12 oktober 1817

Vandaag is het precies tweehonderd jaar geleden dat de Utrechtse amateurbotanica Berthe Hoola van Nooten werd geboren. Ze is de maakster van een van de mooiste Indische florilegia uit de negentiende eeuw, Fleurs, fruits et feuillages choisis de la flore et de la pomone de l’île de Java. Uit een te verschijnen studie over haar leven en werk wordt hier alvast een hoofdstuk gepubliceerd. Het is 1855. Berthe is eerder vanuit Suriname in New Orleans terechtgekomen. In 1847 heeft ze daar haar echtgenoot aan de gele koorts verloren en sindsdien ze staat er in het verre, vreemde Amerika met haar vijf jonge kinderen helemaal alleen voor. Onvoorzien zal ze de grootste reis van haar leven gaan maken.

Op weg naar Java

This summer has been very dark to me.’ (Hoola van Nooten aan Dunlap, brief d.d. 20 oktober 1854)

[…] Na de dood van haar man moet Berthe wanhopig zijn geweest. ‘All human joys have been taken away from me’, schreef ze later bitter. Toch leek ze ongebroken. Ze blijkt zelfs nog Nederland bezocht te hebben, tussen de tweede meisjesschool te New Orleans en de derde te Plaquemine in. Nadat ze haar oudste dochters Maria Philippina en Julia Bertha had achtergelaten bij hun tantes in Wageningen kwam ze vermoedelijk in haar eentje terug naar Amerika. Al haar eerdere meisjesinstituten waren daar geëindigd in financiële mislukkingen. Omdat geldgebrek steeds nijpender werd nodigde haar halfbroer Vincent Jacob van Dolder het hele gezin uit om op Java te komen wonen, waar hij zojuist op een belangrijke en vooral lucratieve koloniale post was benoemd. Ook Helena, Berthes huishoudhulp was welkom, een knappe Creoolse ex-slavinnendochter waarop hij tijdens een eerder bezoek aan New Orleans smoorverliefd was geworden. Vincent Jacob beloofde voor iedereen de overtocht te betalen. Die extra hulp werd al snel onmisbaar, want de veiling van Berthes huisraad en de verkoop van haar financiële aandeel in de school zouden vrijwel niets opbrengen. Zijn woorden moeten als manna uit de hemel gevallen zijn:

Yesterday’s mail has brought me letters from home & one from my brother from Java wherein he informs me, that he has lately been appointed to one of the chief offices of the Colony – with a considerable salary – and that otherwise being very successful in his business – this circumstance enables him to assure the entire charge of my children’s education and to provide for them entirely – so that he proposes to me to join him in East-India – offering me a home of my own and a quiet, comfortable life for the balance of my days.

Olland & Zn Batavia: Berthe Hoola van Nooten, fotografie, circa 1860 (collectie familie Barth)

Berthe voelde zich verward, maar ook opgelucht en dankbaar. Ze accepteerde zijn aanbod. Bij een gehaaid zakenman als Vincent Jacob is het trouwens niet ondenkbaar dat die herenigingsdrang eerder de mooie Helena gegolden zal hebben dan haar bazin, zijn vrome halfzus. Hoe dan ook, enkele maanden later zou Berthe de Verenigde Staten achter zich laten, samen met haar jongste dochter Henriëtte en twee zoontjes Jacques Henri en Alphonse. Ze deed dat volgens eigen zeggen met spijt in het hart en, buiten het contante passagiersgeld van $110, een vrijwel lege portemonnee. ‘After eight years of struggle and toil I shall leave America, without even fifty dollars that I can call my own’, schreef ze gedesillusioneerd. Daarnaast voelde ze zich flink bedrukt door het besef dat ze diverse school- en huishoudrekeningen onbetaald had achtergelaten. Dat haar schuldgevoel hierover bepaald niet onterecht was is te lezen in The Galveston News van dinsdag 8 november 1855. Daarin wordt namelijk vermeld dat drie bekende winkeliers uit Galveston een zekere mevrouw ‘B.H. van Nooten’ bij de ‘Justice of Peace’ (kantonrechter) hebben aangeklaagd wegens het niet betalen van $ 55,22 voor geleverde ‘goods, wares and merchandise’. Op dat moment was de weduwe echter al gevlogen, richting Europa. Vlak voor haar inscheping vanuit Boston lukte het nog wel om een portretfoto van haarzelf te laten maken. Dat was een daguerreotypie, de nieuwe, uit Frankrijk overgewaaide en ook in de Verenigde Staten razendsnel populair geworden reproduceertechniek. In de rijke havenstad wemelde het destijds van de studio’s waar men zich dankzij verzilverde koperen platen, zoutoplossingen en levensgevaarlijke jodium- en kwikdampen in glashelder miniatuur kon laten vereeuwigen. Elke foto was uniek, ook die van Berthe. Ze stuurde het portret op als aandenken op aan de kort daarvoor weduwnaar en opnieuw trouwlustig geworden Dunlap. Hij deed hetzelfde met dat van hem, in omgekeerde richting. Tussendoor bekende Berthe dat ze zich, ‘with a heart craving for affection’, meerdere nieuwe liefdesbetuigingen had laten welgevallen, van ‘other lips then yours [Dunlap]’. Ze weigerde echter de naam van de tweede vrijer te onthullen, vanwege een ‘secret of terrible consent’. Wat was dat ‘verschrikkelijke’ geheim? En wie was die andere man, een publiek iemand misschien, een door eigen toedoen in verleiding gebrachte kerkgenoot, of iemand die eenvoudigweg al bezet was? Dunlap moet er diep door zijn geraakt. Toch lijkt hijzelf degene te zijn geweest die, om wat voor redenen dan ook, niet was ingegaan op haar eerdere avances. Na deze door haarzelf vroegtijdig beëindigde affaire besloot Berthe nooit meer te trouwen, met welke huwelijkszuchtige dan ook. ‘I do hope I shall once visit these shores’ schreef ze nog aan Dunlap, maar de twee zouden elkaar na hun afscheid in dit aardse leven niet meer terugzien. Hij bleef alleen achter, weemoedig en gedeprimeerd. ‘We shall meet again, if not here, then in a better world.’ zijn aan hem haar laatste, nog in het Texaanse Galveston haastig neergekrabbelde woorden.

Tweede en derde pagina brief Hoola van Nooten aan Dunlap Batavia 9 december 1856; collectie ‘Berthe Hoola van Nooten to J.G. Dunlap, 1854-’59’ (John G. and Beatrice A. Dunlap family correspondence, Louisiana Research Collection, Louisiana, Tulane University)

Na anderhalve maand gelogeerd te hebben in een ‘delightful, beautiful mansion’ van de bevriende familie Eaton, vertrok Berthe met haar driekwart gezin vanuit de haven van Boston richting Europa. Op de bijna zestig meter lange pakketboot Chatsworth was ze volgens eigen zeggen de enige ‘lady-passenger’. Quasi-ongeïnteresseerd sigaren rokende mannen ergerden haar. Overdag werd ze vaak beziggehouden door de drie kinderen, maar ‘s nachts, alleen in haar kajuit, de donkere, rusteloze watermassa bodemloos onder haar, sloeg de eenzaamheid toe. ‘Oh, how I then long for you’ schreef ze Dunlap. ‘I can say in all truth, that of all the friends I have left in America, you have been uppermost in my thoughts […].’ Over een stormachtige noordelijke Atlantische Oceaan (waarbij Berthe soms voor haar leven vreesde en verschillende keer zelfs Zijn hulp moest aanroepen) kwam het gezin via Liverpool (22 oktober, inclusief aanvaring met een groot vrachtschip) en Londen (per trein) ‘per steamship’ tenslotte aan in Rotterdam. Opnieuw over het spoor ging het daarna snel door naar Wageningen, waar Berthe op 28 oktober haar twee oudste dochters na een jarenlange scheiding eindelijk weer in de armen kon sluiten. Ruim vier weken later vertrok de nu zeskoppige familie op de Resident van Son vanuit Rotterdam richting Kinderdijk, Hellevoetsluis en, als laatste Europese stad, Brouwershaven. Wind en mistbanken dwongen het stoomschip daar meer dan een week op definitief vertrek naar Indië te wachten. Maar de wind ging liggen, de mist trok op, en de reis werd voortgezet. Via een nog altijd gure Noordzee, de Canarische en Kaapverdische eilanden, de zuidelijke Atlantische Oceaan, het inmiddels Engelse Kaapstad, de Indische Oceaan, de nauwe Straat Malakka, het door Raffles pas zevenendertig jaar daarvoor gestichte ‘Singapoera’ (dat ze als poste restante-adres had opgegeven aan Dunlap), de Zuid-Chinese Zee en tenslotte de ondiepe, troebele Javazee, landde Berthe na bijna zes maanden, op 12 april 1856, met haar vijf kinderen veilig op de reede van Batavia. Met de Resident van Son verging het minder goed. De tweedeks bark zou al haar verre Indiëreizen overleven, maar in 1862 tijdens een voorjaarsstorm op de Zuid-Engelse klippen lopen, kapot slaan, en versplinterd worden door de golven van Het Kanaal.

Kaart Batavia en de omliggende landen, aquarel, ongedateerd, 1800-1850 (Nationaal Archief)

De halve-wereldreis was op de Bataviase reede nog niet voorbij. Berthe en haar gezin moesten vanaf de ruim twee kilometer buitengaats gelegen aanlegplaats via het kaarsrechte Havenkanaal (‘very Dutch and straight’) verder afgezet worden bij de Kleine Boom, het eenvoudige en nogal haveloze douanegebouwtje op het Javaanse vasteland, ook wel kantoor der recherche of inklaringskantoor genoemd. Dat overzetten was een hele bedoening. Omdat er bij stormachtig weer zelfs doden konden vallen werd het werk meestal niet geklaard door Europese matrozen, maar door veel goedkopere lokale roeiers die in honderden prauwen (‘tambangangs’) voortdurend in de haven ronddobberden. In alle windrichtingen keek de fris gearriveerde weduwe uit op glibberige, uitgestrekte en door ‘verderfelijke uitwasemingen’ geplaagde moddervelden en brakwaterplassen. Verlaten visvijvers vol muskietenlarven vulden de kale vlakte. De woonwijk rondom het vroegere Casteel (de ‘benedenstad’) was het oudste gedeelte van Batavia, de blanke residentie die ooit ‘die magtige Koninginne van ‘t Oosten’ werd genoemd. Die tijd bestond niet meer. Met het gestage teloorgaan van de VOC was de onvermijdelijke aftakeling ingezet. Geteisterd door malaria had de hoofdstad zelfs de steeds passender bijnaam ‘Kerkhof der Europeanen’ gekregen. Alfred Russel Wallace, Darwins evolutionistische penvriend, vond tijdens zijn reis door de ‘Maleise’ archipel dat Java zich het mooiste tropische eiland ter wereld mocht noemen, maar de eerste kennismaking met Indië moet voor elke nieuwe reiziger een flinke schok zijn geweest. Tientallen jaren eerder had een Nederlandse adelborst de omgeving al beschreven als een ‘smerige en walgelijke buurt’, een gevaarlijke plek om zo snel mogelijk achter zich te laten, en nog veel later, tegen het einde van de eeuw, deed het eindeloze havenkanaal vol ‘trübschmutziges Wasser’ de Duitse botanicus Haberlandt van afkeer bijna terugdeinzen. In dit broeierige havengebied vol pakhuizen en afgeladen toko’s leefden destijds ‘slechts’ niet-blanke slaven, Arabieren, honderden Portugese afstammelingen, duizenden ‘onzindelijke’ Chinezen, tienduizenden Indiërs en miljoenen muskieten, alle, buiten strikt noodzakelijke kantooruren, zorgvuldig gemeden door hun Hollandse landgenoten. Berthe zou de zuidelijker gelegen ‘bovenstad’ geregeld, maar het eiland nooit meer verlaten. [wordt vervolgd...

Woodbury & Page, fotografie, ongetiteld (circa 1865), haven van Batavia, zicht richting noordoosten op het Havenkanaal en (rechts) het douanekantoor de Kleine Boom

 

 

 

 

 

 

 

 

(de gedrukte tekst zal alle bibliografische verwijzingen bevatten)
Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in botanie, Reizen, Uncategorized en getagged met , , , , , , , . Maak dit favoriet permalink.

Een reactie op 12 oktober 1817

  1. Ton Entius zegt:

    David,

    Laat eens echt wat horen. En hoever ben je nu met Berthe ? Goeds, Ton

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s