Biologie voor dames: vijftig tinten roze in de 19de eeuw

                                                                         Plus ça change, plus c’est la même chose                                                                                   Grijs is het nieuwe roze: lang voordat zij de stomende bestseller Vijftig tinten grijs van E.L. James had kunnen lezen, schreef de grote Russische dichter Marina Tsvetajeva (1892-1941) dat zij het helemaal had gehad met al die zwijmelende vrouwelijke collega’s die geen zin konden produceren zonder de woorden ‘ik’ of ‘liefde’ er in. Zij had al een hekel aan het woord ‘dichteres’, omdat ze vond dat vrouwen met die feminisering van een blijkbaar mannelijke norm daarmee juist tekort werden gedaan. Maar nu, anno 2015, na ontelbare zogenaamde emancipatiegolven, is het nog altijd de normaalste zaak van de wereld om in een willekeurige boekwinkel een chicklit-afdeling aan te treffen: een apart gedeelte vol romans met ‘waargebeurde’ verhalen over de liefde, geschreven door vrouwen, voor vrouwen. In 2013 werden de planken daarvan gevuld met de erotische ‘romans’ van E.L. James. Haar op goedkoop papier gedrukte, gelumbeckte paperbacks zijn voorzien van een verleidelijk blauwgrijze voorkant, maar normaliter worden chicklit-titels gedrukt met roze of anderszins bloemig gekleurde omslagen. Daarop zijn meeslepende illustraties te zien van vrouwelijke lotgenoten, die zich door de stormen van het woelige leven proberen te worstelen. Na heftige liefdesperikelen is de afloop van het verhaal liefst positief en troostrijk. Mannen willen bij deze rozige zwijmelarijen nog niet dood gevonden worden. Zij houden namelijk al eeuwenlang van het ruigere donkerblauw en kopen sowieso liever nuchtere, ontnuchterende non-fictie. De moderne chicklit is in feite de sociaal meer geaccepteerde opvolger van de even beruchte als nog altijd zeer succesvolle ‘kasteelroman’ (met bijvoorbeeld meer dan 3000 volstrekt inwisselbare titels in de Nederlandstalige Bouquetreeks), die op zijn beurt weer lijkt op de devote boekjes voor preutse adellijke dames in de Middeleeuwen. Natuurlijk zijn er altijd geëmancipeerde vrouwelijke uitzonderingen geweest, zoals de avontuurlijke kunstenares Maria Sibylla Merian uit de 17de, de onversaagde wereldreizigster Jeanne Baret uit de 18de, de daadkrachtige Marianne North uit de 19de of de hierboven genoemde militante Tsvetajeva uit de 20ste eeuw. Maar meestal namen vrouwen zichzelf nog minder serieus dan mannen dat deden. Van zelfs de bekendste, beroemdste en onafhankelijkste vrouwen in de wereldgeschiedenis weet nauwelijks iemand de zogenoemde ‘meisjesnaam’, of ze nu Hillary Clinton, Betty Friedan, Astrid Lindgren, Angela Merkel, Michelle Obama, Heleen van Royen of Patti Smith heten. Vrouwen eigenen zich (net als nu) liever de naam van hun zogeheten wettige echtgenoten toe. Die laatsten hebben deze uiteindelijk zelfverkozen wegcijferbereidheid van hun geliefden altijd  grootmoedig weten te waarderen.               

De Parijse arts en historicus Charles Malo (1790-1871) publiceerde in de jaren ’20 van de 19de eeuw een paar aansprekende gidsjes over vogels, vlinders, exotische dieren en fraaie plantjes. De boekjes waren speciaal voor vrouwen bedoeld. Dat betekende dat de tekst lichtvoetig moest zijn en niet te moeilijk, het formaat niet te stoer maar prettig handzaam (het liefst in miniatuur) en dat de boekbandjes een verleidelijke feminiene kleur moesten hebben. Die kon toen, net als tegenwoordig, alleen maar roze, glimmend en glinsterend zijn. Alles moest onschuldig, vrolijk en naïef geïllustreerd worden met mooie handgekleurde plaatjes van liefst lieve, niet-aanstootgevende dieren. De bibliofiele boekjes waren een soort 19de-eeuwse chicklit: blinkende biologie voor sensitieve dames die verzot waren (of dat zeiden te zijn) op frivole gespreksstof, kinderlijke lectuur en heerlijk uitgesponnen liefdesperikelen.

Eén van die charmante 19de-eeuwse boekjes is Malo’s Les Papillons, uitgegeven rond 1816 bij Janet, Libraire, Rue St. Jacques No. 59, Paris, en gedrukt bij L’Imprimerie de Richomme, eveneens in de Rue Saint-Jacques, No 67. Het originele bandje is van glimmend roze karton, in een handzaam kartonnen foedraaltje gestoken met dezelfde zuurstokroze tint. De gegraveerde titelprent verraadt behulpzaam waar het om gaat: een schalkse dame leunt bevallig tegen een modieus 19de-eeuws éénpootstafeltje, en kijkt ons koket aan, in één hand zorgvuldig een ondetermineerbare rozige vlinder vasthoudend. Dat is de ware geest van de tijd: vrouwen in de hogere kringen werden geacht zich bezig te houden met onschuldige zaken als pianospelen of natuurstudie, maar zodra zich (hopelijk) het huwelijk aandiende, was het gedaan met al die kunstzinnige fratsen.

De beroemde, talentvolle en intelligente Weense schoonheid Alma Mahler (ook zijzelf vond haar eigen naam onbelangrijk) is in het begin van de 20ste eeuw een ontluisterend voorbeeld van die vrouwelijke zelfhaat: Alma was weliswaar zo rijk en knap dat zij elke man kon krijgen die ze wilde hebben, maar vond het zelf een vloek om een vrouw te zijn. Zij vernietigde veel van haar eigen muzikale composities, ook zonder dat manlief Gustav haar daartoe ‘dwong’. Dezelfde neiging tot zelfdestructie zien we in Nederland in 2015, waar bijna net zoveel meisjes aan de universiteit studeren als er uiteindelijk geen hoogleraar worden. Terwijl bezorgde mannen vroeger simpelweg nog verboden dat vrouwen überhaupt konden studeren, voelen tegenwoordig de meeste jongens zich juist weer te goed voor de in hun ogen veel te gefeminiseerde universiteit. Zij haken dan ook massaal af, breken hun studie op om in het echte (en dus gevaarlijke) leven sneller hun eigen geld te gaan verdienen, door bijvoorbeeld op hun vijftiende gamesites of internetbedrijven op te richten en daarmee op hun dertigste multimiljonair te zijn. In de tussentijd leren hun vrouwelijke leeftijdgenoten om onder mannelijke blikken bedeesd te blozen, in de collegezaal hoge, dat wil zeggen keurige cijfers te halen, ‘iets met kinderen’ te willen gaan doen, hun eigen potentiële carrières vanwege mooi van pas komende glazen plafonds daarna zo snel mogelijk op te geven en om als braaf opgevoede prinsesjes niet van het kloeke mannelijke blauw maar van het baby-achtige (dat wil zeggen, infantiele) roze te gaan houden.

Les Papillons telt 198 bladzijden en is verrijkt met elf fijnzinnige, zorgvuldig handgekleurde gravures van exotische vlinders, waarschijnlijk van de hand van M.F. Janet naar ontwerpen van M.P. Bessa. In het openingsgedicht worden smachtende meisjes al rijmend vergeleken met tere en vergankelijke schubvleugeligen: zij fladderen van bloem tot bloem, telkens nieuwe bedpartners vindend, maar uiteindelijk nooit de Ware Liefde. De schrijver deelt ons daarna expliciet mee dat alles voor ‘l’amusement et la distraction’ is bedoeld. Mannen vonden al deze lepidopterologische beuzelarijen heel geschikt voor (hun) vrouwen, maar voelden zichzelf daar meestal te goed voor. Overigens wordt in de inleiding van het betreffende boekje een vrouw vermeld die op bijna ieders bewondering kon rekenen: de eerdergenoemde en nog altijd geliefde Maria Sibylla Merian. In een 18de-eeuws manuscript dat wordt bewaard in de Artis-bibliotheek in Amsterdam (en dat in het bezit was van de rijke en beroemde Amsterdamse apotheker en rariteitenverzamelaar Albertus Seba) kan men lezen dat de schrijver hiervan één van de weinigen was die op haar neerkeek: hij vond Merian maar een eenvoudige amateur, een liefhebster van vlindertjes. Seba werd schatrijk met zijn verzamelingen, maar de bescheiden Merian is vergeleken met hem uiteindelijk in relatieve armoede gestorven. Veel van haar spectaculaire en tegenwoordig onbetaalbare insectenboeken lagen toen nog onverkocht in haar magazijn. Ruim een eeuw later bleek Charles Malo commercieel gezien veel succesvoller, door zijn vlinderboekjes aan te passen aan de grillen van het niet zozeer kritische als wel ‘gevoelige’ schone geslacht.

Een andere titel in hetzelfde genre is het anoniem uitgegeven Histoire Naturelle en Miniature Suite à l’Abeille des Dames [1820], uitgegeven bij Le Fuel, Libraire, Rue St. Jacques, No. 54, Paris (blijkbaar vlakbij de uitgever van het boekje van Charles Malo). Ook dit tweede boekje heeft een verleidelijk glimmend roze bandje, gestoken in een beschermende blinde cassette, met eveneens een gegraveerde titelprent en elf met de (kinder)hand ingekleurde gravures, niet alleen van vlinders maar ook van exotische vogels en fijnzinnige bloemetjes en plantjes.

Histoire Naturelle en Miniature bevat een boekhistorische bijzonderheid: omdat het boekje omhuld is door een zogenaamde blinde cassette, is de titel van het binnenin liggende boekje niet te zien. De uitgever heeft daarom een klein los titelblaadje geplakt bovenaan het eerste schutblad. Dat kan over de vergulde bovensnede gevouwen worden, waardoor de titel van bovenaf altijd zichtbaar is, ook al omsluit de tekstloze cassette het boekje aan vijf zijden. Het spreekt voor zich dat deze prachtige en zeldzame boekjes in wetenschappelijk opzicht van nul en generlei waarde zijn, maar als onverhulde tijdsdocumenten zijn zij toch interessant. Op een verleidelijk ongepaste manier laten zij zien dat de vermeende zwakheden van vrouwen van alle tijden zijn (net als die van mannen overigens). Uitgevers speelden daar ook vroeger al gewiekst op in. Later ontstond er zelfs een literaire tegenbeweging: de zogenaamde dicklit, die, zoals de naam al suggereert, speciaal bedoeld was voor (echte) mannen. Het dameskamp reageerde geschokt, liet het daar niet bij zitten, zon op wraak en sloeg genadeloos terug. De cliterature was geboren. Als men dit begin- en eindeloze seksistische slagveld overziet kan men slechts één ding met zekerheid concluderen, namelijk plus ça change, plus c’est la même chose. Anno 2015 worstelen de meeste vrouwen nog altijd met hun zogenaamde romantische of hormonale verlangens. Zij beweren politiek-correct literaire pulp als chicklit, cliterature en Vijftig tinten grijs te verafschuwen, maar worden er tegelijkertijd blijkbaar juist door aangetrokken, als men tenminste even politiek-incorrecte als onweerlegbare verkoopcijfers durft te begrijpen. Al eeuwenlang ontdekken vrouwen elke keer opnieuw waar ze diep in hun hart blijkbaar het meest naar verlangen, namelijk eindeloos liefdesgefrutsel, kittig gekruid met licht erotisch geweld. Maar dat laatste nooit teveel, sowieso altijd net iets minder dan hun heerlijk foute mannen durven te gebruiken en vrolijk gekleurd met minstens vijftig tinten roze, of grijs. De Parijse dokter Charles Malo had hier waarschijnlijk liefdevol om moeten glimlachen: hij wist tenslotte twee eeuwen geleden al feilloos wat èchte vrouwen willen.

Bibliografie

♣ BARBER, Lynn: The Heyday of Natural History. 1820-1870. Garden City, New York: Doubleday, 1980.
♣ Mahler, Alma: Het is een vloek een meisje te zijn. Een keuze uit haar dagboeken 1898-1902. De Arbeiderspers: Amsterdam, 2000                                                                       ♣ Malo, Charles: Les Papillons. Janet, libraire, Rue St Jacques No. 59, Paris [1816].                  ♣ [anon.]: Histoire Naturelle en Miniature Suite à l’Abeille des Dames. Le Fuel, Libraire: Paris, Rue St. Jacques No. 54, Paris [1820].    ♣ Tsvetajeva, M.I.: Werken. Uitgeverij G.A. van Oorschot: Amsterdam, 1999 (vertaling en nawoord Marko Fondse)                                      ♣ Wettengl, Kurt (red.): Maria Sibylla Merian 1647-1717 Kunstenares en natuuronderzoekster. Becht / Teylers Museum: Haarlem, 1998

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Ornithologie, Zoologie en getagged met , , , , , , , , , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

5 reacties op Biologie voor dames: vijftig tinten roze in de 19de eeuw

  1. alle diderik de jonge zegt:

    Wat een bijzonder leuk verhaal vol -voor mij-nieuwe wetenswaardigheden

    Alle

  2. Johan kappelhof zegt:

    Leuk stukje; goed geschreven en de parallel is goed gevonden. Volgens mij waren er trouwens ook in de vroege 19e eeuw al liefdesromannetjes met meestal een dramatisch einde en vaak ook een griezelig aspect erin (grote enge man met baard of zo).
    Groet, Johan Kappelhof

  3. Ellie Heijloo zegt:

    Wat een fijn stuk om te lezen. Prikkelend qua onderwerp en toon en mooi geïllustreerd. Vrouwelijk, mannelijk, dat blijft een onuitputtelijke bron van discussie en misverstanden. Leuk om het in verband gebracht te zien met natuurlijke historie.
    En een bibliografie die me ook op het spoor zet van Maria Sibylla Merian. Ik kende haar naam niet maar ben nieuwsgierig naar haar geworden.
    Groet, Ellie Heijloo

  4. Marcel van Dorst zegt:

    Erg leuk om te lezen. De vraag nature of nurture is wel beantwoord! Ook zo’n frivool knutselboekje, ter bevestiging ;), is de flora voor dames, de erven van F. Bohn. groetjes, Marcel

  5. Heleen Mees zegt:

    Prachtig!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s