Shunga: Japanse porno, christenen en lentekriebels

Seks in het bad, de tempel, de tuin, of in de kinderkamer, seks met honden, ezels, apen, koeien, olifanten, octopussen of stekelroggen, seks met priesters, shoguns en samoerai, poep-, plas- of okselseks, seks met opa’s, oma’s, kleinkinderen, goedkope geisha’s of dure lustjongetjes, seks met kunstvagina’s of dubbele kunstpenissen, softe vanilleseks met vaginale plezierballetjes of brute gangbangseks, achterstevoren- of onderstebovenseks: niets menselijks was de gewone Japanner in de Edo-periode (1602-1868) vreemd.

Japan is geen christelijk land. Slechts één procent van de bevolking hangt deze geïmporteerde, zogenaamd monotheïstische religie aan. Dat heeft Japan te danken aan de beruchte shoguns (‘generaals’), die het land eeuwenlang in een ijzeren greep hielden. Deze vaak atheïstische alleenheersers gooiden vanaf het begin van de 17de eeuw alle missionarissen systematisch het land uit, of hingen hen ondersteboven in mestputten totdat zij gestikt waren in hun eigen uitbraaksels. Toen christenen ondanks die gruwelen toch naar Japan bleven komen, werden zij met honderden tegelijk vermoord. In eerste instantie trok dit juist nog meer martelaren aan, maar uiteindelijk werkte de strategie van de shoguns heel goed: rond het midden van de 17de eeuw was er officieel geen enkele christen meer in het hele Japanse keizerrijk. De Hollanders ontkenden wijselijk van hetzelfde geloof te zijn als dat van hun concurrenten, de Portugezen en Spanjaarden. De winsten die uit het exotische eilandenrijk werden gehaald waren namelijk zo spectaculair dat openlijk evangeliseren erg nadelig voor de negotie zou zijn. Daarom hadden zij als enige Europeanen toestemming om Japan binnen te komen. De gehaaide shoguns geloofden overigens niets van wat de Hollanders hun probeerden wijs te maken over het christelijk geloof. Zij dwongen hen eenvoudig de verderfelijke bijbels aan boord te houden, in een verzegelde kist, zodat geen enkele Japanner met de in hun ogen agressieve namaak-religie besmet zou kunnen worden. De Hollanders (in Japanse ogen slechts ongewassen ‘roodharige barbaren’) werden om die manier van zakendoen overal in Europa beschimpt. Men vond dat het hypocriete Holland zichzelf en het christendom vernederde door heilige principes te verkwanselen voor ordinair geld. De vrijzinnige Japanners waren juist weer verbaasd over de homofobie van de preutse christenen. Als het ooit gelukt zou zijn om heel Japan te kerstenen was het land waarschijnlijk de onfortuinlijke Filippijnen achterna gegaan. De inheemse cultuur van dat nabijgelegen eilandenrijk is vernietigd door de katholieken die meer vuurwapens hadden dan de weerloze bevolking. In het machtige Japan hadden juist de shoguns meer vuurwapens (ook al hadden zij die ooit juist gekregen van de Europeanen), en kon een door christenen gehate originele pornografie tot kunstzinnige bloei komen. Dankzij de lange en rijke eigen geschiedenis, de relatief afgesloten cultuur in de Edo-periode, de verwende burgerij van de grote steden en de vele geniale kunstenaars die zich niet te goed voelden om hun eigen seksualiteit onverbloemd uit te beelden ontstond de typisch Japanse erotische of pornografische prentkunst die shunga genoemd wordt (‘voorjaarsbeelden’ of ‘lentekriebels’).

Seks is voor christenen altijd een explosief onderwerp geweest, zowel op het heteroseksuele, homoseksuele als pedoseksuele vlak. Dit komt waarschijnlijk omdat seks als primaire natuurkracht haaks staat op alle goddelijke aanspraken op alleenheerschappij. Japanners aanbaden meer (natuur)goden tegelijkertijd, en deden daarom misschien minder moeilijk over hun zogenaamd hogere of lagere lusten. Alles was mogelijk en dus werd alles gepraktiseerd. Er zijn Japanse keizers geweest die zo gehecht waren aan het stoeien met de lustjongetjes aan hun hof, dat zij (onder luid protest) door hun eigen hofdignitarissen zelfs gedwongen moesten worden om te trouwen, met een vrouw. Overigens lieten alle keurige christelijke Hollanders zich op het eilandje Dejima bij Nagasaki regelmatig verwennen door dure Japanse prostituees, die zij tevens misbruikten om kostbare goederen naar hun pakhuizen te smokkelen. Japanners gaven zich ook over aan seksuele uitspattingen, maar deden dat onbevangen, schaamteloos en met meer plezier.

Rond 1800 bereikte de kunst van de shunga een hoogtepunt in de prachtige prenten van Utamaro Kitagawa (ca 1753-1806). Deze hartstochtelijke liefhebber van mooie vrouwen in de hoerenwijk Yoshiwara in Edo (het huidige Tokyo) stuwde de kunst van de erotische houtgravure tot grote artistieke hoogte op. Het woord shunga wordt ook wel vertaald als ‘kussenplaatjes’ of ‘lachbeelden’, waarbij het Japanse woord voor ‘lachen’ ook als ‘masturberen’ opgevat kan worden. Alle seksuele anatomie is op de prenten van Utamaro tot buitengewone proporties opgeblazen, wat de Japanse shunga onderscheidt van de veel realistischer en huiselijker ogende Chinese erotische prentkunst. De 19de-eeuwse Franse japanofiel Edmond de Goncourt schreef in zijn beroemde dagboeken zelfs dat Utamaro de Michelangelo van de penis was. Deze zeer originele en gewaagde observatie zal iedereen die Utamaro’s schitterende en ongehoorde shunga heeft gezien onmiddellijk kunnen beamen. De enige die wat onbeschaamde en brute erotische artisticiteit betreft in zijn buurt komt is de 85-jarige Pablo Picasso, die bijna twee eeuwen later zijn meest spectaculaire en pornografische olieverfschilderijen produceert. Maar deze grootste kunstenaar van de 20ste eeuw was dan ook een hartstochtelijk bewonderaar van zijn Japanse voorganger.

Eén van de vele andere originele Japanse kunstuitingen is de netsuke, of gordelknoop, recentelijk bij een groter publiek bekend geworden door de historische roman van Edmund de Waal: The Hare With Amber Eyes (vertaald als De haas met de amberkleurige ogen). In dit boek wordt het fascinerende verhaal verteld van een kostbare netsuke-verzameling in de familie van de schrijver. Japanners zouden niet zo’n bijzonder volk zijn, als zij ook niet op het vruchtbare idee van de shunga-netsuke waren gekomen: een gordelknoop bestaande uit pornografische figuren. Hier afgebeeld ziet u zo een bijzonder miniatuur kunstwerk. Het bestaat uit twee delen: een bijzonder vrolijke en opgewonden man en een gelukzalig glimlachende vrouw, die op de meest natuurlijke manier in elkaar geschoven kunnen worden. Meestal werden netsukes uit ivoor vervaardigd, maar deze gesigneerde, dubbele shunga-netsuke is van prachtig glanzend 19de-eeuws beukenhout.  Na de Meiji-restauratie in 1868 mochten christenen voor het eerst in twee-en-een-halve eeuw weer officieel Japan binnenkomen. Eén van de eerste dingen die zij hun gastheren (al snel succesvol) probeerden te verbieden was de onbeschaamde seksuele cultuur die zij overal meenden te ontwaren. Maar deze fijnzinnige dubbele shunga-netsuke is aan die hypocriete christelijke kaalslag glansrijk ontsnapt. Hij is een ode aan de kunstzinnige, onbeschaamde en geëmancipeerde erotiek van de Japanse volkscultuur in de Edo-periode.

literatuur

♣ BOXER, C[harles] R[andolph]: The Christian Century in Japan 1549-1650. Berkeley and Los Angeles: University of California Press, 1967.
♣ CALZA, Gian Carlo: Poem of the Pillow and Other Stories by Utamaro, Hokusai, Kuniyoshi and Other Artists of the Floating World. New York, Phaidon, 2010.
♣ EVANS, Tom and Mary Anne: Shunga. The Art of Love in Japan. New York, Paddington Press, [1975].
♣ FAGIOLI, Marco: Shunga. Ars Amandi in Japan. Tübingen-Berlin: Ernst Wasmuth Verlag, 1998.
♣ FORMAN, Werner: Japanese Netsuke. London: Spring Book, 1960.
♣ GONCOURT, Edmond de: Utamaro. New York: Parkstone, 2008.
♣ HEREU / SERRA (foreword / preface): Secret Images. Picasso and the Japanese Erotic Print. London: Thames and Hudson, 2010.
♣ KLOMPMAKERS, Inge: Japanese Erotic Prints. Shunga by Harunobu & Koryûsai. Leiden & Boston: Hotei Publishing, 2008.
♣ KRAUSS, Friedrich S.: Japanisches Geschlechtsleben. Abhandlungen und Erhebungen über das Geschlechtsleben des Japanischen Volkes. Hanau: Verlag Karl Schustek, 1965. 1965.
♣ LONGSTREET, Stephen and Ethel: Yoshiwara: City of the Senses. New York: David McKay Company, 1970.
♣ MARHENKE, Dorit, Ekkehard May (Texten): Shunga. Erotic Art in Japan. Heidelberg, Edition Braus, 1995.
♣ PFLUGFELDER, Gregory M.: Cartographies of Desire. Male-Male Sexuality in Japanese Discourse, 1600-1950. Berkely. Los Angeles. London: University of California Press, 1999.
♣ SAIKAKU, Ihara: The Great Mirror of Male Love. (transl. Schalow) Stanford, California: Stanford University Press, 1990.
♣ SCREECH, Timon: Sex and the Floating World. Erotic Images in Japan 1700-1820. Honolulu: University of Hawai’i Press, 1999.
♣ SHUNGA. Japanese Erotic Art. (foreword Shirakura Yoshihiko). Tokyo: Pie Books, [2008].
♣ TRESMIN-TRÉMOULIÉRES: Yoshiwara. Die Liebesstadt der Japaner. (Übersetzung Bruno Sklarek) Berlin: Louis Marcus Verlagsbuchhandlung, [1920].
♣ UHLENBECK, Chris & Margarita WINKEL: Japanese Erotic Fantasies. Sexual Imagery of the Edo Period. Amsterdam: Hotei Publishing, 2005.
♣ UTAMARO, Kitagawa: Kopfkissenbuch. Berlin (DDR): Berliner Verlag, 1989
♣ VOS, Frits: ‘Forgotten Foibles – Love and the Dutch at Dejima (1641-1854)’ in: Lydia BRÜLL und Ulrich KEMPER (Herausg.): Asien. Tradition und Fortschritt. Festschrift für Horst Hammitzsch zu seinem 60. Geburtstag. Wiesbaden: Otto Harrasowitz, 1971.
♣ WAAL, Edmund de: The Hare With Amber Eyes. The Illustrated Edition. London: Chatto & Windus, 2011.
♣ WILLIAMS, Harold S.: Shades of the Past or Indiscreet Tales of  Japan. Tokyo, Japan & Rutland, Vermont: Charles E. Tuttle Company, [1959].

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Biologie voor dames: chicklit in de 19de eeuw

Bijna een eeuw geleden schreef de grote Russische dichter Marina Tsvetajeva (1892-1941) dat zij helemaal genoeg had van al die zwijmelende vrouwelijke collega’s die geen zin konden produceren zonder de woorden ‘ik’ of ‘liefde’ er in. Zij had al een hekel aan het woord ‘dichteres’, omdat ze vond dat vrouwen daarmee juist tekort gedaan werden. Maar nu, na ontelbare feministische golven, is het nog steeds de normaalste zaak van de wereld om in een willekeurige boekwinkel een zogenaamde chicklit-afdeling aan te treffen: een apart gedeelte vol romans met ‘waargebeurde’ verhalen over de liefde, geschreven door en voor vrouwen. De goedkope, gelumbeckte paperbacks zijn meestal voorzien van verleidelijk roze of anderszins bloemig gekleurde omslagen, met daarop meeslepende illustraties van vrouwelijke lotgenoten, die zich door de stormen van het woelige leven proberen te worstelen. De afloop van het verhaal is liefst positief en troostrijk.                                                                               Voor mannen is dit veilige roze gebied verboden: zij houden al eeuwenlang van het stoerdere blauw. Chicklit is in feite de moderne en sociaal meer geaccepteerde opvolger van de even beruchte als nog steeds zeer succesvolle ‘kasteelroman’, die op zijn beurt weer lijkt op de devote boekjes voor adellijke dames in de Middeleeuwen. Het is echter te vrezen dat in die tijd galante ridders op witte paarden al net zo zeldzaam waren als nu.  Natuurlijk zijn er altijd geëmancipeerde uitzonderingen geweest, zoals de avontuurlijke kunstenares Maria Sibylla Merian uit de 17de, de onversaagde wereldreizigster Jeanne Baret uit de 18de, de bescheiden botanica Berthe Hoola van Nooten uit de 19de of de militante Tsvetajeva uit de 20ste eeuw. Maar meestal namen vrouwen zichzelf net zo weinig serieus als mannen dat deden: van zelfs de beroemdste en onafhankelijkste vrouwen in de geschiedenis (zoals Hillary Clinton of Astrid Lindgren of ) weet bijna niemand de eigen naam. Vrouwen gebruikten (net als nu) liever de naam van hun man. Mannen hebben dit altijd de normaalste zaak van de wereld gevonden.                                                                                                                            De Parijse arts en historicus Charles Malo (1790-1871) publiceerde in de jaren ’20 van de 19de eeuw een paar prachtige gidsjes van vogels, vlinders, exotische dieren en fraaie plantjes. De boekjes waren speciaal voor vrouwen bedoeld. Dat betekende dat de tekst lichtvoetig moest zijn en niet te moeilijk, het formaat niet te stoer maar prettig handzaam (het liefst in miniatuur) en dat de boekbandjes een verleidelijke vrouwelijke kleur moesten hebben. Dat kon toen, net als tegenwoordig, alleen maar glimmend roze zijn. Alles moest kinderlijk, vrolijk en naïef geïllustreerd worden met mooie handgekleurde plaatjes van niet-aanstootgevende dieren. Kortom, de bibliofiele boekjes waren een soort 19de-eeuwse chicklit: blinkende biologie voor gevoelige dames die van frivole gespreksstof, kinderlijke lectuur en heerlijke liefdesperikelen houden.

Eén van die charmante 19de-eeuwse boekjes is Malo’s Les Papillons, uitgegeven rond 1816 bij Janet, Libraire, Rue St. Jacques No. 59, Paris, en gedrukt bij L’Imprimerie de Richomme, eveneens in de Rue Saint-Jacques, No 67. Het originele bandje is van glimmend roze karton, in een handzaam kartonnen foedraaltje gestoken met dezelfde zuurstokroze tint. De gegraveerde titelprent verraadt behulpzaam waar het om gaat: een schalkse dame leunt bevallig tegen een modieus 19de-eeuws éénpootstafeltje, en kijkt ons koket aan, in één hand zorgvuldig een ondetermineerbare rozige vlinder vasthoudend. Dat is de ware geest van de tijd: vrouwen in de hogere kringen werden geacht zich bezig te houden met onschuldige zaken als pianospelen of natuurstudie, maar zodra zich (hopelijk) het huwelijk aandiende, was het natuurlijk gedaan met al die kunstzinnige fratsen.

De buitengewoon talentvolle en intelligente Weense schoonheid Alma Mahler (haar eigen naam gebruikt niemand) is in het begin van de 20ste eeuw een prachtig voorbeeld van die vrouwelijke zelfhaat: Alma was zo rijk en knap dat zij elke man kon krijgen die ze wilde hebben, maar vond het een vloek om zelf een vrouw te zijn. Zij vernietigde veel van haar eigen composities, ook zónder dat haar man Gustav daarom vroeg. Dezelfde neiging tot zelfonderschatting zien we in Nederland in 2012, waar bijna net zoveel meisjes aan de universiteit studeren als er uiteindelijk geen hoogleraar worden. En terwijl vroeger mannen er streng voor waakten dat vrouwen überhaupt niet verder konden studeren, voelen tegenwoordig de meeste jongens zich juist weer te goed voor de universiteit: zij haken massaal af om in het echte en gevaarlijke leven sneller hun eigen geld te gaan verdienen. Intussen leren meisjes van jongs af aan om te blozen, in de klas keurige cijfers te halen, hun eigen carrières daarna snel op te geven en om niet van het stoere blauw maar van het gevoelige roze te houden.

Les Papillons telt 198 bladzijden en is verrijkt met elf fijnzinnige, zorgvuldig handgekleurde gravures van exotische vlinders, waarschijnlijk van de hand van M.F. Janet naar ontwerpen van M.P. Bessa. In het openingsgedicht worden smachtende meisjes al rijmend vergeleken met tere en vergankelijke schubvleugeligen: zij fladderen van bloem tot bloem, telkens nieuwe bedpartners vindend, maar uiteindelijk nooit de Ware Liefde. De schrijver deelt ons daarna expliciet mee dat alles voor ‘l’amusement et la distraction’ is bedoeld. Mannen vonden al deze vlinderachtige beuzelarijen heel geschikt voor vrouwen, maar natuurlijk veel minder voor zichzelf. Overigens wordt in de inleiding een vrouw vermeld die op bijna ieders bewondering kon rekenen: de eerdergenoemde en nog altijd bewonderde Maria Sibylla Merian. De rijke en beroemde Amsterdamse apotheker en rariteitenverzamelaar Albertus Seba was één van de weinigen die op haar neerkeek: hij vond Merian maar een eenvoudige amateur, een liefhebster van vlindertjes. Seba werd schatrijk met zijn verzamelingen, maar de bescheiden Merian is uiteindelijk in relatieve armoede gestorven. Veel van haar spectaculaire en tegenwoordig onbetaalbare insectenboeken lagen toen nog onverkocht in haar magazijn. Ruim een eeuw later bleek Charles Malo commercieel veel succesvoller, door zijn vlinderboekjes aan te passen aan de wensen van het gevoelige schone geslacht.

Een andere titel in hetzelfde genre is het anoniem uitgegeven Histoire Naturelle en Miniature Suite à l’Abeille des Dames [1820], uitgegeven bij Le Fuel, Libraire, Rue St. Jacques, No. 54, Paris (blijkbaar vlakbij de uitgever van het boekje van Charles Malo). Ook dit tweede boekje heeft een verleidelijk glimmend roze bandje, gestoken in een beschermende blinde cassette, met eveneens een gegraveerde titelprent en elf met de (kinder)hand ingekleurde gravures, niet alleen van vlinders maar ook van exotische vogels en fijnzinnige bloemetjes en plantjes.

Histoire Naturelle en Miniature bevat een boekhistorische bijzonderheid: omdat het boekje omhuld is door een zogenaamde blinde cassette, is de titel van het binnenin liggende boekje niet te zien. De uitgever heeft daarom een klein los titelblaadje geplakt bovenaan het eerste schutblad. Dat kan over de vergulde bovensnede gevouwen worden, waardoor de titel van bovenaf altijd zichtbaar is, ook al omsluit de tekstloze cassette het boekje aan vijf zijden. Het spreekt voor zich dat deze prachtige en zeldzame boekjes in wetenschappelijk opzicht van nul en generlei waarde zijn, maar als onverhulde tijdsdocumenten zijn zij toch interessant. Op een politiek incorrecte manier laten zij zien dat de vermeende zwakheden van vrouwen van alle tijden zijn, net als die van mannen overigens. Uitgevers speelden daar ook vroeger al gewiekst op in. Tegenwoordig is er zelfs een literaire tegenbeweging ontstaan: de zogenaamde dicklit, zoals de naam al suggereert speciaal bedoeld voor (stoere) mannen. Anno 2012 worstelen vrouwen nog altijd met hun eigen romantische verlangens: zij vinden het eigenlijk heerlijk dat er zoiets als chicklit bestaat, maar worden er tegelijkertijd door afgeschrikt. Charles Malo had hier in 1816 waarschijnlijk om moeten glimlachen: hij wist tenslotte toen al feilloos wat échte vrouwen willen.

Bibliografie

♣ Mahler, Alma: Het is een vloek een meisje te zijn. Een keuze uit haar dagboeken 1898-1902. De Arbeiderspers: Amsterdam, 2000                                                                       ♣ Malo, Charles: Les Papillons. Janet, libraire, Rue St Jacques No. 59, Paris [1816].                  ♣ [anon.]: Histoire Naturelle en Miniature Suite à l’Abeille des Dames. Le Fuel, Libraire: Paris, Rue St. Jacques No. 54, Paris [1820].    ♣ Tsvetajeva, M.I.: Werken. Uitgeverij G.A. van Oorschot: Amsterdam, 1999 (vertaling en nawoord Marko Fondse)                                     ♣ Wettengl, Kurt (red.): Maria Sibylla Merian 1647-1717 Kunstenares en natuuronderzoekster. Becht / Teylers Museum: Haarlem, 1998

Geplaatst in Ornithologie, Zoologie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | 4 reacties

Dubbelzinnige stambomen: Ernst Haeckel en de Ladder van de Natuur

In de geschiedenis van de evolutietheorie zijn weinig afbeeldingen zo iconisch geworden als de weelderig uitwaaierende stambomen van de Duitse bioloog Ernst Haeckel (1834-1919). Zij waren bedoeld als speculatieve maar wetenschappelijk verantwoorde illustraties van de toen nog heftig omstreden evolutietheorie. Het grote publiek zag in de romantisch ogende  stambomen echter vooral het beeld oprijzen van een natuur die blijkbaar altijd omhoog streefde, naar vooruitgang en doelgerichtheid. Haeckel stimuleerde die vooringenomen manier van kijken  door sommige van zijn stambomen af te beelden als knoestige eiken, met aan de ijle top (dat kon niemand verbazen) de West-Europese blanke man die als een koning boven de rest van de natuur uittroonde en daar ogenschijnlijk ook  het doel van was. Alhoewel Haeckel zelf teleologische tendensen in zijn stambomen ontkende, was het onmogelijk om in die indrukwekkende bomen niet de bekende ‘scala naturae’ (Ladder van de natuur) te zien, met alle antropocentrische associaties die daarbij horen.

Deze in wezen Platoonse Ladder van de natuur was in de 18de eeuw van stevige theologische en filosofische fundamenten voorzien door Charles Bonnet (1720-1793), die betoogde dat de gehele natuur naadloos was opgebouwd uit wezenlijke entiteiten die tezamen de ‘Echelle des êtres naturels’ (‘The Great Chain of Being’) vormden. Vuur, water, aarde, stenen, levenloze mineralen en planten bungelden onderaan deze levensladder, dieren, mensen, engelen en een christelijke god zweefden in toenemende mate van onstoffelijkheid aan de top. Alles neigde omhoog,  maar uitsluitend in statische zin. Bonnet zag dat als een goddelijke paradox, wij zien dat tegenwoordig anders: door onze Darwiniaanse blik is het onmogelijk om in die eindeloze levensladder geen evolutionaire structuren en verwantschappen te zien. Voor Bonnet, die wilde laten zien dat hij een goed christen was, waren dat soort ideeën onbestaanbaar en ondenkbaar. Toen hij jong en onbevangen was (en nog niet devoot) ontdekte hij de verbazingwekkende ongeslachtelijke voorplanting van bladluizen. Zijn vriend Abraham Trembley experimenteerde in dezelfde tijd met de even revolutionaire regeneratie-vermogens van zoetwaterpoliepen, en die twee ontdekkingen dreigden samen de hele biologie (een woord dat toen nog niet bestond) op haar kop te zetten. Ongeslachtelijke voortplanting van bladluizen en eindeloos regenererende zoetwaterpoliepen waren tot daar aan toe, maar suggereren dat er überhaupt geen doelgerichtheid in de natuur zou voorkomen was erger dan godslastering.

Charles Darwin was een van de weinigen die niet veel illusies koesterde over de zogenaamde vooruitgang in de natuur, hoewel hij de Vuurlanders die hij ontmoette tijdens zijn wereldreis met de Beagle nog wel voor een armzalig en inferieur mensenras hield. Ook van teleologische ideeën was hij niet onder de indruk, iets wat weinig van zijn vrienden hem konden nazeggen en wat Darwins diepgelovige echtgenote voortdurend zorgen baarde. Darwin is dan ook verantwoordelijk voor de mooiste evolutionaire stamboom die ooit getekend is: zijn kleine maar verbijsterend moderne schets uit 1837 (zie afbeelding hiernaast), later uitgewerkt als enige illustratie in zijn magnum opus On the Origin of Species (1859). Haeckel daarentegen was tegelijkertijd impulsiever en minder scrupuleus, en vond daarom populaire weerklank belangrijker dan wetenschappelijke zorgvuldigheid. Vandaar dat hij de verleiding niet kon weerstaan om zijn evolutionaire ideeën te illustreren met iets waarvan hij wist dat het voor dubbelzinnigheid moest zorgen: de stamboom van de evolutie als stoere eik. Hij injecteerde als het ware de statische levensladder van Bonnet met tijd, en kreeg daar een dynamische, evolutionaire  levensboom voor terug. Het antropocentrisme van Bonnet nam hij echter ook over: vuur, lucht, water en aarde zijn verdwenen, maar dieren als bacteriën, kwallen, zeekom-kommers en zakpijpen worden nog steeds onderaan de levensboom afgebeeld. Reptielen en vooral de altijd populaire vogels worden al meer gewaardeerd en dus hoger geplaatst. Insecten, die voor iedereen toch duidelijk zeer talrijk en succesvol waren, komen er weer bekaaid vanaf, en moeten genoegen nemen met een weliswaar stevige maar toch wat laaghangende zijtak. Apen, halfapen en mensen daarentegen delen een stoere hoofdtak bovenaan in de levensboom. Op deze manier was het onmogelijk om Homo sapiens niet te zien als het middelpunt van de evolutie, ironisch genoeg precies zoals de door Haeckel verfoeide christenen dat deden, met de mens als doel en hoogtepunt in gods volmaakte schepping. Die schepping was overigens blijkbaar niet zo volmaakt dat er geen doelgerichtheid in kon voorkomen.

Al tijdens Haeckels leven werden hem deze dubbelzinnige stambomen kwalijk genomen door vakgenoten, en postuum kreeg hij het verwijt dat evolutionisten als hij en Darwin verantwoordelijk waren voor het 20ste-eeuwse racisme van vooral het Derde Rijk. Dat verwijt is wat de altijd consciëntieuze Darwin betreft absurd, en gaat voor Haeckel veel te ver, al was het alleen maar omdat juist Haeckel overtuigd en overtuigend streed voor een waarachtiger begrip van de levende natuur in het algemeen en de afkomst van de mens in het bijzonder. Als er ideologieën hebben bestaan die de mens als zelfverklaarde en absolute meester van de natuur boven al de andere levende wezens hebben gezet, en wel op de meest intolerante en meedogenloze wijze, dan zijn het altijd de monotheïstische religies geweest, trots op hun verraderlijke boodschap van geluk in een hiernamaals. Slechts seculiere wetenschappen als de moderne biologie konden dit verkalkte statische natuurbeeld uiteindelijk doorbreken, waardoor bijvoorbeeld nog tijdens Haeckels leven werd ontdekt dat de vroegste gewervelde verwanten van de mens nu juist die door christenen verafschuwde zakpijpen zijn (zie afbeelding hierboven).

De zelfverklaarde atheïst Ernst Haeckel is echter een geval apart. Nog steeds worden overal ter wereld zijn prachtige illustraties gebruikt om te laten zien hoe evolutie werkt, maar het valt niet te ontkennen voor wie zijn beroemde en verleidelijke stambomen bewondert: alle dieren zijn gelijk, maar de mens is gelijker.

Literatuur
ANDERSON, Lorin: Charles Bonnet and the Order of the Known. Dordrecht, Boston, London: Reidel Publishing Company, 1982.
♣ BREDEKAMP, Horst: Darwins Korallen. Frühe Evolutionsmodelle und die Tradition der Naturgeschichte. Berlin: Verlag Klaus Wagenbach, 2005.
♣ BROMME, Traugott: Systematischer Atlas der Naturgeschichte für Schule und Haus. Stuttgart:              J. Engelhorn, 1861.

♣ GASMAN, Daniel: The Scientific Origins of National Socialism. Social Darwinism in Ernst Haeckel and the German Monist League. London: Macdonald, 1972.
♣ HAECKEL, Ernst: Natürliche Schöpfungsgeschichte.          4. Auflage. Berlin: Georg Reimer, 1873.
♣ HAECKEL, Ernst: Anthropogenie oder Entwicklungsgeschichte des Menschen. Leipzig: Wilhelm Engelmann, 1874.
♣ LOVEJOY, Arthur O.: The Great Chain of Being. Study of the History of an Idea. Cambridge Harvard University Press, 1936.

Geplaatst in Evolutie, Zoologie | Tags: , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Kangoeroes aan tafel: een 19de-eeuws reisje naar Australië

Rond het midden van de 19de eeuw publiceerde de Nederlandse kinder-boekenschrijver Pieter van Os een aardig boekje over een avontuurlijke reis naar de oostkust van Australië, door de Engelsen New South Wales genoemd. Die kust was zo’n 75 jaar eerder door James Cook als eerste Europeaan ontdekt. Inmiddels was hier de kolonistenstad Sydney gesticht, idyllisch gelegen in een prachtige baai iets ten noorden van Botany Bay. Het boekje Reis naar Nieuw-Zuid-Wallis is verrijkt met vier eenvoudige maar aansprekende zwart-wit lithografieën, waaronder een frontispice met daarop een huiselijke scene waarbij een kangoeroe, tot schrik van de protagonist, onverwacht aan tafel verschijnt (zie afbeelding hieronder).

Het boekje verhaalt de larmoyante avonturen van een Engelsman die wegens veronderstelde misdaden naar Australië wordt getransporteerd, om daar in de kolonie te werken en zodoende wellicht zijn vrijheid zal herwinnen. Ondertussen moet hij allerlei gevaren trotseren, waaronder de aanwezigheid van de oorspronkelijke inwoners van Australië, de Aborigines, die volgens de auteur vuil, misdadig, lelijk, lui en onuit-sprekelijk dom zijn. Het zal geen verbazing wekken dat de blanke kolonisten er geen bezwaar in zagen zoveel ‘leeg’ land op te eisen als zij maar wilden.

De uitgever van het boekje gaf tussen 1852 en 1857 een driedelige reeks uit getiteld ‘Keur der nieuwste en belangrijkste reisbeschrijvingen’. Als eerste verscheen Reizen der Engelschen ter ontdekking ener Noordwestelijke doorvaart door den Noordelijke IJszee naar den Stillen Oceaan. Vervolgens in 1853 Reis naar de kolonie van misdadigers Nieuw-Zuid-Wallis. Uit het dagboek van een scheepsdoctor. Voor de jeugd bewerkt door P. van Os. Met vier plaatjes. Te Sneek, bij Van Druten & Bleeker, waarvan de onderhavige editie mogelijk een gewijzigde herdruk of een titeluitgave is. Als laatste deeltje in de serie verscheen in 1852 en 1857 de tweedelige Reizen der Engelschen naar de noordelijke Ijszee en de Stillen Oceaan. Om de een of andere reden is de hier besproken titel dus twee keer uitgegeven, de laatste keer licht gewijzigd.

Edward Duyker vermoedt dat het boekje, hoewel in onze ogen sterk romantisch van toon, daadwerkelijk invloedrijk geweest kan zijn: “Van Os’ book is clearly a romantic account of New South Wales in the 1840′s, but it also contains a substantial appendix dealing with the major gold discoveries in Victoria. Given the paucity of Dutch literature on this subject, it seems likely that it helped to shape the imagination of quite a number of prospective Dutch diggers.”[i]

Dit sympathiek geïllustreerde kinderboekje is zeer zeldzaam: wereldwijd zijn slechts vier exemplaar bekend, waaronder het hier afgebeelde. Het is zo gezocht onder verzamelaars van Australiana, dat een exemplaar op een Australische veiling (voorjaar 2011) maar liefst AU$ 1748,- (€ 1295,-) opbracht.


[i] Edward Duyker, The Dutch in Australia (Melbourne, 1987), p. 39. Zie ook: Ferguson, Bibliography of Australia, nr 13661.
Geplaatst in Reizen | Tags: , , , , , , , , ,

Het Paradijs verloren: Ernst Haeckel nog steeds op zoek naar de wieg van de mensheid

In hoeverre Ernst Haeckel werkelijk dacht dat de oorspronkelijke mens uit het inmiddels in de golven verdwenen Paradijs stamde, wordt uit zijn publicaties niet helemaal duidelijk. Enkele jaren na het verschijnen van zijn Natürliche Schöpfungsgeschichte (1868) (zie afbeelding: 2de druk) laat hij echter de aanduiding ‘Paradis’ en het vraagteken op zijn wereldkaart verdwijnen. Een witte plek in de Indische Oceaan bleef achter (zie afbeelding wereldkaart), door Haeckel eerder half opgevuld door het eveneens hypothetische maar zuidelijker gelegen ‘Lemurien’, dat in het eerste deel van dit artikel al ter sprake is gekomen. Nadat hij ook dit Lemurië van de kaart had gehaald zou het nog jaren duren voordat er enige duidelijkheid zou ontstaan over de werkelijke plaats van de wieg van de mensheid. Ondanks zijn provocerende stellingnames in het evolutie debat werd Haeckel intussen bij een groot publiek bekend en geliefd door zijn uitbundig geïllustreerde werken over ongewervelden als kwallen en radolariën. Deze vormden een grote inspiratiebron voor de architect René Binet, wiens ontwerpen voor de Parijse Wereldtentoonstelling van 1900 de aanleiding zouden vormen voor het opbloeien van de Art Nouveau-beweging in de kunst.

Haeckels landgenoot Alfred Wegener (1880-1930) zou enige tijd later zijn eveneens zeer controversiële theorie van de plaattektoniek publiceren. Deze theorie ging ervan uit dat continenten geen statische eenheden waren (zoals tot dan toe gedacht), maar reusachtige drijvende aardschollen, die in een continue evolutionaire beweging over het aardoppervlak schoven. Francis Bacon was in de zestiende eeuw al opgevallen dat de westkust van Afrika en de oostkust van Zuid-Amerika wel erg goed in elkaar leken te passen. Wegeners theorie poogde dat op een moderne manier te verklaren. Verloren eilanden en onder water gelopen reusachtige landmassa’s als Atlantis en Lemurië waren in zijn theorie niet meer nodig om de vorm van continenten te verklaren,  en dat betekende ook dat Haeckel zijn Paradijs als wieg van de mensheid voorgoed kwijtraakte.

Vlak daarna en nog tijdens Haeckels leven zou echter een nieuwe Hof van Eden worden gevonden, op een heel andere en onverwachte plaats. De Nederlander Eugene Dubois, op zijn beurt persoonlijk daartoe gestimuleerd door zijn grote voorbeeld Haeckel, zou in het paradijselijke Nederlandsch-Indië (het land van de gibbon) rond 1900 op zoek gaan naar de veronderstelde wortels van de mens, en tot ieders grote verbazing zou hij die daar ook werkelijk vinden. Dubois doopte deze vondst Anthropopithecus (mensaap), een naam die later werd veranderd in Pithecantropus erectus  (rechtoplopende aapmens). Uiteindelijk bleek Pithecantropus zelfs geen aapmens te zijn, maar daadwerkelijk nog nauwer aan de moderne mens Homo sapiens verwant, en zijn naam werd definitief veranderd en ‘opgewaardeerd’ tot Homo erectus. Deze spectaculaire vondst van Dubois zou het moderne onderzoek naar de oorsprong van de mens inluiden. Haeckel had deze oermens echter al voorspeld en hem zelfs al koelbloedig een naam gegeven en er een portret van laten maken (zie afbeelding hierboven): Pithecantropus alalus, de spraakloze aapmens.

       

In de loop van de 20ste eeuw bleek de wieg van de vroegste mensaap/aapmens toch in Afrika te hebben gestaan, hoewel de ‘wolharigen’ die daar woonden er weinig mee te maken bleken te hebben. Misschien zouden zij daar als ‘Ulotrichiër’ sowieso niet goed in hebben gepast: de door Haeckel verfoeide christenen zagen het Paradijs vooral als een blanke Hof van Eden. Maar dat aardse Paradijs was voorgoed verdwenen. De Homo sapiens van Linnaeus was daadwerkelijk over zichzelf gaan nadenken. Hij was daarmee een enkele illusie armer maar een oneindig voorgeslacht rijker geworden.   

Literatuur

♣ ALTHAUS, Karin & Helmut FRIEDEL: Gabriel von Max. Malerstar, Darwinist, Spiritist. München: Hirmer, 2010.                                               ♣ HAECKEL, Ernst: Natürliche Schöpfungsgeschichte. Berlin: Reimer, 1868.                                                                                                                      ♣ HAECKEL, Ernst: Natürliche Schöpfungsgeschichte. Berlin: Reimer, 1870.                                                                                                                      ♣ HAECKEL, Ernst: Natürliche Schöpfungsgeschichte. Berlin: Reimer, 1873.                                                                                                                      ♣ HAECKEL, Ernst: The History of Creation: or the Development of the Earth and its Inhabitants by the Action of Natural Causes. Transl. E. Ray Lankester. 3rd edition. London: Kegan Paul, 1883.                                                                                                                    ♣ LEAKY, Richard & L. Jan SLIKKERVEER: Man-Ape Ape-Man. The Quest for Human’s Place in Nature and Dubois’ Missing Link. Baarn: Ambo [etc], 1993.                                                                                               ♣ RICHARDS, Robert J,: The Tragic Sense of Life. Ernst Haeckel and the Struggle over Evolutionairy Thought. Chicago and London: The University of Chicago Press, 2008.                                                                                                                                        ♣ SHIPMAN, Pat: The Man Who Found the Missing Link. The Extraordinary Life of Eugène Dubois. London, Weidenfeld & Nicholson, 2001.                                                            ♣ THEUNISSEN, Bert: Eugène Dubois en de aapmens van Java. Een bijdrage tot de geschiedenis van de paleoantropologie. Amsterdam: Editions Rodopi, 1985.

Geplaatst in Evolutie | Tags: , , , , , , , , , , , , , , , | 1 reactie

Het Paradijs gevonden: Ernst Haeckel op zoek naar de wieg van de mensheid

In Nederland geniet de 19de-eeuwse Duitse bioloog Ernst Haeckel relatief weinig bekendheid. Toch kan zijn belang voor de popularisering van evolutionaire denkbeelden in de negentiende eeuw nauwelijks overschat worden. Haeckel was na het lezen van Darwins On the Origin of Species (1859) op slag een fanatiek aanhanger geworden van diens evolutietheorie. In 1866 bezocht hij Darwin in Down; terug in Duitsland was Haeckel vervolgens een van de eersten die met talrijke publicaties de toen nog zeer omstreden evolutietheorie bij een groter publiek bekendmaakte. Bovendien werd hij, als overtuigd atheïst, berucht door zijn compromisloze strijd tegen wat hij zag als wetenschappelijk obscurantisme en bigotte christelijkheid.

Een van de populairste werken die Haeckel schreef is Natürliche Schöpfungsgeschichte (1868), waarin hij probeert voor een groter publiek zijn denkbeelden over het leven op aarde in het algemeen en de oorsprong van de mens in het bijzonder begrijpelijk en aanschouwelijk te maken. Dit boek bleek een groot succes: het werd tussen 1868 en 1924 talloze malen herdrukt, herzien, uitgebreid, en vertaald in diverse Europese talen.  Vergelijking van de verschillende drukken laat een interessante ontwikkeling in het denken van de auteur zien. Haeckel zocht antwoorden op vraagstukken waarmee zijn achttiende-eeuwse voorgangers ook al hadden geworsteld.

Zo had ruim een eeuw daarvoor de grote Zweedse systematicus Carolus Linnaeus (1707-1778) Homo sapiens al ingedeeld bij de apen (‘primates’), maar zag paradoxaal genoeg geen werkelijke verwantschap tussen mens en dier. Integendeel: Linnaeus was een orthodox christen en geloofde rotsvast (maar later twijfelend) in het bijbelse scheppingsverhaal, waarin wordt verhaald hoe de mens ooit in het maagdelijke Paradijs het prille licht had gezien. Dat mensen en apen directe familie van elkaar zouden kunnen zijn, was voor hem als christen een absurd idee – maar waarom leken ze dan wel degelijk op elkaar? Een bijkomend probleem was het Paradijs zelf: waar had dat gelegen?

In zijn Natürliche Schöpfungsgeschichte probeert Haeckel op beide vragen een antwoord te vinden. Volgens hem waren de overeenkomsten tussen mens en dier meer dan louter oppervlakkig of toevallig. Hij poneerde de explosieve stelling dat ze een gemeen-schappelijke oorsprong moesten hebben, en dat die oorsprong alleen met behulp van de nieuwe evolutietheorie te verklaren was. Darwins grote vriend en medestander Thomas Henry Huxley (de ‘Devil’s Chaplain’) was hem daarin enkele jaren eerder voorgegaan, door skeletten van mensen, chimpansees, gibbons en gorilla’s met elkaar te vergelijken. Haeckel liet in de tweede druk van zijn Natürliche Schöpfungsgeschichte een wereldkaart opnemen, die duidelijk moest maken hoe alle mensen in evolutionaire zin aan elkaar verwant zijn. Maar waar lag de oorsprong van al die rassen, als de bijbel niet als leidraad genomen kon worden? Lag de Hof van Eden in Azië, of misschien in Afrika, waar tenslotte ‘negers’ (‘Ulotrichiërs’ of wolharigen) woonden? Die waren toch duidelijk primitiever dan hoogontwikkelde Noord-Europese blanken zoals Haeckel zelf. Of woonden de veronder-stelde  mensapen/aapmensen toch op de plek die de bijbel aanwees, het gebied tussen de Eufraat en de Tigris, de oorspronkelijke Hof van Eden?

Haeckel besloot bij voorlopig gebrek aan bewijsmateriaal het Paradijs te situeren op een plek die niemand kon betwisten, aangezien zij niet (meer) bestond: midden in de Indische Oceaan, op een verzonken continent, dat misschien wel ooit het mysterieuze Atlantis van Plato was geweest. De Engelsman Sclater had enkele jaren eerder voor dit reusachtige eiland de naam Lemurië verzonnen, afgeleid van de naam voor halfapen (‘lemuren’) op Madagascar, het eiland dat zelf wel eens een overblijfsel van het verzonken continent zou kunnen zijn. De in de tussentijd in Duitsland gevonden Neanderthaler werd nog lang niet door iedereen als serieuze kandidaat voor de oermens aangezien, zodat deze in het denken over de afkomst van de mens vrijwel geen rol speelde. Om de geografische onzekerheid te benadrukken, voorzag Haeckel zijn Paradijs van een vraagteken.

Sommige geleerden[i] lezen de letters ‘U.L.’ in Haeckels wereldkaart (zie illustratie) als ‘Unbekanntes Land’, en vreemd genoeg is Haeckel daar zelf niet duidelijk over. Waarschijnlijk doelde hij op de eerder genoemde ‘Ulotrichier’ en ‘Lisotrichier’  (stijlharigen, d.w.z. blanken en indiërs) die vanuit de Hof van Eden de wereld zouden hebben bevolkt. Haeckel had zijn Paradijs gevonden, maar hij zou dit al snel weer kwijtraken.


[i] Zie bijvoorbeeld: Richards, The Tragic Sense of Life, pp. 250-251.

Wordt vervolgd

Literatuur
♣ DARWIN, Charles. On the Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life. London: John Murray, 1859.
♣ HAECKEL, Ernst. Natürliche Schöpfungsgeschichte. Berlin: Georg Reimer, 1868.
♣ HAECKEL, Ernst.
Natürliche Schöpfungsgeschichte. 2. Ausgabe. Berlin: Georg Reimer, 1870.
♣ HAECKEL, Ernst. The History of Creation: or the Development of the Earth and its Inhabitants by the Action of Natural Causes. Transl. E. Ray Lankester. 3rd ed. London: Kegan Paul, 1883.
♣ HUXLEY, Thomas Henry. [Zoological] Evidence[s] as to Man’s Place in Nature. London: Williams & Norgate, 1863.
♣ RAMASWAMY, Sumathi: The Lost Land of Lemuria. Fabulous Geographies, Catastrophic Histories. Berkely Los Angeles London: University of California Press, 2004
♣ RICHARDS, Robert J.:
The Tragic Sense of Life. Ernst Haeckel and the Struggle over Evolutionairy Thought. Chicago and London: The University of Chicago Press, 2008.
Geplaatst in Evolutie, Zoologie | Tags: , , , , , , , , , , , | Een reactie plaatsen

Orliëtten uit de Stille Zuidzee

‘Toko’, ‘tui’, ‘poij’: al deze exotisch klinkende woorden zijn bedoeld als naam voor de prachtig groengekleurde  hals-kraagvogel, een bewoner van Nieuw-Zeeland en lid van de honingvogelfamilie (Meliphagidae). Aan het eind van de 18de eeuw nam de ontdekkingsreiziger James Cook deze woorden over van de Maori. Het woord poij is evenwel van Tahi-tiaanse oorsprong en betekent ‘oorring’. Dit slaat op de zeer opvallende witte keelpluimpjes die halskraagvogels gebruiken bij de balts. Om dezelfde reden noemden de Engelsen vroeger de vogel ook wel ‘parson-bird’. Het woord ‘poy’ is in het Nederlands geïntroduceerd via de Nederlandse vertaling van Cooks reisverslag, verschenen in 1778 als Reis naar de Zuidpool. Dit reisverslag vertaalde Jan David Pasteur in 1799 opnieuw in het Nederlands. Interessant genoeg noemde hij de vogel tevens ‘orliëtten-vogel’, waarbij hij vermeldde dat het woord orliët is afgeleid van het Franse ‘oreilette’ dat net als poij ’oorring’ of ‘oorhanger’ betekent.

Een van de eerste Europeanen die de vogel in het wild zag was de jonge Duitse wereldreiziger George Forster, die niet alleen heel goed kon schrijven, maar ook prachtig kon tekenen. Hij was met zijn vader Johann Reinhold meegereisd op de tweede expeditie van Cook (1772 tot 1775). George en zijn veeleisende vader kwamen handen en ogen tekort om al de exotische planten en dieren die zij onderweg tegenkwamen te tekenen en te bestuderen. In de bosrijke Dusky Sound in Nieuw-Zeeland zag George in 1773 een luidruchtige poij voorbij-vliegen, met de opvallende witte verenpluimpjes aan zijn keel. De jonge Forster wist de vogel aan boord enkele maanden lang met suikerwater in leven te houden. Intussen maakte hij er een fijngekleurde aquarel van, die later als voorbeeld zou dienen voor de gravure in het reisverslag van Cook. Nadat de vogel op weg naar Tahiti was gestorven, werd hij uiteindelijk als balg met vele andere natuurhistorische voorwerpen mee naar Engeland genomen, om in de 19de eeuw in het Naturhistorisches Museum in Wenen terecht te komen. De huidige verblijfplaats is onbekend.  De poij (samen met onder andere de kangoeroe en de ijsbeer) was een van de opvallend weinige dieren die vermeld en afgebeeld werden in de officiële reisverslagen van James Cook. Pas in de decennia daarna zouden vooral Franse ontdekkingsreizigers tienduizenden exemplaren van exotische dieren en planten verzamelen, en het lezers-publiek in Europa overdonderen met prachtig geïllustreerde, meerdelige reisverslagen.

De eerste Europese naam voor de poij, ‘New Zealand Creeper’, werd al in 1776 door Peter Brown gegeven. In de Duitse staten werd hij ‘Priestervogel’ genoemd, een naam die Georg Forster had voorgesteld. Maar de eerste wetenschappelijke benaming bedacht de Duitser Gmelin in 1788: Merops novae-seelandiae. Toen echter bleek dat de naam Merops al gebruikt was voor een ander vogelgeslacht, veranderde de Engelsman Gray in 1840 de naam definitief in Prosthemadera novaeseelandiae.

Het woord orliëtten wordt in het Nederlands allang niet meer gebruikt, en helaas zijn veel Nieuw-Zeelandse vogelsoorten inmiddels uitgestorven, maar de poij of orliëttenvogel fladdert anno 2011 nog steeds levendig rond in de bossen van het Noorder- en Zuidereiland, op zoek naar  de bedwelmende nectar van de Nieuw-Zeelandse vlas- of hennepplant. U ziet hier van beide de allereerste Nederlandse afbeelding, uit het vierde deel van Reizen rondom de Waereld van James Cook in de vertaling door Jan David Pasteur uit 1799.

Bibliografie
♣ BULLER, Walter Lawry. Buller’s Birds of New Zealand. Ed. E.G. Turbott. 2nd edition. London: Macdonald, 1967.
♣ COOK, James. Reizen rondom de Waereld, vertaald door J.D. Pasteur [...] Vierde deel. Leiden, Amsterdam & Den Haag: Honkoop, Allart en van Cleef, 1799.

♣ FORSTER, Georg. Reise um die Welt. Illustriert von eigener Hand. Frankfurt am Main: Eichborn Verlag, 2007.
♣ WATOLA, George. The Discovery of New Zealand’s Birds. Orewa: Arun Books, 2008.
Geplaatst in Ornithologie, Reizen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen