vogelsoorten inmiddels uitgestorven. Maar de poij of voormalige orliëttenvogel zelf fladdert anno 2013 nog altijd levendig rond in de oerbossen van het Noorder- en Zuidereiland, op zoek naar  de bedwelmende nectar van de Nieuw-Zeelandse vlas- of hennepplant. U ziet hier de allereerste Nederlandse gedrukte afbeelding van zowel de poij als de vlasplant, beide uit het vierde deel van Reizen rondom de Waereld van James Cook in de vertaling door Jan David Pasteur uit 1799.

Bibliografie
♣ BULLER, Walter Lawry. Buller’s Birds of New Zealand. Ed. E.G. Turbott. 2nd edition. London: Macdonald, 1967.
♣ COOK, James. Reizen rondom de Waereld, vertaald door J.D. Pasteur [] Vierde deel. Leiden, Amsterdam & Den Haag: Honkoop, Allart en van Cleef, 1799.
♣ FORSTER, Georg. Reise um die Welt. Illustriert von eigener Hand. Frankfurt am Main: Eichborn Verlag, 2007.
♣ LESSON, [René] P[rimevère].: Voyage autour du monde entrepris par ordre de gouvernement sur la corvette La Coquille [2 delen]. Paris: P. Pourrat, Frères, Éditeurs, 1838-’39.
♣ WATOLA, George. The Discovery of New Zealand’s Birds. Orewa: Arun Books, 2008.
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Ornithologie, Reizen en getagged met , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s